CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Opinievoorstel adviesrecht en verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.pdf

Commissie Ruimte, Verkeer en Economie 12 april 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Opinievoorstel adviesrecht en verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten4.941 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Opinievoorstel Zaaknummer: 365680 Onderwerp Opinievoorstel adviesrecht en verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Inleiding adviesrecht 1.1 Nu & straks Nu Voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan kan de gemeenteraad in de huidige situatie – dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet- beslissen dat er ‘geen bedenkingen’ zijn, met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB). Om het werkbaar te houden heeft de raad gevallen aangewezen waarin die verklaring van geen bedenkingen niet nodig is. Voor alle overige gevallen is deze verklaring dus wel nodig. Een voorbeeld uit de huidige VVGB lijst (zie bijlage) is woningbouw passend in een reeds door de raad vastgestelde stedenbouwkundige visie of ander ruimtelijk kader. Straks Onder de Omgevingswet is het precies omgekeerd. Dan wijst de gemeenteraad gevallen aan waarin wel een bindend advies nodig is van de raad om af te wijken van het omgevingsplan. Wijst de raad geen gevallen aan, dan is er geen adviesrecht (zie artikel 16.15a lid b. onder 1 Omgevingswet). Straks wijst de gemeenteraad gevallen aan waarin wel een bindend advies nodig is.

Deze inleiding geeft informatie over het adviesrecht en gaat kort in op de volgende vier onderwerpen: 1.2 Het omgevingsplan algemeen 1.3 Wijzigingen & afwijkingen van het omgevingsplan 1.4 Advies van de gemeenteraad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit 1.5 Op weg naar de nieuwe situatie 1.2 Het omgevingsplan algemeen De Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad een omgevingsvisie en een omgevingsplan vaststelt. Terwijl de omgevingsvisie gaat over de langere termijn en de opgaven waar de gemeente mee aan de slag gaat, staan in het omgevingsplan regels voor de fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan kan bijvoorbeeld geregeld worden dat een bepaalde activiteit in een bepaald gebied wel of niet is toegestaan en onder welke voorwaarden.

In het omgevingsplan staan regels voor onder meer geluid, geur en trillingen. In sommige gevallen heeft de gemeente ruimte om soepeler of strenger te zijn dan de landelijke norm. De regels in het omgevingsplan kunnen ‘direct werkende’ algemene regels zijn. Dat wil zeggen dat inwoners en ondernemers zich daaraan moeten houden. Er kunnen ook regels worden opgenomen die ‘direct werkend met meldingsplicht’ zijn. In dat geval moeten initiatiefnemers, voordat ze met een activiteit beginnen, dat melden. Bij sommige regels geldt voor bepaalde activiteiten een vergunningplicht, oftewel alleen toegestaan met een vergunning. In dat geval beoordeelt het college een activiteit inhoudelijk aan de hand van die regels en geeft dan wel of geen vergunning af. Op deze manier is het omgevingsplan het toetsingskader voor vergunningverlening en toezicht en handhaving binnen een gemeente. Naast deze regels dient ook rekening te worden gehouden met regels vanuit het Rijk, provincie en waterschap. 1.3 Wijziging & afwijkingen van het omgevingsplan Het is onmogelijk om alles van tevoren te voorzien en/of vast te leggen in het omgevingsplan. Misschien heeft een initiatiefnemer een plan dat niet in het omgevingsplan past, maar wel op de één of andere manier bijdraagt aan de gemeentelijke lange termijn opgaven.

Ook kunnen er lokaal en landelijk ontwikkelingen zijn die het noodzakelijk maken om het omgevingsplan te actualiseren. Soms zal het dus nodig zijn om het omgevingsplan te wijzigen; en soms kan het nodig zijn voor een concreet initiatief van het omgevingsplan af te wijken. Bij het beoordelen van initiatieven die niet passen in het omgevingsplan is samenhang en consistentie van belang. Toetsing aan al het relevante beleid uit de omgevingsvisie en het omgevingsplan zijn de kaders voor vergunningverlening. De specifieke vergunning voor afwijken moet passen in het overige beleid. In essentie blijft de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onveranderd. De raad stelt de kaders en de regels (met de omgevingsvisie en het omgevingsplan); het college geeft daar, met enige handelingsvrijheid om goed op situaties in te kunnen spelen, uitvoering aan. De raad controleert deze uitvoering met het bestaand raadsinstrumentarium. Het college krijgt wel meer bevoegdheden bij de uitvoering van het beleid en de gemeenteraad is nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen en het monitoren van de resultaten. Ook is het college straks het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. Straks is de gemeenteraad nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen.

