Toelichting.pdf
Tekst van het document
De half-verharding van puin en grind ter plaatse van de afrit en het terrein achter de loods heeft een dikte van tenminste 0.2 meter. Deze laag bestaat voor bijna 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de kleiige, zandige en licht puinhoudende bovengrond van het perceel zijn koper, lood en zink licht verhoogd. De bovengrond is indicatief AW- of wonen-kwaliteit. Dat komt overeen met de gegevens van de bodemkwaliteitskaart voor Meerkerk. Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDT en de afbraakproducten DDE en DDD meetbaar verhoogd in de toplaag aan de achterzijde van het terrein. Gehaltes liggen echter onder de achtergrondwaarde. Asbest Visueel is nergens asbest waargenomen op of in de bodem van het terrein. Er zijn voor het onderzoek drie mengmonsters samengesteld van de half-verharding rond de loods en de licht puinhoudende bovengrond. Asbest is daarin niet aantoonbaar.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Grondwater Het grondwater staat op het terrein aan de Bazeldijk op 0.7 m-mv. Barium is als enige verhoogd in het grondwater. Het gehalte ligt met 350 ìg/l boven de tussenwaarde. Het barium is landelijk verhoogd. Conclusies, aanbevelingen De licht verhoogde gehaltes aan metalen in de bovengrond zijn geen risico voor de volksgezondheid en geen belemmering voor de ontwikkeling van de locatie. Als er grond bij de bouw vrijkomt dan kan deze zonder belemmering hergebruikt worden op locatie. Als er grond moet worden afgevoerd, dan kan gebruik gemaakt worden van de bodemkwaliteitskaart van de Gemeente Vijfheerenlanden. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie tot de bouwplannen is omgevingsdienst ODRU, namens Gemeente Vijfheerenlanden. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect 'Bodem' geen belemmering voor voorliggend plan.
4.7
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet Luchtkwaliteit Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Advieswaarde (WHO)
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/ m³
10 µg/ m³
Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)
200 µg/ m³
Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
40 µg/ m³
15 µg/ m³
50 µg/ m³ 25 µg/ m³
5 µg/ m³
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie en de toekomstige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd, zie onderstaande verbeeldingen.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Figuur 11: Luchtkwaliteit concentratie stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 in 2020, plangebied nabij zwarte pijl . Bron: NSL-kaart.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Ook voor de situatie in 2030 is de luchtkwaliteit in navolgende afbeeldingen inzichtelijk gemaakt.
Figuur 12: Luchtkwaliteit concentratie stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 in 2030, plangebied nabij zwarte pijl. Bron: NSL-kaart.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
In onderstaande tabel zijn de hoogste waarden te zien vanuit de NSL-monitoringstool. De waarden zijn getoetst aan het wettelijke kader en aan de advieswaarde van de WHO. Tabel 2: Toetsing waarden 2020 en 2030 aan WHO-grenswaarden en advieswaarden. Wettelijk kader en advieswaarde WHO Toetsing van Stof Stikst Jaargemiddelde ofdioxi concentratie de (NO2)
Toetsing
Grenswaar Advieswaar de de (WHO)
Waarde Waarde Voldoet? 2020 2030
40 µg/ m³
10 µg/ m³
24,3 µg/ m³
19,3 µg/ m³
Ja, aan grenswaarde .
15 µg/ m³
17,0 µg/ m³
15,6 µg/ m³
Ja, aan grenswaarde .
5 µg/ m³
9,3 µg/ m³
8,0 µg/ m³
Ja, aan grenswaarde .
Uurgemiddelde (mag max. 200 µg/ m³ 18 keer per jaar worden overschreden) Fijn Jaargemiddelde stof concentratie (PM10)
40 µg/ m³
24-gemiddelde 50 µg/ m³ concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Fijn Jaargemiddelde stof concentratie (PM2,5)
25 µg/ m³
De concentraties blijven op basis van de NSL-monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub en 5 microgram per kuub voor fijnstof PM2,5. Daarnaast hanteert de WHO een advieswaarde voor stikstofdioxide van 10 microgram per kuub. Deze advieswaarden liggen lager dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is alleen getoetst aan het wettelijk vereiste. Hieruit blijkt dat aan de grenswaarden wordt voldaan in 2020 en in 2030. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
4.8
Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: Risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag over de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev).
Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Planspecifiek Om te beoordelen of er risico's Externe Veiligheidsrisico's zijn, is de risicokaart van de provincie geraadpleegd, zie navolgende afbeelding.
Figuur 13: Uitsnede risicok aart, meting vanaf plangebied. Bron: Risicok aart.nl Op zo'n 170 meter zit pluimveehouderij Timmer (Grote Kanaaldijk 18). Binnen dit perceel zijn 2 bovengrondse propaan tanken aanwezig met elk een inhoud van 8.000 liter. Voor een propaantank met een inhoud van < 13 m2 geldt vanwege het Bevi geen plaatsgebonden risicocontour en is geen invloedsgebied voor de hoogte van het groepsrisico bepaald. Inrichtingen waarbij maximaal twee bovengrondse propaanreservoirs aanwezig zijn met een inhoud tot en met maximaal 13 m3 per reservoir, vallen sinds 2007 onder het Activiteitenbesluit. In dit geval vallen beide tanks hieronder. Voor deze reservoirs bestaan veiligheidsafstanden, zie navolgende tabel.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Figuur 14: Veiligheidsafstanden opgenomen in het Activiteitenbesluit, artikel 3.28 De aanwezigheid van de twee propaantanks betreft een bestaande situatie. Als er wordt uitgegaan van de maximale veiligheidsafstand van in dit geval 25 meter dan kan worden geconcludeerd dat deze grens niet reikt tot het plangebied. De risico's door de twee tanken vormen daarom geen belemmering voor de planontwikkeling. Op ongeveer 878 meter afstand is Eputan Kunststoftechniek B.V. gelegen. Deze inrichting heeft een PR 10-6 contour van 85 meter. Het invloedsgebied van deze inrichting bedraagt 930 meter voor het toxische scenario. Het plangebied valt hierbinnen. Het plan zorgt echter niet voor een toename in personen, waardoor effecten op het groepsrisico kunnen worden uitgesloten. Er zal beknopt worden ingegaan op het maatgevend scenario. Op ongeveer 848 meter afstand ten opzichte van het plangebied is de A27 gesitueerd. De A27 heeft een PR 10-6 contour van 16 meter. Het invloedsgebied bedraagt 880 meter (LT2) en het plangebied valt hier dus binnen. Zoals al vermeld zorgt het plan niet in een toename in personen, waardoor effecten op het groepsrisico kunnen worden uitgesloten. Er zal navolgend beknopt worden ingegaan op het maatgevend scenario. Beperkte verantwoording Toxisch scenario Het maatgevend scenario voor een incident met gevaarlijke stoffen bij de inrichting Eputan Kunststoftechniek B.V.
en de A27 betreft een gifwolk. Door een ongeval op de weg breekt bij een tankauto gevuld met een toxische stof de aansluiting van de afsluiter af. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de giftige stof vrijkomt. Alle vrijgekomen giftige stof verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De toxische wolk kan bij lage concentraties worden geroken. Hogere concentraties veroorzaken vergiftiging afhankelijk van de inrichting van de omgeving en de weersomstandigheden. Voorliggend plangebied wordt gekenmerkt door een landelijk gebied met verspreid liggende laagbouw. De effecten van een toxische wolk zijn op grote afstand merkbaar. Bestrijdbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Bij een ongeval met toxisch gas of vloeistof kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen of op te nemen met water. Dit is wel afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario. Gezien de verspreiding van de gifwolk afhankelijk is van de weersomstandigheden is het van belang dat hulpdiensten bereikbaarheid over twee verschillende routes vanuit twee tegengestelde windstreken hebben. Het plangebied is zowel bovenwinds (via Bazeldijk) als benedenwinds (via de Achterkade of provinciale weg) bereikbaar.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Zelfredzaamheid De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Het advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Indien het plangebied alsnog moet worden ontruimd, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Het plangebied is zowel bovenwinds (via Bazeldijk) als benedenwinds (via de Achterkade of provinciale weg) af te vluchten. Bluswatervoorziening Voor een adequate hulpverlening van de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij de activiteit met gevaarlijke stoffen. Tijdens de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal dit punt verder getoetst worden. In voorliggend plan zitten geen belemmeringen om een positieve beoordeling van de toetsing aan het Bouwbesluit in de weg te zitten. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van 'Eputan Kunststoftechniek B.V.' en de A27. Het groepsrisico zal, door de ontwikkeling, niet toenemen.
