CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Opinievoorstel Gemeentelijke Regierol Energiecoöperatie Huibertstroom Everdingen

Commissie Ruimte, Wonen en Duurzaamheid 4 maart 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Opinievoorstel Gemeentelijke Regierol Energiecoöperatie Huibertstroom Everdingen5.541 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Opinievoorstel Zaaknummer: 1289805 Onderwerp Opiniërend voorstel gemeentelijke regierol warmtetransitie en financiering warmtenet Energiecoöperatie Huibertstroom Everdingen [ECH] Inleiding In dit opinievoorstel worden drie vragen behandeld die richting dienen te geven aan de rol en het handelen van de gemeente binnen de warmtetransitie. De vragen hebben betrekking op het moment van besluitvorming, de algemene rol die de gemeente wil aannemen en een specifieke keuze voor het project Huibertstroom in Everdingen. 1. Moet de gemeente al in 2025 een strategische keuze maken ten aanzien van de warmtetransitie, of wachten tot 2030? In 2021 heeft de gemeenteraad van Vijfheerenlanden de Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld. Dit besluit zet de koers uit om uiterlijk in 2050 alle woningen en bedrijven in de gemeente gasloos te maken. De warmtetransitie is een complex proces dat vraagt om duidelijke keuzes van de gemeente. Inmiddels is het 2025 en bevinden we ons precies halverwege de tijdlijn van de Transitievisie Warmte (TVW) tot 2030. De voortgang van lopende projecten, de nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw), en ontwikkelingen zoals netcongestie maken het noodzakelijk om te bepalen of de gemeente nu richting geeft of vasthoudt aan het oorspronkelijke keuzemoment in 2030.

Overwegingen: • Vroegtijdig beslissen stelt ons in staat om bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen op basis van nieuwe inzichten. • De gemeente zal op termijn toch keuzes moeten maken; uitstel kan leiden tot verspilde tijd. • Het uitstellen van keuzes kan verkeerde verwachtingen wekken bij inwoners en stakeholders. 2. Welke rol wil de gemeente in het algemeen aannemen richting initiatieven binnen de warmtetransitie? Naast de timing van besluitvorming moet de gemeente ook een strategische keuze maken over haar algemene rol in de warmtetransitie. Het model van gemeentelijke rolopvattingen beschrijft vier mogelijke rollen: • Rood (ondernemende gemeente): De gemeente neemt een actieve rol in financiering en uitvoering. • Geel (partnerschap): De gemeente werkt samen met andere partijen en deelt risico’s. • Groen (ondersteunende gemeente): De gemeente faciliteert en begeleidt initiatieven zonder financiële betrokkenheid. • Blauw (normerende gemeente): De gemeente schrijft regels voor en handhaaft deze, maar biedt weinig ruimte voor samenwerking of betrokkenheid bij inwonersinitiatieven.

Figuur 1: model van gemeentelijke rolopvattingen (Bron) De normerende rol (blauw), waarbij de gemeente vooral voorschrijft en afdwingt, sluit niet goed aan bij onze wettelijke verantwoordelijkheid en biedt ook geen ruimte voor samenwerking met inwonersinitiatieven zoals Huibertstroom. Deze aanpak legt de nadruk op strikte regels en controle, waardoor er veel minder ruimte is voor samenwerking en lokale betrokkenheid. Een andere rol biedt meer mogelijkheden om samen met de initiatiefnemers oplossingen te ontwikkelen en draagvlak te creëren. Elke rol brengt eigen kansen en risico’s met zich mee. De keuze voor een rol bepaalt niet alleen hoe de gemeente huidige en toekomstige initiatieven ondersteunt, maar ook hoe deze zich positioneert binnen de energietransitie en voldoet aan wet- en regelgeving. De Wet collectieve warmtevoorziening, die op 1 januari 2025 in werking had moeten treden, onderstreept de regierol van gemeenten. De aanname van deze wet is uitgesteld en zal hoogstwaarschijnlijk dit jaar alsnog aangenomen worden. Voor warmtenetten met meer dan 1.500 aansluitingen geldt een verplichting tot minimaal 51% publieke zeggenschap, wat ook de gemeentelijke verantwoordelijkheid aanzienlijk vergroot. Hoewel deze verplichting niet geldt voor kleinere warmtenetten zoals in Everdingen, biedt de wet duidelijke kaders voor governance, financiering en samenwerking.

De VNG benadrukt dat draagvlak onder inwoners en het voorkomen van marktmonopolies cruciaal zijn in de energietransitie. De keuze voor een rol heeft invloed op hoe de gemeente huidige en toekomstige initiatieven ondersteunt, hoe zij haar wettelijke verantwoordelijkheid invult en hoe zij invulling geeft aan de energietransitie. Overwegingen: • Hoe actiever de rol van de gemeente, hoe groter de (financiële) verwachtingen en risico’s ook voor de lange termijn. • Warmte is een primaire levensbehoefte. Hoeveel expertise heeft de gemeente om hierin een actieve rol te spelen? Wat zijn onze verwachtingen ten aanzien van andere

• •

(semi)publieke partijen en hoe kunnen we de warmtelevering (met het oog op het publieke belang) zo goed en effectief mogelijk borgen? Zijn er regionale of intergemeentelijke samenwerkingen mogelijk die publieke belangen beter borgen? Welke middelen is de gemeenteraad bereid beschikbaar te stellen voor de warmtetransitie?