Met de omgevingsvisie en het omgevingsplan legt de raad de doelen vast en stuurt op de realisatie hiervan, zoals gebruikelijk is binnen een gemeente. Over initiatieven en (bouw)plannen die passen binnen het omgevingsplan en waarvoor een vergunning is vereist, geeft het college eenvoudig en snel uitsluitsel.

Onder de huidige wetgeving kan het college uitsluitend een omgevingsvergunning voor een initiatief of (bouw)plan dat in strijd is met het bestemmingsplan verlenen met instemming van de gemeenteraad. In dat geval geldt nu de uitgebreide procedure van 26 weken. Daarover besluit de raad met een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB). Daarvoor in de plaats komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet een verzwaard, bindend adviesrecht voor de gemeenteraad. Het college mag daar niet van afwijken. Straks komt er een verzwaard, bindend adviesrecht voor de gemeenteraad. De gemeenteraad geeft advies over die buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, waarvan de raad heeft vastgelegd hierover gebruik te willen maken van het adviesrecht. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit kan het college dus niet zelfstandig afdoen. Als de gemeenteraad een negatief advies geeft, dan mag het college de omgevingsvergunning niet verlenen. 1.4 Advies van de gemeenteraad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Wanneer is er sprake van een afwijking van het omgevingsplan? Allereerst moet er een vergunningaanvraag voor afwijken zijn ingediend.

Daar is sprake van als er een uitgewerkt plan ligt, dat kan worden vergund zonder gevolgen voor de naastgelegen percelen (een voorbeeld hiervan kan zijn dat de milieucategorie van de percelen in de buurt niet gewijzigd hoeven te worden). De raad moet op tijd een besluit nemen over de gevallen waarin hij advies wil geven. Regelt de gemeenteraad niets in het kader van het adviesrecht, dan hoeft het college niet naar de raad voor activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en kan het college deze aanvraag zelfstandig af doen. Ook bij afwijkingen van het omgevingsplan is de reguliere procedure van de Omgevingswet van toepassing. Dat wil zeggen een uiterste proceduretermijn van in beginsel 8 weken. Indien er instemming nodig is van de raad wordt de termijn 12 weken. De beslistermijnen kunnen eenmalig met 6 weken worden verlengd. Er zijn enkele situaties waarbij de termijn kan worden verlengd, onder meer op verzoek van de aanvrager of als het bevoegd gezag dat beslist, vanwege aanzienlijke gevolgen en mogelijke bedenkingen van belanghebbenden. De gemeenteraad moet bij het bepalen van de advieslijst meewegen dat de Omgevingswet als doel heeft om besluitvorming over initiatieven sneller en overzichtelijker te laten verlopen.

Het is dus van belang dat binnen de raad wordt besproken wat de consequenties zijn voor de vergadercyclus van de raad om te kunnen voldoen aan het behalen van de termijn.

Bespreek binnen de raad wat de consequenties zijn voor de vergadercyclus van de raad om te kunnen voldoen aan het behalen van de termijn. 1.5 Evaluatie Graag willen we hier expliciet noemen, dat genoemde lijst altijd kan worden aangepast, net als de huidige VVGB lijst. Zodoende kan dus op elk gewenst moment een evaluatie en zo nodig een aanpassing aan de lijst plaatsvinden.

2 Aanwijzingslijst adviesrecht 2.1 Toelichting op voorstel In de huidige VVGB lijst (vastgesteld op 4 november 2021 en aangevuld op 17 februari 2022) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan door de raad is besloten dat het college zonder tussenkomst van de raad op dergelijke (buitenplanse) aanvragen mag besluiten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de volgende categorieën:  woningbouw passend in een reeds door de raad vastgestelde stedenbouwkundige visie of ander ruimtelijk kader;  het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van maatschappelijke voorzieningen, recreatieve voorzieningen of voorzieningen ten behoeve van sport, in bestaand stedelijk gebied, mits bij realisatie de maximale oppervlakte van de bebouwing niet meer dan 1500 m² bedraagt. De huidige VVGB lijst is ter informatie bij dit opinievoorstel gevoegd. Bij het formuleren van onderstaand voorstel voor een aanwijzingslijst adviesrecht hebben we de huidige VVGB lijst als uitgangspunt genomen en deze aangepast aan de situatie op basis van de Omgevingswet: van geen bedenkingen bij afwijken van het bestemmingsplan naar bindend advies bij het afwijken van het omgevingsplan.

2.2 Voorstel aanwijzingslijst adviesrecht Wanneer voor de volgende gevallen een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, dan gaat de aanvraag voor advies naar de gemeenteraad en is dat advies bindend voor het besluit van het college: Wonen 1. Het bouwen van meer dan 20 woningen binnen bestaand stedelijk gebied*, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. 2. Het bouwen van meer dan 2 woningen buiten bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. *Bestaand stedelijk gebied=grenzen zoals aangegeven in bijgevoegde kaarten ‘Bebouwde kom grenzen gemeente Vijfheerenlanden’ Educatieve -, sociale -, medische -, culturele -, levensbeschouwelijke -, sport -, recreatieve activiteiten binnen bestaand stedelijk gebied 3. Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van een voorzieningen voor educatieve -, sociale -, medische -, culturele -, levensbeschouwelijke -, sport -, recreatieve activiteiten, binnen bestaand stedelijk gebied, tenzij bij realisatie de maximale oppervlakte van de bebouwing** niet meer dan 1500 m² bedraagt en bij wijziging de maximale oppervlakte met niet meer dan 1500 m² toeneemt, met inbegrip van onbebouwde gronden. 4.

Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van een voorziening voor educatieve -, sociale -, medische -, culturele -, levensbeschouwelijke -, sport -, recreatieve doeleinden, buiten bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of

vastgesteld beleidskader en de maximale oppervlakte van de bebouwing** niet meer dan 1500 m² bedraagt en bij wijziging de maximale oppervlakte met niet meer dan 1500 m² toeneemt, met inbegrip van onbebouwde gronden. Commerciële voorzieningen 5. Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van commerciële voorzieningen (o.m. winkels, kantoren, bedrijfsruimten) binnen bestaand stedelijk gebied, tenzij de netto vloeroppervlakte aan voorzieningen bij realisatie niet meer dan 1500 m² bedraagt en bij wijziging de maximale netto vloeroppervlakte met niet meer dan 1500 m² toeneemt, met inbegrip van bijbehorend terrein, bijbehorende bebouwing en andere voorzieningen. 6. Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van commerciële voorzieningen (o.m. winkels, kantoren, bedrijfsruimten) buiten bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader en de maximale netto vloeroppervlakte van de bebouwing** niet meer dan 250 m² bedraagt en bij wijziging de maximale netto vloeroppervlakte met niet meer dan 250 m² toeneemt, met inbegrip van onbebouwde gronden. Agrarische bedrijven 7. Het (nieuw)vestigen van een agrarisch bedrijf, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. 8.

Het uitbreiden van een agrarisch bouwperceel naar meer dan 1,5 hectare, tenzij (in geval van een veehouderij) het aantal dierplaatsen niet toeneemt, of de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. 9. Huisvesting van arbeidsmigranten, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. 10. Het toestaan van nevenactiviteiten en/of ondersteunende activiteiten bij agrarische bedrijven, indien deze naar aard en omvang niet passend zijn in de omgeving. Bedrijven 11. Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van een bedrijf binnen bestaand stedelijk gebied, tenzij de netto vloeroppervlakte bij realisatie niet meer dan 1500 m² bedraagt en bij wijziging de maximale netto vloeroppervlakte met niet meer dan 1500 m² toeneemt, met inbegrip van bijbehorend terrein, bijbehorende bebouwing en andere voorzieningen. 12. Het realiseren, (ver)bouwen of wijzigen van een bedrijf buiten bestaand stedelijk gebied, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader en de maximale netto vloeroppervlakte van de bebouwing** niet meer dan 750 m² bedraagt en bij wijziging de maximale netto vloeroppervlakte met niet meer dan 750 m² toeneemt, met inbegrip van onbebouwde gronden. 13.

Het oprichten/vestigen van een milieucategorie 5-bedrijf/mestbedrijf, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgesteld beleidskader.

Duurzame energie 14. Het realiseren of uitbreiden van een zonneveld en/of een opstelling van windturbines, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. 15. Het oprichten of uitbreiden van een installatie voor duurzame energie, waaronder biomassavergisting, tenzij deze wordt gesitueerd op een bestaand perceel van een (agrarisch) bedrijf. Verkeer, vervoer en openbare ruimte 16. Grootschalige wijziging, reconstructie en/of aanleg van weginfrastructuur en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, tenzij de aanvraag in overeenstemming is met een door de gemeenteraad vastgestelde (structuur)visie of vastgesteld beleidskader. Elektriciteit en Telecommunicatie 17. De bouw van antennemasten hoger dan 40 meter. Overig 18. Het betreft een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. **bebouwing omvat ook bouwwerken geen gebouw zijnde.

3 Opties adviesrecht Hieronder hebben wij een aantal opties geformuleerd, aan de hand waarvan we trachten te ontdekken voor welke onderwerpen de raad het bindend adviesrecht wenst in te zetten. Bij het beoordelen van de opties is het belangrijk om het volgende ter overweging mee te nemen:  Na invoering van de Omgevingswet zal de gemeenteraad nog nadrukkelijker belast zijn met de hoofdlijnen en zijn de bevoegdheden van het college nog meer gericht op de uitvoering. Dit betekent dat, conform de intentie van de Omgevingswet, het bindend adviesrecht zou moeten worden ingezet voor ontwikkelingen met grote impact, waar nog geen kaders voor zijn vastgesteld.  Eén van de doelen van de Omgevingswet is versnelling in de besluitvorming. Uitgangspunt is dat ook op vergunningsaanvragen voor activiteiten die niet in het omgevingsplan passen binnen 8 weken moet worden besloten (met een verleningsmogelijkheid van 6 weken). Nu is dat 26 weken. Het is om die reden cruciaal om een goede balans te vinden tussen de categorieën van gevallen waarvoor het bindend advies wel wordt gebruikt en waarvoor niet. 3.1 Optie uitgangspunt bevoegdheidsverdeling Welke optie vertegenwoordigt uw standpunt het beste? A. De raad maakt geen gebruik van haar bindend adviesrecht; het college is bevoegd om over alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (zogenaamde OPA’s) te beslissen. B.

De raad maakt gebruik van haar bindend adviesrecht. Indien de gemeenteraad kiest voor optie B en dus gebruik wenst te maken van zijn bindend adviesrecht dan zijn de onderstaande opties van belang. 3.2 Opties Uitgangspunt aanwijzingslijst adviesrecht Welke optie heeft uw voorkeur? A. De raad kan zich vinden in het voorstel voor een aanwijzingslijst adviesrecht, zie 2.2 Voorstel aanwijzingslijst adviesrecht. B. In afwijking van de voorgestelde aanwijzingslijst adviesrecht, wil de raad het bindend adviesrecht tot een kleiner aantal onderwerpen beperken. C. In afwijking van de voorgestelde aanwijzingslijst adviesrecht, wil de raad het bindend adviesrecht uitbreiden tot een groter aantal onderwerpen. Optie 3.2 A: De raad kan zich vinden in het voorstel voor een aanwijzingslijst adviesrecht, zie 2.2 Voorstel aanwijzingslijst adviesrecht Argumenten voor:  De advieslijst is in lijn met de eerder door de raad vastgestelde algemene verklaring van geen bedenkingen.  Hiermee wordt een consistent beleid gevoerd. Kanttekeningen:  Voor sommige ontwikkelingen, vooral buiten het bestaand stedelijk gebied, kan de proceduretijd langer zijn.

Als veel initiatieven binnen dit adviesrecht vallen, zal dit extra besluitvorming en vergadertijd vragen van de gemeenteraad.

Optie 3.2 B: In afwijking van de voorgestelde aanwijzingslijst adviesrecht, wil de raad het bindend adviesrecht tot een kleiner aantal onderwerpen beperken Argumenten voor:  Door het aantal onderwerpen te beperken (zoals verkeer/vervoer, telecommunicatie en vierkante meters) levert dit een aanzienlijke verkorting van de beslistermijn op.  De (vergadercyclus van de) raad wordt minder belast.  De Omgevingswet beoogt dat de gemeenteraad meer de hoofdlijnen van de fysieke leefomgeving vastlegt. Door het aantal onderwerpen te beperken wordt hieraan invulling gegeven. Kanttekeningen:  De gemeenteraad verliest grip op een aantal onderwerpen.  Durft de gemeenteraad vertrouwen te geven aan het college.  Heeft invloed op de mate waarop de gemeenteraad geïnformeerd blijft. Optie 3.2 C: In afwijking van de voorgestelde aanwijzingslijst adviesrecht, wil de raad het bindend adviesrecht uitbreiden tot een groter aantal onderwerpen Argumenten voor:  De gemeenteraad heeft hierdoor meer grip op de fysieke leefomgeving. Bij het uitbreiden van het aantal onderwerpen kan gedacht worden aan een adviesplicht in verband met het overgangsrecht omgevingsplan. Dit betreft activiteiten die in strijd zijn met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en die niet voldoen aan de standaardwaarden van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zoals toegelicht onder het overgangsrecht.

Een voorbeeld hiervan is het toelaten van een activiteit in het buitengebied met een milieucategorie hoger dan de maximaal toegestane waarde. Kanttekeningen:  De raad wordt meer belast en loopt mogelijk aan tegen de grenzen van de vergadercyclus. Meer zaken zullen vanuit een politieke context besproken worden.  Vergroting van het aantal onderwerpen vergroot de kans op verlenging van de beslistermijn (pieken in besluitvorming in combinatie met verzwaring van het besluitvormingsproces).  De Omgevingswet beoogt dat de gemeenteraad meer de hoofdlijnen van de fysieke leefomgeving vastlegt. Door het aantal onderwerpen te vergroten wordt hieraan geen invulling gegeven.

4 Omgevingswet & Participatie 4.1 Inleiding Participatie is een belangrijk onderwerp in de Omgevingswet. De Omgevingswet stimuleert namelijk vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden [...] bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties, ketenpartners en bestuurders van verschillende overheden. In de Omgevingswet zijn regels over de participatie vastgelegd. In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn regels over de participatie vastgelegd. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe belanghebbenden zijn betrokken bij de totstandkoming. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet de aanvrager het initiatief nemen tot het voeren van participatie. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Bij participatie in het kader van de Omgevingswet is het daarom van belang om onderscheid te maken tussen:  Participatie om als gemeente aangesloten te zijn op initiatieven in ‘de energieke samenleving’: ‘overheidsparticipatie’.

De gemeente weet wat er leeft in de samenleving en kent ideeën voor initiatieven in een vroeg stadium. Zo kan ze bepalen welke rol zij daarbij wil spelen.  Participatie bij het maken van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Hierbij worden ideeën opgehaald en/of wordt in co-creatie een visie of een plan ontwikkeld. Vanuit de wet geldt een kennisgevings- en een motiveringsplicht bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan: het bevoegd gezag geeft bij de kennisgeving van een besluit aan hoe de participatie wordt vormgegeven en het bevoegd gezag geeft bij de vaststelling van het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding, wat de resultaten daarvan zijn (motivering) en hoe invulling is gegeven aan het gemeentelijk participatiebeleid.  Participatie bij de behandeling van initiatieven en vergunningaanvragen. Hierbij gaat het om het horen en zorgvuldig afwegen van de belangen van de direct betrokkenen bij het initiatief. Bij het indienen van een vergunningaanvraag krijgt de initiatiefnemer te maken met de aanvraagvereiste participatie. Hierbij geeft de initiatiefnemer of, en zo ja hoe, burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.

Dit kan een aanvraag voor een omgevingsvergunning van een dakkapel zijn, tot een aanvraag voor een vergunning voor de bouw van een nieuwe woonwijk of bijvoorbeeld voor een biovergister. De participatie ligt hierbij steeds bij de initiatiefnemer.

4.2 Maatwerk voor participatie bij omgevingsvergunningen De aanvraag voor een omgevingsvergunning kan dus klein of groter van aard zijn. De participatie die erbij hoort, dient passend te zijn voor het initiatief. Niet te weinig, niet te veel. Te weinig participatie heeft tot gevolg dat de belangen niet helder op tafel liggen en dat het plan daardoor niet verbeterd is, oftewel dat het doel van participatie niet bereikt is. Te veel participatie zorgt voor onrust in de maatschappij. Wanneer men denkt dat er invloed uitgeoefend kan worden wanneer dit niet het geval is, kan dit tot teleurstelling leiden. Bovendien zorgt dit voor participatiemoeheid, waardoor er niet meer geparticipeerd zal worden. “Er wordt toch niets mee gedaan.” is dan een veel gehoorde reactie. Het gevolg is dat het doel van participatie ook niet meer bereikt wordt. De hoeveelheid en vorm van de participatie moeten passend zijn bij het initiatief; maatwerk dus. 4.3 Participatie is in beginsel geen verplichting De uitvoering van participatie bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is wenselijk en in de geest van de wet. Maar deze is niet verplicht. Het is wel een indieningsvereiste om aan te geven of er aan participatie is gedaan en wat er met de uitkomsten is gebeurd. Maar men kan ook invullen dat er niet aan participatie is gedaan.

Indien men niet aan participatie heeft gedaan, bestaat er een risico dat het bevoegd gezag geen inzicht heeft in alle van belang zijnde facetten en belangen en daardoor nog geen besluit kan en wil nemen. 4.4 Verplichte participatie De Omgevingswet geeft echter wel de mogelijkheid om participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (OPA) verplicht te stellen. De buitenplanse OPA’s zijn de activiteiten die niet zijn opgenomen in en/of afwijkend zijn aan het omgevingsplan. De gemeenteraad kan hiertoe besluiten. De initiatiefnemer moet dan aan participatie hebben gedaan vóórdat hij het initiatief bij de gemeente indient. Het besluit van de gemeenteraad kan variëren van het verplichten van het doen van participatie bij álle buitenplanse OPA’s tot het niet verplicht stellen van participatie. De participatie kan ook verplicht worden gesteld bij buitenplanse OPA’s voor alleen bepaalde gebieden. Denk bijvoorbeeld aan gebieden met kwetsbare cultuur of natuur. De gemeenteraad kan er ook voor kiezen om de participatie verplicht te stellen bij gevoelige thema’s zoals duurzame energie. Indien de gemeenteraad geen besluit neemt hierover, wordt er geen participatie verplicht gesteld.

4.5 Voorstel verplichte participatie Opties uitgangspunt participatieverplichting bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Welke optie heeft uw voorkeur? U hoeft niet te kiezen voor één bepaalde kolom, het is ook mogelijk om per onderdeel (zoals bijvoorbeeld wonen of bedrijven) voor een optie uit een andere kolom te kiezen. A. Participatie te verplichten voor dezelfde categorieën gevallen waarvoor het adviesrecht van de raad en de uitgebreide procedure geldt (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 1).

B. Verplichte participatie vast te stellen voor activiteiten die zijn aangepast ten opzichte van onderdeel A (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 2). C. Voor alle buitenplanse activiteiten ongeacht aantallen en m2 participatie te verplichten (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 3). D. Geen participatie te verplichten. Optie 4.5 A: Participatie te verplichten voor dezelfde categorieën gevallen waarvoor het adviesrecht van de raad en de uitgebreide procedure geldt (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 1) Argumenten voor:  De lijst is duidelijk en helder geformuleerd. Er is niet voor elke kleine afwijking participatie vereist waardoor de drempel niet wordt vergroot voor initiatiefnemers.  Vertraging van het proces door juridische procedures kan voor een groot gedeelte bij realisatie van de ontwikkeling worden voorkomen.  De belangen van de mensen die hebben geparticipeerd zijn duidelijk en inzichtelijk. Dit geeft het bevoegd gezag direct inzicht en kan helpen in de besluitvorming, dit verbetert de processen.  Het omgevingsplan is met participatie tot stand gekomen, indien er activiteiten geïnitieerd worden die in strijd zijn met het omgevingsplan, is het gewenst dat men de kans krijgt daarover te kunnen participeren.  Plannen worden beter omdat meer mensen hebben mogen meedenken en adviseren. Er worden daarmee kwalitatief betere plannen ingediend.

 De geest van de Omgevingswet gaat over samen regie nemen voor de fysieke leefomgeving. Participatie is daar een essentieel onderdeel van. Kanttekeningen:  Ook voor kleinere projecten kan de impact op de omgeving groot zijn.  Er zit een risico in dat de participatie niet van voldoende kwaliteit is. Het wordt gezien als een vinkje, een hobbel, voordat aan het echte proces begonnen mag worden. Een veel voorkomend gevolg is dat een niet passend participatieniveau wordt gekozen. Denk aan het informeren van de buurt, terwijl adviseren passender zou zijn. Hierdoor zijn de belangen niet helder en inzichtelijk geworden en kunnen de participatieuitkomsten het bevoegd gezag niet helpen bij de besluitvorming.  Het uitvoeren van participatie is steeds meer een nieuwe manier van werken. Dit hoeft niet verplicht te worden gesteld in een verordening.  Er zit een risico in verwachtingsmanagement. Het bevoegd gezag maakt de keuze voor het meewerken aan het initiatief of niet. Doordat de participatie al plaats vindt voordat duidelijkheid is of het bevoegd gezag meewerkt aan het initiatief kan er onrust ontstaan in de maatschappij.

Optie 4.5 B: Verplichte participatie vast te stellen voor activiteiten die zijn uitgebreid ten opzichte van onderdeel A (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 2) Argumenten voor:  Bij een groter aantal ontwikkelingen worden belanghebbenden vroegtijdig betrokken, wat zorgt voor meer draagvlak bij initiatieven.

  

De belangen van de mensen die hebben geparticipeerd zijn duidelijk en inzichtelijk. Dit geeft het bevoegd gezag direct inzicht en kan helpen in de besluitvorming, dit versnelt de processen. Vertraging van het proces door juridische procedures kan voor een groot gedeelte bij realisatie van de ontwikkeling worden voorkomen. Het omgevingsplan is met participatie tot stand gekomen. Door voor meer ontwikkelingen participatie te verplichten, worden meer belanghebbenden in staat gesteld hierover mee te denken. Er worden daarmee kwalitatief betere plannen ingediend. De geest van de Omgevingswet gaat over samen regie nemen voor de fysieke leefomgeving. Participatie is daar een essentieel onderdeel van.

Kanttekeningen:  Doordat initiatiefnemers meer participatie moeten voeren, zorgt dit voor een langere doorlooptijd van het hele proces.  Er zit een risico in dat de participatie niet van voldoende kwaliteit is. Het wordt gezien als een vinkje, een hobbel, voordat aan het echte proces begonnen mag worden. Een veel voorkomend gevolg is dat een niet passend participatieniveau wordt gekozen. Denk aan het informeren van de buurt, terwijl adviseren passender zou zijn. Hierdoor zijn de belangen niet helder en inzichtelijk geworden, en kunnen de participatieuitkomsten het bevoegd gezag niet helpen bij besluitvorming.  Het uitvoeren van participatie is steeds meer een nieuwe manier van werken. Dit hoeft niet verplicht te worden gesteld in een verordening.  Er zit een risico in verwachtingsmanagement. Het bevoegd gezag maakt de keuze voor het meewerken aan het initiatief of niet. Doordat de participatie al plaats vindt voordat duidelijkheid is of het bevoegd gezag meewerkt aan het initiatief kan er onrust ontstaan in de maatschappij. Optie 4.5 C: Voor alle buitenplanse activiteiten ongeacht aantallen en m2 participatie te verplichten (zie bijgevoegde participatielijst, kolom 3) Argumenten voor:  Door participatie bij alle ontwikkelingen te verplichten worden belanghebbenden vroegtijdig betrokken, wat zorgt voor meer draagvlak bij initiatieven.

 Vertraging van het proces door juridische procedures kan voor een groot gedeelte bij realisatie van de ontwikkeling worden voorkomen.  De belangen van de mensen die hebben geparticipeerd zijn duidelijk en inzichtelijk. Dit geeft het bevoegd gezag direct inzicht en kan helpen in de besluitvorming, dit versnelt de processen.  Het omgevingsplan is met participatie tot stand gekomen. Door voor alle ontwikkelingen participatie te verplichten, wordt iedereen in staat gesteld hierover mee te denken. Er worden daarmee kwalitatief betere plannen ingediend.  De geest van de Omgevingswet gaat over samen regie nemen voor de fysieke leefomgeving. Participatie is daar een essentieel onderdeel van. Kanttekeningen:  Doordat initiatiefnemers bij alle ontwikkelingen participatie moeten voeren, zorgt dit voor een aanzienlijk langere doorlooptijd van het hele proces.

 

Er zit een risico in dat de participatie niet van voldoende kwaliteit is. Het wordt gezien als een vinkje, een hobbel, voordat aan het echte proces begonnen mag worden. Een veel voorkomend gevolg is dat een niet passend participatieniveau wordt gekozen. Denk aan het informeren van de buurt, terwijl adviseren passender zou zijn. Hierdoor zijn de belangen niet helder en inzichtelijk geworden, en kunnen de participatieuitkomsten het bevoegd gezag niet helpen bij besluitvorming. Het uitvoeren van participatie is steeds meer een nieuwe manier van werken. Dit hoeft niet verplicht te worden gesteld in een verordening. Er zit een risico in verwachtingsmanagement. Het bevoegd gezag maakt de keuze voor het meewerken aan het initiatief of niet. Doordat de participatie al plaats vindt voordat duidelijkheid is of het bevoegd gezag meewerkt aan het initiatief kan er onrust ontstaan in de maatschappij.

Optie 4.5 D: Geen participatie te verplichten Argumenten voor:  De doelen van de fysieke leefomgeving zijn via participatie vastgelegd in de omgevingsvisie. Een initiatief dat niet past in het omgevingsplan moet wel voldoen aan de doelstellingen die zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Je zou kunnen stellen dat daardoor belanghebbende op de hoogte waren van de veranderingen van de fysieke leefomgeving waardoor extra participatie niet nodig is.  Het uitvoeren van participatie is steeds meer een nieuwe manier van werken. Dit hoeft niet verplicht te worden gesteld in een verordening. Kanttekeningen:  Voldoet niet aan de geest van de Omgevingswet.  Past niet in het participatiestreven van de gemeente zoals verwoord in participatieen inspraakverordening en wijk- en dorpsgerichte aanpak.  Er ontstaat veel onrust en het verhoogd aanzienlijk de kans op juridische procedures. De kans bestaat dat je hiermee lijnrecht tegenover de belanghebbenden blijft staan terwijl de bedoeling is meer mee te bewegen.

Vervolg Na de discussie in de commissie RVE wordt een definitief voorstel voorbereidt gebaseerd op de uitkomsten hiervan. Het college dient bij gebruikmaking van de adviesen participatielijst de kaders te hanteren die de gemeenteraad heeft vastgesteld. De controlerende taak of de kaders goed worden gehanteerd, ligt bij de gemeenteraad en de gemeenteraad kan het college hierop aanspreken.

Bijlage(n) 1. Huidige algemene verklaring van geen bedenkingen 2. Participatielijst bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 3. Kaarten ‘Bebouwde kom grenzen gemeente Vijfheerenlanden’ (16 stuks)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, de secretaris,

de burgemeester

{{signer1}} 15/03/2022 11:02:13 CET

{{signer2}} 15/03/2022 11:04:24 CET

Signed By: n.van.ameijde@vijfheerenlanden.nl ID: 02f741f4-e4db-4dbd-9480-71db615ff514 Auth: Consent

N. van Ameijde-Poortman

Signed By: s.frohlich@vijfheerenlanden.nl ID: 02f741f4-e4db-4dbd-9480-71db615ff514 Auth: Consent

S. Frohlich

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=6439ada4-41c5-4d8d-be80-47505d6fa10f