Quickscan_Ecologie
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Lakerveld 252 & 254, Lexmond Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0736
Datum:
11 augustus 2023
Samensteller:
ing. J. Bruining
Collegiale toets:
ing. C.J. Blom
Opdrachtgever:
Aannemingsbedrijf Ateko BV
Contactpersoon:
Dhr. T. Korevaar
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
4
2 Methode
5
2.1
Uitvoering onderzoek
5
2.2
Soortenbescherming
5
2.3
Gebiedsbescherming
4
2.4
Houtopstanden
5
2.5
Houdbaarheid en toepassing
5
3 Beoordeling
6
3.1
Soortenbescherming
6
3.2
Gebiedsbescherming
11
3.3
Houtopstanden
12
4 Samenvatting
13
4.1
Soortenbescherming
13
4.2
Gebiedsbescherming
13
4.3
Houtopstanden
13
5 Conclusie
14
5.1
Conclusie
14
5.2
Uitvoerbaarheid
14
5.3
Vervolgstappen
14
5.4
Te treffen maatregelen
14
1 Inleiding Aan de Lakerveld 252 & 254 te Lexmond bevindt zich een agrarisch perceel met 2 wooneenheden met een grotere loods, kleinere loods, een stal en bijgebouw. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande kleinere loods, de stal en het bijgebouw op de planlocatie te slopen ten behoeve van een nieuwe loods. Het bestemmingsplan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Aannemingsbedrijf Ateko BV begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Lakerveld 252 & 254 te Lexmond.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan Lakerveld 252 & 254 te Lexmond. Op de planlocatie zijn meerdere gebouwen aanwezig, die binnen beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt worden. Dit betreft een loods opgetrokken uit golfplaten. Hiernaast gelegen, op de begane grond (gedeeltelijk) dubbelwandige, houten voormalige schapenstal met open hooizolder. Het losstaande bijgebouw heeft cirkelvormige betonnen wanden. Allen met golfplaten dak zonder dakbeschot. Bijstaand ook een silo die verwijderd wordt, deze is volledig afgedicht. Het terrein rond de gebouwen is grotendeels verhard middels bestrating en beton(platen). De beoogde ruimtelijke ingreep omvat geen aanpassingen aan de nabijgelegen oppervlaktewateren. De twee wooneenheden en de daar aan gelegen loods blijven in huidige staat behouden. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan Lakerveld 252 & 254 te Lexmond. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de agrarische polders van buurtschap Lakerveld. Ten oosten en zuiden van de planlocatie stroomt vanaf 550 meter het Merwedekanaal. Ten westen van de planlocatie ligt op 1 km afstand Natura2000 gebied Zouweboezem.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de volgende gebouwen te slopen: de stal met bijgebouw (boven) en de loods (onder).
6
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
7
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betref het slopen van een loods, de stal en bijgebouw ter realisatie van een nieuwe loods (figuur 1.5). Omliggend groen en water blijven in huidige staat behouden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwe loods: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Huisman Gemert).
4
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 juli 2023 en is uitgevoerd door ing. A.H.M Ruit en ing. J. Bruining. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
5
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.
Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
6
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
4
Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
5
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). De te slopen bebouwing is grotendeels omringd met door beton en klinkers verharde grond, anderzijds braakliggende puingrond. Ten zuiden van het perceel ligt een ondiepe watergang van ongeveer 2 meter breed. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkermelkdistel, grote brandnetel, perzikkruid, zwanenbloem en zwarte nachtschade. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Op basis van de aanwezige vegetatie en door het gebruik van het perceel als agrarisch gebied, kan vastgesteld worden dat het op de op de locatie gelegen gronden stikstofrijk zijn, in vergelijking tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, vos, wezel, woelrat (NDFF 20132023). Voor de bever en boommarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De functionele leefomgeving van de bever omvat water met voldoende diepte om de ingang van de burcht permanent onder water te doen houden en het invriezen van de waterkolom te voorkomen. Voor voldoende voedselaanbod omvat een territorium dikwijls 1 tot 2 kilometer beboste oeverzone (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017).
Door het ontbreken van geschikte habitatonderdelen dient de planlocatie redelijkerwijs niet als geschikt en zijn negatieve effecten ten aanzien van deze soort uitgesloten. De boommarter leeft in bosgebieden of bosrijke gebieden zoals tuinen en parken in de buurt van bosgebied. De boommarter verblijft over het algemeen in boomholtes (Zoogdiervereniging, 2023). Er zijn op de planlocatie geen sporen of (geschikte) verblijfplaatsmogelijkheden in bomen aangetroffen. Aanwezigheid van de boommarter op de planlocatie kan uitgesloten worden. Er worden in de beoogde ruimtelijke ingreep tevens geen bomen gekapt en leidt derhalve niet tot aantasting van essentieel leefgebied van de boommarter. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, huismuis, huisspitsmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10).
Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. 6
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Nabij de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen die kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De loods heeft overdag natuurlijke lichtinval middels dakramen, is opgetrokken uit enkelwandig golfplaat en heeft geen dakbeschot. De stal is opgetrokken uit hout en overdag verlicht door (dak)ramen en de open hooizolder. De hooizolder is opgebouwd uit enkelwandig hout. Er zijn geen sporen gevonden van vleermuizen zoals uitwerpselen of prooiresten. Benedenverdieping (deels) dubbelwandig met grote kieren/openingen. Deze openingen hebben echter geen vrije aanvliegroute en zijn laag bij van de grond. Daarbij ook makkelijk toegankelijk voor de aanwezige katten en mogelijk dergelijke prooidieren. Het bijgebouw is overdag tevens niet donker en in zijn geheel niet hoger dan 2,5 meter. Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke geschikte spouw, dakruimte of andere wegkruipplekken is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden.
Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast en heeft het geen invloed op mogelijk essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In agrarisch gebied heeft de heikikker een duidelijke voorkeur voor verwilderde greppels met water en houtwallen met sloten die af en toe water voeren. Voortplantingswater is ondiep, zonbeschenen, voedselarm en vaak relatief zuur.
Overwintering vindt plaats op land op vorstvrije plekken in de periode van oktober tot en met februari, het vindt veelal plaats in slootkanten met holen, of bosjes onder blad en takkenstapels (BIJ12 kennisdocument heikikker, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De heikikker is in 2020 waargenomen op en nabij de planlocatie, onderdeel van een groot verspreidingsgebied van ten minste 2 kilometer rondom de planlocatie. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden de watergangen rondom de planlocatie niet aangetast. De te slopen bebouwing en (verharde, braakliggende) terrein er
7
omheen schikt niet als overwinteringshabitat. Het is niet bekend of de werkzaamheden in de vorm van trillingen of lichtbronnen verstoring veroorzaken aan het nabijgelegen waterhabitat van de heikikker (BIJ12, kennisdocument heikikker, 2017). Om mogelijke verstoring te voorkomen wordt aangeraden de sloop- en funderingswerkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van de voortplanting, dat wil zeggen tussen 15 juli tot 15 februari (zie H5.4). Het kamsalamander wordt in zijn landhabitat aangetroffen in vaak kleinschalig landschap wat bestaat uit struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied. Het voortplantingswater is vaak geïsoleerde, stilstaande, half beschaduwde, iets voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. De kamsalamander is eenmaal waargenomen in de afgelopen 10 jaar binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie, deze waarneming is uit 2014 gedaan in de Zouweboezem aan de andere kant van de snelweg A27 op 1,7 km van de planlocatie. De watergangen rondom de planlocatie zijn gezien de verbindingen met andere wateren en het voorkomen van vis ongeschikt als voortplantingshabitat. Voorkomen van de kamsalamander op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten.
De poelkikker heeft een voorkeur voor stilstaande, zonbeschenen, matig voedselrijke wateren met goed begroeide ondiepe oeverzones die kunnen dienen als voortplantingswater. Het habitat waar deze soort overwinterd tussen oktober en april bestaat uit vorstvrije plekken waar de poelkikker zich in kan graven, zoals muizenholletjes en onder stronken. De winterverblijfplaats bevindt zich veelal op minder dan 200 meter van het voortplantingswater (BIJ12 kennisdocument poelkikker, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van de poelkikker is op > 1 km van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Tussen de planlocatie en de bekende waarnemingen van poelkikkers vormt het Merwedekanaal een barrière voor eventuele migratie. Het voorkomen van de poelkikker op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De rugstreeppad is een pioniersoort die vooral voorkomt in gebieden met vergraafbare grond, meestal gaat hier de voorkeur uit naar zandgronden. De soort komt vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals duingebieden, open heideterreinen, braakliggende bouwterreinen en zandafgravingen. Het voortplantingswater is ondiep (de rugstreeppad is een slechte zwemmer) en warmt snel op. Bij voorkeur is er geen of beperkt vegetatie aanwezig en is er geen concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
Ook voor de rugstreeppad geldt dat deze in de afgelopen 10 jaar binnen een straal van 2 km van de planlocatie enkel waargenomen is aan de andere zijde van het Merwedekanaal. Er hoeven derhalve geen maatregelen genomen te worden om kolonisatie van de planlocatie door de rugstreeppad ten tijde van de werkzaamheden te voorkomen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. De beoogde ruimtelijke ingreep omvat geen werkzaamheden aan de watergang. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023).