3. Moet de gemeente voor het project Huibertstroom een uitzonderingspositie innemen en de ‘ondernemende overheid’ (rode rol) aannemen? Specifiek voor Everdingen speelt het inwonersinitiatief van Energiecoöperatie Huibertstroom een belangrijke rol. Dit initiatief, dat zich richt op de aanleg van een collectief warmtenet voor circa 275 woningen, heeft al aanzienlijke stappen gezet. Er zijn technische onderzoeken uitgevoerd om de haalbaarheid van het project te onderbouwen. Er is een businesscase opgesteld om de betaalbaarheid te onderbouwen. Dit heeft waardevolle inzichten opgeleverd, maar benadrukt ook de complexiteit van het realiseren van een warmtenet in een kleinere woonkern zoals Everdingen. Alhoewel het college heeft besloten (begin 2024) om niet meer in financiële zin bij te dragen aan dit pilotproject t.b.v. de onderzoeksfase (waarover de raad via een raadsinformatiebrief d.d. 9 april 2024 is geïnformeerd), staat het college nu aan de vooravond van een volgende fase, te weten de planningsfase. Derhalve is het noodzakelijk om nu richting te verkrijgen van uw commissie of de vervolgfase nog (steeds) gewenst is en welke rol de gemeente hierin wil aannemen. Eerder hebben nagenoeg alle raadsleden zich positief uitgesproken over dit inwonersinitiatief, maar nu is er meer nodig.

Temeer omdat de gemeente al heeft geïnvesteerd in tijd en middelen, is duidelijkheid nodig voor de vervolgfase en/of de vrijwilligers van ECH hun enthousiasme en kennis verder kunnen vormgeven samen met de gemeente. Mocht uw commissie tot de conclusie komen dat nu financieel verder samenwerken niet passend is, dan zal het pilotproject naar alle waarschijnlijk beëindigd worden omdat er geen commerciële partij op dit moment is die hierin wil investeren. Ten aanzien van Energiecoöperatie Huibertstroom liggen er momenteel twee belangrijke financiële vraagstukken op tafel, te weten: A. De financiering van de onrendabele top van circa € 5 miljoen. B. De vraag om een gemeentelijke garantstelling van circa € 2,6 miljoen. In bijlagen 2 en 3 wordt de huidige businesscase uiteengezet en in bijlage 4 wordt deze kort samengevat. In bijlage 4 staat een vereenvoudigd overzicht van de financiële raming op pagina 9. Voor de voorwaarden van de BNG en NWB verwijzen wij naar bijlage 5. In bijlage 6 is een feitelijk overzicht van de ORT te vinden en in bijlage 7 vindt u een technologische onderbouwing. In het kader van de gemeentelijke doelstellingen om in 2050 gasloos te zijn, biedt dit pilotproject – ondanks de aanzienlijke onrendabele top (ORT) – een belangrijke kans. Bij succes kan het format mogelijk worden toegepast op andere woonkernen langs de rivieren in onze gemeente.

Aangezien er al in het project is geïnvesteerd, is het nu van belang dat de gemeenteraad richting geeft voor de vervolgfase. Dit biedt duidelijkheid en stelt de vrijwilligers van ECH in staat hun enthousiasme en kennis verder te benutten, in samenwerking met de gemeente. De vraag is nu of de gemeente voor dit specifieke project eenmalig een uitzonderingspositie wil innemen door de ‘ondernemende overheid’ (rode rol) te kiezen en financieel bij te dragen, ondanks de risico’s die dit met zich meebrengt. Deze

beslissing staat niet op zichzelf, maar moet worden geplaatst in het bredere kader van de gemeentelijke strategie voor de warmtetransitie. Overwegingen: • De pilot heeft veel draagvlak in Everdingen en er is ook vanuit het dorp veel energie in deze businesscase gestoken. • Bij aanvang van de pilots hebben we onvoldoende nagedacht over onze rol in de eindsituatie; mogelijk zijn onterecht/onbedoeld verwachtingen gewekt. Discussie Hoe kan de gemeente haar rol strategisch vormgeven in de warmtetransitie, met specifieke aandacht voor timing, algemene strategie en het project Huibertstroom? Om deze vraag te beantwoorden, wordt de commissie Ruimte, Wonen en Duurzaamheid gevraagd een uitspraak te doen over drie sub vragen: 1. Moet de gemeente al in 2025 strategische keuzes maken, of wachten tot 2030? 2. Welke rol wil de gemeente in het algemeen aannemen richting initiatieven binnen de warmtetransitie? 3. Moet de gemeente voor het project Huibertstroom een uitzonderingspositie innemen en de ‘ondernemende overheid’ (rode rol) aannemen? Deze sub vragen vormen de basis voor de discussie. Voor deze sub vragen worden meerdere opties gepresenteerd, die worden onderbouwd met argumenten en risico’s. Dit opinievoorstel biedt daarmee een integraal kader om strategische keuzes in de warmtetransitie af te wegen, met aandacht voor timing, governance en specifieke projecten zoals Huibertstroom.

