ruimtelijke argumentatie door aanvrager.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Bijgebouw Achthoven
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Status: Versie:
202062 7-6-2021 Definitief 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding...................................................................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding ...............................................................................................................................................5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied ..........................................................................................................5
1.3
Huidig planologisch regime ....................................................................................................................7
1.4
Leeswijzer ...............................................................................................................................................8
2
Planbeschrijving ......................................................................................................................................... 9
2.1
Bestaande situatie ..................................................................................................................................9
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................10
3
Beleidskaders ........................................................................................................................................... 12
3.1
Rijksbeleid .............................................................................................................................................12
3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................................14
3.3
Gemeentelijk beleid..............................................................................................................................18
3.4
Conclusie...............................................................................................................................................18
4
Waardentoets .......................................................................................................................................... 19
4.1
Natuurwaarden ....................................................................................................................................19
4.2
Archeologie ...........................................................................................................................................21
4.3
Cultuurhistorie ......................................................................................................................................21
4.4
Water ....................................................................................................................................................22
4.5
Conclusie...............................................................................................................................................25
5
Milieuaspecten......................................................................................................................................... 26
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................26
5.2
Bodem ..................................................................................................................................................26
5.3
Geluid ...................................................................................................................................................26
5.4
Luchtkwaliteit .......................................................................................................................................27
5.5
Externe veiligheid .................................................................................................................................27
5.6
Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................................28
5.7
Verkeer en parkeren .............................................................................................................................29
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling ...............................................................................................................29
5.9
Leidingen ..............................................................................................................................................29
5.10
Conclusie...............................................................................................................................................29
6
Uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................... 30
6.1
Inleiding ................................................................................................................................................30
6.2
Ruimtelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................30
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................................................................30 Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 3
6.4
Economische uitvoerbaarheid ..............................................................................................................30
6.5
Conclusie...............................................................................................................................................30
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Achthoven 23 te Lexmond, op de kadastrale percelen ZDR00 - A – 524 en 525, is de woning met het bijbehorende erf van de initiatiefnemer gelegen. Aan de zuidzijde van de huidige woning, op nummer 23a, is het bedrijf met de daarbij horende bedrijfspanden van de initiatiefnemer gelegen. De bedrijfsonderdelen op het terrein aan de Achthoven 23a worden middels een hekwerk afgescheiden van het erf (de privésituatie) op nummer 23. Ten behoeve van de privésituatie heeft de initiatiefnemer achter de woning, ter plaatse van de grondwal, reeds een bijgebouw gerealiseerd. Ter compensatie van de realisatie van het bijgebouw is het bijgebouw gebiedseigen landschappelijk ingepast. De realisatie van het bijgebouw achter de woning van de initiatiefnemer is in strijd met het vigerend bestemmingsplan.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Achthoven 23, naast de bedrijfslocatie op nummer 23a. De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Vijfheerenlanden (voorheen Gemeente Zederik), ten noordwesten van de kern Lexmond. Voorliggend plangebied is gelegen op een dijk, welke het binnenland afschermt van rivier de Lek. Om die reden zijn er hoogteverschillen zichtbaar binnen het plangebied. Zo is plek van het nieuwe bijgebouw lager gelegen dan woning van de initiatiefnemer. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving weergegeven. Afbeelding 2 geeft het plangebied en de directe omgeving weer.
Afbeelding 1: Ligging plangebied aan de Achthoven 23.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 5
Afbeelding 2: Luchtfoto van het terrein aan de Achthoven 23(a) met de afbakening van het plangebied (rode stippellijn).
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 6
1.3 Huidig planologisch regime Het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’, welke op 24 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Zederik (tegenwoordig gemeente Vijfheerenlanden), waarna met een bestuurlijke lus het bestemmingsplan op 29 juni 2015 gewijzigd is vastgesteld en deels onherroepelijk is. Daarnaast ligt het plangebied binnen het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’, door de gemeenteraad van de gemeente Zederik op 19 november 2018 vastgesteld en onherroepelijk is. Verder ligt het plangebied binnen het ontwerp van het paraplubestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’. Voorliggend plangebied van het reeds gerealiseerde bijgebouw kent binnen het vigerend bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch’, de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Binnen het ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De woning en de bijbehorende bedrijfslocatie aan de Achthoven 23(a) zijn gelegen binnen het bestemmingsplan ’Achthoven 23a’, welke op 1 oktober 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden en onherroepelijk is. Het plangebied is gelegen op de grens met dit bestemmingsplan.
