CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Prinsenhof, Ameide_Bijlagen toelichting_Bijlage 7 Archeologisch bodemonderzoek.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 20 april 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling ongewijzigd bestemmingsplan Prinsenhof Ameide10.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 3559 Ameide, Prinsenhof Gemeente Vijfheerenlanden (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Auteur

C. Brühl MSc

Versie

1.2

Projectcode

21050060

Datum

21-09-2022

Opdrachtgever

Van den Berg Ruimtelijke Ordening ’t Rond 9 4285 DE Woudrichem

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

5097682100

Bevoegde overheid

Gemeente Vijfheerenlanden

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

Status

Nog goed te keuren door bevoegde overheid

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Luchtfoto van Ameide (Technische Dienst Luchtvaartafdeling; Objectnummer 20110009)

Autorisatie Naam Drs. T. Nales KNA Senior Prospector

Datum

Paraaf

14-09-2021

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Samenvatting In opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening heeft Transect in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Prinsenhof (ongenummerd) in Ameide (gemeente Vijfheerenlanden). De aanleiding voor het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning die de realisatie van een nieuwe woning in het plangebied mogelijk moet maken. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is gericht op het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. • Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een crevasse van de Lek, waarvan de stroomrug ten noorden van het plangebied ligt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Aaksterveld stroomrug. In het plangebied kunnen dus zowel (crevasse)afzettingen van de Lek aanwezig zijn, als afzettingen van de Aaksterveld stroomrug.

Theoretisch gezien is op de oevers van de Aaksterveld stroomrug bewoning mogelijk geweest vanaf het Neolithicum en op de (crevasse)afzettingen van de Lek vanaf de IJzertijd. Door de relatief hoge ligging van de oevers was het een aantrekkelijk gebied om te wonen. In de omgeving van Ameide zijn nog geen vondsten gedaan uit deze perioden. De verwachting voor de top van de oeverwalafzettingen van begraven stroomruggen is middelhoog te noemen. Deze verwachting is gericht op de periode Neolithicum – Vroege Nieuwe Tijd. Aangezien het plangebied onbebouwd is geweest vanaf het midden van de Nieuwe Tijd is er voor deze periode een lage verwachting. • Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat sprake is van kom- en oeverafzettingen van de Lek of de Aaksterveld stroomrug. In de aangetroffen afzettingen ontbreekt het echter aan duidelijke oudere woonlagen uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Daarom is de verwachting voor deze periodes naar een lage verwachting bij te stellen. Advies In het plangebied is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan daarom geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.

Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Vijfheerenlanden). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Vijfheerenlanden) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische resten binnen het plangebied.

4

Inhoud 1. Aanleiding

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5. Beleidskader

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem

7

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken

10

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

13

9. Gespecificeerde archeologische verwachting

19

10.

Resultaten veldonderzoek

22

11.

Beantwoording onderzoeksvragen

24

12.

Conclusie en Advies

25

13.

Geraadpleegde bronnen

26

Bijlage 1: Plantekening

29

Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Zederik

30

Bijlage 3: Geomorfologie

31

Bijlage 4: Hoogtekaart

32

Bijlage 5: Bodemkaart

33

Bijlage 6: Archeologische informatie

34

Bijlage 7: Boorpuntenkaart

35

Bijlage 8: Foto’s van boringen

36

Bijlage 9: Boorbeschrijvingen

39

1

1. Aanleiding In opdracht van Van den Berg Ruimtelijke Ordening heeft Transect1 in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Prinsenhof (ongenummerd) in Ameide (gemeente Vijfheerenlanden). De aanleiding voor het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning die de realisatie van een nieuwe woning in het plangebied mogelijk moet maken. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. In het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan (‘Kernen Zederik Geconsolideerd’, 2020) een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Hierbij is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen (circa 120 m² met bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Brühl, 2021).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologische kaarten geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Ook de lokale historische vereniging (AmeideTienhoven) is per e-mail benaderd, hierop is geen reactie gekomen.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt de bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Vijfheerenlanden

Plaats

Ameide

Toponiem

Prinsenhof

Kaartblad

38E

Centrumcoördinaat

125.789 / 440.950

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een perceel aan de Prinsenhof in Ameide (gemeente Vijfheerenlanden) in het centrum van het dorp. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 575 m². Ten tijde van dit onderzoek is het plangebied in gebruik als grasland met een schuur in de zuidelijke hoek. Kadastraal omvat het plangebied de gehele percelen AMD00 Sectie B nummers 3118, 3551 en 3515. Het plangebied wordt begrensd door de straat Prinsenhof in het zuidoosten, tuinen van woningen aan de Molenstraat in het noordwesten en noordoosten, en door een perceel grasland in het zuidwesten.

3

Figuur 1: Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: www.pdok.nl.