Sub vraag 1 Moet de gemeente al in 2025 strategische keuzes maken, of wachten tot 2030? De warmtetransitie is een van de grootste uitdagingen binnen het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. In 2021 is de Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld, met 2030 als het eerste evaluatiemoment. Inmiddels is het 2025, halverwege deze tijdlijn. De vraag is of de gemeente nu in 2025 strategische keuzes maakt om haar koers te bepalen, of dat zij vasthoudt aan het oorspronkelijke keuzemoment in 2030. Het antwoord hierop bepaalt niet alleen de voortgang van lopende projecten, maar ook hoe de gemeente haar rol in de energietransitie invult. Welke optie heeft uw voorkeur voor sub vraag 1? Optie 1 Nu strategische keuzes maken in 2025 De gemeente besluit om in 2025 strategische keuzes te maken over haar koers in de warmtetransitie. Dit omvat het vaststellen van richtlijnen voor financiering, governance en samenwerking met initiatieven. Door proactief te handelen, biedt de gemeente duidelijkheid en richting, zowel voor lopende projecten als voor toekomstige trajecten. Argumenten: 1.1 Voorkomen van vertraging in de warmtetransitie Vroegtijdige besluitvorming geeft richting aan inwoners, bedrijven en stakeholders.

Dit voorkomt dat zij kiezen voor individuele oplossingen, zoals elektrische warmtepompen, die de ontwikkeling van collectieve systemen in de weg staan en de financiële haalbaarheid van toekomstige projecten onder druk zetten. 1.2 Invulling van de regierol vanuit de Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw) De Wcw, zou in 2025 van kracht moeten worden (was beoogd voor 1 januari), benadrukt de regierol van gemeenten in de energietransitie. Door nu strategische keuzes te maken, kan de gemeente voldoen aan haar wettelijke verantwoordelijkheid en ervaring opdoen met het beheren en aansturen van warmtenetten. 1.3 Bijdrage aan het behalen van klimaatdoelen Uit de Klimaat- en Energieverkenning 2024 (KEV) van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat Nederland met het huidige beleid het klimaatdoel van 55% emissiereductie in 2030 waarschijnlijk niet haalt; de verwachte reductie ligt tussen 44% en 52%. Door nu keuzes te maken, kan de gemeente bijdragen aan tijdige CO₂-reductie, wat zowel lokaal als landelijk essentieel is om de klimaatambities waar te maken. 1.4 Leren van lopende projecten Door nu richtlijnen vast te stellen, kan de gemeente leren van lopende initiatieven, zoals pilots en kleinere projecten. Deze lessen zijn cruciaal om beter voorbereid te zijn op grootschalige trajecten na 2030.

Risico’s: 1.1 Beslissingen op basis van onvolledige informatie Door nu keuzes te maken, neemt de gemeente beslissingen op basis van de huidige inzichten. Dit kan betekenen dat nieuwe technologieën, financieringsmogelijkheden of wetgeving niet volledig worden meegenomen, wat de effectiviteit van de keuzes kan verminderen.

1.2 Financiële druk op korte termijn Strategische keuzes in 2025 kunnen directe investeringen vereisen, wat druk legt op de gemeentelijke begroting. Dit kan middelen beperken voor andere beleidsprioriteiten en extra lasten creëren. 1.3 Verhoogde verwachtingen bij inwoners en stakeholders Vroegtijdige keuzes kunnen leiden tot onrealistische verwachtingen over wat de gemeente zal doen of financieren. Dit kan frustratie veroorzaken als projecten niet voldoen aan de verwachtingen. 1.4 De vorm om deel te nemen zoals in het Wcw nu is beoogd, heeft een andere vorm dan ECH vraagt. De Wcw geeft gemeenten de bevoegdheid om bestaande woonwijken aan te wijzen die overgaan van aardgas naar een collectief warmtesysteem en om te bepalen door wie dat systeem mag worden geëxploiteerd. Daarom maakt de VNG zich hard om te borgen dat de warmte-infrastructuur voor meer dan 50% in publieke handen komt. Dit omdat de energietransitie als geheel ingrijpt tot achter de voordeur. Daarom is draagvlak bij onze inwoners voor deze transitie cruciaal. Daarvoor is een lokaal democratisch proces met inspraak nodig. Het bedrijfsleven kan dit niet op zich nemen. En de marktmonopolie op deze vitale infrastructuur moet worden voorkomen. Bij collectieve warmte wordt een partij langlopend, tot 30 jaar, in positie gebracht.

