Toelichting bestemmingsplan - Kerkstraat 37, Kedichem
Tekst van het document
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het bouwen van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Als een goede onderbouwing wordt gegeven dan kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is.
Pagina 25 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de risicovolste bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag over de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedssfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Een onderdeel van het Bevt houdt in dat voor sommige transportassen rekening moet worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG.). Het PAG. is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening moet worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Pagina 26 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de Atlas leefomgeving geraadpleegd.
Figuur 8: Risicokaart Atlas leefomgeving
In bovenstaande figuur is te zien dat twee risicobronnen in de nabije omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op ongeveer 435 meter afstand is de aardgasbuisleiding A-555 gesitueerd van de Gasunie. Het plangebied is gesitueerd binnen de 1% letaliteitsgrens van deze buisleiding. Deze 1% letaliteitsgrens bedraagt 485 meter. Voor de 100% letaliteitsgrens geldt een afstand van 190 meter. Over de Betuwespoorlijn, ten zuiden van het plangebied, worden stoffen in de categorie B3 en D4 vervoerd. Deze stofcategorieën hebben een invloedsgebied van meer dan 4000 meter. Het plangebied ligt op circa 2 kilometer afstand ten opzichte van de Betuwelijn en valt daarmee binnen het invloedsgebied van deze stofcategorieën. In voorliggend plan worden nieuwe woningen toegevoegd. De personendichtheid zal binnen het plangebied gezien het totaal aantal personen wonend in Kedichem zeer beperkt toenemen. De hoogte van het groepsrisico zal dan ook nihil wijzigen als gevolg van het plan. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de 1% letaliteitsgrens van de buisleiding dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Gelet op de grootte van de ontwikkeling en de afstand van het plangebied ten opzichte van de risicobron kan in dit specifiek geval met een kwalitatieve verantwoording worden volstaan.
Er dient hierbij ingegaan te worden op het maatgevend scenario (fakkelbrand) wat kan optreden door een calamiteit met de buisleiding, zie hiervoor onderstaand de verantwoording bij fakkelbrandscenario. Er dient ook te worden ingegaan op het maatgevende scenario (toxisch scenario) wat kan optreden door een calamiteit op de Betuwespoorlijn, zie hiervoor onderstaand de verantwoording bij toxisch scenario. Er is door de Veiligheidsregio Utrecht per mail (23-2-2023) aangegeven dat het akkoord is dat voor voorliggend plan een kwantitatieve groepsrisico achterwege blijft wanneer voorzien wordt in een goede kwantitatieve verantwoording. Zie daarvoor onderstaande verantwoordingen.
Pagina 27 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Fakkelbrand scenario De calamiteit die kan optreden bij een buisleiding betreft het scenario van een fakkelbrand. Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Bestrijdbaarheid Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veiligstellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeggelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Secundaire branden die door de hittestraling ontstaan kunnen nadat de fakkelbrand is uitgedoofd wel door de brandweer worden bestreden. De brandweer moet hiervoor over voldoende bluswater beschikken.
Binnen het plangebied zal voldoende bluswater aanwezig moeten zijn. Dit betreft een eis die in het kader van het bouwbesluit aan de omgevingsvergunning voor het bouwen gesteld zal worden. Deze eis wordt doorgaans door een veiligheidsregio gecontroleerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat aan deze eis niet voldaan kan worden bij de omgevingsvergunning. Tevens dient het plangebied goed bereikbaar te zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. In dit geval kan het plangebied via de Lingedijk, Zwaansweg en de Kerkstraat (die uitkomt op de Lingedijk) bereikt worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen binnen het plangebied zich bij een eventueel dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht zichzelf goed in veiligheid kunnen brengen. In dit geval zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter ten opzichte van het gebied wat zich binnen de 100% letaliteitsgrens van de leiding bevindt.
De beste manier van vluchten is buiten het zicht van de fakkel. Gelet op de locatie van het plangebied is vluchten van de bron af via de Lingedijk in westelijke richting goed mogelijk. De gebouwen tussen het plangebied en de leiding kunnen eventueel bescherming bieden tegen de hittestraling. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tank met toxische stoffen het begeeft door bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan de toxische wolk het plangebied indrijven. Bestrijdbaarheid Bij een ongeval met toxisch gas of vloeistof kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen of op te nemen met water. Dit is wel afhankelijk van de stofintensiteit en het
Pagina 28 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
groeiscenario. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Het advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Indien het plangebied alsnog moet worden ontruimd, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Het plangebied biedt hier voldoende ruimte voor. Geconcludeerd kan worden dat Externe veiligheid geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Als een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek Archeologie In het plangebied geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan Kedichem – Dorp de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Deze dubbelbestemming is ook weer opgenomen in de planregels van voorliggend bestemmingsplan. De eventueel aanwezige waarden worden daarmee afdoende geborgd in voorliggend plan. Voorts houdt het plan aanpassing van de bestaande bebouwing in. Er zal niet geheid worden. Tevens wordt de ondergrond niet dieper geroerd dan 30 cm. Er is dan ook geen archeologisch onderzoek nodig.