De personen binnen het plangebied worden als voldoende zelfredzaam gezien om bij een toxisch incident te kunnen schuilen dan wel vluchten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Externe veiligheid' geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt voor water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Met één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Planspecifiek Bestaand watersysteem Navolgend is een uitsnede van de legger van het waterschap opgenomen. Ten oosten van het plangebied ligt het Merwedekanaal, dit is een categorie A waterloop.
Verder liggen er noordelijk grenzend aan het plangebied een categorie B en C waterloop. Het gewone onderhoud van deze watergangen dient plaats te vinden door aangrenzende eigenaren. Voorgenomen plan verandert de loop van deze watergangen niet. Verder is het planperceel gelegen in de waterkering van het Merwedekanaal (figuur 15 en 16). Deze wordt onderhouden door het Waterschap. In de nieuwe situatie is geen nieuw oppervlaktewater voorzien.
Figuur 15: Uitsnede Legger Waterschap Rivierenland, plangebied globaal aangeduid met rood kader. Bron: Waterschap Rivierenland.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Figuur 16: Uitsnede Legger Waterkeringen Waterschap Rivierenland, plangebied globaal aangeduid met rood kader. Bron: Waterschap Rivierenland. De B-watergang kent een beschermingszone van 1,0 m vanaf de insteek. Deze beschermingszone dient obstakelvrij te worden gehouden om de watergang te kunnen schouwen. Het zomerpeil van deze watergang is 1,49 m-NAP en het winterpeil is 1,59 m-NAP. Afvoer hemelwater en verhard oppervlak Het waterbeleid van het Waterschap schrijft een watercompensatie in stedelijk gebied voor wanneer het verhard oppervlak toeneemt. Hierbij hoort ook de erf- en tuinverharding waarop de compensatieverplichting wordt bepaald. Het bestaand verhard oppervlak (erfverharding en bebouwing) bedraagt 985 m2 en het toekomstige verhard oppervlak 895 m2. Het oppervlak van de verharding neemt daarmee met maximaal 90 m2 af. Alle overige verharding op het perceel wordt verwijderd. Watertoets Er is een watertoets uitgevoerd om de noodzaak tot watercompensatie te kunnen bepalen, deze is opgenomen in bijlage 6. Uit de watertoets komt naar voren dat de Normale procedure gevolgd dient te worden. Uit de watertoets komen een aantal adviezen die navolgend behandeld worden. Grondwater Al het overtollige verhard oppervlak (behalve nieuwe bebouwing) wordt verwijderd. Hierdoor kan er meer water infiltreren. Dit helpt tegen onderlast van grondwater.