Derhalve is het bestemmingsplan ‘Achthoven 23a’ niet van toepassing op voorliggend plangebied. Afbeelding 3 bevat een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan. Het voorgenomen plan past niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Voor het reeds gerealiseerde bijgebouw wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking van het bestemmingsplan (waarschijnlijk op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° Wabo). Deze voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de vergunningsaanvraag. Hierin komen alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening voor dit project aan de orde en deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik' (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 7
1.4 Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt daarbij getoetst aan dit beleid. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het plangebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 8
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Op de percelen aan de Achthoven 23(a) is een bouwnijverheidsbedrijf actief, waarbij werkzaamheden plaatsvinden zoals het breken van puin. Naast de aanwezige bedrijfspanden en opslagplaatsen op het terrein is ter plaatse van huisnummer 23 is een bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning is in eigendom van de initiatiefnemer. De bedrijfslocatie wordt middels een hekwerk afgescheiden van de bedrijfswoning, hierdoor is er een duidelijke scheiding tussen de privé en bedrijfssituatie. Voor de gehele bedrijfssituatie is in 2020 een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied is gelegen op de dijk aan rivier de Lek, ten noordoosten van de kern Lexmond. Ten westen van het plangebied is het buurtschap Achthoven gelegen. Op circa 300 meter van het plangebied zijn de dichtstbijzijnde buren, een agrarisch bedrijf, gelegen. Aan de westzijde van het plangebied zijn verschillende agrarische percelen gelegen. Hierdoor is er een aanzienlijke afstand tussen het bijgebouw en de dichtstbijzijnde woning. Gelet op de grote afstand van omliggende woningen op het plangebied is zicht op het toekomstig bijgebouw beperkt. Aan de oostzijde van het plangebied is de woning van de initiatiefnemer gelegen. Op het erf aan de Achthoven 23 is, op de woning na, verder geen bebouwing aanwezig.
Doordat het privégedeelte afgescheiden wordt van de bedrijfslocatie kent het plangebied ook een eigen ontsluiting. Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie van het plangebied weergegeven. Zoals weergegeven op de afbeelding wordt de privésituatie duidelijk afgescheiden van de bedrijfslocatie. Ter plaatse van de grondwal aan de achterzijde van de woning is het reeds gerealiseerde bijgebouw gelegen.
Afbeelding 4: Vogelvlucht van de achterzijde van de woning.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 9
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het vergunnen van een reeds gerealiseerd bijgebouw voor privégebruik. Het bijgebouw zal in de toekomst gebruikt gaan worden voor o.a. opslag en de realisatie van een zwembad. Het zwembad zal mede gebruikt worden ten behoeve van medische redenen, waartoe noodzaak is. Daarnaast kent de huidige privésituatie weinig (overdekte) opslagmogelijkheden, wat leidt tot een verrommeling op het erf. Klassieke trekkers voor hobbymatig gebruik worden op dit moment op het buitenterrein gestald. Gewenst is om deze binnen te stallen, zodat deze trekkers overdekt en achter gesloten deuren staan. Bovendien wordt het bijgebouw in gebruik genomen voor opslag van hooi en voer, voor de hobbykoeien die in de weilanden nabij het plangebied lopen.
Afbeelding 5: Nieuwe situatie met bijgebouw.
