Quickscan Flora Fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Lekdijk 7a, Everdingen
Rapport
Quickscan Wet natuurbescherming
Locatie Kenmerk Datum
: : :
Lekdijk 7a, Everdingen A1486-03/SKA/qs2 1 februari 2023
Auteur Vrijgave Email Telefoon
: : : :
Dhr. S.W. Kamer Dhr. D. van der Meer skamer@idds.nl 06 8238 7263
Opdrachtgever
:
Plexwood Holding B.V. Mevr. M. Pattynama
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Samenvatting In opdracht van Plexwood Holding B.V. is op 12-04-2022 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Lekdijk 7a te Everdingen. Op 31-1-2023 heeft een extra bezoek aan het plangebied plaatsgevonden. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 7 Conclusie en advies. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied mogelijk meerdere geschikte verblijfplaatsen voor huismussen aanwezig zijn. Door middel van nader onderzoek moet vastgesteld worden of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor deze beschermde soorten. Naast de huismus, dient met nog een aantal soorten rekening gehouden te worden tijdens de werkzaamheden (Tabel Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied.
Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. De omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Om verstoring van eventuele foeragerende vleermuizen te voorkomen dient (bouw)verlichting tussen zonsondergang en -opkomst gedoofd te worden en mag er niet op de omringende vegetatie geschenen worden. De rugstreeppad is veelvuldig in de nabije omgeving waargenomen. In de huidige situatie vormt het plangebied geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer er tijdens de werkzaamheden los zand op het terrein ontstaat, bijvoorbeeld door het plaatsen van bouwzand of het breken van de bodem, ontstaat zeer geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein bereden wordt door zware voertuigen kunnen in de bandensporen tijdelijke plassen ontstaan. In deze plassen kan zich geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad ontwikkelen. De rugstreeppad kan zich als pioniersoort zeer snel vestigen in nieuwe habitats.
Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt dient het werkgebied afgezet te worden met paddenschermen en is het belangrijk bergen (bouw)zand direct na plaatsing goed sluitend af te dekken. Om te voorkomen dat er plassen vormen die als voortplantingswater kunnen functioneren is het van belang om, daar waar zware voertuigen zullen rijden, druk verdelende metalen bouwplaten toe te passen. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4)
Huismus (Passer domesticus)
Nader ecologisch onderzoek
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Vleermuizen
Diverse vleermuissoorten
Mitigerende maatregelen
Amfibieën
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Mitigerende maatregelen
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Er is reeds een stikstofrapport opgesteld welke is ingediend bij de gemeente.
Inhoudsopgave
1.1 1.2 1.3
Inleiding ........................................................................................................................ 6 Aanleiding ...................................................................................................................... 6 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 6
2.1 2.2 2.3
Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 7 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 7 Veldonderzoek ............................................................................................................... 7 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 7
3.1 3.2 3.3
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 8 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 8 Planvoornemen ............................................................................................................ 10 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 10 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 12
5.1 5.2 5.3
Veldonderzoek ........................................................................................................... 14 Biotoop bebouwing ...................................................................................................... 14 Biotoop aanwezig groen en bodem ............................................................................. 17 Biotoop water ............................................................................................................... 19
6.1 6.2
Effectbeoordeling ...................................................................................................... 20 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 20 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 21
7.1 7.2
Conclusie en advies .................................................................................................. 24 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 24 Soortbescherming ........................................................................................................ 24 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 28
Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 29 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 31
Inleiding 1.1
Aanleiding
De opdrachtgever is voornemens de huidige bedrijfshal aan de Lekdijk 7a te Everdingen te vervangen door nieuwbouw. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzoek verricht te worden naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, flora en fauna, om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. In dat kader is door IDDS een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • in het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen • de ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten • de ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) • het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats) • op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is 1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en de ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Hoofdstukken 4 en 5 beschrijven de resultaten van het bureau- en veldonderzoek. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling uiteen gezet. Tenslotte worden hieruit in Hoofdstuk 7 conclusies getrokken en advies gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van nader onderzoek. Een overzicht van de gebruikte literatuur staat in Hoofdstuk 8. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wet natuurbescherming staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer van natuur inclusief bouwen.