Infiltreren In voorliggend plan wordt het overtollige verhard oppervlak verwijderd. De grond op het plangebied zal hierdoor beter infiltreren dan voorheen. Verharding en compenserende maatregelen Door voorliggend plan zal het verhard oppervlak met 90 m2 afnemen. Het Waterschap stelt dat het mogelijk is om voor een eenmalige vrijstelling in aanmerking te komen. Dit kan als de verharding in landelijk gebied met niet meer dan 1500 m2 toeneemt. Voorliggend plan ligt hier ruim onder, dus watercompensatie is niet noodzakelijk. Uitloging van bouwmaterialen door regenwater In voorliggend plan worden zo min mogelijk uitloogbare materialen worden toegepast.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Damwandconstructie Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken en voor werken en werkzaamheden in, op en in de buurt van wateren, waterkeringen en wegen die in beheer van Waterschap Rivierenland zijn heeft het waterschap regels opgesteld. Aangezien er geen (bouw)werkzaamheden in de beschermingszone van de waterkering kan plaatsvinden zonder toestemming van het waterschap is in het kader van deze bestemmingsplanprocedure een planopzet besproken die zowel de goedkeuring van de gemeente als het waterschap kan verdragen. Nieuw bouwen in de beschermingszone van de waterkering kan alleen als daarbij rekening wordt gehouden met de ruimte die nodig is voor de toekomstige dijkversterkering. Die ruimte wordt het profiel van vrije ruimte genoemd. In dat profiel staan de contouren van een eventuele toekomstige dijkversterking. Hierbij is het van belang dat gebouwd wordt buiten het profiel van vrije ruimte en binnen het waterstaatwerk en bijbehorende beschermingszone geen holle ruimtes onder de bouwwerken gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte. Het uitgangspunt voor de nieuw te bouwen woning is een laag en klein huis ter hoogte van de bestaande bebouwing op het bestaande maaiveld. Het ophogen van het maaiveld zodat vervolgens buiten het profiel van vrije ruimte kan worden gebouwd is wat dat betreft geen optie.
In figuur 17 staat het dwarsprofiel van het dijkvak ter hoogte van Bazeldijk 78a, Meerkerk. Het profiel van vrije ruimte ligt hoger dan het bestaande maaiveld. Dat zou betekenen dat met de beoogde nieuwbouw van de woning het profiel van vrije ruimte wordt doorkruist. Dat is in strijd met de eerdergenoemde uitgangspunten uit de regels van het waterschap.
Figuur 17: Uitsnede waterkering ter hoogte van de Bazeldijk 78a te Meerkerk
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
In het najaar van 2021 is in onderling overleg met het Waterschap Rivierenland gezocht naar een oplossing. In figuur 18 is een doorsnede met een damwandconstructie ingetekend. Deze damwand vervangt als het ware een deel van het profiel van vrije ruimte, zodat de nieuwe woning aan de voet van de dijk ter hoogte van de bestaande bebouwing op het bestaande maaiveld kan worden gerealiseerd. De voorgestelde oplossing maakt onderdeel uit van de voorwaarden van de watervergunning voor de woning.
Figuur 18: Uitsnede schetsontwerp, oplossing damwandconstructie t.o.v. regelgeving waterschap. Damwand omcirkelt met rode lijn. Bron: Langerak Advies. Gezien bovenstaande vormt het aspect 'Water' geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10
Verkeer en parkeren
Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden door de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er door de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de realisatie van 1 woning. Het 'Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren' van de gemeente Vijfheerenlanden wordt gehanteerd voor de bepaling van de parkeernorm. De gemeenteraad heeft bijbehorende 'Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022-2030' als raadsvoorstel besproken op 09-06-2022.
De belangrijkste verschillen met het huidige beleid in het paraplubestemmingsplan zijn: In de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de normen van de oude functie niet meer verrekend met de normen van de nieuwe functie; dat was in het paraplubestemmingsplan wel het geval; In de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de minimum CROW-normen gehanteerd; in het paraplubestemmingsplan werden in alle gevallen de gemiddelde normen gehanteerd; In de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden voor de centrumgebieden langere loopafstanden gehanteerd dan door het CROW voor de functie wonen. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt om parkeren buiten de centra op te lossen; Om andere mobiliteitsvormen te stimuleren kan in de voorgestelde Beleidsnota Parkeernormen een correctie worden toegepast op het aantal te ontwikkelen parkeerplaatsen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van deelauto's. De verschillen die in bovenstaande lijst zijn weergegeven hebben geen invloed op de parkeerbehoefte
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk van het planvoornemen, omdat het plan niet in een centrumgebied of in een binnenstad van Leerdam of Vianen ligt. Buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Vijfheerenlanden is het Waterschap Rivierenland de wegbeheerder. Vanuit het paraplubestemmingsplan is het plangebied ingedeeld als 'rest bebouwde kom'. Er geldt hiervoor een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. In het plan is te zien dat er ruimte is gemaakt voor 3 auto's. Het plan voldoet dus aan de gestelde parkeernormen. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. In het plangebied zijn een type woning beoogd, waarvoor de volgende verkeersgeneratie geldt: 1 x Koop, huis vrijstaand
7,8 – 8,6 (gem.: 8,2)
De totale verkeersgeneratie bedraagt 8,2 vervoersbewegingen per dag. Dit is geen toename in vergelijking met het vorige plan op de locatie. De omliggende verkeersstructuur wordt voldoende instaat geacht om deze verkeersgeneratie ten behoeve van de nieuwe planontwikkeling te kunnen verwerken. Vanuit het aspect verkeer en parkeren komen geen belemmerende voorwaarden.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
4.11
Energietransitie en duurzaamheid
De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water. Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma 'Nederland Circulair in 2050'. Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2-uitstoot realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Regelgeving Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hiervan af te wijken. Per 1 januari 2021 is BENG (Bijna Energieneutrale Gebouw eisen) van kracht, met een ambitie naar volledig energieneutraal. Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energieverbruik te verlagen. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen, zowel woningen als utiliteitsbouw, voldoen aan de BENG eisen. De eisen zijn onafhankelijk van de energiedrager; wel is een minimum aandeel hernieuwbare energie vereist.
Planspecifiek De woning wordt gebouwd volgens de geldende BENG regelgeving, dat wil zeggen bijna energieneutraal gebouwd. Daarnaast wordt de woning volgens de wet VET gasloos gebouwd. Het plan levert daarom een bijdrage aan de (lokale) verduurzaming van de woningvoorraad.
4.12
Milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die direct MERplichtig zijn (de zogenaamde 'C-lijst') en activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde 'D-lijst'). In de D-lijst is voor iedere activiteit een drempelwaarde opgenomen. Als deze drempelwaarde door een activiteit wordt overschreden geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Is een activiteit wel genoemd in de D-lijst maar wordt de drempelwaarde niet overschreden? Dan moet er een vormvrije m.e.r.- beoordeling opgesteld worden. Net als bij een m.e.r.-beoordeling moet voor de vormvrije beoordeling getoetst worden aan de criteria die genoemd zijn in Bijlage III van de Europese richtlijn. Deze richtlijn gaat over 'de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' (2011/92/EU). De vormvrije m.e.r.-beoordeling dient om te bepalen of de kenmerken van het plan en de nadelige gevolgen voor het milieu niet alsnog noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapportage (MER), ondanks dat de activiteit onder de drempelwaarde van de D-lijst blijft. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt met een m.e.r.-aanmeldnotitie aangeboden aan het bevoegd gezag, waarvan zij een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit moet eerder worden genomen dan het besluit om het ontwerp bestemmingsplan ter inzage te laten gaan.