Het reeds gerealiseerde bijgebouw heeft een bij het landschap passende uitstraling. Zo is het bijgebouw bekleed met potdekselplaten en is de dakconstructie uitgevoerd met een groendak. Het dak van het bijgebouw loopt in de richting van de dijk (Achthoven) iets af. Op die manier wordt vanaf de dijk een natuurlijke aanblik gecreëerd. Daarnaast zijn ter compensatie een aantal inheemse bomen, zoals een els, zomereik, schietwilg en een haagbeuk, aan de lange zijde, gericht op het landschap, aangeplant. Met de aanplant van de bomen is het beperkte zicht op het bijgebouw nog minder, vanwege een natuurlijke inpassing. Daarnaast sluit de nieuwe situering van de bomen beter aan bij de reeds aanwezige rij bomen ten opzichte van de oude situatie. Veder was er in de oude situatie sprake van geen logische lijnen vanaf de dijk gezien. In de nieuwe situatie zijn deze lijnen logischer door het aansluiten op de bestaande groenelementen. Op afbeelding 6 is een impressie van het zijaanzicht van het bijgebouw weergegeven. Afbeelding 7 geeft een impressie van het bovenaanzicht weer.
Afbeelding 6: Impressie landschappelijke uitstraling bijgebouw.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 10
Afbeelding 7: Impressie bovenaanzicht nieuw bijgebouw.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 11
3 Beleidskaders In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt getoetst aan dit beschreven beleid.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken, hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip, dat wil zeggen: ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd namelijk: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan betreft een kleinschalige ontwikkeling, welke geen inbreuk maakt op nationale belangen. Onderhavig plan voorziet in het vergunnen van een reeds gerealiseerd bijgebouw, welke is uitgevoerd in een stijl passend bij de omgeving. Dit past binnen het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied.
3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn regels opgenomen om het beleid uit de SVIR te verwezenlijken. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 12
ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 14 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken. Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het onderhavige plan, het vergunnen van het reeds gerealiseerde bijgebouw, betreft een kleinschalige ontwikkeling die geen inbreuk maakt op nationale belangen.
3.1.3 Barro en Bro Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro worden een aantal projecten die van rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: • Project Mainportontwikkeling Rotterdam. • Kustfundament. • Grote rivieren. • Waddenzee en waddengebied. • Defensie. • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS/NNN, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (bij besluit van 21 april 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd in verband met de aanpassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’).
Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In voorliggend plan is een bijgebouw gerealiseerd behorende bij een reeds bestaande gebruikssituatie. Blijkens jurisprudentie wordt een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk. Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.
3.1.4 Conclusie rijksbeleid Vanuit de NOVI, SVIR, het Barro en de Bro komen geen randvoorwaarden of uitgangspunten naar voren die rechtstreeks doorwerken op onderhavig plan. Geconcludeerd kan worden dat het plan passend is binnen het rijksbeleid.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 13
3.2 Provinciaal beleid Per 1 januari 2019 zijn de gemeente Vianen, Leerdam en Zederik gefuseerd tot een nieuwe gemeente, de gemeente Vijfheerenlanden. Met het samenvoegen van de gemeenten is ook besloten dat de nieuwe gemeente in de provincie Utrecht komt te liggen. Gelet op de reeds vastgestelde provinciale omgevingsvisie en interim omgevingsverordening (10 maart 2021) wordt in deze paragraaf ingegaan op het beleid van de provincie Utrecht, waarbij niet wordt teruggegrepen op door de provincie Zuid-Holland vastgestelde beleidskaders.
3.2.1 Omgevingsvisie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de provincie Utrecht haar lange termijn ambities en beleidsdoelstellingen voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. De provincie Utrecht wil dat ook in 2050 de provincie het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft. Aan de hand van zeven beleidsthema’s wil de provincie Utrecht richting geven aan de ontwikkeling en bescherming van haar gezonde en veilige leefomgeving. De zeven beleidsthema’s zijn: Stad en land gezond. Klimaatbestendig en waterrobuust. Duurzame energie. Vitale steden en dorpen. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. Levend landschap, erfgoed en cultuur. Toekomstbestendige natuur en landbouw. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de Utrechtse opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. In de visie van de provincie Utrecht zijn per thema de ambities in hoofdlijnen weergegeven, waarna per thema dieper op elk aspect wordt ingegaan. Voor voorliggend plan zijn met name ‘stad en land gezond’, ‘Klimaatbestendig en waterrobuust’ en ‘toekomstbestendige natuur en landbouw’ van toepassing. De andere lagen hebben geen rechtstreekse doorwerking op onderhavig plan.