Pagina 29 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Cultuurhistorie Zowel de dijkwoning als de werkplaatsen zijn gewaardeerd in de cultuurhistorische waardenkaart, zie uitsnede rechts. De woning en een werkplaats hebben hoge erfgoedwaarde (geel) en één werkplaats heeft een zeer hoge erfgoedwaarde (rood). Het huis aan de Lingedijk (nr. 1689) wordt bouwkundig niet gewijzigd. De schuur langs de Zwaanseweg (nr. 1612) met de zeer hoge waardering blijft behouden. Deze werkplaats wordt getransformeerd naar een woning. De werkplaats langs de Kerkstraat wordt verkleind. Het deel met de glazen karakteristieke gevel blijft behouden. In deze werkplaats wordt een woning gerealiseerd. Door het realiseren van woningen in de panden ontstaat de mogelijkheid om deze te behouden en blijft de karakteristieke waarde van de gebouwen en de uitstraling van het gebied zodoende behouden. Daarmee draagt het plan bij aan het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten ‘Archeologie’ en ‘Cultuurhistorie’ geen belemmering opleveren voor het planvoornemen.
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt over water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 geadviseerd over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 ste eeuw worden twee keuzes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer met de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen Pagina 30 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het bij elkaar brengen van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door een watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische toepassing van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in een aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2022-2027 Het NWP (maart 2022) bevat de belangrijkste punten van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren. Onderdelen hiervan zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen over klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Vanwege Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo werken we al in de geest van de Omgevingswet.
Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstroming risicobeheersplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma-invulling aan de Europese richtlijnen voor water, Regionaal waterbeleid Het beleid van Waterschap Rivierenland is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit plan zijn beleid en wetgeving van hogere overheden en van Rivierenland zelf nader uitgewerkt. Hoofddoel van het plan is om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Planspecifiek Voor het planvoornemen is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze watertoets is opgenomen in bijlage 5. Hieruit volgt dat de korte procedure moet worden gevolgd.
Pagina 31 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Bestaand watersysteem
Figuur 9: Uitsnede Legger Water - Waterschap Rivierenland. Plangebied rood gearceerd. (Bron: Waterschap Rivierenland).
Figuur 10: Uitsnede Legger Waterkering - Waterschap Rivierenland. Plangebied rood gearceerd, te wijzigen bebouwing in gebied zwart omlijnd. (Bron: Waterschap Rivierenland).
Het plangebied ligt in de beschermingszone van een regionale kering. Daarnaast valt het plangebied in een waterstaatswerk. De bestaande bebouwing van het zwart omlijnde gebied in bovenstaande afbeelding wordt aangepast. Er wordt daarom niet gewerkt in de beschermingszone van de regionale kering of in een waterstaatswerk. Er zijn dan ook geen aanvullende voorwaarden van toepassing vanuit het waterschap. Pagina 32 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Verhard oppervlakte en waterberging Bij de uitwerking van een plan moet het oorspronkelijke oppervlak open water worden gehandhaafd. Daar bovenop dient de toename van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd. Als vuistregel wordt in het waterschap Rivierenland gerekend met een bergingsvolume van 436 m3 per ha verharding. Het plangebied is 807 m2 groot. Er is geen open water aanwezig. Ook zal het verhard oppervlak niet toenemen. Er is dan ook geen watercompensatie nodig. Hemelwater en vuilwaterafvoer Het hemelwater wordt geloosd op het omliggende maaiveld. Het vuilwater zal aangesloten worden op het bestaande riool van het perceel. Materialen Bij de nieuwe gebouwen zullen geen uitloogbare materialen worden toegepast. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10 Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden door de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er door de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Planspecifiek Voor het planvoornemen wordt het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ van de gemeente Vijfheerenlanden gehanteerd voor de bepaling van de parkeernorm. De gemeenteraad heeft bijbehorende ‘Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022-2030’ vastgesteld op 09-06-2022. De belangrijkste verschillen met het voorgaande beleid zijn: •
•
•
•
in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de normen van de oude functie niet meer verrekend met de normen van de nieuwe functie; dat was in het paraplubestemmingsplan wel het geval; in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de minimum CROW-normen gehanteerd; in het paraplubestemmingsplan werden in alle gevallen de gemiddelde normen gehanteerd; in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden voor de centrumgebieden langere loopafstanden gehanteerd dan door het CROW voor de functie wonen. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt om parkeren buiten de centra op te lossen; om andere mobiliteitsvormen te stimuleren kan in de voorgestelde Beleidsnota Parkeernormen een correctie worden toegepast op het aantal te ontwikkelen parkeerplaatsen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van deelauto’s.