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Wijziging bestemmingsplan Aanvraag omgevingsvergunning

Oppervlakte plangebied

576 m2

Planvorming

Nieuwbouw woning

Omvang verstoringen

120 m²

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Onbekend (>30 cm)

In het plangebied bestaat het voornemen om een nieuwe woning te realiseren, voor deze ontwikkeling is een aanpassing van het huidige bestemmingsplan en een omgevingsvergunning nodig. Om deze woning te kunnen realiseren zal ook de schuur die op het perceel staat worden gesloopt. Het is vooralsnog niet bekend hoe diep er gegraven zal worden ten behoeve van de funderingen, er wordt uitgegaan van een diepte van 0,8 à 1,0 m -Mv. Er zijn geen plannen voor heiwerkzaamheden. Bij de graafwerkzaamheden zal de oorspronkelijke bodemopbouw verstoord worden. Ook de aanleg van leidingen en een eventuele oprit zal tot op zekere diepte de bodem in het plangebied verstoren. Door de voorgenomen ingrepen worden eventueel aanwezige archeologische waarden aangetast. De lokale hydrologische omstandigheden zullen waarschijnlijk niet veranderen. Onderhavig archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd om een uitspraak te kunnen doen over het effect van de ontwikkelingen op eventueel aanwezige archeologische waarden.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Wijziging bestemmingsplan Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Bestemmingsplan

Onderzoeksgrens

30 m2 en dieper dan 30 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Vijfheerenlanden is nog niet vastgesteld. Tot deze is vastgelegd, geldt het beleid van de voormalige gemeente Zederik. Dit beleid is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Kernen Zederik Geconsolideerd’ (bronnen: www.ruimtelijkeplannen.nl, www.vijfherenlanden.nl). In dit plan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Deze waarde is gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Zederik (bijlage 2).

Op deze kaart staat welke verwachting een specifiek gebied heeft. Het plangebied is hierin aangeduid als een zone met een zeer hoge archeologische verwachting (voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd), op grond van de ligging van het plangebied in de historische kern van Ameide. In het bestemmingsplan is verwerkt welke planregels van toepassing zijn ten aanzien van archeologisch behoud bij de realisatie van plannen. De in het plangebied geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ houdt in dat initiatieven op het terrein die kleiner zijn dan 30 m² dan wel waarbij bodemingrepen niet dieper reiken dan 30 cm -Mv vrijgesteld zijn van archeologisch onderzoek. Gezien het verwachte verstoringsoppervlakte en -diepte (circa 120 m², dieper dan 30 cm -Mv) betekent dat er in dit geval in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). De aanvrager van de omgevingsvergunning dient een rapport van dit (voor)onderzoek aan de gemeente te overleggen. Afhankelijk van de uitkomsten van dit archeologisch (voor)onderzoek, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden of kan het gebied vrij gegeven worden voor de ontwikkeling. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving.

Het archeologisch (voor)onderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een (gecombineerd) karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNA-waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Midden-Nederlands Rivierengebied

Geomorfologie

Bebouwd gebied (Stroomgordel)

Maaiveld

0,7 m +NAP

Bodem

Onbekend (Poldervaaggrond)

Grondwater

Onbekend (GWT III)

Landschapsgenese Het plangebied maakt deel uit van de Alblasserwaard en ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied (Berendsen, 2005). Dit gebied maakte in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 v. Chr.) deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (De Mulder e.a., 2003). De afzetting van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar ontstonden op grote schaal rivierduinen (Berendsen, 2005). Vanaf 15.000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen onder invloed van een warmer wordend klimaat. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (het Bølling- en Allerød-interstadiaal, 15900 tot 15000 v. Chr. en 14800 tot 13400 v. Chr. respectievelijk). Gedurende deze periodes nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld.

De riviergeulen begonnen te meanderen en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 11700 jaar geleden, in het Holoceen, zette de warmere klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde. Tevens fluctueerde de afvoer van de rivieren minder waardoor de oevers van de rivieren zich stabiliseerden. Door deze stabilisatie traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen van insnijding over tot sedimentatie, de zogenaamde terrassenkruising (het punt waar erosie overgaat in sedimentatie) verplaatst zich stroomopwaarts (Berendsen, 2002). De ligging van dit punt is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging cq. daling van de zeespiegel. De rivieren verlegden meerdere keren hun loop waardoor zich verschillende stroomgordels ontwikkelen.

Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de terrassenkruising (Berendsen & Stouthamer, 2001). Berendsen (2002) vermoedt dat de terrassenkruising tussen 6000 en 5000 v. Chr. in de omgeving van het plangebied heeft gelegen. Na deze periode ligt de terrassenkruising stroomopwaarts ten opzichte van het plangebied en vind er sedimentatie plaats. Door de sedimentatie raakten LaatPleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude 7

rivierenlandschap met duinen verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Daar trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op en ontstond een moeras met zoetwatermeren, dat doorsneden werd door kleine veenstroompjes. Geologie In boring B38E0698 uit het Dinoloket van TNO (circa 300 m ten zuidwesten van het plangebied) zijn afzettingen van de Formatie van Echteld (fluviatiele klei) aangetroffen tot een diepte van 0,9 m -Mv. Deze liggen op afzettingen uit de Formatie van Nieuwkoop (Veen) tot 1,6 m -Mv, welke weer liggen op de Formatie Echteld (klei op fluviatiel zand), tot einde boring op 8 m -Mv (bron: www.dinoloket.nl; coördinaten: 125.700, 440.630 (RD)). Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in bebouwd gebied. Hiermee is geen te verwachten landschapstype aan het plangebied toegekend. Op basis van eenheden uit de directe omgeving van de bebouwde kom van Ameide kan een eerste schatting gemaakt worden. Ten oosten en westen van het dorp is sprake van een rivierkom- en oeverwalachtige vlakte (kaartcode M48; bijlage 3; Alterra, 2019). Ten zuidwesten van het plangebied ligt een stroomrug (kaartcode B44). Dit betreft de Aaksterveld stroomrug, die actief was van 5345 tot 4082 BP (3395-2132 v. Chr.; het Neolithicum). Volgens de paleogeografische rivierenkaart van Cohen et al.