Stad en land gezond In de woon-, werk- en leefgebieden van Utrecht wil de provincie inzetten op het bevorderen van de gezondheid. De provincie zet in op verbetering van de luchtkwaliteit, vermindering van hinder door geluid, geur en licht en geen toename van externe veiligheidsrisico’s. Utrecht wil hierbij inzetten op de ontwikkeling van een groenblauwe en recreatieve structuur die robuust is langs bestaande doorgaande waterlopen. Daarnaast zet de provincie in op het versterken stad/land verbindingen en investeren in groen in en om bebouwd gebied, recreatieve verbindingen, recreatiezones en -terreinen. Afbeelding 8 laat een uitende van de thematische visiekaart zien. In de thematische uitwerking wordt per aspect, zoals schone lucht, goed wonen, bereikbaarheid en dergelijke ingegaan op bevordering van de fysieke leemomgeving. Met de omgevingsvisie wil de provincie Utrecht bijdragen aan een plezierige samenleving waar iedereen aan kan deelnemen.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 14
Afbeelding 8. Thematische visiekaart voor 'Stad en land gezond'. Bron: Omgevingsvisie Utrecht.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het thema ‘stad en land gezond’ uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht. Met het vergunnen van het realiseerde bijgebouw wordt geen inrichting vergund welke schadelijk is voor de luchtkwaliteit, geur en geluidshinder. Het bijgebouw is landschappelijk zorgvuldig ingepast waarbij nieuwe bomen zijn aangeplant en het dak bestaat uit een groen dak. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan een plezierige samenleving waar iedereen aan kan deelnemen. Klimaatbestendig en waterrobuust De provincie Utrecht is rijk aan water. De grote variëteit van het watersysteem in de provincie heeft een belangrijke functie in de wateraanvoer en -afvoer. Met de Klimaatbestendige Wateraanvoer kan bij droogte vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek extra zoetwater naar West-Nederland worden aangevoerd. Dit ter voorkoming van onder andere bodemdaling in het veenweidegebied en verzilting in de Hollandsche IJssel. De uiterwaarden langs de Nederrijn en Lek zijn onderdeel van een uniek rivierenlandschap. De Lekdijk en de Grebbedijk beschermen een groot deel van Midden- en West-Nederland tegen overstromingen.
Utrecht wil zich inzetten voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie samen met waterbeheerders, gemeenten en het Rijk, waarbij zorg wordt gedragen voor aantrekkelijke en toekomstbestendige dijken en omgeving langs de Nederrijn en Lek. Daarnaast wil de provincie de reeds bestaande grondwaterwinningen uitbreiden met zoekgebieden voor drinkwaterwinning. Zie afbeelding 9 voor een uitsnede van de themakaart.
Afbeelding 9. Thematische visiekaart 'Klimaatbestendig en waterrobuust'. Bron: Omgevingsvisie Utrecht.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 15
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt in een gebied welke is aangeduid als ‘Aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk’. Met de realisatie van het bijgebouw is een bijdrage geleverd aan de bevordering van aantrekkelijke en toekomstbestendige dijken. Zo is het bijgebouw niet alleen landschappelijk ingepast, maar ook landschappelijk en toekomstbestendig uitgevoerd. Door de realisatie van een groen dak kan hemelwater infiltreren en wordt het hemelwater niet gelijk afgevoerd. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het aantrekkelijk en toekomstbestendig maken van de dijk langs de Lek. Daarnaast is het plangebied gelegen in een beschermingszone voor drinkwaterwinning (zie afbeelding 10). Binnen de beschermingszone worden bestaande drinkwaterwinningen beschermd. Paragraaf 4.5 gaat hier nader op in. De voorliggende ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de beschermingszone drinkwaterwinning.
Afbeelding 10. Uitsnede kaart thematische uitwerking 'Duurzaam en robuust bodem- en watersysteem'. Bron: Omgevingsvisie Utrecht.
