Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Lekdijk 88, Hagestein Gemeente Vijfheerenlanden
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1961.BPHALekdijk88-VA01
Datum:
2 mei 2024
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. R. van der Made
Kenmerk Buro SRO:
SR230078
In samenwerking met/ een initiatief van
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 22 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 25 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 26 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
29 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 31 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 31 4.10 Waterhuishouding........................................................................................................................................... 32 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 35
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 37
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 39 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 39 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 39
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie aan de Lekdijk 88 in Hagestein is initiatiefnemer voornemens om een groot deel van de voormalige agrarische bebouwing te slopen, verharding te verwijderen en daarvoor in de plaats één extra woning te realiseren. In het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied' heeft het plangebied de bestemming 'Wonen' waarbinnen slechts één woning is toegestaan. Het voorgenomen plan past derhalve niet binnen het geldende bestemmingsplan. Voor de beoogde ontwikkeling is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Vijfheerenlanden. In de reactie op dit principeverzoek heeft de gemeente een principe-uitspraak gedaan, waarin zij heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het verzoek. Om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een bestemmingsplan opgesteld te worden. Het voorliggende plan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Lekdijk 88 te Hagestein (gemeente Vijfheerenlanden). Het plangebied ligt ten zuidoosten van de kern van Hagestein en ten noordwesten van de kern van Everdingen. De planlocatie maakt onderdeel uit van het perceel kadastraal bekend onder de gemeente Vianen, sectie F, perceel 578 (deels). De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk gebied', zoals vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Vianen op 14 december 2010. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen'. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen al dan niet in combinatie met een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Binnen het bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan, met een goot- en bouwhoogte van maximaal 6 m en 9 m. Een klein deel van de gronden zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Het 'Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren' geldt tevens voor de gronden in het plangebied. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de twee aspecten: wonen en parkeren. Dit paraplubestemmingsplan biedt een eenduidig toetsingskader voor wonen en parkeren. Dat geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieuen omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten westen van de Lekdijk en de rivier de Lek. Het betreft een voormalig agrarisch erf met diverse opstallen. Vooraan het erf staat de woning, de voormalige agrarische bedrijfswoning. Daarachter staat voormalige agrarische bebouwing, met een gezamenlijke oppervlakte van 1.635 m². Het erf is te bereiken vanaf de Lekdijk middels een eigen ontsluitingsweg, die gedeeld wordt met het erf aan de Lekdijk 90. Aan de Lekdijk staan, beneden aan de dijk, voornamelijk vrijstaande woningen met een agrarische uitstraling, die bestaan uit één bouwlaag met een zadeldak haaks of parallel aan de Lekdijk. De omgeving van de planlocatie bestaat aan de noord- en oostzijde voornamelijk uit grasland met een open karakter. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een voormalig agrarisch erf. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.
Luchtfoto plangebied en omgeving huidige situatie (bron: Verstoep)
8
Impressie plangebied huidige situatie (bron: Verstoep)
2.2 Toekomstige situatie Het plan voorziet in het saneren van alle voormalige agrarische opstallen, met uitzondering van de achter de woning staande schuur (circa 140 m²). De schuur gaat als bijgebouw bij de woonfunctie fungeren. Er wordt 1.355 m² aan gebouwen gesloopt. Verder worden mestkelders en verharding verwijderd. Dit alles leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De bestaande woning met de achtergelegen schuur wordt de 'drager' van het nieuw te vormen erf. Dit wordt aangevuld met een tweede woning, die tweedelijns, aan de noordwestzijde van het erf, wordt gebouwd. De nieuwe woning wordt gebouwd als een schuurvolume met een inpandige berging. De onbebouwde delen van het erf worden groen vormgegeven. Er worden nieuwe bomen (hoogstamfruitbomen) aangeplant en er wordt ruimte ingericht voor het parkeren tussen groene hagen. De beoogde beeldkwaliteit van de erfinrichting en de bebouwing is gevat in een bijlage (Verstoep bouwadvies architectuur, 3489, 18 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op de navolgende afbeeldingen is weergegeven welke bebouwing wordt gesloopt, is een situatieschets van de beoogde situatie weergegeven en een impressie van de beoogde woning.