De verschillen die in bovenstaande lijst zijn weergegeven hebben geen invloed op de parkeerbehoefte van het planvoornemen, omdat het plan niet in een centrumgebied of in een binnenstad van Leerdam of Vianen ligt. Parkeren Vanuit het ‘paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ is het plangebied ingedeeld als ‘rest bebouwde kom’. In het plangebied staat één vrijstaande bedrijfswoning en er komen twee vrijstaande Pagina 33 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
woningen bij. Op basis van de CROW Rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied geldt een gemiddelde parkeernormering van 2,3 parkeerplaats per vrijstaande woning. Voor de bestaande bedrijfsbebouwing geldt een norm van 1,05 per 100 m2. De totale parkeerbehoefte in de bestaande en toekomstige situatie is als volgt: Bestaande parkeerbehoefte: 1. Bestaande bedrijfswoning ➔ 2.3 parkeerplaatsen 2. Bestaande bedrijfsbebouwing is ca. 220 m2 BVO-bedrijfsgebouw ➔ 220/100 = 2.2 x 1.05 = 2.31 parkeerplaatsen Totaal bestaande parkeerbehoefte: 4,61 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie zijn 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. De overige parkeerbehoefte van 2,31 parkeerplaatsen wordt opgelost in de openbare ruimte. Deze ruimte blijft beschikbaar voor het oplossen van de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie. Dit volgt uit de Nota Parkeernormen van de gemeente Vijfheerenlanden. In paragraaf 3.2. is toegelicht dat de parkeerbehoefte in de openbare ruimte van de oude functie verrekend mag worden met de nieuwe functies. Deze parkeerbehoefte in de openbare ruimte blijft namelijk beschikbaar na de beëindiging van het bedrijf. Nieuwe parkeerbehoefte: De bestaande bedrijfswoning wordt een reguliere vrijstaande woningen en er komen twee nieuwe vrijstaande woningen, wat een totaal maakt van ➔ 3 x 2,3 pp = 6,9 parkeerplaatsen Onderstaand de parkeerbehoefte nogmaals in tabelvorm:
Parkeerbehoefte Kerkstraat 37 Bestaande situatie
Functie Bedrijfsbebouwing Bedrijfswoning
norm per 100 m2 / per stuk 1,05 2,3
Opp. en of aantal 220 1 totaal:
Totale parkeerbehoefte 2,31 2,3 4,61
Toekomstige situatie
Vrijstaande woning
2,3
3
6,9
Van de totale parkeerbehoefte van 6,9 parkeerplaatsen kan 2,31 parkeerplaatsen verrekend worden omdat deze parkeerbehoefte (van het bedrijfsgebouw) reeds in de openbare ruimte beschikbaar is. De parkeerbehoefte bedraagt derhalve 6,9 – 2,31 = 4,59 parkeerplaatsen. In voorliggend plan worden 6 parkeerplaatsen aangelegd. Twee parkeerplaatsen liggen achter elkaar en deze mogen volgens de CROW niet als twee volledige parkeerplaatsen meegeteld worden maar als 1,5 parkeerplaats. In het ontwerp wordt dus op basis van de Nota Parkeren in totaal voorzien in 5,5 parkeerplaatsen. Hiermee wordt de parkeerbehoefte van 4,59 parkeerplaatsen ruim ondervangen. Het plan heeft daarmee een overschot van 5,5 – 4,59 = 0,91 parkeerplaatsen. Op de navolgende pagina de tekening met de positionering van de toekomstige parkeerplaatsen.