Opzet van het onderzoek 2.1
Bureauonderzoek
Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast worden relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 8 voor de literatuurlijst) geraadpleegd. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Daarmee wordt een inschatting gemaakt of de voorgenomen ruimtelijke ingreep negatieve effecten heeft op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en gebieden. 2.2
Veldonderzoek
Naast een bureaustudie wordt een biotooptoets uitgevoerd: een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Het veldonderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is in kaart gebracht of het aanwezige biotoop geschikt is voor de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.
De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing wordt alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect. Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Soorten die geen strikte bescherming genieten worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.11.
Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 zal bestaan uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Daarnaast wordt uiteengezet wat de ligging van het plangebied is ten opzichte van beschermde natuurgebieden in de omgeving. Tevens wordt er een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1
Ligging en algemene beschrijving van het plangebied
In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in het buitenstedelijk gebied ligt en omgeven wordt door agrarische bedrijven en gras- en akkerlanden. Er zijn in de omgeving van het plangebied veel bomen en enkele bosschages te vinden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Lekdijk. Ten noorden van de Lekdijk bevindt zich de Lek en bijhorende uiterwaarden. Direct ten westen en noorden van het plangebied bevinden zich dichte tuinen met veel hagen en struiken. Ten zuiden van het plangebied ligt een kleine appelboomgaard en groentetuin.
Het plangebied bestaat uit een L-vormig bedrijfspand van twee bouwlagen en een bijhorend parkeerterrein. De noordelijke vleugel beschikt over een plat dak met bitumen dakleer. De zuidelijke vleugel bezit een zadeldak met kunststof golfplaten. De eerste verdieping is opgetrokken uit baksteen, hogere bouwlagen zijn bedekt met metalen beplating. Aan het oostelijke einde van de zuidelijke vleugel staat een los bijgebouwtje. Dit gebouwtje zal gesloopt worden om ruimte te maken voor de uitbreiding van het bedrijfspand. Figuren 2, 3 en 4 schetsen een beeld van de situatie ter plaatse.
3.2
Planvoornemen
De opdrachtgever is voornemens de zuidelijke vleugel van de bestaande bedrijfshal op het terrein uit te breiden. De noordelijke en oostelijke gevels zullen afgebroken worden en enkele meters naar de buitenzijde worden verplaatst. De oranje stippellijn toont de oude (huidige) situatie (Figuur 5).
3.3
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, weidevogelkerngebied, groene contour of Militair Oefenterrein met Natuurwaarden. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 6. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied
Afstand tot het plangebied in meters
Natura-2000 gebied
3.720 – Lingegebied & Diefdijk-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
90
Weidevogelkerngebied
860
Groene Contour
2.240
Militair Oefenterrein met Natuurwaarden
18.710
In Figuur 7 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Er is reeds een stikstofrapport opgesteld welke is ingediend bij de gemeente.
Bureauonderzoek Tijdens het bureauonderzoek is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om te kijken of beschermde soorten voorkomen in de omgeving van het plangebied. Om een goed beeld van de situatie ter plaatse te krijgen, zijn waarnemingen tot vijf jaar terug meegenomen in dit onderzoek. In een straal van 3 kilometer rond het plangebied is gekeken welke beschermde soorten in de omgeving voorkomen. Deze beschermde soorten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De data van de NDFF is niet volledig sluitend, indien tijdens de biotooptoets geschikt habitat wordt aangetroffen, kan het plangebied alsnog geschikt worden geacht voor specifieke soorten. Tabel 3: Verwachte beschermde flora- en faunasoorten in het projectgebied (Bron: NDFF). Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam) Boomvalk (Falco subbuteo) Buizerd (Buteo buteo) Gierzwaluw (Apus apus) Havik (Accipiter gentilis)
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Huismus (Passer domesticus) Ooievaar (Ciconia ciconia) Ransuil (Asio otus) Roek (Corvus frigilegus) Sperwer (Accipiter nisus) Steenuil (Athene noctua) Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Bosvleermuis (Nyctalus leisleri) Brandts vleermuis (Myotis brandtii) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Vleermuizen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) Watervleermuis (Myotis daubentonii) Bever (Castor fiber)
Overige zoogdieren
Boommarter (Martes martes) Gewone zeehond (Phoca vitulina) Steenmarter (Martes foina) Heikikker (Rana arvalis)
Amfibieën
Kamsalamander (Triturus cristatus) Poelkikker (Pelophylax lessonae) Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Reptielen
Ringslang (Natix natrix)
Vissen
Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) Grote vos (Nymphalis polychloros)
Vlinders Libellen
Teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) Rivierrombout (Gomphus flavipes)
In de omgeving van het plangebied zijn tevens enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Utrecht een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht.