9
Te slopen bebouwing en verharding (bron: Verstoep)
Inrichtingsschets toekomstige situatie (bron: Verstoep)
10
Impressie beoogde woning met inpandige schuur (bron: Verstoep)
11
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er verder geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
12
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. Het voorliggende plan maakt één extra woning mogelijk. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
13
Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Bij ontwikkelingen is klimaat en duurzaamheid van belang. De provincie zet in op een klimaatbestendige provincie en heeft de ambitie om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit moet behaald worden om met ontwikkelingen in te zetten op de klimaatbestendigheid en de manier van energie besparen en opwekken. Deze aspecten worden met het voorliggende project niet uit het oog verloren.
De nieuwe woning wordt voorzien van een goede isolatie en duurzame installaties en zullen voldoen aan de BENG-normen. Voor het landschap Groene Hart, waar het plangebied onderdeel van is, wil de provincie de kernkwaliteiten behouden. Eén van de kernkwaliteiten is openheid, die met het voorliggende plan verbeterd wordt. Er wordt met de sloop van de bebouwing achter op het perceel meer openheid gecreëerd. Ook blijft het groene karakter behouden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling op de planlocatie in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten.
Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
14
Planspecifiek Onderstaand worden de relevante kaarten en artikelen van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht behandeld. Kaart 15 'Cultuurhistorie en landschap kaart 1' geeft aan de dat de planlocatie in een gebied ligt waarvoor 'Uitzondering verstedelijkingsverbod landelijk gebied' geldt. Artikel 7.8 stelt dat een bestemmingsplan in afwijking op het verstedelijkingsverbod landelijk gebied verstedelijking kan toestaan onder voorwaarde dat de verstedelijking kleinschalig is, gericht is op het behoud, herstel of versterking van de cultuurhistorische waarden en zorgvuldig wordt ingepast. Met het voorliggende plan wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt er een nieuwe woning teruggebouwd. Hoewel de planontwikkeling niet primair gericht is op het behoud, herstel of versterking van cultuurhistorische waarden, is de ontwikkeling kleinschalig en wordt er aansluiting gezocht met de omgeving. Tevens wordt er met de sloop van de bebouwing meer openheid gecreëerd. Op kaart 16 'Cultuurhistorie en landschap kaart 2' staat aangegeven dat de planlocatie in het landschap Groene Hart ligt. Artikel 7.9 stelt dat een ruimtelijk besluit voor gronden bestemmingen en regels moet bevatten ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten.
Tevens stelt dit artikel dat deze gronden geen nieuwe bestemmingen en regels mag bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Voorliggend plan ziet toe op de sloop van diverse opstallen waarvoor in de plaats een nieuwe woning wordt gerealiseerd. De openheid en de ruimtelijke kwaliteit worden daarmee verbeterd. Verder wordt het landschap achter de planlocatie beter herkenbaar, met name het verkavelings- en slotenpatroon. De ontwikkeling verbetert het zicht op het landschap en de kwaliteiten van het landschap. Kaart 19 'Wonen, werken, recreëren kaart 2' geeft aan dat de locatie in het landelijk gebied ligt, waar in beginsel een verstedelijkingsverbod geldt. Artikel 9.11 bevat één van de uitzonderingen op het verstedelijkingsverbod: 1.
2.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bouw van één of meer nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c.
de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. ...