Dat willen gemeenten doen vanuit een gedeelde maatschappelijke missie, omdat nu niet te voorspellen is wat in 2040 of 2050 de beste contractuele afspraken zijn. Evenwel is bij de vervulling van het publiek meerderheidsbelang het mogelijk ook een rol neer te leggen bij warmtegemeenschappen. Ondanks dat dit geen publieke entiteiten zijn, worden zij hiermee wel gelijkgesteld in de Wcw, omdat zij een breder maatschappelijk belang dienen. Voor een mogelijke samenwerking met een warmtegemeenschap is het van belang dat, op grond van de Wcw, een warmtegemeenschap met minder dan 1.500 aansluitingen valt onder de regels voor kleine collectieve warmtesystemen. Optie 2 Uitstellen van strategische keuzes tot 2030 De gemeente kiest ervoor om strategische keuzes uit te stellen tot 2030, zoals oorspronkelijk voorzien in de Transitievisie Warmte. Dit geeft meer tijd om technologische en financiële ontwikkelingen te volgen en een bredere basis te creëren voor besluitvorming. Argumenten: 2.1 Meer tijd voor onderbouwing en voorbereiding Door te wachten tot 2030 kan de gemeente technologische ontwikkelingen, veranderende wetgeving en nieuwe financiële mogelijkheden meenemen in de besluitvorming. Dit helpt om keuzes te maken die beter aansluiten bij de situatie van dat moment.

2.2 Beheersing van financiële risico’s Uitstel voorkomt dat de gemeente middelen inzet op basis van onvolledige of verouderde informatie. Dit maakt het mogelijk om reserves op te bouwen en middelen efficiënter te benutten wanneer deze echt nodig zijn.

2.3 Vergroting van draagvlak bij inwoners en stakeholders Door meer tijd te nemen, kan de gemeente inwoners en stakeholders intensiever betrekken. Dit zorgt ervoor dat keuzes beter aansluiten bij hun behoeften en verwachtingen, wat weerstand tegen beleid kan verminderen. Risico’s: 2.1 Verlies van richting en voortgang Uitstel kan het signaal afgeven dat de gemeente onvoldoende richting geeft aan de warmtetransitie. Dit kan leiden tot vertragingen in projecten en onzekerheid bij inwoners en bedrijven. 2.2 Verergering van netcongestie Zonder duidelijke keuzes blijven inwoners en bedrijven eerder kiezen voor individuele elektrische oplossingen, zoals warmtepompen. Dit vergroot de druk op het elektriciteitsnet, wat al een groot probleem is door netcongestie. 2.3 Minder bijdrage aan klimaatdoelen Door te wachten tot 2030, loopt de gemeente het risico dat reductiedoelstellingen voor dat jaar niet worden gehaald. Dit kan de geloofwaardigheid en voortgang van de energietransitie schaden.

Sub vraag 2 Welke rol wil de gemeente in het algemeen aannemen richting initiatieven binnen de warmtetransitie? De warmtetransitie is een complexe uitdaging waarbij de gemeente moet bepalen hoe zij haar verantwoordelijkheid invult. De keuze voor een rol – ondernemend, samenwerkend, of ondersteunend – heeft grote gevolgen voor de mate van regie, financiële betrokkenheid en de samenwerking met inwoners en stakeholders. Deze keuze biedt richting aan lopende en toekomstige projecten en bepaalt hoe de gemeente haar wettelijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid invult. Welke optie heeft uw voorkeur voor sub vraag 2? Optie 1 De gemeente neemt een actieve, ondernemende rol aan (rode rol). De gemeente kiest voor een actieve rol waarbij zij financieel bijdraagt aan en uitvoerend betrokken is bij de realisatie van initiatieven. Deze aanpak plaatst de gemeente centraal in de energietransitie en laat zien dat zij een voortrekkersrol wil spelen. Argumenten: 1.1 Duidelijkheid en versnelling in de energietransitie Een ondernemende rol geeft richting en duidelijkheid aan inwoners, bedrijven en stakeholders. Door actief deel te nemen, kan de gemeente projecten sneller realiseren en voorkomen dat initiatieven vertragen of vastlopen door een gebrek aan middelen of sturing. Dit helpt versnippering tegen te gaan en biedt een consistent kader voor de energietransitie.

1.2 Versterking van de regierol van gemeenten De Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw) benadrukt de regierol van gemeenten bij de energietransitie. Door een actieve rol te kiezen, kan de gemeente haar verantwoordelijkheid invullen en ervaring opdoen met complexe projecten, zoals financiering en governance van warmtenetten. 1.3 Bijdrage aan klimaatdoelen Nederland dreigt de doelstelling van 55% CO₂-reductie in 2030 niet te halen. Door een actieve rol te kiezen, kan de gemeente projecten realiseren die direct bijdragen aan CO₂reductie. Dit versterkt niet alleen de voortgang richting gemeentelijke en nationale klimaatambities, maar onderstreept ook de betrokkenheid van de gemeente. 1.4 Stimuleren van innovatie en samenwerking Een actieve rol van de gemeente kan innovatie en samenwerking stimuleren. Door projecten financieel te ondersteunen en actief te sturen, creëert de gemeente ruimte voor technologische vernieuwingen en gezamenlijke oplossingen. Dit legt ook een basis voor de opschaling van succesvolle projecten naar andere kernen. 1.5 Bijdrage aan vermindering van netcongestie Door collectieve oplossingen zoals warmtenetten te ondersteunen, kan de gemeente bijdragen aan het verlagen van de druk op het elektriciteitsnet.

Dit is essentieel om knelpunten in het stroomnet te voorkomen, vooral gezien de toenemende vraag naar elektriciteit door elektrische voertuigen en warmtepompen.