(2012) ligt het plangebied op een crevasse van de Lek, direct ten zuiden van de stroomgordel van de Lek. De Lek van actief tussen 1950 en 850 BP (0-1100 n. Chr.; vanaf de IJzertijd). In het plangebied kunnen dus zowel (crevasse)afzettingen van de Lek aanwezig zijn, als afzettingen van de Aaksterveld stroomrug. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied varieert tussen 0,7 en 0,8 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl; versie 3; bijlage 4). Het maaiveld binnen het plangebied loopt op vanaf de weg (Prinsenhof) naar het noordoosten. Het plangebied ligt op een overgangszone van relatief laag naar hoog, waarbij de hogere gebieden in het noordwesten, het noorden, en het noordoosten liggen. Ten opzichte van de wijdere omgeving ligt het plangebied hoog. De ligging van de crevasse van de Lek is aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland ook waar te nemen, en kenmerkt zich door een relatief hogere ligging van het maaiveld. Op grond van de hoogtekaart is het waarschijnlijk dat de crevasse ten oosten van het plangebied loopt. De stroomrug van de Lek ten noorden van het plangebied is eveneens zichtbaar. Bodem en grondwatertrap Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied. In de directe omgeving ervan zijn echter wel bodemeenheden ingetekend.

Ten oosten van Ameide zijn kalkloze poldervaaggronden waargenomen (code Rn94C). Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (De Bakker, 1966). In een poldervaaggrond kunnen begraven bodemniveaus aanwezig zijn, zogenaamde laklagen, die een indicatie vormen voor oudere bodemvorming. Een dergelijk niveau heeft zich in het rivierengebied kunnen vormen op het moment dat er sprake was van een verminderde afvoer, waardoor sprake was van een afgenomen opslibbing van sediment. Daardoor trad begroeiing op en kon zich een humeus niveau vormen. Op het moment dat er sprake was van een toename in rivierafvoer, raakte dit niveau begraven en kenmerkt het zich als een donkere, matig humeuze kleilaag in de bodem. Ten westen van Ameide worden kalkhoudende ooivaaggronden aangetroffen (Rd90A). Ooivaaggronden zijn vergelijkbaar met poldervaaggronden, maar deze zijn beter ontwaterd, en hebben onder de bouwvoor een dikke B-horizont (De Bakker & Schelling, 1966). In de omgeving van het plangebied bestaan de ooivaaggronden en poldervaaggronden naar verwachting voornamelijk uit zware zavel en lichte klei. Gezien de relatief 8

hoge ligging in het landschap is het waarschijnlijker dat er ooivaaggronden aangetroffen worden in het plangebied. Omdat de bodem in het plangebied niet op de bodemkaart gekarteerd is, is ook geen grondwatertrap toegekend. De grondwatertrap is een maat van de grondwaterstand in de bodem en geeft inzicht in de grondwaterfluctuaties in de ondergrond van het plangebied. Ter plaatse van de ooivaaggronden ten westen van het plangebied geldt een grondwatertrap VI. Dit betekent over het algemeen dat er sprake is van relatief droge gronden, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 cm en 80 cm mv wordt aangetroffen en de gemiddeld laagste grondwaterstand zich dieper dan 120 cm –mv bevindt. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat organische (zaken als leer, hout) resten in de bodem waarschijnlijk gedegradeerd zijn. Anorganische resten kunnen juist goed bewaard gebleven zijn gebleven. Het verschil in grondwaterstanden met het plangebied moet wel in overweging genomen worden. Het plangebied ligt lager in het landschap dan de ooivaaggronden dus de grondwaterstand zal in alle waarschijnlijkheid dichter aan het maaiveld liggen.

9

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen in de Archeologische MonumentenKaart. Binnen een straal van 500 m komen ook geen archeologische monumententerreinen voor. Archeologische verwachting Op de gemeentelijke Archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Zederik heeft het plangebied een zeer hoge archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Bekende archeologische waarden Er heeft in het verleden geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden in het plangebied. In de verdere omgeving van het plangebied zijn wel archeologische onderzoeken gedaan. •

•

•

In het naastgelegen perceel ten westen, aan het Prinsenhof tegenover nr. 17, is in 2020 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd door ADC (Nieuwlaat, 2021; onderzoeksmelding 4925054100). Hieruit bleek dat de bodemopbouw bestaat uit kom- en geulafzettingen van de Aaksterveld stroomrug waarop Hollandveen is gevormd. Hierop liggen komafzettingen, gevolgd door een dunne laag van oeverafzettingen van de Lek. De top van de oeverafzettingen is verstoord. Hierop ligt een laag ophoogzand. Er zijn geen aanwijzingen van archeologisch relevante bodemvorming, woonlagen of landbewerking aangetroffen. Het gebied was waarschijnlijk te nat voor bewoning. De archeologische verwachting is daarom bijgesteld naar laag. Circa 100 m ten zuiden van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd door BILAN (Kluiving, 2003; 2038140100). De boringen wijzen op een vrijwel onverstoord ondergrondprofiel. In dit gebied komt een 4500 jaar oude stroomgordel (Aaksterveldse meandergordel) in de ondergrond voor. Deze werd vanaf een diepte van circa 3 m -mv aangetroffen. Ook werden er aan de west- en oostkant van het plangebied lagen veen en klei gevonden op de zandafzettingen. Dit suggereert dat er aan weerszijden van de noord-zuid lopende stroomgordel voor een lange tijd moerasachtige condities heersten. Het ontbreken van bewoningssporen kon hier niet bewezen worden.