Veldonderzoek Het veldonderzoek is op 12 mei 2022 uitgevoerd door deskundig ecoloog S.W. Kamer. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 4: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Buienradar). Datum
Temperatuur (℃)
Overheersende windrichting (Bft)
Bewolking
Neerslag (mm)
12-05-2022
20
W4
Helder
Geen
31-1-2023
5
W5
Zwaar bewolkt
Geen
De in Hoofdstuk 4 genoemde soorten kunnen op basis van verspreidingsgegevens voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is vervolgens nagegaan of het plangebied potentieel geschikt is voor (onder andere) deze soorten. In dit hoofdstuk worden de aantroffen biotopen binnen het plangebied beschreven. 5.1
Biotoop bebouwing
De bebouwing aan de Lekdijk 7a bestaat uit een L-vormig bedrijfspand. De eerste bouwlaag is opgetrokken uit baksteen en beschikt over open stootvoegen. Vanaf de tweede bouwlaag is het hele pand bekleed met metalen gevelplaten met een damwandmotief (Figuur 8). De gevelplaten zijn overal geheel sluitend aangebracht. Kieren of gaten zijn niet aanwezig (Figuur 9). Aan de gevel langs de parkeerplaatsen hangt straatverlichting. Alle aanwezige open stootvoegen bevinden zich op maximaal 2,3 meter hoogte en vormen daarmee geen geschikte verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het dak bestaat uit kunststof golfplaten welke geheel sluitend zijn aangebracht (Figuur 10). Het dak biedt daarmee geen ruimte aan huismussen, gierzwaluwen of vleermuizen. Via de dakgoot hebben huismussen wel toegang om tussen de dakplaten en het dakbeschot te komen (Figuur 11). Echter wordt niet verwacht dat huismussen in het pand broeden. De waarnemingen uit de NDFF concentreren zich in Everdingen en bij de camping Fort Everdingen. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek in 2022, wat midden in het broedseizoen van de huismus is uitgevoerd, geen huismussen waargenomen. Dit maakt de kans zeer klein dat het pand gebruikt wordt door huismussen om te broeden. Langs de westelijke gevel staat afzuigapparatuur opgesteld (Figuur 12). Entreepunten van buizen zijn hier eveneens goed afgedicht.
Aan de westelijke gevel hangt een vogelhuisje.
Aan de oostzijde van de zuidelijke vleugel staat een bijgebouwtje wat gesloopt zal worden om ruimte te maken voor de uitbreiding (Figuur 12). Het bijgebouwtje beschikt op de eerste verdieping over sluitende houten gevelbetimmering. Boven de begane grond is de gevel, overeenkomstig met de andere bebouwing, bedekt met metalen gevelplaten en een golfplaten zadeldak. Net als in de overige bebouwing zijn deze elementen ook hier geheel sluitend aangebracht en bieden geen openingen voor beschermde soorten.
5.2
Biotoop aanwezig groen en bodem
Rondom het plangebied staat divers groen, van grotere bomen tot struiken en hagen in boomgaarden en tuinen (Figuren 13 en 14). Binnen het plangebied in de bodem vrijwel geheel verhard, bijna alle ruimte die niet door het bedrijfspand gebruikt wordt is bestraat. Op enkele punten zijn struiken langs het pand geplant (Figuur 15). In deze struiken en de omringende vegetatie kunnen algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest tot broeden komen. Tevens kan de omliggende vegetatie onderdeel vormen van het functioneel leefgebied van de huismus indien deze voorkomen rondom het plangebied.