1.6 Investeren in kennis en voorbereiding op toekomstige projecten Een actieve rol stelt de gemeente in staat om waardevolle ervaring op te doen met energietransitie projecten. Door betrokken te zijn bij technische, sociale en financiële aspecten, bereidt de gemeente zich beter voor op grotere en complexere opgaven na 2030. Dit versterkt de basis voor toekomstig beleid en besluitvorming. Risico’s: 1.1 Grote financiële verplichtingen en risico’s Een ondernemende rol brengt aanzienlijke investeringen met zich mee, die mogelijk niet altijd rendabel zijn. Onvoorziene factoren, zoals veranderende wetgeving of inflatie, kunnen de financiële druk op de gemeente verder vergroten. 1.2 Beperking van flexibiliteit Door middelen vast te leggen in specifieke projecten, heeft de gemeente minder ruimte om in te spelen op nieuwe technologische of marktontwikkelingen. Dit kan ertoe leiden dat middelen niet optimaal worden benut. 1.3 Kritiek op financiële steun en ongelijkheid Als de gemeente actief investeert in specifieke projecten, kunnen andere initiatieven zich achtergesteld voelen. Dit kan leiden tot kritiek van inwoners en stakeholders die vinden dat de verdeling van middelen niet eerlijk is. 1.4 Risico op mislukking van projecten Bij een actieve rol draagt de gemeente de verantwoordelijkheid voor het succes van projecten.

Als een project niet slaagt, kan dit leiden tot financiële verliezen en reputatieschade. Dit kan ook het vertrouwen van inwoners in gemeentelijk beleid schaden. Optie 2 De gemeente neemt een samenwerkende, partner rol aan (gele rol). De gemeente kiest voor een samenwerkende rol, waarbij zij risico’s en verantwoordelijkheden deelt met andere partijen, zoals inwonersinitiatieven, bedrijven en netbeheerders. De nadruk ligt op samenwerking en gedeeld eigenaarschap, zonder dat de gemeente volledig financieel verantwoordelijk is. Argumenten: 2.1 Risico’s en lasten delen Een partnerschapsmodel maakt het mogelijk om de financiële en verantwoordelijkheden te delen met andere partijen. Dit zorgt ervoor dat projecten haalbaarder worden zonder dat de gemeente de volledige verantwoordelijkheid hoeft te dragen. 2.2 Stimuleren van samenwerking en innovatie Door samen te werken met inwoners en bedrijven, bevordert de gemeente innovatieve oplossingen en betrokkenheid. Partnerschappen versterken de samenwerking tussen publieke en commerciële partijen, wat kan leiden tot effectievere en beter gedragen projecten.

2.3 Benutting van externe expertise Door samen te werken met gespecialiseerde partijen, zoals netbeheerders en energiecoöperaties, kan de gemeente gebruikmaken van hun kennis en ervaring. Dit helpt om projecten beter uit te voeren en voorkomt dat de gemeente zelf alle expertise moet ontwikkelen. 2.4 Beheersing van financiële middelen Met een partnerschapsmodel kan de gemeente haar middelen efficiënter inzetten en ruimte behouden voor andere beleidsdoelen. Dit voorkomt dat grote financiële risico’s volledig bij de gemeente komen te liggen, terwijl ze wel betrokken blijft bij het proces. Risico’s: 2.1 Minder invloed op de uitvoering In een partnerschapsmodel heeft de gemeente minder directe controle over de uitvoering en kwaliteit van projecten. Dit kan ertoe leiden dat resultaten tussen initiatieven sterk verschillen en mogelijk niet volledig aansluiten bij de ambities van de gemeente. 2.2 Afhankelijkheid van externe partijen Het succes van projecten hangt af van de inzet en middelen van partners. Als zij hun verplichtingen niet nakomen of zich terugtrekken, kan dit vertragingen veroorzaken of projecten zelfs stilleggen. 2.3 Risico op conflicten over verantwoordelijkheden Bij gedeelde verantwoordelijkheid kunnen meningsverschillen ontstaan over kosten, rollen en besluitvorming. Dit kan de voortgang van projecten belemmeren en de samenwerking onder druk zetten.

2.4 Beperkte leermogelijkheden voor de gemeente Door minder direct betrokken te zijn bij de uitvoering, mist de gemeente kansen om kennis en ervaring op te doen over technische, sociale en financiële uitdagingen. Deze lessen zijn belangrijk voor toekomstige, grootschalige projecten. Optie 3 De gemeente neemt een faciliterende, ondersteunende rol aan (groene rol). De gemeente kiest een faciliterende en ondersteunende rol in de warmtetransitie. Dit houdt in dat zij initiatieven begeleidt en beleidsmatig ondersteunt, maar geen financiële of uitvoerende verantwoordelijkheid draagt. De nadruk ligt op het scheppen van kaders en het stimuleren van zelfredzaamheid bij inwoners en organisaties. Argumenten: 3.1 Beperking van financiële risico’s Door geen directe financiële betrokkenheid te hebben, voorkomt de gemeente grote verplichtingen en behoudt zij controle over haar middelen. Dit biedt ruimte om flexibel in te spelen op andere prioriteiten en onverwachte ontwikkelingen. 3.2 Stimuleren van zelfredzaamheid Een ondersteunende rol moedigt inwoners en organisaties aan om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de energietransitie. Dit vergroot de betrokkenheid en kan leiden tot innovatieve oplossingen die beter aansluiten bij lokale behoeften.