15
De gronden in het plangebied betreffen een voormalig agrarisch bedrijfsperceel waar het agrarische gebruik reeds is beëindigd, maar de agrarische gebouwen nog aanwezig zijn. De gronden hebben in het geldende bestemmingsplan dat in 2010 is vastgesteld een woonbestemming gekregen. Voor toepassing van artikel 9.11 is het niet relevant of het perceel nog een agrarische bestemming heeft of dat het perceel eerder al een woonbestemming heeft gekregen, nadat het agrarische gebruik is gestaakt, wanneer alle bedrijfsbebouwing nog aanwezig is. Dit laatste is het geval. Ad a) Het bouwperceel is vanwege zijn omvang en de nabijheid van woningen in de omgeving niet geschikt voor grondgebonden landbouw. Dit wordt bevestigd door het feit dat het sinds lange tijd niet meer in gebruik is als agrarisch bedrijf. Daarnaast is het in de interim omgevingsverordening uitgesloten dat ter plaatse van het plangebied nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf mogelijk is. Ad b) In het voorgenomen plan wordt 1.495 m² bedrijfsbebouwing gesloopt, te weten alle voormalige agrarische bebouwing met uitzondering van de bestaande woning en de schuur achter de bestaande woning. Het behouden van de schuur draagt bij aan de eenheid en karakteristiek van het erf, dat in de beoogde situatie gevormd wordt door de bestaande woning, de tweede (schuur)woning en de te handhaven de schuur.
Deze schuur gaat fungeren als bijgebouw bij de woonfunctie. Ad c) De nieuwe woning wordt binnen het voormalige bouwperceel en binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' gerealiseerd. Op de plaats waar de woning wordt gebouwd staan nu gebouwen. Met de positionering blijft het erf herkenbaar. Als onderdeel van het voorgenomen plan vindt landschappelijke inpassing plaats (zie paragraaf 2.2). Ad d) Zoals in paragraaf 4.2 is toegelicht worden omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de Interim Omgevingsvisie provincie Utrecht.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden Deel I van de regionale woonvisie schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het 'wie en waar' van het wonen in de regio. In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: 'wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?' Wensbeeld 2020 De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Bijzonder, omdat het steden als Gorinchem en Leerdam met voorzieningen en vitale woonmilieus combineert met landelijke, rustige woonmilieus waar vooral traditionele groepen wonen. Dat is een unieke combinatie voor een woongebied op de grens met de Randstad. De regio levert woonkwaliteit die zorgt voor binding van de eigen inwoners en aantrekken van mensen van buitenaf. Bewoners profiteren van de economische dynamiek van de Randstad en de Brabantse stedenrij (de route naar het Duitse achterland), terwijl het gebied zelf in de luwte daarvan ligt. De meeste bewoners van de regio blijven hun kern, gemeente of de regio trouw en uitstroom van stedelijk georiënteerde groepen is beperkt. Dat lukt onder meer door goede samenwerking op het gebied van wonen. Die samenwerking is in een stroomversnelling gekomen, met als ankerpunt de regionale woonvisie van 2013.
De visie helpt gemeenten om te doen waar ze sterk in zijn, en aan buurgemeenten over te laten waar
16
zij sterk in zijn. Oog voor de onderlinge verschillen en kansen zorgt voor meerwaarde. Het resultaat is meer dan de som der delen. Leerdam bedient zijn eigen vraag goed. Dat zijn vooral de groepen moderne burgerij en traditionele burgerij. Onder hen zijn veel oudere bewoners, maar Leerdam weet ook de jongere opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden te binden en aan te trekken uit de omliggende landelijke gemeenten vanwege de stedelijke functies. Leerdam profiteert van de aantrekkelijke binnenstad en de Linge, maar de waarde van Leerdam ligt deels ook buiten de regio. De voorzieningen worden ook gebruikt door inwoners uit het Rivierengebied, zoals Asperen en Acquoy. Kwantitatieve behoefte Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van circa 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regionaal niveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar.
Kwalitatieve behoefte Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in: 1. 2. 3.
behoud van kwaliteit en uitstraling, woonlastenbeperking en energie en comfortverbetering in relatie tot zorg.