Er werd aanbevolen de grondverstoringen te beperken, of aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren.Aan dit advies werd gehoor gegeven in de vorm van een karterend booronderzoek (Huizer, 2009; 2240713100). Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat de veronderstelde stroomgordel zich wellicht niet in het plangebied bevindt, omdat deze tot op 5 m mv niet werd aangetroffen (de verwachte diepte was 2 à 2,4 m -mv). Hieruit kwam het advies om het plangebied vrij te geven. Circa 100 m ten noorden van het plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd door Hamaland Advies (Van der Kuijl en De Graaf, 2019; onderzoeksmelding 4671232100). Hier werd geconcludeerd dat het plangebied op de stroomgordel van de Lek ligt. Tevens maakt dit 10

•

•

•

•

•

•

plangebied deel uit van de historische kern van Ameide, die in de Late Middeleeuwen ontstond. Er konden graven verwacht worden gerelateerd aan de begraafplaats rond de Nederlands Hervormde Kerk van Ameide. Op circa 120 m ten zuidoosten van het plangebied is een archeologisch vooronderzoek bestaande uit een bureau- en veldonderzoek uitgevoerd aan de Paramasiebaan. Er zijn hier tijdens het veldonderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vindplaatsen. De stroomgordel is hier alleen in het zuidoosten aangetroffen (wat zou betekenen dat de loop volgens Berendsen en Stouthamer incorrect is). De precieze oriëntatie kon helaas niet worden vastgesteld. Er zijn hier een aantal spikkels houtskool gevonden, maar doordat deze zich in een veenlaag met een verspoelt karakter bevonden konden deze niet met zekerheid als archeologische indicator vastgesteld worden. De laag waarin ze gevonden werden heeft waarschijnlijk deel uitgemaakt van de komafzettingen van de Aaksterveld stroomrug (Molenaar, 2005; onderzoeksmelding 2101069100). Circa 140 m ten noordoosten van het plangebied, aan de Benedendamsestraat 19 is een archeologisch vooronderzoek bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Bij dit veldonderzoek zijn oeverwalafzettingen van de Middelloos stroomrug niet aangetroffen binnen 4 m -mv.

Hierdoor was er een lage archeologische verwachting op bewoningsresten van de Vroege Middeleeuwen en ervoor. Wel konden sporen van landgebruik worden verwacht die dateren vanaf het einde van de Vroege Middeleeuwen. In de boringen is vondstmateriaal zoals een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk en kogelpot gevonden in de antropogene toplaag. Deze vondsten zijn gedateerd aan de Nieuwe Tijd en de Late Middeleeuwen respectievelijk. Tevens zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van oude funderingen gevonden, zoals een laag baksteen van 20 cm en een loze ruimte, mogelijk een kelder, van 50 cm (Wilbers en Moerman, 2015; 3295229100). Op het noordelijke deel van voorgaand plangebied is een vervolgonderzoek gekomen in 2018. Op basis van de aanvullende boringen kon worden vastgesteld dat het archeologisch interessante niveau zich vanaf 60 cm -mv tot 85 cm -mv bevindt. Tevens werden er diepe verstoringen vastgesteld. Door deze diepe verstoringen zal een eventuele vindplaats waarschijnlijk niet meer intact zijn (Holl, 2019; 4606862100). Circa 250 m ten noordwesten van het plangebied, aan de Nieuwstraat zijn een drietal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het eerste vond plaats in 2006, en bestond uit een bureauonderzoek en een karterend veldonderzoek door middel van boringen. Tijdens dit onderzoek werden ooivaaggronden gevonden.

Ook werd hier een fining-upward sequentie van de korrelgrootte gevonden op circa 4 m -mv, wat typerend is voor oeverwallen. Een duidelijke aanwijzing voor de aanwezigheid van de stroomgordel. De ondergrond is vanaf maaiveld tussen 15 cm en 105 cm verstoord. Er zijn bij dit onderzoek geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen. Proefsleuvenonderzoek werd aangeraden (Van der Kuijl, 2006; 2133291100). In 2007 heeft het proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Er zijn twee proefsleuven aangelegd. De aangetroffen archeologische resten waren behoudenswaardig. De sporen werden gevonden tussen 50 en 70 cm -mv. Ze dateren voornamelijk uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, sommige resten komen mogelijk uit eerdere tijden, maar dit kon niet met zekerheid vastgesteld worden. Wel kon er worden geconcludeerd dat dit plangebied deel uitmaakte van de laatmiddeleeuwse uitbreiding van Ameide. Er werd in situ behoud aangeraden. Wanneer dit niet mogelijk was werd een opgraving aangeraden om de resten ex situ te behouden (Spitzers, Kornalijnslijper en Leuvering, 2010; 2171337100). In 2009 en 2010 zijn opgravingen en een archeologische begeleiding uitgevoerd. Er zijn hierbij vijf vindplaatsen te onderscheiden. Bij vindplaats 1 werden sporen gevonden van de oorspronkelijke verkaveling door de middeleeuwse ontginning. Deze ontginning kon worden gedateerd aan 13001325.