Toekomstbestendige natuur en landbouw Provincie Utrecht heeft een groot netwerk met robuuste natuur, welke onderdeel vormt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) met daarin diverse Natura 2000-gebieden. Daarnaast is de landbouw een belangrijke beheerder van het cultuurlandschap. De ambitie van de provincie is dan ook om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en wordt het onderling beter verbonden tot één samenhangend groot natuursysteem. Tevens wil de provincie de transitie naar duurzame landbouw stimuleren, die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is. Daarbij is de economische rentabiliteit van agrarische bedrijven en een duurzame toekomst van de glastuinbouwconcentratiegebieden een belangrijk uitgangspunt. Afbeelding 11 geeft een uitsnede van de thematische visiekaart weer.
Afbeelding 11: Thematische visiekaart ‘Toekomstbestendige natuur- en landbouw’. Bron: Omgevingsvisie Utrecht
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 16
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling welke geen directe doorwerking heeft op de toekomstbestendige natuur- en landbouwambities. Wel is met de realisatie van het bijgebouw zoveel mogelijk rekening gehouden met een natuurinclusieve uitvoering van het bijgebouw. De realisatie van het groene dak en de aanplant van inheemse bomen draagt hier bijvoorbeeld aan bij.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Utrecht Gelijktijdig met de omgevingsvisie Utrecht hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht op 10 maart 2021 de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld met oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast. Dit vanwege de ligging nabij een regionale waterkering. Deze regels kennen echter geen directe doorwerking op onderhavig plan. Daarnaast zijn de algemeen geldende regels ten aanzien van ontgrondingen, natuur, landschap e.d. van toepassing. Hier wordt met voorliggend plan aan voldaan en de regels gelden hierbij als uitgangspunt bij de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van de grondwaterbescherming zone worden ook een aantal regels gesteld. De belangrijkste artikelen die van invloed zijn op onderhavig plan worden hieronder benoemd. Artikel 3.7 Instructieregel ruimtelijke bescherming grondwater 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Boringsvrije zone, Beschermingszone oppervlaktewaterwinning, 100jaarsaandachtsgebied of Kwetsbare strategische grondwatervoorraad laat geen activiteiten toe en bevat geen bestemmingen en regels die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. 2.
De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop het waterwinbelang in acht is genomen. Artikel 3.11 Instructieregel matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad houdt rekening met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. 2. De motivering op een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Afbeelding 12. Uitsnede kaart 'Grondwaterbeschermingszones' behorende bij de interim omgevingsverordening. Bron: Interim omgevingsverordening Utrecht.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling waarbij geen sprake is van risico op verontreiniging van grondwaterwater. Daarnaast zijn en/of worden geen diepe boringen uitgevoerd en wordt hemelwater op het dak opgevangen. Hierdoor is er geen sprake van risico op verslechtering van de
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 17
kwaliteit van het grondwater. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit de interim omgevingsverordening. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.5.
3.2.3 Conclusie provinciaal beleid Het voorliggend plan past binnen het provinciale beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisieen verordening. Hiermee wordt het plan voor wat betreft het provinciale beleid uitvoerbaar geacht.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Gemeentelijke fusie Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samengegaan tot een nieuwe gemeente: Vijfheerenlanden.
3.3.2 Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 Op moment van schrijven zijn er voor de gemeente Vijfheerenlanden nog geen beleidskaders, (structuur)visies vastgesteld. Derhalve wordt in voorliggende ruimtelijke onderbouwing uitgegaan van beleid van de voormalige gemeente Zederik. In 2015 heeft de gemeente Zederik de ‘Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030; Vitaal, nabij de stad, in het groen' opgesteld. Met de toekomstvisie wordt een handreiking gedaan om het mission statement (Zederikse dorpen: Vitaal, nabij de stad, in het groen) in 2030 te bereiken. De visie is gebaseerd op de kernkwaliteiten en kernwaarden van de gemeente, onderbouwd door relevante informatie uit bestaande plannen, onderzoeken en beleidsnotities. De ambitie van de gemeente is dan ook gericht op het toekomstvast maken van de vitaliteit van de kernen. Zo ontstaat de vitale gemeenschap in de groene omgeving. De ambitie van de gemeente Zederik luidt als volgt: “het versterken van de vitale woon-, werk- en leefomgeving in Zederik”. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het gerealiseerde bijgebouw zorgt voor een versterking van een vitale woon- en leefomgeving. Doormiddel van de realisatie van het bijgebouw wordt wonen aantrekkelijker, wat ten goede komt van de versterking van de woonomgeving.