Geen van de gebieden gaat 'op slot', maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment. Het stedelijk gebied kent naast lokale vraag een substantiële regionale instroom van de groeigroepen 'opwaarts mobielen' en 'gemaksgeoriënteerden': een grote, groeiende groep, in dorpen en steden, lagere en middelhoge inkomens. Deze mensen trekken richting voorzieningen, werk, bereikbaarheid. Opwaarts mobielen zoeken nieuwe koopwoningen in wat hogere prijsklasse, gemaksgeoriënteerden zoeken vaker een huurwoning en wonen in bestaande wijken. Er is reden voor grootschalige nieuwbouw en transformatie, met een centrumstedelijk of groenstedelijk karakter. Toetsingskader woningbouwprojecten Voor woningbouwprojecten is in de visie een toetsingskader opgenomen. Dit toetsingskader bestaat uit de 5/10/50-toets en de 0,7%-toets. Planspecifiek Het voorgenomen plan maakt één nieuwe woning mogelijk. Voor plannen met een dergelijke omvang is regionale afstemming in principe niet noodzakelijk. Wel draagt de ontwikkeling van de nieuwe woning bij aan de woningbehoefte in de regio.
De ontwikkeling past binnen de regionale woonvisie en staat hiermee de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
17
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Vijfheerenlanden Op dit moment bereidt de gemeente Vijfheerenlanden de 'Omgevingsvisie Vijfheerenlanden' voor, waarvan op 20 april 2023. De Omgevingsvisie gaat over de toekomst van de dorpen, steden en het buitengebied en laat zien wat de gemeente Vijfheerenlanden belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. De visie richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond, duurzaam en veilig leefklimaat. De omgevingsvisie vormt het kader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig beleid en het omgevingsplan. Er wordt vooruit gekeken tot 2040. Welke doelen heeft de gemeenteraad dan behaald en wat voor gemeente is Vijfheerenlanden? Bij het realiseren van deze doelen houdt de gemeente als leidraad het behouden van een vitale samenleving aan, dit is als het ware het kompas. Hoe dit te bereiken is uitgewerkt in 11 ambities en een visiekaart. Voor elke ambitie is uitgewerkt wat de gemeente wil bereiken en hoe ze dat wil gaan doen. Ook is er een waardenkaart opgesteld, waarop is aangegeven welke (langschappelijke) waarden de gemeente belangrijk vindt. Deze waarden wil de gemeente zoveel mogelijk behouden en versterken. De ontwikkelingen waar de gemeente voor staat zijn vertaald in vijf doelen:
• • • • •
Landschap, water en groen: toekomstbestendig buitengebied. Wonen: 5.000 woningen. Werken: 70-75 ha werklocaties (bruto). Mobiliteit: bereikbaar, duurzaam en veilig. Energietransitie: opwekken duurzame energie.