De bomen in en rond het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holtes en (oude) kraaien of eksternesten, welke niet aangetroffen zijn. Het plangebied vormt, door de beschutting in combinatie met de omliggende tuinen, akkers en boomgaarden, geschikt habitat voor de steenmarter. Er bevinden zich echter geen openingen welke de steenmarter toegang tot het gebouw kunnen geven. Het omringende leefgebied blijft tevens in stand waardoor eventuele steenmarters geen hinder zullen ondervinden. Binnen het plangebied is gezocht naar sporen van (grondgebonden zoog) dieren, welke niet aangetroffen zijn.
De rugstreeppad is veelvuldig in het gebied tussen de Lekdijk en de Lek waargenomen. Ook aan de zuidzijde van de Lekdijk zijn enkele waarnemingen bekend in de achterliggende akkerlanden. In de huidige situatie vormt het plangebied geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad, los vergraafbaar zand is niet aanwezig. Dit zal echter wel kunnen ontstaan wanneer tijdens de werkzaamheden bouwzand op het terrein gestort wordt of de bodem braak komt te liggen. Tevens kunnen er, wanneer er met zware voertuigen op het terrein gereden wordt, in de bandensporen tijdelijke plassen ontstaan. In deze plassen kan zich geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad. Er zijn binnen het plangebied geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan echter een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Gezien de omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving, wordt dit echter niet als essentieel beschouwd. De vegetatie is tevens onderzocht op de aanwezigheid van oude kraaien- of eksternesten, welke niet aangetroffen zijn. 5.3
Biotoop water
Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn geen waterlichamen aanwezig.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen plannen een al dan niet nadelig effect hebben op de beschermde soorten die volgens de bureaustudie in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst zullen de soorten aan bod komen waar wel een negatief effect te verwachten is. Deze soorten en/of beschermde functies kunnen naar aanleiding van het bureauonderzoek en de biotooptoets niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Vervolgens komen de soorten aanbod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1
Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wet natuurbescherming potentieel overtreden wordt. Tabel 5: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep) Reden van verwachting negatief effect Artikel en lid Wnb Vogels
Algemene broedvogels
Er kunnen vogels broeden in de bomen en struiken in en rondom het plangebied. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en er broedende vogels aanwezig zijn, kan een negatief effect op een broedende vogels niet uitgesloten worden.
§3.1, lid 1, 2 en lid 4
Huismus
De opstal binnen het plangebied heeft een toegankelijk dakrand. De kans wordt echter zeer klein geacht dat de soort daadwerkelijk binnen het plangebied broedt. Desalniettemin is het volledig uitsluiten van de huismus niet mogelijk zonder soortgericht nader ecologisch onderzoek. Door de geplande werkzaamheden kunnen huismussen worden verstoord en gedood en nesten worden vernield. Negatieve effecten op huismussen zijn daarmee niet uitgesloten.
§3.1, lid 1, 2 en 4
De omringende tuinen, graslanden en boomgaarden kunnen door diverse vleermuissoorten gebruikt worden om te foerageren. Wanneer na zonsondergang met felle (bouw)verlichting geschenen wordt kan deze functie verstoord worden, waardoor een negatief effect op vleermuizen niet uitgesloten kan worden. Een negatief effect op verblijf- en rustplaatsen kan wel op voorhand uitgesloten worden, omdat geschikte verblijfplaatsen (bomen met holtes en kieren en spleten in gebouwen, vleermuiskasten, ijskelders, bunkers en oude forten) niet in het plangebied aanwezig zijn.
§3.5, lid 2
De rugstreeppad is veelvuldig waargenomen aan de overzijde van de Lekdijk. Ook in de akkerlanden aan de zuidzijde van de Lekdijk zijn enkele waarnemingen bekend. In de huidige staat vormt het plangebied geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer er tijdens de werkzaamheden vergraafbaar zand ontstaat, bijvoorbeeld in de vorm van bouwzand op het terrein, ontstaat geschikt terrestrisch zomer- en winterhabitat. Wanneer er met zware voertuigen op het terrein gereden wordt kunnen in de bandensporen tijdelijke plassen ontstaan. In deze plassen
§3.5, lid 1, lid 2 en lid 4
Vleermuizen
Diverse vleermuissoorten
Amfibieën
Rugstreeppad
Soort(groep)
Reden van verwachting negatief effect
Artikel en lid Wnb
kan zich geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad ontwikkelen. Als de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt kan een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden niet uitgesloten worden. Om dit te voorkomen is het nemen van maatregelen vereist.