Daarnaast is het bijgebouw landschappelijk ingepast met het plaatsen van nieuwe inheemse bomen en het uitvoeren van een groendak. Hierdoor zorgt het bijgebouw voor een kwaliteitsverbetering en gaat het niet ten koste van aanwezige kwaliteiten. Door het dak richting de dijk iets af te laten lopen is het zicht op het nieuwe bijgebouw beperkt. Daarnaast zijn aan de zijde van het agrarisch landschap nieuwe bomen geplaatste om het zicht, wat al zeer beperkt is, op het bijgebouw te verminderen. Het bijgebouw is tevens bekleed met potdekselplaten, welke passend zijn voor het buitengebied. Onderhavig plan wordt hiermee uitvoerbaar geacht.
3.4 Conclusie Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale en gemeentelijk beleid.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 18
4 Waardentoets In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
4.1 Natuurwaarden Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij soortenbescherming en bescherming van houtopstanden heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora- en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming (was de Natuurbeschermingswet) en met het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
4.1.1 Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een onderzoek naar beschermde soorten in voorliggend plangebied is in dit geval achterwege gelaten. Het plangebied is namelijk niet gelegen in een beschermd natuurgebied (NNN en/of Natura 2000). Bovendien zijn de werkzaamheden uitgevoerd op een locatie waar geen belangrijke ecologische waarden bekend zijn die om bescherming vragen. Ten behoeve van de realisatie van het bijgebouw is enkel een grondwal verwijderd zonder beschermde soorten en deze bestaat niet uit beplanting wat dient voor voedsel van beschermde soorten.
Gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling is nader ecologisch onderzoek achterwege gelaten. Daarnaast is met de realisatie rekening gehouden met het Algemene zorgplicht: uitvoeren van werkzaamheden buiten het In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat broedseizoen1. Dit wordt gedaan om verstoring iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende van (broed)vogels te voorkomen en dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe bescherming van nesten, rustplaatsen en eieren leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en te waarborgen. Daarnaast is en zal te allen tijde planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere de algemene zorgplicht in acht genomen. oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 19
4.1.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, inmiddels Wet natuurbescherming, beschermd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Natura 2000-gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden.
Op ongeveer 750 meter ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Uiterwaarden Lek. Op 950 meter is het Natura 2000-gebied Zouweboezem gelegen. De aard van de werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Ten behoeve van onderhavig plan zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. Deze rapportage is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Uit de stikstofberekeningen is gebleken dat de werkzaamheden voor het bijgebouw een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg hebben. Dit betreft 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Uiterwaarde Lek.
Deze stikstofdepositie kan, aangezien deze boven de 0,00 mol/ha/jaar bedraagt, een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek Het betreft hier echter een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol gedurende 1 jaar. Het materieel dat wordt ingezet, wordt als het project gereed is weer elders ingezet en voordat het project start wordt het materieel ook bij andere projecten ingezet. Dus steeds op een wisselende plek. Er is daardoor in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met het verspreidingseffect van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie en -depositie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergronddepositie die altijd al aanwezig was en ook ieder jaar fluctueert (bron: BIJ12-Handreiking Voortoets Stikstof) . Daarmee is aangetoond dat de effecten door de stikstofdepositie niet significant zijn. Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, niet aan de orde.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 20
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt op ongeveer 95 meter van begrensd NNN-gebied. Dit NNN-gebied is aan de andere kant van de dijk gelegen. Het NNN kent geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid is daarom niet noodzakelijk. Houtopstanden In het plangebied zijn geen bomen gekapt. De bescherming van houtopstanden is niet van toepassing. Tevens zorgt onderhavig plan voor de toevoeging van extra (inheems) bomen en leidt voor wat betreft de houtopstanden dus zowel kwantitatief en kwalitatief tot een verbetering.