3.3 Flexibiliteit in beleidsvoering Met een faciliterende rol kan de gemeente haar inzet aanpassen aan nieuwe technologische of financiële ontwikkelingen. Dit voorkomt dat middelen vastzitten in lange termijn verplichtingen en geeft de gemeente ruimte om in te spelen op veranderingen. 3.4 Creëren van beleidskaders en randvoorwaarden De gemeente kan haar rol benutten om heldere beleidskaders te scheppen die initiatieven ondersteunen. Door bijvoorbeeld kennis te delen en het wegnemen van obstakels, zoals vergunningstrajecten of coördinatieproblemen, helpt zij projecten vooruit zonder financieel betrokken te zijn. 3.5 Ondersteunen van leermogelijkheden Hoewel de directe betrokkenheid minder is, kan de gemeente via een faciliterende rol waardevolle inzichten opdoen over de sociale en technische aspecten van de energietransitie. Deze kennis kan worden toegepast bij toekomstige beleidsvorming en ondersteuning van grotere projecten. 3.6 De inwerkingtreding van de Wcw wordt binnen één jaar verwacht Verwacht wordt dat de Wcw binnen één jaar in werking treedt (is inmiddels al door de Tweede Kamer aangenomen). Bij de inwerkingtreding zal er ook meer duidelijk zijn welk pakket aan maatregelen en waarborgen is voorzien in de uitbreidingsmogelijkheden van warmtenetten om de doelstellingen van de warmtetransitie te realiseren.

Risico’s: 3.1 Beperkte leermogelijkheden voor de gemeente Door geen directe verantwoordelijkheid te dragen, loopt de gemeente het risico dat zij onvoldoende ervaring opdoet met de uitvoering van projecten. Dit kan de voorbereiding op grotere en complexere trajecten na 2030 bemoeilijken. 3.2 Minder invloed op resultaten Een ondersteunende rol betekent dat de gemeente weinig directe sturing kan geven aan de kwaliteit en uitvoering van projecten. Dit kan leiden tot verschillen in resultaten en beperkte controle over de impact van initiatieven. 3.3 Versnippering van initiatieven Het ontbreken van een sturende rol kan ertoe leiden dat initiatieven onvoldoende op elkaar afgestemd worden. Dit kan de samenhang en efficiëntie van de energietransitie verminderen en leiden tot vertragingen. 3.4 Afhankelijkheid van externe partijen De gemeente vertrouwt bij een ondersteunende rol volledig op de inzet en middelen van externe partijen. Als zij zich terugtrekken of onvoldoende presteren, kan dit de voortgang van projecten negatief beïnvloeden.

Sub vraag 3 Moet de gemeente voor het project Huibertstroom een uitzonderingspositie innemen en de ‘ondernemende overheid’ (rode rol) aannemen? Het bewonersinitiatief in Everdingen heeft al veel voortgang geboekt en geniet brede steun binnen de gemeenschap. De vraag is of de gemeente voor dit specifieke project een uitzonderingspositie wil creëren door de ‘ondernemende overheid’ (rode rol) aan te nemen, wat inhoudt dat de gemeente financieel bijdraagt aan de uitvoering, ondanks de bijbehorende risico’s. Welke optie heeft uw voorkeur voor sub vraag 3? Optie 1 Gemeente neemt rode rol aan (‘ondernemende gemeente’) voor Energiecoöperatie Huibertstroom. Er volgt een volledige gemeentelijke bijdrage aan de onrendabele top en een garantstelling. De onrendabele top (ORT) bedraagt volgens de huidige businesscase € 5,0 miljoen. Om een zo groot mogelijke kans van slagen te bereiken kan er gekozen worden om het gehele bedrag te subsidiëren. De garantstelling bedraagt aanvullend € 2,6 miljoen. Uitgewerkt dient nog te worden onder welke voorwaarden een financiële bijdrage vorm zou moeten krijgen en welke voor- en nadelen daarbij horen. Argumenten: 1.1 Verantwoording dragen voor financiële garantstelling. Een garantstelling brengt risico’s met zich mee als het project niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen.

De gemeente zou in dat geval garant moeten staan voor de openstaande lening. 1.2 Kritiek op ongelijke ondersteuning. Volledige financiering van dit project kan leiden tot gerechtvaardigde kritiek van andere initiatieven die geen vergelijkbare steun ontvangen, wat mogelijk tot weerstand leidt. Deze initiatieven kunnen het gevoel hebben dat zij ongelijk worden behandeld, zeker als zij in het verleden minder steun hebben gekregen of zijn afgewezen. 1.3. Risico op niet-naleving Europese staatssteunregels. De steunmaatregelen kunnen mogelijk worden aangemerkt als staatssteun. Indien niet voldaan wordt aan de Europese staatssteunregels, kan dit leiden tot juridische complicaties of terugvordering van de verstrekte steun. In de verdere uitwerking zal moeten blijken of dit aspect tot onoverkomelijke bezwaren zou leiden voor de toekenning van een garantstelling en financiering. 1.4 Hoge financiële verplichtingen door ORT Een bijdrage aan de ORT betekent dat de gemeente financieel risico loopt. Als het project duurder uitvalt of minder aansluitingen realiseert dan verwacht, kan de gemeente geconfronteerd worden met extra kosten. Optie 2 Overheid als partner - gedeeltelijke gemeentelijke bijdrage aan de ORT en garantstelling voor Energiecoöperatie Huibertstroom (geel - gemeente als partner).