6.2
Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt
Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of er naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tabel 6: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën
Heikikker
Het geschikte biotoop is niet aanwezig. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Veel in geïsoleerde wateren en sloten en soms in rivierbegeleidende wateren lands de Nederrijn/Lek. Soms in bos en struweel. Vrijwel niet in intensief agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing.
Kamsalamander
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Het water mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. Dit water ligt in de directe omgeving van bosrijk gebied met houtwallen of struweel.
Poelkikker
De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een veeleisende soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Dit biotoop is niet aanwezig.
Vogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik
Er zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is tevens te druk bezocht door verkeer en voetgangers dat er bij het broeden teveel verstoring zou optreden.
Gierzwaluw
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen.
Ooievaar
Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig in de vorm van hoge plekken, zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform.
Ransuil
Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn er geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. Ook zijn er geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.
Roek
Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen of kanalen in de buurt van graslanden. De roek is een koloniebroeder. Er zijn binnen het plangebied geen oude nesten aangetroffen.
Steenuil
Binnen het plangebied is geschikt biotoop aanwezig, namelijk kleinschalig cultuurlandschap met een variatie van heggen, weitjes en knoestige bomen. Echter zijn er geen holtebomen, knotwilgen, toegankelijke schuren, zolders of uilenkasten aanwezig. Zodoende is er voor de Steenuil geen nestgelegenheid in het plangebied, waardoor een negatief effect uitgesloten kan worden.
Bosvleermuis
Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in bomen en in het oosten van het land.
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten
Baardvleermuis, Brandts vleermuis
Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.
Gewone grootoorvleermuis
Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosachtige omgeving en de aanwezigheid van straatverlichting en/of andere felle lichtbronnen. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn.
Grijze grootoorvleermuis
De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied.Deze biotopen zijn niet aanwezig. Ze zijn sterk gevoelig voor aanwezigheid van straatverlichting en/of andere felle lichtbronnen. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap
Tweekleurige vleermuis
Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen.
Watervleermuis
Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien er geen holtebomen aanwezig zijn of worden gekapt binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.
Overige zoogdieren
Bever
Er is geen geschikt habitat aanwezig, namelijk het overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen. Rustige beken, rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es zijn niet aanwezig. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden). Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. In ondiep stromend water worden dammen gebouwd om de gewenste waterstand te krijgen.
Boommarter
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook zijn er geen holtebomen aanwezig binnen het plangebied.
Gewone zeehond
Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk; getijdengebieden langs zandige kusten en rotskusten, wier bedekte riffen, kiezelstranden, zandplaten en stenen.
Steenmarter
Binnen het plangebied zijn geen schuilplaatsen aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, toegankelijke zolders of kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekking met een minimale opening van 5-6 centimeter. Ook zijn er geen prooiresten of latrines aangetroffen binnen het plangebied.
Reptielen
Soort(groep)
Reden van uitsluiten negatieve effecten
Ringslang
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes met laag gelegen nat gebied worden gemeden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het projectgebied. Ook zijn er geen broeihopen aangetroffen binnen het projectgebied.
Weekdieren
Platte schijfhoren
Er vinden geen werkzaamheden plaats in het water dus negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Er is tevens geen geschikt biotoop aanwezig binnen het plangebied. De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbenscheer. Daarnaast soms op de wortels van o.a. lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water.
Vissen Grote modderkruiper
Er vinden geen werkzaamheden plaats aan waterlichamen, negatieve effecten op de grote modderkruiper worden daarom uitgesloten.
Vlinders Grote vos
De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De grote vos heeft als waardplant; iep, zoete kers en wilgensoorten. Dit biotoop is binnen het plangebied niet aanwezig.