Planspecifiek Voorliggend plan betreft het slopen van het bedrijfsgebouw en de nieuwbouw van een woning. Dit plan heeft daarom betrekking op 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' zoals bedoelt in het Besluit milieueffectrapportage. Voor woningbouw wordt een drempelwaarde van 2000 woningen aangehouden (D-lijst, D11.2). Refererend naar de m.e.r.-beoordelingsplicht en het aantal woningen dat wordt gerealiseerd geldt daarom geen directe aanleiding voor het maken van de rapportage voor dit plan. Wel moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden opgesteld aangezien voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen ondergrens aangewezen is.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieugevolgen van voorliggend plan zijn beoordeeld in andere paragrafen van dit hoofdstuk. Voor een aantal milieuaspecten is aanvullend onderzoek uitgevoerd, omdat de milieueffecten in beeld moesten worden gebracht. Men kan hierbij denken aan bodem of geluid. De bevinden op basis van deze onderzoeken zijn in de relevante milieuparagrafen benoemd. Op basis van de beoordeling vanuit de milieuparagrafen en de resultaten uit de onderzoeken worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Vanuit de criteria uit bijlage III blijken belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet aan de orde: 1. kenmerken van het project De kenmerken (bijvoorbeeld omvang project, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen) zijn in dit geval dusdanig beperkt dat belangrijke nadelige effecten voor het milieu uit te sluiten zijn. De bouw van de woning is niet ingrijpend, omdat de omgeving van het plangebied niet wezenlijk verandert. Daarnaast wordt geen regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen geschaad. De afvalstromen die vrijkomen worden allen via de reguliere wegen afgevoerd, verwerkt of hergebruikt. 2. plaats van het project De relatie tussen de voorgenomen ontwikkeling en de plaats van het project leiden niet tot een m.e.r.-beoordeling, omdat de omgeving niet kwetsbaar is vanwege een project van deze omvang.
Men kan hierbij denken aan niet van toepassing zijnde nadelige gevolgen voor het milieu en/of de omgeving. Natuurlijke hulpbronnen worden via voorliggend plan niet gebruikt en tasten daardoor het regeneratievermogen niet aan. Daarnaast wordt het opnamevermogen van het natuurlijk milieu niet gebruikt; afvalstromen eindigen niet in het natuurlijk milieu. Tot slot ligt het plangebied niet in of direct naast een beschermd natuurgebied (Natura 2000 en/of Gelders Natuurnetwerk e.d.). Voor de toetsing van dit plan wordt verwezen naar de AERIUS-berekening te vinden in de bijlage 1. 3. kenmerken van het potentiële effect Er zijn geen belangrijke nadelige effecten op het milieu te voorzien. Daarmee is de kans dat deze effecten zich voordoen niet aan de orde. Het betreft een ontwikkeling van beperkte omvang die buiten het speelgebied ligt van (beschermde) natuurgebied en die een kleine impact heeft op het milieu en de natuurlijke omgeving. Conclusie Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat een m.e.r.-beoordelingsprocedure niet doorlopen hoeft te worden en/of dat een MER-plan niet aan de orde is. Daarnaast kan worden geconcludeerd (op basis van bovenstaande onderbouwing per criteria) dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet aannemelijk zijn. Voorgaande paragraaf en kan worden beschouwd m.e.r.-aanmeldnotitie.
Het college van de gemeente Vijfheerenlanden moet op basis van deze informatie nog een formeel m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Binnen dit besluit kan het college aangeven of een milieueffectrapportage nodig is.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Plansystematiek
Het bestemmingsplan 'Bazeldijk 78a' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het omzetten van een bedrijfsbestemming naar de woonbestemming. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan wordt verwezen naar het moederbestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied' en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplan-vormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 – Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 – Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: De anti-dubbeltelbepaling; Algemene bouwregels; Algemene aanduidingsregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels; Overige regels. Hoofdstuk 4 – Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat door het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
5.3
De bestemmingen
Wonen Het plangebied volgt de grenzen van de vigerende bestemming 'Bedrijf'. Deze bestemming wordt in zijn geheel omgezet naar de bestemming 'Wonen'. In de bestemming 'Wonen' zijn drie voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om te zorgen dat de beoogde kwaliteiten op de locatie geborgd worden. Deze verplichtingen zijn tijdens de planvorming afgesproken. Het gaat hierbij om de verplichting dat het verhard oppervlak niet meer toeneemt dan is beschrijving in bijlage 2 bij de regels. De nieuwbouw wordt in de rooilijn dicht bij de Bazeldijk gebouwd. Dit sluit aan op de overige woningen zoals ze langs de Bazeldijk voorkomen. Een woning die van de dijk af in het poldergebied wordt gebouwd wordt met de voorwaardelijke verplichting uitgesloten. Tot slot is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de bestaande bebouwing gesloopt moet worden, zodat geen onevenredige hoeveelheid bebouwing op het terrein kan blijven staan. Tuin De bestemming Tuin is opgenomen op de achterliggende gronden. In deze bestemming is ook opgenomen dat vergunningsvrij bouwen, als bedoeld in Bijlage II van de Bor niet is toegestaan. Op deze wijze wordt het open landschap, onderdeel van de aanwezige cultuurhistorische waarden, beschermd.