Om minder risico te nemen als gemeente is het ook mogelijk om een deel van de ORT van € 5,0 miljoen te financieren. We verwachten vanaf een bijdrage van €3,0 miljoen het

pilotproject nog een kans van slagen te geven, wanneer de gemeente ook de garantstelling van €2,6 miljoen afgeeft. Tegelijkertijd werkt de gemeente samen met Huibertstroom in het verkrijgen van aanvullende financiering bij andere partijen. Uitgewerkt dient nog te worden onder welke voorwaarden een financiële bijdrage vorm zou moeten krijgen en welke voor- en nadelen daarbij horen. Argumenten: 2.1 Beperken financieel risico. Door slechts een deel van de onrendabele top (ORT) te financieren, kan de gemeente haar financiële risico beperken. Een gerichte investering van € 3 miljoen, in plaats van de volledige € 5 miljoen, laat ruimte voor andere duurzaamheidsdoelen en spreidt het risico over meerdere partijen. Dit toont ook dat de gemeente het project ondersteunt, wat het vertrouwen bij andere financiers kan vergroten. 2.2 Realisatie met beperkte directe bijdrage gemeente. De combinatie van garantstelling en gedeeltelijke bijdrage bevordert realisatie van het warmtenet. De beschikbaarheid van financiële steun en gunstige leningsvoorwaarden maakt het project haalbaarder voor Energiecoöperatie Huibertstroom en vermindert netcongestie door decentralisatie van de energievoorziening. Een garantstelling zorgt voor meer gunstige financieringsvoorwaarden dan commerciële partijen.

Dit helpt de rentelasten te verlagen, wat de financiële last voor de eindgebruikers beperkt en de betaalbaarheid bevordert. Risico’s: 2.1 Geen directe financiële oplossing voor Energiecoöperatie Huibertstroom De gedeeltelijke bijdrage kan onvoldoende zijn om de volledige ORT te dekken, waardoor aanvullende financiering nodig blijft. Dit kan verdere vertraging of onzekerheid voor het project creëren. 2.2 Hoe lager de financiële bijdrage hoe lager de kans op slagen Als we minder financieel risico nemen door een lagere ORT bijdrage te voldoen, is de kans groter dat het project niet wordt uitgevoerd. Bij een lage bijdrage van de ORT is immers de kans nog groter dat de ORT investeringskosten niet terugverdiend worden. 2.3 Vermindering draagvlak bewoners Het project kan niet volledig woonlastenneutraal worden zonder volledige dekking van de ORT. Bewoners zouden nog steeds met hogere kosten geconfronteerd kunnen worden, wat het draagvlak voor het warmtenet vermindert. En inwoners dan kiezen voor een individuele oplossing, die weliswaar goedkoper is, maar niet bijdraagt aan de doelstellingen. 2.4. Risico op toename netcongestie Als de gemeente besluit beperkt te financieren, wordt het warmtenet mogelijk niet gerealiseerd. Hierdoor blijven bewoners afhankelijk van individuele elektrische oplossingen, zoals warmtepompen, wat de druk op het elektriciteitsnet verder vergroot.

Dit vergroot het risico op netcongestie, wat al een groeiend probleem is in Nederland, en kan leiden tot hogere kosten en vertragingen in de energietransitie. 2.5. Verlies van leermogelijkheden en toekomstige voorbereiding Als de gemeente besluit om onvoldoende van de ORT te financieren, gaat een belangrijke kans verloren om kennis en ervaring op te bouwen die nodig zijn voor toekomstige, grootschalige warmtenetprojecten. Dit kan de gemeente in een nadelige positie brengen

wanneer zij in de toekomst verplicht wordt om aanzienlijk grotere financiële verplichtingen aan te gaan bij projecten met 1.500 of meer aansluitingen. Het huidige project biedt een gecontroleerde leermogelijkheid. Dit leidt mogelijk ook tot hogere risico’s en kosten in toekomstige warmtenettrajecten. 2.6. Risico op niet-naleving Europese staatssteunregels De steunmaatregelen kunnen mogelijk worden aangemerkt als staatssteun. Indien niet voldaan wordt aan de Europese staatssteunregels, kan dit leiden tot juridische complicaties of terugvordering van de verstrekte steun. In de verdere uitwerking zal moeten blijken of dit aspect tot onoverkomelijke bezwaren zou leiden voor de toekenning van een garantstelling en financiering. 2.7 Risico dat het project alsnog onvoldoende financiering krijgt Een gedeeltelijke ORT bijdrage betekent dat het project afhankelijk blijft van aanvullende financiering. Als andere partijen afhaken of minder bijdragen dan verwacht, kan het project alsnog in financiële problemen komen en kan er extra druk op de gemeente ontstaan om bij te springen. Optie 3 Er wordt voor Huibertstroom geen bijdrage en/of garantstelling gegeven dan wel een deelneming (groen - ondersteunende gemeente). Bij deze optie verleent de gemeente geen financiële steun of garantstelling aan het warmtenet.