Teunisbloempijlstaart
De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen en heeft als waardplant wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De combinatie van habitateisen en waardplanten zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Libellen Rivierrombout
Deze libel leeft in rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Conclusie en advies In dit hoofdstuk worden alle soorten behandeld waarvoor mitigerende maatregelen nodig zijn of nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Soorten die zijn uitgesloten, worden hier niet behandeld, de reden van uitsluiting is terug te vinden in Hoofdstuk 6 Effectbeoordeling. Tevens wordt besproken of er een vervolgtraject benodigd is aangaande gebiedsbescherming. 7.1
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Er is reeds een stikstofrapport opgesteld welke is ingediend bij de gemeente. 7.2
Soortbescherming
Nader onderzoek Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een de huismus niet worden uitgesloten (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar deze soort voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en of maatregelen noodzakelijk zijn.
Huismus: de opstal in het plangebied beschikt over meerdere geschikte openingen waarin huismussen kunnen verblijven. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of het plangebied een functie vervult voor deze soort. Voor het onderzoek naar de huismus zijn twee veldbezoeken nodig in de periode tussen 1 april en 15 mei, met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Mitigerende maatregelen Vogels zonder jaarrond beschermd nest: binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: de omgeving van het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor diverse vleermuissoorten.
Om verstoring van eventuele foeragerende vleermuizen te voorkomen dient (bouw)verlichting tussen zonsondergang en -opkomst gedoofd te worden en mag er niet op de omringende vegetatie geschenen worden. Rugstreeppad: De rugstreeppad is veelvuldig in de nabije omgeving waargenomen. In de huidige situatie vormt het plangebied geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer er tijdens de werkzaamheden los zand op het terrein ontstaat, bijvoorbeeld door het plaatsen van bouwzand of het breken van de bodem, ontstaat zeer geschikt habitat voor de rugstreeppad. Wanneer het terrein bereden wordt door zware voertuigen kunnen in de bandensporen tijdelijke plassen ontstaan. In deze plassen kan zich geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad ontwikkelen. De rugstreeppad kan zich als pioniersoort zeer snel vestigen in nieuwe habitats. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het plangebied vestigt dient het werkgebied afgezet te worden met paddenschermen en is het belangrijk bergen (bouw)zand direct na plaatsing goed sluitend af te dekken. Om te voorkomen dat er plassen vormen die als voortplantingswater kunnen functioneren is het van belang om, daar waar zware voertuigen zullen rijden, druk verdelende metalen bouwplaten toe te passen. Zorgplicht: De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht.
Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de bunzing. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg over gejaagd waar ze worden overreden. • Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden. • Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten
•
en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten.
Ecologisch vervolgtraject Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen een aantal soorten die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat mitigerende maatregelen nodig zijn om overtreding van de Wnb te voorkomen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 7: Overzicht van de onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nader ecologisch onderzoek
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Roek (Corvus frigilegus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Steenuil (Athene noctua)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Nee
Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
Nee
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Nee
Franjestaart (Myotis nattereri)
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Mitigerende maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Nee
Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus)
Nee
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Mitigerende maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Mitigerende maatregelen
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Mitigerende maatregelen
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Mitigerende maatregelen
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Mitigerende maatregelen
Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)
Nee
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Bever (Castor fiber)
Nee
Boommarter (Martes martes)
Nee
Gewone zeehond (Phoca vitulina)
Nee
Steenmarter (Martes foina)
Nee
Heikikker (Rana arvalis)
Nee
Kamsalamander (Triturus cristatus)
Nee
Poelkikker (Pelophylax lessonae)
Nee
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Mitigerende maatregelen
Vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Amfibieën
Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Reptielen
Ringslang (Natix natrix)
Nee
Vissen
Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)
Nee
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Nee
Grote vos (Nymphalis polychloros)
Nee
Teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina)
Nee
Rivierrombout (Gomphus flavipes)
Nee
Vlinders Libellen
Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels
Internetbronnen www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.floron.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.waarneming.nl
Bijlage I
Wet natuurbescherming
Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen,
af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Verordening vrijstelling soorten provincie Utrecht De provincie Zuid-Holland acht het wenselijk vrijstellingen te verlenen van verboden ter bescherming van soorten dieren op grond van de Wet natuurbescherming voor de volgende diersoorten: Aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden. Voor bovengenoemde soorten blijft de zorgplicht echter van kracht.