Archeologie Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2 en 3' om de eventueel aanwezige archeologische waarden in de ondergrond voldoende te beschermen tegen verstoring. Waterstaat Ten derde zijn de dubbelbestemmingen 'Waterstaat – Waterkering' en 'Waterstaat – Waterstaatkundige functies' opgenomen om te zorgen dat er geen aanpassingen aan de waterkering plaatsvinden. Als aanpassingen benodigd zijn dan is geborgd dat eerst het waterschap hier een positieve beslissing over moet nemen. Overige regels In het bestemmingsplan wordt verwezen naar de regels bestemmingen van het (moeder)plan Reparatieplan Buitengebied, vastgesteld op 19 november 2018. Voor de nadere beschrijving van de regels wordt ook verwezen naar dit (moeder)plan.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
Hoofdstuk 6 M aatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast het toetsen aan diverse aspecten op het gebied van beleid en milieu, die ook dienen als toets of een ruimtelijk plan uitvoerbaar is, dient een plan ook te worden getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan/bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt het plan gerealiseerd op particulier initiatief. Initiatiefnemer draagt hiermee de kosten voor de gewenste ontwikkeling. Voor de gemeente Vijfheerenlanden is geen sprake van kosten verbonden aan opstellen van het bestemmingsplan en de uitvoering hiervan. De initiatiefnemer is leges verschuldigd voor het in procedure brengen van dit bestemmingsplan. Met betrekking tot planschade wordt er een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer van dit plan. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Het is niet nodig om voor onderhavig bestemmingsplan een exploitatieplan op te stellen
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan wordt in het kader van artikel 1.3.1 en artikel 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor zover relevant voorgelegd aan de betrokken diensten van de provincie, waterschap en gemeente. 6.2.1
Bestuurlijk vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg. Het vooroverleg is opgenomen in artikel 3.1.1. van de Wet ruimtelijke ordening. Het vooroverleg met de overleginstanties liep met de volgende instanties: Provincie Utrecht; Gasunie; Vitens; Dunea; Oasen; Veiligheidsregio Utrecht; Omgevingsdienst Regio Utrecht; Waterschap Rivierenland. Naar aanleiding van de reacties van het Waterschap Rivierenland en de Veiligheidsregio Utrecht zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de plantoelichting en zijn de planregels aangevuld met de regels voor de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. De andere partijen hebben aangegeven geen op- en aanmerkingen bij het plan te plaatsen of hebben geen reactie uitgebracht binnen de gestelde reactietermijn.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Bazeldijk 78a, Meerkerk
6.2.2
Zienswijzen
Het plan is gedurende de ontwerpfase in het kader van art. 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 februari 2023 voor 6 weken ter inzage gelegen. Eenieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend. 6.2.3
Ambtshalve wijzigingen
Na afloop van de zienswijze periode is er bij nader inzien toch aanleiding om het bestemmingsplan ambtshalve te wijzigen. Het woonbestemmingsvlak is te diep, waardoor ongewenst (vergunningsvrij) allerlei bijbehorende bouwwerken achterop het perceel gerealiseerd kunnen worden. Dit komt niet overeen met het behoud van het achterliggende open landschap en de daarmee gepaard gaande culturhistorische waarden. De woonbestemming is daarom ingekort en op het achterste perceel is de bestemming Tuin opgenomen. De verbeelding en planregels zijn hierop aangepast, alsmede de wijze van bestemmen in de toelichting.
Toelichting (vastgesteld)
45