De oorspronkelijke percelen werden in de loop van de jaren opgesplitst in smallere en 11

•

•

•

kortere percelen. Bij vindplaats 2 werden rootkuilen en rootgreppels gevonden. Deze zijn te dateren aan ongeveer een eeuw na de ontginning. Bij het roten werden vlasstengels in water gezet waardoor de vezels loskwamen. Deze vezels konden weer verder verwerkt worden. Deze kuilen zijn later gedempt. In vindplaats 3 zijn sporen van bewoning uit de Middeleeuwen gevonden, uit de periode van de rootkuilen en -greppels. Er zijn drie waterputten gevonden, gedateerd aan de midden-laat 14e eeuw. Bebouwingsresten uit deze periode zijn niet gevonden. In vindplaats 4 zijn sporen van bewoning uit de Nieuwe Tijd gevonden. Het betreft delen van de achter- en zijgevels van nu verdwenen bebouwing, die wel nog te zien is op de kadastrale kaart uit 1822. Er is sprake van secundair gebruik van bouwmateriaal uit de Late Middeleeuwen. Ook zijn er uit deze tijd drie beerputten gevonden, waarvan één in gebruik is geweest vanaf het midden van de 16e eeuw. Deze is later dichtgestort in de tweede helft van de 18e eeuw, mogelijk om uitbouw van woningen te realiseren. Vindplaats 5 betreft een terrein met dierbegravingen. In de 18 e en 19e eeuw hebben hier meerdere dierbegravingen plaatsgevonden. De meeste waren runderen, die in ondiepe kuilen begraven werden. Het zal gaan om zieke dieren die niet geschikt waren voor consumptie (Tump, 2012; 2258275100).

Circa 300 m ten zuidoosten van het plangebied, aan de Liesveldweg 65, is een archeologisch vooronderzoek bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Hier heeft het veldonderzoek uitgewezen dat er onder de moderne ophooglaag zich oever-/crevasse-afzettingen bevinden. De top van deze afzettingen is deels geroerd en er waren geen aanwijzingen voor een archeologische laag. Er zijn in de ondergrond geen afzettingen van de Aaksterveld-stroomgordel aangetroffen. De algehele archeologische verwachting was hier dan ook laag bevonden (Wullink, 2018; 4553929100). Op circa 330 m ten oosten van het plangebied, aan de Doelakkerweg, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bestond uit een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Bij het veldonderzoek werd een bodemopbouw gevonden die overeenkwam met het verwachtingsbeeld, een afwisseling van veen en klei. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor archeologische vindplaatsen in de vorm van vondstlagen of archeologische indicatoren. Op grond hiervan werd geen vervolgonderzoek aanbevolen (De Groot, 2007; 2151670100). Circa 330m ten zuiden van het plangebied, aan de Meidoornlaan 2, is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologisch relevante en bewoonbare afzettingen aangetroffen.

Ook zouden er oeverafzettingen van de Middelloop aanwezig kunnen zijn, op welke theoretisch bewoning heeft kunnen plaatsgevonden vanaf de IJzertijd. Deze afzettingen zijn ook niet aangetroffen. Door het ontbreken van deze afzettingen is de archeologische verwachting voor de periode tot de Late Middeleeuwen laag. Het ontbreken van bebouwing in de Nieuwe Tijd zorgt ervoor dat ook de periode Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd een lage archeologische verwachting krijgt (Nales, 2020; 4819569100).

In de omgeving van het plangebied zijn met name vondsten gedaan uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, welke samenhangen met de historische kern van het dorp Ameide. De archeologisch relevante niveaus zijn voornamelijk binnen 1 m -mv te vinden. Buiten het onderzoeksgebied, in het gehucht Broek zijn in het verleden vondsten gedaan die samenhangen met laatmiddeleeuwse huisterpen.

12

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype

Midden-Nederlands Rivierengebied

Cultuurhistorische elementen

Onderdeel historische kern Ameide

Aard historisch landgebruik

Agrarisch

Historische bebouwing aanwezig

Nee

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Volgens Cohen e.a. (2012) ligt het plangebied op een crevasse van de Lek. De stroomrug van de Lek ligt ten noorden van het plangebied. Deze rivier was actief tussen het jaar 0 en 1100 na Chr. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Aaksterveld stroomrug. Deze was actief tussen 3395 en 2132 v.Chr. Het plangebied ligt tevens (volgens de beleidskaart van voormalige gemeente Zederik) in het historische centrum van Ameide, een dorp dat aan het eind van de Vroege Middeleeuwen ontstaan is op de oevers van de Lek, waar het veenriviertje de A uitmondde in de Lek.

Op historisch kaartmateriaal uit de 18e eeuw (Bolstra, 1763; figuur 2) is te zien dat het plangebied in 1763 aan de buitenrand van het dorp ligt, het is nog niet bebouwd. In deze tijd is er al wel bebouwing aan de Molenstraat ten noorden van het plangebied, en was het plangebied mogelijk in gebruik als boomgaard. Op de Kadastrale Minuut van 1811-1832 is er meer bebouwing in de omgeving van het plangebied (figuur 3; beeldbank.cultureelerfgoed.nl), maar volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels maakt het plangebied deel uit van een boomgaard (. Ook op het kaartmateriaal uit de 20e eeuw blijft het plangebied onbebouwd (figuren 4-9). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Wel kunnen binnen het plangebied resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals vliegtuigcrash-locaties, veldgraven en onderduikholen. De VEO Bommenkaart geeft geen indicatie dat vooronderzoek/opsporing van explosieven heeft plaatsgevonden in het plangebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen, verdedigingswerken of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl).

13

Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied betreft een stuk weiland met een schuur. In het Bodemloket is geen informatie over de locatie bekend (omtrent bodemverontreinigingen of in het verleden uitgevoerde milieukundige ontgravingen, www.bodemloket.nl). Het is historisch gebruikt als boomgaard, het rooien van de bomen zal de bodem in zekere mate verstoord hebben. Ook de recente bouw van een schuur zal lokaal bodemverstoring met zich meegebracht hebben (onder andere de afgraving en egalisatie van de bodem zullen circa de bovenste 30 cm verwijderd hebben).

14

.

Figuur 2: Uitsnede van de kaart van Bolstra uit 1763. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.ameide-tienhoven.nl).

Figuur 3: Uitsnede van de Kadastrale Minuutplan 1811-1832. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

15

Figuur 4: Uitsnede van een geografische kaart uit 1868. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 5: Uitsnede van een geografische kaart uit 1911. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

16

Figuur 6: Uitsnede van een geografische kaart uit 1937. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 7: Uitsnede van een geografische kaart uit 1963. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

17

Figuur 8: Uitsnede van een geografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 9: Luchtfoto van de omgeving van het plangebied. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

18

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden

Middelhoog

Periode

Neolithicum – Nieuwe Tijd

Complextypen

Nederzettingen, sporen van landgebruik

Stratigrafische positie

In de top van oeverafzettingen, onder de bouwvoor

Diepteligging

Onbekend (0 – 5 m -Mv)

Het plangebied ligt volgens Cohen e.a. (2012) op een crevasse van de Lek, waarvan de stroomrug ten noorden van het plangebied ligt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Aaksterveld stroomrug. In het plangebied kunnen dus zowel (crevasse)afzettingen van de Lek aanwezig zijn, als afzettingen van de Aaksterveld stroomrug. Theoretisch gezien is op de oevers van de Aaksterveld stroomrug bewoning mogelijk geweest vanaf het Neolithicum en op de (crevasse)afzettingen van de Lek vanaf de IJzertijd. Door de relatief hoge ligging van de oevers was het een aantrekkelijk gebied om te wonen. In de omgeving van Ameide zijn nog geen vondsten gedaan uit deze perioden. De verwachting voor de top van de oeverwalafzettingen van begraven stroomruggen is middelhoog te noemen. Ameide is in de 8e-9e eeuw ontstaan op de oevers van de Lek, waar het veenriviertje de A uitmondde in de Lek. Er kunnen dus resten uit de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. Het plangebied is op het geraadpleegde historische kaartmateriaal niet bebouwd geweest (vanaf 1761), maar gebruikt als boomgaard. Vanaf het midden van de Nieuwe tijd geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting. De verschillende verwachtingen zijn weergegeven in tabel 1.

Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de top van de (crevasse)afzettingen van de Lek en de afzettingen van de Aaksterveld stroomrug. Op basis van het naastgelegen onderzoek (Nieuwlaat, 2021) worden van de Aaksterveld stroomrug voornamelijk geulafzettingen en komklei verwacht. Deze bevinden zich vanaf circa 3,75 m -Mv (ca. 3,35 m -NAP). De top van de oeverafzettingen van de Lek wordt verwacht op circa 0,65 m -Mv (ca. 0,25 m -NAP). Bij het naastgelegen onderzoek was de top van de oeverafzettingen verstoord. Het is onbekend of deze laag binnen het huidige plangebied intact is. Hierom is een veldonderzoek noodzakelijk, waarbij in het bijzonder aandacht bestaat voor het afzettingsmilieu van de aanwezige sedimenten, de lithologische karakteristieken en de aanwezigheid van bodemvormende processen (humusaanrijking, rijping, roestvorming en ontkalking). Complextypen In het plangebied worden in principe nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik verwacht. Nederzettingsterreinen in het rivierengebied zouden zich kunnen kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenstrooiing, hetgeen met name te danken is aan de langdurigheid van bewoning op een bepaalde plek.

In een vochtige omgeving als die van het rivierengebied was de bewegingsruimte voor nederzettingen namelijk niet al te groot, waardoor bewoning vaak geconcentreerd bleef op vaste plekken. Daarentegen zullen sporen van landgebruik zich juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Prospectiekenmerken en zoekstrategie Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven informatie is het in eerste instantie de vraag in hoeverre in het plangebied oeverafzettingen aanwezig zijn en in welke mate ze nog intact aanwezig 19

zijn. Mits aanwezig en intact, kan er een verwachting worden gesteld op het aantreffen van archeologische waarden uit de periode Romeinse tijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Tevens is een eventuele antropogene ophooglaag van belang. De lithologische bodemopbouw is dus bepalend van het vaststellen van de archeologische verwachting. De aanwezigheid van oeverafzettingen kan worden vastgesteld door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn.

20

Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

1

Archeologische verwachting Datering

2 3 4 5

Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Reden Middelhoog Neolithicum-Vroege Resten bevinden zich in de top van afzettingen Middeleeuwen van de Lek en/of de Aaksterveld stroomrug. Het is waarschijnlijk dat deze afzettingen in het plangebied aanwezig zijn. Er lijkt weinig bodemverstoring te zijn geweest dus er is een goede kans dat de oeverafzettingen intact zijn. Middelhoog Vroege Middeleeuwen-Vroeg Ameide is ontstaan op de oevers van de Lek in de Nieuwe tijd Vroege Middeleeuwen. Laag Midden-Nieuwe tijd Het plangebied werd in deze periode gebruikt als boomgaard, volgens kaartmateriaal is er geen bebouwing geweest. Nederzettingsterreinen, vondstconcentraties, sporen van landgebruik 100-1000 m² (nederzettingsterreinen) Afzettingen van de Lek en Aaksterveld stroomrug (vanaf respectievelijk 0,65 m -Mv en 3,75 m -Mv). Ondanks middeldiepe grondwaterspiegel kunnen zowel organische als anorganische resten goed bewaard zijn gebleven, door schommelingen in grondwaterstand kunnen de organische resten gedegradeerd zijn. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten, bodemsporen of cultuurlagen. Aanleg van schuur, rooien van bomen.

21

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd volgens het Plan van Aanpak (Brühl, 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De boringen hebben een diepte tot maximaal 340 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een steekguts met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 9. Foto’s van de boringen zijn opgenomen in bijlage 8. De boringen zijn gelijkmatig over het plangebied verdeeld, op de onverharde terreindelen binnen het gebied. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint uitgezet en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald. Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het begroeid met gras, in het zuiden is een deel van het plangebied verhard. Ook is er in de noordwestelijke hoek een deel verhard.

De schuur is circa 30 cm verzonken onder het maaiveld. Het maaiveld is vlak, er is geen sprake van opvallend reliëf. Bodemopbouw en lithologie De precieze laagopbouw varieert binnen het plangebied, maar doorgaans werd er onder de bouwvoor een laag zandige klei gevonden waarin zich veenlaagjes bevinden vanaf 175 cm -Mv. Vanaf circa 250 cm -Mv is een moerige veenlaag aanwezig. De top van de bodemopbouw bestaat uit een humeuze, zwak zandige kleilaag van circa 80-100 cm dikte. Deze laag heeft een bruine kleur en bevat oranjerood baksteen. Deze laag is vrij humeus en betreft de bouwvoor. In boringen 4 en 5 bestaat de bouwvoor uit een laag opgebracht zand tot 30 cm -Mv (0,35 m +NAP). Onder de bouwvoor ligt een laag zwak siltige tot zwak zandige klei met een (bruin)grijze kleur, die zwak humeus is. Tot 140 cm -Mv (0,7 m -NAP) is deze laag matig gerijpt. Hieronder zijn laklagen aanwezig tot 170 cm -Mv (1,0 m -NAP). Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als oeverafzettingen. In boring 1 en 3 zijn deze afzettingen intact, aangezien er een B-horizont is aangetroffen. In de andere boringen zijn alleen een A- en een C-horizont aanwezig. Hieronder bevindt zich zwak siltige klei met een grijsbruine kleur. Deze laag bevat enkele roestvlekken en naar beneden toe ook sporen van plantenresten. Deze laag is aanwezig tot circa 250-300 cm -Mv (1,85-2,25 m -NAP).

Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als komafzettingen. De laag wordt afgewisseld met veenlaagjes. De veenlaagjes zijn 5 à 10 cm dik en hebben nog structuur. Het precieze type veen kon niet worden bepaald. De klei tussen het veen is hier ongerijpt. Onderin de boringen is veen aanwezig. Het betreft moerig veraard veen tot tenminste 290-340 cm -Mv (2,2-2,75 m -NAP).

22

Boring 2 wijkt af van de andere boringen. Hier is vanaf het maaiveld kleiig zand aangetroffen tot 45 cm -Mv (0,45 m +NAP), met daaronder grijsbruin slecht gesorteerd matig grof zand. Dit zand is vermoedelijk opgebracht. Vanaf 60 cm -Mv wordt dit zand kleiiger tot 70 cm -Mv, hieronder bevindt zich sterk zandige klei tot 120 cm -Mv (-0,3 m NAP). Dit betreffen beddingafzettingen. Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn te velde doorzocht op de aanwezigheid van archeologische en ecologische indicatoren door middel van verbrokkeling van de monsters. Er is een kleine hoeveelheid oranjerood, niet modern-ogend baksteen gevonden. Dit baksteen was afgerond en werd als kleine fragmenten aangetroffen in drie boringen tot een diepte van circa 1,0 m -Mv. Tevens zijn een stukje van een pijpekop en een scherf gevonden in boring 4. Het stukje pijpekop is te klein om nauwkeurig te dateren. De scherf betreft een klein stukje roodbakkend geglazuurd aardewerken uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Deze werden gevonden op circa 40 en 50 cm -Mv respectievelijk. In boring 2 is een verroeste spijker vermoedelijk uit de Nieuwe tijd gevonden op circa 40 cm -Mv. Foto’s van de indicatoren zijn opgenomen in bijlage 8. Interpretatie In het plangebied zijn onder de bouwvoor afzettingen aanwezig van vermoedelijk de Lek, of de Aaksterveld stroomrug.

Het kon niet worden bepaald tot welke stroomgordel de afzettingen behoren. Het gaat hierbij om kom- en oeverafzettingen. Onder deze afzettingen ligt veen. In boring 2 zijn beddingafzettingen aangetroffen. De afzettingen in het plangebied zijn grotendeels intact en bevatten tot opvallend grote diepte kleine fragmenten afgerond baksteen (in boringen 1, 3 en 5 is baksteen aangetroffen tot een diepte van 100 tot 140 cm -Mv).

23

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied heeft op de oevers van de Lek of Aaksterveld stroomrug gelegen, een gunstige woonplaats voor mensen sinds het Neolithicum of de IJzertijd. Voor deze periode maakte het deel uit van het komgebied, en was het te nat voor bewoning.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In de ondergrond wordt het archeologisch relevante niveau gevormd door de top van de oeverafzettingen van de Lek of de Aaksterveld stroomrug. Deze lagen zijn aan te treffen vanaf het maaiveld, onder de moderne bouwvoor. In de aangetroffen afzettingen ontbreekt het echter aan duidelijke oudere woonlagen uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen.

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De afzettingen in het plangebied zijn deels intact en deels verstoord. Er zijn opgebrachte zandlagen aangetroffen en het regelmatige rooien van de boomgaard die lange tijd ter plaatse van het plangebied heeft gestaan heeft in zekere mate de ondergrond verstoord.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Romeinse tijd-Nieuwe tijd. Er zijn geen aanwijzingen voor historische bewoning in het plangebied.