Bij het realiseren van de beschreven doelen houdt de gemeente het behoud van een vitale samenleving aan als leidraad, dit is als het ware het kompas. De kern hiervan is, dat de gemeente staat voor leefbaarheid en een vitale samenleving. De basis hiervoor is een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Om de doelen te bereiken met het kompas als leidraad zijn er 11 ambities en keuzes beschreven:
• • • • • • • • • • •
We bouwen woningen naar behoefte. We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. We zetten in op duurzame bereikbaarheid. We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. De recreatie in de gemeente past bij onze identiteit. Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Planspecifiek Het voorliggende plan sluit aan bij het doel landschap, water en groen: toekomstbestendig buitengebied. Het plangebied ligt aan een bebouwingslint in een gebied met landschappelijke waarden, aan de oostkant van de voormalige gemeente Vianen aan de oever van de Lek. Het voornemen is om een groot deel van de voormalige agrarische bebouwing te slopen, verharding te verwijderen en daarvoor in de plaats één extra woning te realiseren. De nieuwe bebouwing wordt zo ingepast dat het aansluit bij een compact boerenerf en de landschappelijke waarden van het gebied worden versterkt. Door het toevoegen van een nieuwe woning
18
in het buitengebied ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf zorgt er voor dat het erf niet in verval raakt maar een nieuwe functie krijgt. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Vijfheerenlanden. 3.4.2 Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025 Op 16 juli 2020 is de Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025 ‘Samen sterk, met eigenheid en diversiteit’ vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden. De gemeente Vijfheerenlanden zet zich in voor een duurzaam en solidair leefklimaat. Het is belangrijk om woningen te verduurzamen, waar mogelijk levensloopbestendig te maken en doorstroming te bevorderen. Vijfheerenlanden is een prettige gemeente om in te wonen en dat willen we graag zo houden en waar mogelijk versterken. Het doel van de woonvisie is dat het voor iedereen goed wonen is in Vijfheerenlanden en de woonwensen en woningbehoefte van al onze inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Een van de ambitie is een betere spreiding van de sociale voorraad. Het aantal huishoudens blijft de komende jaren toenemen. In de periode 2020 tot 2030 met ruim 2.500 huishoudens. Daarna groeit dit aantal verder door tot circa 27.015 huishoudens in 2040. In totaal gaat het voor de periode 2020-2040 om een extra behoefte ruim 3.860 woningen.
•
Gezinnen zijn de grootste doelgroep in Vijfheerenlanden. De omvang van deze groep neemt de komende jaren verder toe.
• •
De oudere doelgroep groeit relatief hard, tot 2040 zelfs met meer dan 50%.
•
Het aantal alleenstaanden en stellen tussen de 35 en 65 jaar groeit ook, zij het minder sterk. Vanaf 2030 neemt de omvang van deze groep weer af. Het aantal jonge huishoudens (tot 35 jaar) krimpt tot 2030 ongeveer 10%.
Over de hele linie is daarbij sprake van huishoudensverdunning. Met andere woorden, een verschuiving naar steeds kleinere huishoudens. Daarbij wordt geconstateerd dat Vianen te maken heeft met een sterke vergrijzing, maar ook met een toename van andere huishoudensgroepen. In Vianen wordt de groei van het aantal huishoudens voor het grootste deel veroorzaakt door de groep alleenstaanden en stellen van 65 jaar en ouder. Of initiatieven gefaciliteerd kunnen worden hangt af van lokale omstandigheden en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van transformatielocaties. Zo worden lokale initiatieven die de bestaande voorraad aanvullen en passen binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking graag gefaciliteerd. Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt de bestaande bebouwing grotendeels gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een nieuwe woning teruggebouwd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan nieuwe woningen binnen de gemeente. Het realiseren van per saldo één extra woning levert daarnaast een bijdrage aan de doorstroming op de woningmarkt. Het voorliggende initiatief past binnen de ambities van de 'Woonvisie Vijfheerenlanden 2020 - 2025'. 3.4.3 Convenant Duurzame woningbouw De gemeente Vijfheerenlanden heeft het ‘Convenant Duurzame Woningbouw’ ondertekend.
Dit convenant is op initiatief door de provincie Utrecht en de gemeenten Utrecht en Amersfoort en ROM Utrecht opgesteld. Bij het tot stand komen van het convenant zijn ook de waterschappen en vertegenwoordigers uit de bouwketen in de regio nadrukkelijk betrokken. In het convenant staan afspraken die op het gebied van onder andere energiegebruik, circulariteit, klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en biodiversiteit zijn gemaakt. Daarbij is onderscheid gemaakt in drie verschillende ambitieniveaus (goud, zilver en brons).
19
Planspecifiek De planvorming van het voorliggende plan is nog niet in een stadium dat er concrete uitwerkingen zijn voor de beoogde woning. Bij de uitwerking van de woning wordt er waar mogelijk aansluiting gezocht bij het convenant. Het algehele streven is om waar mogelijk aansluiting te zoeken bij niveau 'brons' uit het convenant. De nieuwe woning wordt minimaal volgens de BENG-eisen gerealiseerd, er zullen zonnepanelen aangelegd worden en voor het verwarmen van de woning wordt een warmtepomp toegepast. Daarnaast wordt het plangebied vergroend ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt namelijk veel bebouwing en verharding gesloopt en daarvoor in de plaats wordt het plangebied groen ingericht met nieuwe bomen. Dit zal bijdragen aan een klimaatadaptieve inrichting van het plangebied. Ook zal er gekeken worden naar mogelijk hergebruik van materialen die vrijkomen tijdens de sloop van de bestaande opstallen voor de bouw van de nieuwe woning.
20
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Verder is vanaf 1 januari 2021 artikel 7.28 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met het voorliggende plan wordt een groot deel van de huidige bebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt minder bebouwing teruggebouwd. De bebouwingsmogelijkheden nemen af in vergelijking met de
21
bestaande situatie. Per saldo wordt er slechts één extra woning mogelijk gemaakt. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het plangebied ligt aan de Lekdijk, waar voornamelijk woningen, agrarische bedrijven en andere bedrijven aan gelegen zijn. Er is ten minste sprake van een matige functiemenging. De omgeving van het plangebied kan daarmee getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Het voorliggende bestemmingsplan maakt één nieuwe woning mogelijk, op de gronden die reeds de bestemming 'Wonen' hebben. Gelet op de huidige planologische mogelijkheden worden bedrijven niet (extra) beperkt in hun mogelijkheden. Daarnaast dient beschouwd te worden of er ter plaatse van de beoogde extra woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is bekeken of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Circa 55 m ten oosten van het plangebied, op de kruin van de dijk, is een nutsvoorziening (Lekdijk 92a) toegestaan. Dit betreft doorgaans gemaal, transformatorruimte of gasregelstation, waarvoor in gemengd
22
gebied een richtafstand van maximaal 30 m geldt. De afstand van de bestemming tot aan het plangebied is daarmee groot genoeg. Ten noorden van het plangebied op circa 130 m afstand, aan de Lekdijk 80a is een hoveniersbedrijf gevestigd tot maximaal categorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 30 m geldt in gemengd gebied. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Ten zuiden van het plangebied, op circa 200 m afstand, zijn twee bedrijven gevestigd: een handelsbedrijf en een transportbedrijf (Lekdijk 100). Voor het transportbedrijf (categorie 3.2) geldt de grootste richtafstand, te weten 50 m in gemengd gebied. Er wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Tevens zijn er in de directe omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijven toegestaan. Ten zuiden van het plangebied, op circa 100 m afstand, is aan de Lekdijk 98a een intensieve veehouderij toegestaan. Op deze locatie bestaat de agrarische bedrijfsvoering uit het stallen van landbouwmachines. Als zich in de toekomst een bedrijf wil vestigen op deze locatie, dan zal voldaan moet worden aan de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Vijfheerenlanden en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat meerdere bestaande woningen maatgevend zullen zijn voor de mogelijkheden, worden er geen beperkingen voor een goed woon- en leefklimaat verwacht.
Ten noorden van het plangebied op circa 40 m afstand, aan de Lekdijk 86, is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Ter plaatse is een akker- en tuinbouwbedrijf en/of glastuinbouwbedrijf gevestigd, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 10 m geldt. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand. Overige agrarische bedrijven bevinden zich op grotere afstand van het plangebied. Deze agrarische bedrijven betreffen grondgebonden agrarische bedrijven. Voor dergelijke agrarische bedrijven is de afstand voldoende groot. Met betrekking tot de achtergrondgeurbelasting moet worden gekeken of er binnen 1 km grote intensieve veehouderijen aanwezig zijn. Binnen een afstand van 1 tot 2 km is één intensieve veehouderij toegestaan, te weten aan de Lekdijk 98a. Omdat er slechts één intensieve veehouderij binnen een afstand van 2 km toegestaan is, is het niet zinvol de gezamenlijke geurbelasting, de zogenaamde achtergrondbelasting, van meer dan één intensieve veehouderij te bepalen. Gezien het feit dat slechts één intensieve veehouderij binnen een afstand van 1 km is toegestaan en hier in de feitelijke situatie geen agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend, zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geur. In het kader van het aspect geur wordt er verder voldaan aan de afstandsnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Milieubelastende activiteiten worden niet belemmerd in hun mogelijkheden. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor
23
luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Er wordt slechts één nieuwe woning mogelijk gemaakt dan volgens het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 15,8 μg/m³, 8,8 μg/m³ en 13,7 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en NO2 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Het plangebied ligt wel binnen de onderzoekszone van de Lekdijk. Voor de extra (tweede) woning die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is sprake van een nieuwe situatie in het kader van de Wgh.