Pagina 34 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
Figuur 11: situatietekening met parkeerplaatsen
Verkeersgeneratie Met de verkeersgeneratie wordt bedoeld het aantal vervoersbewegingen van en naar een functie. De verkeersgeneratie geeft inzicht hoeveel voertuigen van en naar in dit geval de woningen zullen gaan en kan daarmee inzichtelijk maken of de verkeersgeneratie inpasbaar is in de bestaande capaciteit van het netwerk van wegen in de omgeving. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. In dit plan wordt aantal woningen met twee verhoogd. De verkeersgeneratie in de toekomstige invulling met in totaal 3 woningen is hierdoor als volgt: -
Vrijstaande woningen, gemiddeld: 8,2 * 3 = 24,6 vervoersbewegingen
De totale verkeersgeneratie bedraagt 24,6 vervoersbewegingen. De toename als gevolg van de twee extra woningen bedraagt 16,4 vervoersbewegingen per etmaal. Daarnaast zal de verkeersgeneratie afnemen door het verdwijnen van de bedrijfsfunctie. De CROW kent geen onderscheid tussen een reguliere woning en een bedrijfswoning. Hiervoor zal de verkeersgeneratie dus niet wijzigen. De omliggende verkeersstructuur wordt voldoende instaat geacht om deze beperkte toename in verkeersgeneratie ten behoeve van de nieuwe planontwikkeling te kunnen verwerken. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 35 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
5 Juridische planbeschrijving 5.1
Plansystematiek
Het bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee woningen mogelijk gecombineerd met het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het bestemmingsplan ter plaatse ‘Kedichem-dorp’. Omdat dit een ouder bestemmingsplan betreft en veel planregels ondertussen geactualiseerd zijn, is ook gebruik gemaakt van planregels uit andere meer recente bestemmingsplannen waaronder die van ‘Chw bestemmingsplan Broekgraaf’ en ‘Leerdam West’. Tevens zijn de regelingen vanuit het later voor de planlocatie vastgestelde ‘paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ overgenomen, en tot slot is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Onderstaande beschrijving is een algemeen beschrijving van bestemmings- of wijzigingsplanregels. Omdat verwezen wordt naar het moederplan zijn de regels in dit plan zeer beknopt. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan.
In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot-, nok- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; Pagina 36 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
• • •
algemene afwijkingsregels; algemene wijzigingsregels; overige regels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
De bestemmingen
In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen-' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Broekgraaf’. De planregels zijn echter aangepast om de bouwmogelijkheden van het plan en de beoogde uitstraling van het plan mogelijk te maken. Artikel 4 Waarde – Archeologie Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden waar mogelijk archeologische waarden in de grond zitten aangeduid met archeologische waarde. Door middel van deze dubbelbestemming blijven de eventueel aanwezige waarden in de ondergrond afdoende beschermd.
Pagina 37 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden met de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Er is een anterieure overeenkomst de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Alle aanlegkosten worden door de initiatiefnemer betaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor zover relevant voorgelegd aan de betrokken diensten van het rijk, waterschap en gemeente. Voorliggend plan is o.a. naar de Veiligheidsregio Utrecht (Vru) gestuurd. Op 23 januari 2023 is door de Vru gereageerd op het plan. De paragraaf Externe Veiligheid is aangevuld naar aanleiding van deze reactie. Het plan heeft gedurende de ontwerpfase ter inzage gelegen conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, van vrijdag 29 december 2023 tot en met donderdag 8 februari 2024. Er zijn in deze periode vier zienswijzen ingediend tegen het plan. In de nota van zienswijzen zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord, zie bijlage 6. Aangegeven is of en hoe de zienswijzen tot aanpassing van het plan hebben geleid.
Pagina 38 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem
7 Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Kerkstraat 37 te Kedichem, Weel geluidadvies, referentie: PLA.23.08, 27 juli 2023 2. Quickscan Wet natuurbescherming Kerkstraat 37 te Kedichem, Blom Ecologie, referentie: 2022-1330, 1 maart 2023; 3. Aeriusberekening Kerkstraat 37 te Kedichem, Plannen-makers, 8 november 2023; 4. Verkennend bodemonderzoek incl. grondwater en asbest Kerkstraat 37 te Kedichem, Linge Milieu B.V., 25 januari 2023; 5. Watertoets, Plannen-makers, 28 december 2022. 6. Nota van beantwoorden zienswijzen, 26 september 2024 Separate bijlage: - GML-bestand Aeriusberekening: AERIUS_gml_20221222153712
Pagina 39 Toelichting Kerkstraat 37 te Kedichem