4.1.3 Conclusie natuurwaarden De Wet Natuurbescherming vormt geen obstakel voor voorliggende ontwikkeling.
4.2 Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Binnen het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ zijn de archeologische waarden geborgd middels het opnemen van dubbelbestemmingen. Het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit houdt in dat er archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bouwwerken en/of grondroerende werkzaamheden groter dan 250 m2 en waarbij graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is gerealiseerd op de locatie van een, door de initiatiefnemer, aangebrachte grondwal. Doordat in het verleden deze grondwal door de initiatiefnemer is aangebracht is het niet aannemelijk dat er archeologische waarden aanwezig zijn in de grondwal.
Bij de werkzaamheden hebben wel graafwerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij grond dieper geroerd wordt dan 0,3 meter. Echter betreft dit met name de grondwal zelf. Ten opzichte van de oorspronkelijke laag is de grond niet dieper dan 0,3 meter geroerd. Het is dan ook niet te verwachten dat er een verlies of beschadiging van archeologische waarden plaatsvindt. Hiertoe is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Tot slot blijft te allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen, waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag.
4.3 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 21
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling. Er worden met het voorliggende plan geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Binnen het plangebied bevinden zicht geen rijks- of gemeentelijke monumenten die zijn gesloopt en/of aangetast. Ook worden andere cultuurhistorische waarden niet aangetast.
4.4 Water Het is verplicht om in elk bestemmingsplan, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een waterparagraaf op te nemen. Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren.
De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit was 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 weer, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 22
Waterschap Rivierenland Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ beschrijft het waterschap Rivierenland haar doelstellingen voor de periode van 2016 tot 2021. Met het waterbeheerplan wil het waterschap op koers blijven om de lange termijn doelen te bereiken voor waterveiligheid, het watersysteem en de waterketen. Het waterbeheerplan is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten, die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Keur en legger Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn de legger ‘Waterkeringen’ en de legger ‘Wateren’ van het waterschap Rivierenland geraadpleegd. Het plangebied is gelegen nabij rivier de Lek.
De dijk en de weg Achthoven zijn gelegen binnen een primaire waterkering. Het plangebied van onderhavig plan is voor het grote deel gelegen in de zone ‘buitenbeschermingszone’. Een deel van het plangebied aan de noordzijde is gelegen in een ‘beschermzone’. Verder grenst het plangebied niet aan een watergang met waterschapsbelangen. Op afbeelding 13 zijn uitsneden van de twee leggers weergegeven.
Afbeelding 13: Uitsneden legger 'Waterkeringen' (links) en 'Wateren' (rechts). Bron: Waterschap Rivierenland.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 23
In de Keur van waterschap Rivierenland is vastgelegd dat het verboden is zonder watervergunning in de (buiten)beschermingszone van waterkeringen te bouwen en/of werkzaamheden uit te voeren. Het overgrote deel van het plangebied ligt in een buitenbeschermingszone. De buitenbeschermingszone is bedoeld voor een lichte bescherming van de waterkering. Hiervoor stelt het waterschap voorwaarden ten aanzien van afgravingen en ontgrondingen. Daarnaast is een klein deel van het plangebied gelegen in een beschermingszone van de waterkering. Voor de beschermingszone stelt het waterschap eisen ten aanzien van nieuwe, permante, bebouwing. Op afbeelding 13 is een uitsnede van de legger ‘Waterkeringen’ weergegeven. Hierop is, naast de (buiten)beschermingszone een bebouwingsgrens en een leggervlak aangegeven. Watervergunningen voor het bouwen binnen de beschermingszone worden enkel verleend op basis van een aantal algemene en aanvullende toetsingscriteria. Afbeelding 14 geeft de aanvullende toetsingscriteria weer. Voor onderhavig plan geldt dat het Afbeelding 14: Toetsingscriteria voor aanvragen watervergunning. plangebied voor een klein deel gelegen is in Bron: Beleidsregels behorende bij de Keur. de beschermingszone, waar ook een bouwgrens is opgenomen.