Voor de ringslang geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats, waar ze jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Leefgebieden van ringslangen vertonen vaak veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid om alle stadia van de levenscyclus te doorlopen (RAVON ringslang, 2023). De dichtstbijzijnde waarneming van de ringslang is bekend op een afstand van 1 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2013-2023), aan de overzijde van het Merwedekanaal. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden de omliggende watergangen niet aangepast. Tijdens de quickscan is een mesthoop 8
aangetroffen, deze wordt echter intensief gebruikt en is hiermee niet geschikt als voortplantingsmogelijkheid voor de ringslang. Het voorkomen van de ringslang op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de beschermde grote modderkruiper (NDFF 2013-2023). De grote modderkruiper komt voor in ondiepe stilstaande tot langzaam stromende wateren, dichtbegroeid met onderwater- en oevervegetatie. Op de bodem moet een dikke modderlaag van zo’n 10-30 cm aanwezig zijn. Plekken met diepere modderlagen worden vaak gebruikt om te overwinteren. De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is op > 1 km van de planlocatie, mogelijk in connectie staande met watergangen rondom de planlocatie. In de watergangen rondom de planlocatie kan de aanwezigheid van de grote modderkruiper niet uitgesloten worden, hier zijn dichtbegroeide oevers aanwezig met een zachte sliblaag.
Er zijn vissen aanwezig, door de diepte van het water enkel kleine. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van de grote modderkruiper derhalve geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel wordt geadviseerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (buiten april tot en met augustus) van de grote modderkruiper de sloop- en funderingswerkzaamheden uit te voeren (zie H5.4). Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: soorten (NDFF 2013-2023). Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2013-2023). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling.
De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Vaak zijn dit braakliggende of ruderale terreinen. Door klimaatverandering is deze zuidelijke, warmteminnende soort bezig met een opmars in Nederland. De rupsen van de teunisbloempijlstaart leven voornamelijk van (middelste) teunisbloem, maar soms ook van (harig) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart. Soms worden tuinplanten zoals fuchsia gebruikt als waardplant. Gezien binnen de planlocatie geen geschikte habitatonderdelen of waardplanten voor de soort aanwezig zijn (doordat de planlocatie vrijwel geheel verhard is) kan de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, merel, kauw en nijlgans. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of 9
leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). Door het ontbreken van een tussenruimte in het dak of andere mogelijke nestgelegenheden in de te slopen bebouwing kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op hier uitgesloten worden (zie bijlage 1). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing.
De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De te slopen bebouwing bevat geen geschikte openingen en nestgelegenheden voor de gierzwaluw door het missen van een tussenruimte in het dak, veelal geringe hoogte van de bebouwing en deels belemmeringen in eventuele aanvliegroutes. Ook de ligging van de planlocatie in agrarisch gebied is niet geschikt. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied Zouweboezem (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een loods, een stal en een bijgebouw. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase mogelijk tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype (2,5 km) is er sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang en wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (Zouweboezem, zie figuur 3.1). Op een afstand van circa 5,6 km ligt de Groene contour (geen kaartweergave). Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 20 m van de planlocatie (figuur 3.2). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gezien er binnen dit project geen sprake is van een bestemmingsplanwijziging of aanvraag omgevingsvergunning, is toetsing aan het provinciaal beleid niet benodigd.
11
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m van Weidevogelkerngebied (bron: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
12
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Weidevogelkerngebied Groene Contour
1 km 1 km 20 m 4,6 km
Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
13
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van een loods, de stal en bijgebouw aan Lakerveld 252 & 254 is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Om mogelijke verstoring van de heikikker en grote modderkruiper in de watergangen tot een minimum te beperken wordt aangeraden de sloop- en funderingswerkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare perioden van de voortplanting van deze soorten. De werkzaamheden kunnen worden opgestart, en uitgevoerd worden vanaf 1 september tot 15 februari. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
14
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.bij12.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
15
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Een impressie van de binnenkant van de stal (begane grond).
Figuur 2
Een overkapping naast de stal.
16
Figuur 3
De hooizolder, boven de stal.
Figuur 4
De watergang gelegen naast de te slopen bebouwing en toekomstige nieuwe loods.
17
Figuur 5
Een impressie van de binnenkant van de loods.
18
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 19