De gemeente draagt geen financiële risico’s, maar maakt het project volledig afhankelijk van externe financiering. In plaats daarvan neemt de gemeente een meer ondersteunende rol aan, gericht op facilitering en beleidsvorming. Argumenten: 3.1 Geen financiële verplichting voor de gemeente. Door geen bijdrage of garantstelling te leveren, heeft de gemeente geen directe financiële verplichtingen met betrekking tot het warmtenet in Everdingen. Zeker gezien de hoge ORT van € 5 miljoen biedt deze keuze financiële zekerheid en voorkomt het dat de gemeente middelen moet vrijmaken voor een project met een relatief kleine schaal voor een beperkt aantal inwoners. Dit maakt het mogelijk om budget te reserveren voor projecten met een grotere impact of een hogere mate van financiële zekerheid. 3.2 Beperking van financiële risico’s. Het niet verstrekken van een bijdrage of garantstelling betekent dat de gemeente geen risico loopt op verlies van middelen. Bij een eventueel faillissement van het warmtebedrijf of als de onrendabele top (ORT) niet terugverdiend wordt, zouden de kosten anders op de gemeente neerkomen. Het vermijden van deze risico’s is met name belangrijk omdat de businesscase van het project als kwetsbaar wordt beoordeeld en sterk afhankelijk is van aanvullende financiële middelen uit andere bronnen.

Door geen financiële betrokkenheid te hebben, minimaliseert de gemeente haar risico’s aan dergelijke onzekerheden en voorkomt ze mogelijke negatieve gevolgen voor de begroting. 3.3. Alternatief met warmtepompen is goedkoper. Voor de 275 woningen binnen dit project is een warmtepomp een kosteneffectief alternatief. Met een gemiddelde kostprijs van €15.000 per woning zouden de totale investeringen circa € 4,1 miljoen bedragen, wat lager is dan de onrendabele top van € 5 miljoen voor het warmtenet. Uiteraard is dit niet volledig, omdat voor lage temperatuurverwarming van woningen er een isolatietraject moet worden uitgevoerd wat

€15.000 tot €80.000 per woning bedraagt. Dan is er sprake van minimaal € 8,1 miljoen aan investeringen. Bovendien draagt dit niet direct bij aan gemeentelijke lasten, omdat deze kosten door de bewoners zelf worden gedragen. Risico’s: 3.1 Beëindiging van het pilotproject Bij uitblijven van gemeentelijke steun is het waarschijnlijk dat het warmtenetproject in Everdingen wordt stopgezet. Dit resulteert in een gemiste kans om waardevolle kennis en ervaring op te doen voor toekomstige warmtenetprojecten. 3.2 Gemiste bijdrage aan klimaatdoelstellingen. Het niet realiseren van het warmtenet betekent dat een kans verloren gaat om lokaal CO₂-uitstoot te reduceren en bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050. 3.3 Vergroting van de onrendabele top (ORT) en problemen met netcongestie. Het ontbreken van gemeentelijke financiering maakt de realisatie van het warmtenet zeer onwaarschijnlijk. Hierdoor kiezen inwoners waarschijnlijk voor individuele oplossingen, zoals warmtepompen. Dit vergroot de onrendabele top van een toekomstig warmtenet doordat het aantal potentiële aansluitingen afneemt. Bovendien neemt de druk op het elektriciteitsnet toe, wat de problemen met netcongestie verder verergert en de energietransitie belemmert. 3.4 Afname draagvlak voor de energietransitie.

Het niet ondersteunen van dit initiatief kan negatief worden opgevat door het inwonersinitiatief, andere inwoners en energiecoöperaties, wat het draagvlak voor toekomstige gemeentelijke duurzaamheidsprojecten kan ondermijnen. Dit kan leiden tot een afname van draagvlak en het enthousiasme van inwonersinitiatieven voor toekomstige duurzaamheidsprojecten. 3.5 Nadelige positie bij toekomstige verplichtingen. Zonder deze pilot-ervaring mist de gemeente een kans om kennis op te doen die noodzakelijk is bij eventuele toekomstige grootschalige warmtenetten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, de secretaris,

de burgemeester,

04/02/2025 13:46:36 CET {{signer1}}

04/02/2025 13:48:21 CET {{signer2}}

Signed By: j.de.jonge@vijfheerenlanden.nl

Signed By: s.frohlich@vijfheerenlanden.nl

ID: 52063682-19fa-4bed-a364-c0167f3a30c9

ID: 52063682-19fa-4bed-a364-c0167f3a30c9

Auth: Consent

Auth: Consent

W.J. (Judith) de Jonge

S. (Sjors) Fröhlich

Bijlagen 1. Transitievisie warmte 2. Wijkuitvoeringsplan Everdingen 3. Business case 4. Powerpoint business case (aanvullend op business case) 5. Voorwaarden voor garantstelling bij de BNG Bank/NWB Bank. 6. Factsheet ORT uitleg CE-Delft 7. IF Technology rapport

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=344d6c2e-1baf-4a77-b8ec-b4b4acfba766