24

12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op een crevasse van de Lek, waarvan de stroomrug ten noorden van het plangebied ligt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Aaksterveld stroomrug. In het plangebied kunnen dus zowel (crevasse)afzettingen van de Lek aanwezig zijn, als afzettingen van de Aaksterveld stroomrug. Theoretisch gezien is op de oevers van de Aaksterveld stroomrug bewoning mogelijk geweest vanaf het Neolithicum en op de (crevasse)afzettingen van de Lek vanaf de IJzertijd. Door de relatief hoge ligging van de oevers was het een aantrekkelijk gebied om te wonen. In de omgeving van Ameide zijn nog geen vondsten gedaan uit deze perioden. De verwachting voor de top van de oeverwalafzettingen van begraven stroomruggen is middelhoog te noemen. Deze verwachting is gericht op de periode Neolithicum – Vroege Nieuwe Tijd. Aangezien het plangebied onbebouwd is geweest vanaf het midden van de Nieuwe Tijd is er voor deze periode een lage verwachting. • Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat sprake is van kom- en oeverafzettingen van de Lek of de Aaksterveld stroomrug. In de aangetroffen afzettingen ontbreekt het echter aan duidelijke oudere woonlagen uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Daarom is de verwachting voor deze periodes naar een lage verwachting bij te stellen.

Advies In het plangebied is sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan daarom geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Vijfheerenlanden). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Vijfheerenlanden) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische resten binnen het plangebied.

25

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente Reusel-De Mierden • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart • www.brabant.nl/onderwerpen/cultuur-en-erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-inbrabant • www.bhic.nl • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • noordbrabant.omgevingsrapportage.nl • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ • www.heemkundereusel.nl/ Lijst met afbeeldingen Figuur 1 Ligging van het plangebied (bron: www.pdok.nl) Figuur 2: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880.

Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 8: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: 26

www.pdok.nl). Literatuur Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A., 2004. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A., 2002. De laat-glaciale en Holocene ontstaansgeschiedenis van de Rijn-Maas delta. Grondboor & Hamer nr. 3/4. Bisschops, J.H., 1973. Toelichting bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50. Rijks Geologische Dienst. Haarlem. Bont, C.H.M. de, 1993, Al het merkwaardige in Bonte Afwisseling, Waalre. Brühl, C., 2021. Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Ameide, Prinsenhof. Nieuwegein: Transect. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn?Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. van Groningen, Catharina L. 1992. De Alblasserwaard. Waanders Uitgevers, Zwolle / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Hendriks, J.P.C.A., Cleveringa, P., Beurden, L. van, Weerts, H.J.T., Meijer, T., Smeerdijk, D.G. van en Paalman, D.B.S., 2004. 'Dar vordrunken 16 schone kerspele...' Introductie op het moderne interdisciplinaire onderzoek naar de St. Elisabethsvloeden, 1421-1424. Westerheem, 53: 94-111. Holl, J., 2019. Benedendamsestraat 19 te Ameide. ADC ArcheoProjecten. Briefrapport 4624.

Huizer, J., 2009. Ameide, Paramasiebaan, Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek. ADC ArcheoProjecten rapport 1919. Kluiving, S., 2003. Aanvullende Archeologische Inventarisatie, Plangebied Centrumplan Ameide (Gemeente Zederik). BILAN rapport 2003/9. Kuijl, E. E. A. van der, 2006. Bureauonderzoek en karterend veldonderzoek d.m.v. boringen, 2 locaties in de gemeente Zederik. Synthegra Archeologie Rapport 176200. Lammers, W. R. Reiling en E. Zilverberg, 1981. Verslag van een Kwartair geologisch veldwerk in NoordBrabant. Scriptie V.U., Amsterdam (uit Stiboka, 1987) Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad, 1250 1750. Actualisatie 2013. Woudrichem (Pictures Publishers). Molenaar, S., 2005. Plangebied Paramasiebaan te Ameide. RAAP Rapport N 1449. Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten.

27

Nales, T., 2020, Een Archeologisch Bureauonderzoek en inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Ameide, Meidoornlaan 2, gemeente Vijfheerenland. Transect-rapport 2694. Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment (Roer Graben, south-eastern Netherlands), Utrecht (Thesis, Nederlandse Geografische Studies 314). Spitzers, T.A., Kornalijnslijper, E., J.H.F. Leuvering, J.H.F., 2010. Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, Nieuwstraat te Ameide. Synthegra Rapport P0502421. Tump, M., 2012. Opgraving en archeologische begeleiding: Ameide, Peperstraat. BAAC-rapport A09.02595. L.A. Tebbens e.a., 2016: Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort Van den Blink, F., 2021. Plan van Aanpak. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Nieuwegein: Transect-PvA. Van Zijverden, W.K. & J. de Moor, 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voorarcheologen. Leiden. Vos, P.C., 2015. Origin of the Dutch coastal landscape.

Longterm landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series. PhD dissertation, Utrecht University, Barkhuis Groningen. Wilbers, A.W.E, 2008. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Lage Zwaluwe, Lage Zwaluwe West. Becker en van de Graaf rapport, Noordwijk Wilbers, A. W. E. & Moerman, S., 2015. Archeologisch bureauonderzoek & IVO verkennende fase: Benedendamsestraat 19, Ameide, gemeente Zederik. IDDS Archeologie-rapport 1792. Wullink, A.J., 2018. Rapportage archeologisch vooronderzoek bestemmingsplan brede school, Liesveldweg 65 te Ameide, gemeente Zederik. Econsultancy-rapport 4617.001.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d739912b-b894-4c49-93f6-8f09f003bdd9