Het reeds gerealiseerde bijgebouw is gebouwd aan de polderzijde van de bouwgrens (zie afbeelding 13), waardoor in aanvulling op de algemene toetsingscriteria ook toetsingscriteria B van toepassing zijn op onderhavig plan. Ten aanzien van reeds gerealiseerde bijgebouw wordt een watervergunning aangevraagd voor het bouwen van een bouwwerk in de beschermingszone en het uitvoeren van de werkzaamheden in de buitenbeschermingszone. Hierbij wordt voldaan aan alle voorwaarden uit de beleidsregels horende bij de ‘Keur’ van het waterschap Rivierenland. Volledigheidshalve zijn de aanvullende toetsingscriteria B hieronder weergegeven. Met voorliggend wordt aan de punten 1 tot en met 4 voldaan.
Afbeelding 15: Toetsingscriteria B, waaraan een aanvraag bij het waterschap moet voldoen. Bron: Beleidsregels Keur.
Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is daarnaast gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ is het verboden, zonder een omgevingsvergunning in afwijking van het in de gebiedsaanduiding bepaalde, een gebouw te realiseren. De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van een bijgebouw, betreft geen inrichting welke schadelijke gevolgen kan hebben voor het grondwaterbeschermingsgebied. Voor de realisatie van het bijgebouw wordt contact gezocht met het waterleidingbedrijf. Watertoets Daarnaast is via de website www.dewatertoets.nl de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de watertoets blijkt de normale procedure van toepassing is. Het voorgenomen plan wordt afgestemd met waterschap Rivierenland. Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 24
4.5 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het plangebied.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 25
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: Bodem. Geluid. Luchtkwaliteit. Externe veiligheid. Bedrijven en milieuzonering. Verkeer en parkeren. Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Leidingen.
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen bekend. Gelet op het grondgebruik en de aanwezigheid nabij de huidige woning is het niet te verwachten dat er verontreinigingen aanwezig zijn. Met betrekking tot het aspect bodem wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.
5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; • bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen.
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 26
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen het plangebied is geen geluidsgevoelige bestemming toegevoegd. Daarnaast is ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Achthoven 23a’ door Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Door Peutz is onderzoek verricht naar geluid in de omgeving ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten op de bedrijfslocatie (nummer 23a). Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of de ontwikkeling met het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De NIBM-tool is geraadpleegd om te berekenen in welke mate de ontwikkeling bijdraagt aan een vermindering van de luchtkwaliteit. Bij een dagelijks aantal verkeersbewegingen van 800 (waarvan 5% vrachtverkeer) is de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een bijgebouw behorende bij de bedrijfswoning betreft zijn er alleen verkeersbewegingen merkbaar tijdens de aanlegfase. Deze brengt een toename van het aantal verkeersbewegingen met zich mee.
Hierbij blijft het aantal ruimschoots onder de 800 per dag. Na deze fase is er een daling van het aantal verkeersbeweging naar de huidige situatie. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmede niet tot een vermindering van de luchtkwaliteit. Aannemelijk is dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet behoort tot de noodzaak. Het onderdeel ‘stikstofdepositie’ wordt behandeld in paragraaf 4.1.2.
5.5 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. • Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
Bijgebouw Achthoven | Eelerwoude | 27
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart weer.
Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart. Bron: Risicokaart.nl
In en rondom het plangebied zijn geen risicovolle richtingen of buisleidingen aanwezig. Wel ligt op circa 50 meter rivier de Lek, welke een onderdeel vormt van het Basisnet in Nederland. Het Basisnet is een netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Voor rivier de Lek geldt een PR 10-6 tot aan de waterlijn. Voorliggend plangebied is buiten de grens van de waterlijn gelegen. Daarnaast is de bedrijfswoning van de initiatiefnemer tussen het plangebied en de Lek gelegen. Verder valt het plangebied ook buiten het plasbrandaandachtsgebied. Tevens zorgt het gerealiseerde bijgebouw niet tot een toename van het aantal personen, waardoor er geen sprake is van de toename van het risico. Het bijgebouw is op zichzelf ook geen gevoelig object of inrichting, welke formeel een veiligheidscontour kent. Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor het voorgenomen plan.