24
Formeel is er derhalve een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai nodig om aan te tonen dat de geluidbelasting op de nieuwe woning voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dan wel dat een hogere waarde verkregen kan worden. De nieuwe woning is op circa 150 m afstand van de as van de Lekdijk beoogd. Gezien deze grote afstand en de relatief lage intensiteit op de Lekdijk, circa 1.100 mvt/etmaal, is het te verwachten dat de geluidbelasting op de woningen binnen het plangebied ruim zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Dit blijkt daarnaast ook uit de geluidsbelastingkaart die als bijlage 4 bij het geldende bestemmingsplan is gevoegd. Dit betreft weliswaar de geluidbelasting voor het jaar 2020, maar het is niet te verwachten dat de verkeersintensiteit ter plaatste dusdanig is toegenomen dat dit leidt tot een ander beeld in de huidige en toekomstige situatie. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken moet aangetoond worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Derhalve is er door Lawijn een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnr: 23.5058-A1, d.d. mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Algemene bodemkwaliteit
•
In de bovengrond, c.q. de bodemlaag onder de terreinverharding, zijn lichte verontreinigingen met cadmium, kobalt, lood, zink, PAK, minerale olie en som DDD geconstateerd. Zintuiglijk is bijmenging van sporen puin en grind, en plaatselijk sporen kolengruis waargenomen in de bovengrond.
•
In de ondergrond van de locatie zijn, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreinigingen geconstateerd.
•
Bij het onderzoek op asbest is in de puinverhardinglaag in de bovenlaag van het erfgedeelte, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging geconstateerd.
•
In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde.
Slootdemping
•
In de bovenlaag op het terreindeel bij de voormalige sloot zijn analytisch lichte verontreinigingen met zink en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is geringe bijmenging van sporen puin en grind waargenomen.
25
• •
In de slibhoudende zandige laag in de ondergrond van de voormalige sloot zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater uit de peilbuis bij de voormalige sloot is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde.
Oude bovengrondse dieselolietanks
•
In de bovenlaag op het terreindeel bij de oude bovengrondse dieselolietanks is een lichte verontreiniging met minerale olie geconstateerd.
•
In het grondwater bij de oude bovengrondse dieselolietanks is geen verontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen.
Dakrand / druppelzone
•
In de druppelzone onder de noordelijke dakrand van de voormalige kraamstal is een lichte verontreiniging met PCB geconstateerd. Voor asbest is geen verontreiniging aangetoond in de grond. Zintuiglijk is geringe bijmenging van sporen puin en plaatselijk sporen glas waargenomen.
•
In de druppelzone onder de zuidelijke dakrand van de voormalige kraamstal is geen verontreiniging met PCB en asbest geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke bijmenging van grindresten en sporen puin waargenomen.
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek. De verkregen resultaten geven geen milieutechnische bezwaren ten aanzien van de voorgenomen herinrichting van de locatie. Indien bij de herinrichting van de locatie grond of verhardingsmateriaal zal vrijkomen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Vijfheerenlanden (werkgebied Omgevingsdienst regio Utrecht).