Bijlage II
Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen
Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming geven wij in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen de volgende aanbevelingen met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken. Vleermuizen Nieuwbouw Spouwmuren zijn uitermate geschikt voor vleermuizen. Geschikte permanente verblijfplaatsen kunnen worden gecreëerd door bij de nieuwbouw een spouwmuur te realiseren van ten minste 2 centimeter diep. Invliegopeningen in de vorm van open stootvoegen van 1,5 tot 2 cm breed geven dwergvleermuizen toegang tot de spouwmuur. Laatvliegers hebben wat meer ruimte nodig om in te vliegen, namelijk tussen de 1,8 en 2 centimeter. Bij het gebruik van isolatie aan de binnengevel is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat er kunststof gaas wordt aangebracht met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter om vleermuizen de mogelijkheid te bieden te zich vast te klampen. De stootvoegen moeten zich op ten minste 3 meter hoogte bevinden en niet boven ramen of deuren geplaatst. Als het niet gewenst is dat vleermuizen zich vrij door de spouwmuur bewegen, is het inmetselen van vleermuisstenen een goed alternatief. De ruimte in een inmetselsteen is beperkt. Het is dan ook raadzaam inmetselstenen te koppelen zodat een grotere verblijfplaats ontstaat.
Renovatie Als een bestaande spouwmuur wordt geïsoleerd blijft er vaak te weinig ruimte over om nog te kunnen functioneren als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Het is dan nog wel mogelijk inmetselstenen aan te brengen tussen het binnen- en buitenblad van de spouwmuur.
Boeiboorden of gevelbetimmering kan ook een verblijfplaats bieden aan vleermuizen. Door een opening van 2,5 centimeter vrij te houden tussen de gevel en de betimmering wordt een potentiële verblijfplaats gerealiseerd. Het is belangrijk dat de vleermuizen grip hebben, dus de wand moet ruw zijn.
Gierzwaluw Voor gierzwaluwen kan onder andere gebruik gemaakt worden van inmetselkasten in de gevel en nestpannen op het dak. De neststenen kunnen zowel zichtbaar als onzichtbaar in de gevel worden verwerkt.
Bij het aanbrengen van neststenen in de gevel is het van belang rekening te houden met de mate van opwarming van de neststenen. De neststenen moeten bij voorkeur in noordelijk of oostelijk gerichte gevels worden aangebracht of onder de schaduw van een overstek. Ook in nestpannen op het dak kan de temperatuur snel oplopen. Deze moeten onder geen beding op zuidelijk of westelijk gerichte daken worden gelegd. De kans is groot dat de jongen dit niet overleven. Zeker als de daken zijn geïsoleerd, kan warmte niet meer ontsnappen en is oververhitting een reëel gevaar. Gaten in overstekken en dakgootomlijstingen bieden goede mogelijkheden voor gierzwaluwen om te nestelen. De temperatuur is dit soort betimmeringen is beter gereguleerd en het is goed aan te vliegen door de soort.
Huismus Voor huismussen kan heel gemakkelijk nestruimte worden gerealiseerd door het (ver)plaatsen van vogelschroot tot onder de derde rij dakpannen. Op deze manier wordt voldaan aan het Bouwbesluit, maar blijft het dak beschikbaar voor de huismus. Bij huismussen moet rekening worden gehouden met de eisen die de soort stelt aan zijn omgeving. Om te kunnen functioneren als broedlocatie moet op zeer korte afstand voldoende dekking en voedsel aanwezig in de vorm van inheemse bomen en planten. Soorten als liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn hier heel geschikt voor.
Insectenhotels Door insectenhotels te plaatsen in een voedselrijke omgeving met veel inheemse bloemen kunnen insecten worden gelokt. Het is van belang om goed te letten op de grootte en diepte van het insectenhotel en deze te plaatsen op een zonnige plek om deze succesvol te laten zijn. Een insectenhotel kan de diversiteit lokaal vergroten en de insecten vormen een goede voedselbron voor vogels en vleermuizen. Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. Kijk voor meer informatie op: www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl