Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Chw bp Broekgraaf (def.).pdf
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Chw bestemmingsplan ‘Broekgraaf’
Gemeente Vijfheerenlanden augustus 2021
1
1. Inleiding 1.1 Status zienswijzennota Deze zienswijzennota behoort bij het besluit van de gemeenteraad over de vaststelling van Chw bestemmingsplan ‘Broekgraaf’. De nota bestaat uit drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat een overzicht van de ingekomen zienswijzen en de verdere procedure van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 is per zienswijze aangegeven of deze ontvankelijk is en of de zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 3 bevat een overzicht van de wijzigingen (naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen) die bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Het was oorspronkelijk de bedoeling het bestemmingsplan in juli 2019 ter vaststelling aan de gemeenteraad aan te bieden. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Als gevolg van deze uitspraak mag het PAS niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten worden gebruikt. Aangezien onderhavig bestemmingsplan was gebaseerd op het PAS kon het bestemmingsplan destijds niet worden vastgesteld.
Inmiddels heeft Gedeputeerde Staten van Utrecht bij besluit van 17 september 2020 (zaakkenmerk: Z-WN B-PP-NA-2020-0121) de gemeente Vijfheerenlanden voor het project Broekgraaf vergunning verleend ingevolge artikel 2.7, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming. Deze vergunning maakt de weg vrij om alsnog tot vaststelling van het bestemmingsplan over te gaan. 1.2 Procedure bestemmingsplan De procedure voor de vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). Zienswijzenronde Het ontwerp Chw bestemmingsplan ‘Broekgraaf’ heeft na publicatie in de Staatscourant en in het Gemeenteblad met ingang van 6 december 2018 gedurende zes weken (tot en met 16 januari 2019) ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon iedereen schriftelijk of mondeling bij de gemeenteraad een zienswijze indienen. Vaststelling Nadat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen beslist de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij worden de ingediende zienswijzen meegewogen. Na vaststelling en bekendmaking ligt het bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage voor beroep. Hierna heeft het bestemmingsplan rechtskracht.
Beroep Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan bij de Voorzitter van die Afdeling een voorlopige voorziening worden gevraagd. 1.3 Ingekomen zienswijzen Schriftelijke zienswijzen Er zijn schriftelijke zienswijzen ingediend door: 1. Zienswijze 1 (ingekomen 15 januari 2019) 2. Zienswijze 2 (ingekomen 16 januari 2019) 3. Zienswijze 3 (ingekomen 16 januari 2019) 4. Zienswijze 4 (ingekomen 25 januari 2019) 5. Zienswijze 5 (ingekomen 8 februari 2019)
2
Mondelinge zienswijzen Er zijn geen mondelinge zienswijzen ingediend. 2. Zienswijzen: ontvankelijkheid, samenvatting, beoordeling en conclusies In dit hoofdstuk zijn de ingekomen zienswijzen samengevat en van een beoordeling voorzien. Bij de behandeling is gebruik gemaakt van de integrale, originele zienswijzen. In de conclusie is aangegeven of, en zo ja, welke wijzigingen in het bestemmingsplan worden doorgevoerd naar aanleiding van de zienswijzen. In het kader van privacy zijn zienswijzen die zijn ingediend door personen geanonimiseerd.
2.1 Zienswijze 1 Ontvankelijkheid De zienswijze is binnen de termijn ingekomen. De zienswijze is ontvankelijk. a. Evenemententerrein – welke evenementen toegestaan Er wordt een evenemententerrein mogelijk gemaakt. Evenementen die op dit terrein gehouden mogen worden, zijn volgens de bestemmingsplanregels evenementen als bedoeld in artikel 1.29 van het bestemmingsplan en categorie A evenementen zoals opgenomen in de Regionale Handreiking Publieksevenementen Zuid Holland-Zuid. Deze laatste categorie wordt in bijlage 1 van deze handreiking omschreven als evenementen met een laag risico met beperkte impact op de omgeving. Het gaat hier om evenementen met minder dan 12 punten, die punten worden toegekend op basis van de Risicoscan handreiking publieksevenementen regio Zuid-Holland-Zuid. Het probleem hiermee is echter dat het is samengesteld door de veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid en het gaat bij de categorisering van evenementen dan ook vooral om de veiligheid. Dit is niet ruimtelijk relevant en dat is juist wat wel van belang is bij een bestemmingsplan ingevolge art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Bovenstaande informatie geeft burgers onvoldoende duidelijkheid om vooraf in te kunnen schatten welke evenementen wel en niet op dit terrein zullen worden toegestaan.
Onduidelijk is hoe de punten precies worden toegekend en wanneer een evenement dus onder de 12 punten zal blijven of niet. Reactie gemeente Het is juist dat de opgenomen regeling onvoldoende duidelijkheid biedt welke evenementen er zijn toegestaan. De zienswijze is gegrond. Op dit moment wordt gewerkt aan een visie op evenementen (opgenomen in het recreatiebeleid) en het evenementenuitvoeringsbeleid voor de gemeente Vijfheerenlanden. Een onderdeel hiervan is dat op de locaties waar meerdere evenementen plaatsvinden zogenoemde locatieprofielen gemaakt zullen worden. Hierbij zijn omwonenden, nabijgelegen ondernemers en organisatoren betrokken. Het doel is om te beschrijven wat er wel en niet mag qua evenementen op de betreffende locatie. Deze afspraken kunnen op een later moment overgenomen worden in het omgevingsplan. Aangezien dit proces in volle gang is, is het niet wenselijk om voor onderhavig bestemmingsplan een aparte route te hanteren. Gelet op deze ontwikkeling wordt de aanduiding ‘evenemententerrein’ van de verbeelding gehaald. Ook de regels die hierop betrekking hebben worden geschrapt. Dit betreft de artikelen 1.29, 1.30, 8.1 onder g, 19.3, 19.4 en 19.5. Voor toekomstige evenementen binnen Broekgraaf vormt zodoende de APV, bovengenoemde visie op evenementen en het evenementenuitvoeringsbeleid het toetsingskader. b.
Akoestisch onderzoek evenemententerrein In het akoestisch onderzoek naar het voorzieningencluster en de sportvelden staat dat geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting van het evenemententerrein, omdat slechts categorie A evenementen conform het gemeentelijk beleid worden toegestaan.
3
Wat dit gemeentelijk beleid is, blijkt niet duidelijk uit het bestemmingsplan of de toelichting daarop. Daarin wordt slechts verwezen naar de eerder genoemde Risicoscan van de regio Zuid-Holland-Zuid. Hieruit blijkt dat onvoldoende gemotiveerd is waarom geen onderzoek is gedaan naar de impact van een evenemententerrein op de rest van de woningen in de wijk Broekgraaf. Nu geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het evenemententerrein wat betreft geluidsbelasting is niet voldaan aan het vereiste van art. 3:2 Awb. Reactie gemeente Zie de reactie onder a. c. Motivering evenemententerrein Er is niet gemotiveerd waarom het vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is dat evenementen in dit gebied worden toegestaan. Een bestuursorgaan dient een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die een evenement op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aanvaardbaar is (art. 3:4 Awb en uitspraak ABRS van 14 juni 2017 (ECLI:NL:R\/S:2017:1593). Daarbij is een beoordeling nodig op basis van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. In dat kader zijn in dit geval onder meer de eindtijd van de feestavonden en de mogelijkheden tot opbouw en afbreken bij het evenement, gelet op de daarmee verband houdende geluiden, van belang. Uit het bestemmingsplan en de toelichting blijkt niet waarom deze locatie geschikt is voor het houden van evenementen.
Het evenemententerrein ligt dichtbij woningen uit de wijk Broekgraaf, dat zou juist een contra-indicatie kunnen zijn voor de vaststelling dat deze locatie geschikt is voor een evenemententerrein. Een situeringskenmerk van evenementen is namelijk dat zij kunnen zorgen voor overlast en dat is niet wenselijk in de buurt van woningen. Reactie gemeente Zie de reactie onder a. d. Gebruiksregels evenemententerrein Uit de hierboven geciteerde uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017 blijkt tevens dat bij het bestemmen van een evenemententerrein gebruiksregels aan het bestemmingsplan toegevoegd moeten worden. In het ontwerpbestemmingsplan staan geen duidelijke gebruiksregels voor het evenemententerrein zoals hier door de Afdeling geschetst. Wanneer deze worden toegevoegd aan het bestemmingsplan is voor omwonenden duidelijk wat wel en niet verwacht kan worden met betrekking tot evenementen. Opmerkelijk is dat deze regels wel waren toegevoegd in het voorontwerp van het bestemmingsplan, in art. 8.4.1. Onduidelijk is waarom deze gebruiksregels zijn verdwenen in het uiteindelijke ontwerp. Reactie gemeente Zie de reactie onder a. e.
Regels APV in bestemmingsplan onder Chw De Afdeling oordeelde in de hiervoor genoemde uitspraak daarnaast dat een enkele verwijzing naar regels uit de APV onvoldoende zijn, de APV is namelijk bedoeld voor handhaving en openbare orde en daarom geen toetsingskader voor ruimtelijk beleid. 'Dat het evenement mede wordt gereguleerd door de APV kan derhalve geen reden zijn om in dit opzicht een nadere regeling in de planregels achterwege te laten.' In het onderhavige bestemmingsplan staan regels met betrekking tot evenementen die normaal gesproken in een APV zouden staan, dit blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan. Dit is mogelijk, omdat het een bestemmingsplan is dat valt onder de Chw en daarmee verbrede reikwijdte
4
heeft. Echter, de overweging van de Afdeling is nog steeds relevant. De APV-regels in het bestemmingsplan over evenementen (in art. 19.3 van het bestemmingsplan) zijn nog steeds geen toetsingskader voor het ruimtelijk beleid. Deze APV-regels zijn en blijven bedoeld voor handhaving en openbare orde en niet voor ruimtelijk beleid. Het toetsingskader voor ruimtelijk beleid dient daarom nog te worden opgenomen in het bestemmingsplan. Reactie gemeente Zie de reactie onder a.
2.2 Zienswijze 2 (Firma Van Eck en bureau Geling Advies) Ontvankelijkheid De zienswijze is binnen de termijn ingekomen. De zienswijze is ontvankelijk. De zienswijze is ingediend door de firma Van Eck Leenman en door bureau Geling Advies welke namens de firma Van Eck zienswijzen heeft ingediend. In deze nota wordt ingegaan op beide zienswijzen. Geurverordening De geurverordening is nodig om de bestemming wonen voor dit gebied mogelijk te maken. Gevraagd wordt voor een garantie dat de geurverordening niet wordt aangetast en wat met de geurverordening gebeurt nu de gemeente Leerdam is opgegaan in gemeente Vijfheerenlanden. Gewezen wordt ook op afspraken die met de gemeente Leerdam zijn gemaakt. Reactie gemeente De geurverordening van gemeente Leerdam gold tot 1 januari 2021. Op 12 januari 2021 is de geurverordening van de gemeente Vijfheerenlanden van kracht geworden. Geur in bestemmingsplan Op de verbeelding is een geurzone opgenomen. De aangeduide gebieden zijn niet gelijk aan de geurverordening 2015. Dat wordt begrepen gezien de gewijzigde geurnorm in 2016 voor vleeskuikens. Hier bestaat geen bezwaar tegen. Wel wordt afgevraagd of op deze wijze kan worden gesteld “de verbeelding moet worden aangemerkt als een geurverordening in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij’. De geurverordening dient eerst aangepast te worden om strijdigheid te voorkomen.
Er wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van State, van 4 november 2015 met kenmerk: ECLI:NL:RVS:2015:3394 en naar publicaties op de website van Hekkelman: https://www.hekkelman.nl/bloq/agrarischezaken/geurnormen-in-een-bestemmingsplan-watkan-wel-en-wat-kan-niet Reactie gemeente In een Crisis- en herstelwet bestemmingsplan kunnen verordeningen opgenomen worden. De geurverordening betreft echter een verordening in medebewind. Dat betekent dat het regelen van de voorgrondbelasting voor geur niet in een bestemmingsplan opgenomen kan worden. De regels van het bestemmingsplan worden hierop aangepast waardoor artikel 20.5 lid b en c komen te vervallen. De zienswijze is gegrond. Wijzigingsbevoegdheid artikel 22.3 Men heeft moeite met de wijzigingsbevoegdheid onder artikel 22.3 omdat de omschrijving onvoldoende de reikwijdte van de wijzigingsbevoegdheid waarborgt. Reactie gemeente Gezien het bovenstaande komt de wijzigingsbevoegdheid in artikel 22.3 sub c te vervallen.
5
2.3 Zienswijze 3 (Pro Rail) Ontvankelijkheid De zienswijze is binnen de termijn ingekomen. De zienswijze is ontvankelijk. Trillingen Het aspect trillingen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening en zorgvuldige voorbereiding van besluiten te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. In het kader van het vooroverleg heeft Prorail geadviseerd om onderzoek te doen naar de te verwachten trillingsniveaus, waarbij specifiek wordt gekeken naar de locatie en de bouwkarakteristiek van de te realiseren woningen. Indien de te verwachten trillingsniveaus groter zijn dan de na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn" van de Stichting Bouwresearch (SBR) dan zouden eisen/maatregelen in de uitwerking van het plan kunnen worden overwogen aan de woningen/gebouwen. Inmiddels is er in opdracht van de gemeente een trillingshinderonderzoek uitgevoerd door M+P, waarbij wordt geconcludeerd: Binnen de richtafstand wordt geadviseerd om de woningen uit te voeren met steenachtige binnenwanden (binnenspouwblad en scheidingswanden) om vloerresonanties te beperken. Hierbij gaan we uit van 4-zijdig opgelegde vloervelden met een overspanning van maximaal circa 5 meter.
Bij bebouwing binnen de minimale afstand is de kans op hinder door trillingen (groter dan de richtwaarden uit de SBR deel B) groot. ProRail adviseert om de conclusies uit het trillingonderzoek op te nemen in de toelichting van het ontwerp Chw bestemmingsplan Broekgraaf en (indien nodig) door te laten werken in de planregels. Reactie gemeente Op de verbeelding van het bestemmingsplan worden contouren opgenomen waarbij de trillingssterkte maximaal 0,1 mm/s en maximaal 0,2 mm/s bedraagt. De minimale afstand (trillingssterkte 0,1 mm/s) tot het spoor bedraagt nabij de voeg in het spoor (overweg/sein) 27 m en bij doorgaand voegloos spoor 16 m. De richtafstand (trillingssterkte 0,2 mm/s) bedraagt nabij een voeg in het spoor 43 m en bij doorgaand voegloos spoor 30 m. Tussen het spoor en de minimale afstand mogen geen woningen gebouwd worden. In het gebied tussen de minimale afstand en de richtafstand kan gebouwd worden mits de woningen worden uitgevoerd met steenachtige binnenwanden om vloerresonanties te beperken. In de regels van het bestemmingsplan worden hier voorwaarden voor opgenomen. Aan deze zienswijze wordt tegemoet gekomen. Spoorwegovergang Het realiseren van een nieuwe spoorwegovergang is in strijd met het overwegenbeleid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (3e Kadernota Railveiligheid).
ProRail gaat niet akkoord met het realiseren van een nieuwe spoorwegovergang. De zienswijze is ontvankelijk Reactie gemeente De gemeente is zich bewust van de verkeersproblematiek rond de spoorwegovergangen in Leerdam en onderschrijft het uitgangspunt dat de spoorveiligheid op het gehele spoor niet mag verslechteren na de bouw van Broekgraaf of de te realiseren spoorwegovergangen. Tegelijkertijd hanteert de gemeente het uitgangspunt dat er een noordelijke ontsluiting op de Parallelweg noodzakelijk is om het verkeer op de Tiendweg te ontlasten. Samen met Prorail en de provincie heeft de gemeente gezocht naar een oplossing. De gevonden oplossing, waarmee Prorail (brief 19 mei 2021) akkoord is bestaat uit verbetering
6
van de huidige spoorwegovergang aan de Koenderseweg, een fietstunnel onder het spoor ten oosten van Parallelweg 37 en op termijn een verdiepte ligging van de Zuid Holland weg. Deze afspraak heeft een wijziging van de verkeerstructuur tot gevolg en daarmee ook een wijziging van de verkeersstromen van en naar Broekgraaf. Op onderstaand kaartje is de nieuwe verkeersstructuur aangegeven.
Op basis van deze nieuwe verkeersstructuur is een verkeerskundig en op basis daarvan een nieuw akoestisch- en luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Deze worden als bijlagen bijgevoegd en de verbeelding en paragraaf 4.5 ‘Geluid’, paragraaf 4.6 ‘Luchtkwaliteit’ en paragraaf 4.7 ‘Verkeer en parkeren’ in de toelichting worden hierop aangepast. De primaire verkeersontsluiting van Broekgraaf richting de Parallelweg loopt via de Koenderseweg en ligt ten zuiden van het dierenasiel en de hondenschool. Deze ontsluitingsweg loopt nu door NNN gebied (het bosje van het Zuid Hollands landschap, daar waar nu de bouwweg ligt). Aangezien de ontsluiting door het NNN loopt, wordt tevens een voorwaardelijke verplichting [in artikel 9 Verkeer] opgenomen welke bepaald dat de volledige realisatie van de compensatie van de aantasting NNN in ieder geval binnen 3 jaar na de ontwikkeling moet zijn afgerond. 2.4 Zienswijze 4 (Provincie Zuid Holland) Ontvankelijkheid De zienswijze is op 25 januari 2019, buiten de termijn, ontvangen. Op 15 januari 2019 is de zienswijze per mail verstuurd met de mededeling dat de versie per post onderweg is. In reactie hierop is geen mededeling gedaan dat er geen mogelijkheid is geboden om zienswijzen per mail in te dienen. Op 25 januari is per mail door de indiener van zienswijzen medegedeeld dat het postadres op de brief niet juist was en dat de brief opnieuw is verstuurd.
Hierdoor is de zienswijze niet ontvankelijk. De zienswijze wordt hieronder toch inhoudelijk behandeld en indien tegemoet gekomen wordt aan de zienswijze worden die onderdelen van de zienswijzen als ambtshalve wijziging meegenomen.
7
Programma Aanpak Stikstofdepositie Broekgraaf is aangewezen als Ontwikkelingsgebied in het kader van artikel 2.3 van de Crisisen herstelwet (Chw). Dat betekent dat in tegenstelling tot reguliere bestemmingsplannen, in het plan regels opgenomen kunnen worden die de zekerheid bieden dat bij individuele vergunningverlening voor projecten geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied. Een voorwaarde is echter dat de provincie als bevoegd gezag in het kader van de Wnb dit afwegingskader heeft goedgekeurd en vastgesteld. Uit de toelichting wordt opgemaakt dat de gemeente er van uit gaat dat met de vaststelling de genoemde depositieruimte voor stikstof beschikbaar komt en dat daarna op basis van het plan vergunningen kunnen worden afgegeven. Het opnemen van een afwegingskader voor de vergunningverlening is prematuur. Hier dient nog een goedkeuringsbesluit van GS voor te komen. Reactie gemeente Bij besluit van 17 september 2020 (zaakkenmerk: Z-WN B-PP-NA-2020-0121) heeft Gedeputeerde Staten van Utrecht de gemeente Vijfheerenlanden voor het project Broekgraaf vergunning verleend ingevolge artikel 2.7, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming. Hiermee is tevens voldaan aan artikel 2.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. De toelichting in paragraaf 4.3 wordt hierop aangepast, waarbij de vergunning als bijlage wordt opgenomen.
2.5 Zienswijze 5 Ontvankelijkheid De zienswijze is op 8 februari 2019, buiten de termijn, ontvangen. Hierdoor is de zienswijze niet ontvankelijk. De zienswijze wordt hieronder toch inhoudelijk behandeld. Indien tegemoet wordt gekomen aan bepaalde onderdelen, kan dat eventueel als ambtshalve wijziging worden meegenomen. Gebruik pad als ontsluiting voor fiets- en voetverkeer Er wordt bezwaar gemaakt tegen het gebruik van het pad dat is gelegen tussen de percelen Tiendweg 130 en 136 als ontsluiting voor fiets- en voetgangersverkeer. Er wordt overlast verwacht als gevolg van deze ontwikkeling, belemmering van de toegankelijkheid van het perceel, onveilige situaties en waardevermindering van de woning. Reactie gemeente In het vigerende bestemmingsplan Broekgraaf (vastgesteld op 16 juni 2010) zijn de betreffende gronden al bestemd als verkeer. Dit is één op één overgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan, dat vanaf 28 juni tot en met 25 juli 2018 ter inzage heeft gelegen. Ook in het ontwerp bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als verkeer. Reclamant had derhalve kunnen weten dat deze gronden een verkeersbestemming zouden krijgen. De betreffende gronden zijn al jaren in gebruik als voetpad. Het is niet de bedoeling om dat te wijzigen. Recht van eigendom In het bezwaarschrift wordt het recht van eigendom op het desbetreffende pad geclaimd vanwege bevrijdende verjaring.
Reactie gemeente Eigendom is niet ruimtelijk relevant voor het bestemmingplan. Derhalve zal hierop niet worden ingegaan.
8
3. Wijzigingen in het bestemmingsplan 3.1 Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen Regels 1. Vanwege het vervallen van het evenemententerrein komen de volgende artikelen te vervallen: 1.29, 1.30, 8.1 onder g, 19.3, 19.4 en 19.5. (zienswijze 1). 2. De regels van het bestemmingsplan worden aangepast waardoor artikel 20.5 lid b en c en artikel 22.3 sub c komen te vervallen (zienswijze 2). 3. In de regels worden voorwaarden opgenomen, welke bepalen dat tussen het spoor en de minimale afstand geen woningen gebouwd mogen worden en dat in het gebied tussen de minimale afstand en de richtafstand gebouwd kan worden mits de woningen worden uitgevoerd met steenachtige binnenwanden om vloerresonanties te beperken (zienswijze 3). 4. De ontsluiting van het plangebied op de Koenderseweg krijgt de bestemming Verkeer toegekend. Aangezien deze ontsluiting door het NNN loopt, wordt tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke bepaald dat de volledige realisatie van de compensatie van de aantasting NNN in ieder geval binnen 3 jaar na de ontwikkeling moet zijn afgerond (zienswijze 3). 5. Vanwege de aanpassing van de verkeersstructuur in het noorden van het plangebied is een verkeerskundig en akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Op grond van dit akoestisch onderzoek worden in het bestemmingsplan regels opgenomen omtrent geluidhinder ten behoeve van een gezond leefklimaat, zoals opgenomen in het gemeentelijke geluidbeleid van 29 juli 2020. Toelichting 6. Paragraaf 1.2 en 2.1.4 worden aangepast wat betreft de verwijzingen naar incidentele festiviteiten, onversterkte muziek en overige geluid- en lichthinder (zienswijze 1). 7. Paragraaf 4.8 van de toelichting (Bedrijven en milieuzonering) wordt aangepast wat betreft het aspect geurhinder (zienswijze 2). 8. Er is onderzoek verricht naar trillinghinder. De resultaten van het onderzoek worden in de toelichting verwerkt. Het onderzoek wordt als bijlage bij de toelichting opgenomen (zienswijze 3). 9. Vanwege de aanpassing van de verkeersstructuur in het noorden van het plangebied is een verkeerskundig, akoestisch onderzoek en luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Deze worden als bijlage bijgevoegd en paragraaf 4.5, 4.6 en 4.7 aan de hand daarvan gewijzigd. 10. De aanwijzing als ontwikkelingsgebied komt te vervallen aangezien de stikstofdepositie van Broekgraaf is geregeld via de verleende en onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming van 17 september 2020 (zaakkenmerk: Z-WN BPP-NA-2020-0121). Paragraaf 1.2 en 2.1.4 worden hierop aangepast (zienswijze 4). Verbeelding 11.
De aanduiding ‘evenemententerrein’ binnen de bestemming Sport komt te vervallen (zienswijze 1). 12. Op de verbeelding worden contouren opgenomen waarbij de trillingssterkte maximaal 0,1 mm/s en maximaal 0,2 mm/s bedraagt (zienswijze 3). 13. De verbeelding wordt aangepast als gevolg van de aanpassing van de verkeersstructuur in het noorden van het plangebied. Onderdeel hiervan is de ontsluiting van het plangebied op de Koenderseweg welke de bestemming Verkeer krijgt toegekend en de aanleg van de fietstunnel (zienswijze 3). Daartoe behoort ook de wijziging van de plangrens ten noorden van de parallelweg. Hieronder staat aangegeven op welke wijze de verbeelding in fase 3 wijzigt.
9
3.2 Ambtshalve wijzigingen Verbeelding 1. De verbeelding wordt aangepast aan de vastgestelde en onherroepelijke uitwerkingsplannen fase 1, deelgebied 1.5 en 1.6 herziening, fase 5.6a, fase 5.6b, fase 5.7, deelgebied 4.9c, fase 5.10a, fase 5.10b, fase 5.10c, fase 5.10d, fase 5.1, 5.2 en 5.5 en fase 5.4 en 5.8 en het vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplan Broekgraaf herziening fase 4, deelgebied 4.6 en 4.7. 2. De verkaveling van de voorzieningenstrook ter hoogte van fase 6.4 en de begrenzing daarvan blijkt niet in overeenstemming met wat in het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen. De verbeelding wordt hierop aangepast volgens onderstaand kaartje.
10
3. In het bestemmingsplan herziening fase 4, deelgebied 4.6 en 4.7, vastgesteld 9 mei 2019, is het bouwvlak anders gesitueerd en worden zowel vrijstaande als tweeaaneen gebouwde woningen toegestaan. Als gevolg hiervan wordt voor dit plangebied het bouwvlak aangepast en de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – twee-aaneen’ wordt gewijzigd in 'specifieke bouwaanduiding - vrijstaand of tweeaaneen'. 4. In het uitwerkingsplan fase 4, deelgebied 4.7 zijn afwijkende regels opgenomen voor de situering van hoofdgebouwen. Inmiddels is er een vergunning verleend waarvan afgeweken wordt van de afstand tot de zijdelingse perceelgrens. Dit kan ondervangen worden door ‘bestaand’ toe te staan. Als gevolg hiervan wordt voor dit deelgebied een aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – situering hoofdgebouw’ opgenomen. 5. In het uitwerkingsplan voor deelgebied 4.9c is de parkeerhaven verplaatst. Hierdoor zijn de bouwvlakken aangepast en is er een aanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen. Het aantal woningen per bouwvlak wijzigt hierdoor ook. Als gevolg hiervan worden de bouwvlakken aangepast op de verplaatsing van de parkeerhaven. De bestemming 'Verkeer' wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ en er wordt een aanduiding 'parkeerterrein' opgenomen. In het noordelijk bouwvlak worden 16 woningen toegestaan in plaats van 14, in het zuidelijk bouwvlak 14 in plaats van 16. 6.
Voor deelplan 4.10c is gebleken dat het stedenbouwkundig plan niet volledig is overgenomen. Dit betekent dat voor het meest zuidelijke perceel een vrijstaande woning mogelijk gemaakt moet worden, e.e.a. overeenkomstig het kavelpaspoort van 31 maart 2021. Als gevolg hiervan wordt voor dit perceel de aanduiding ‘aaneengebouwd’ verwijderd en de aanduiding ‘vrijstaand’ toegevoegd. Het aantal woningen in het zuidelijke bouwvlak wordt hierop aangepast, zodat er in totaal 15 woningen zijn toegestaan. 7. In de uitwerkingsplannen voor fase 5.10a tot en met d is de bestemming Woongebied gewijzigd in de bestemmingen Wonen en Verkeer en er zijn bouwvlakken en maatvoeringen opgenomen. In het uitwerkingsplan fase 5.1, 5.2 en 5.5 is ook een bestemming Water toegevoegd. Als gevolg hiervan worden de bestemmingen, bouwvlakken en maatvoeringen overgenomen uit de uitwerkingsplannen. 8. In de uitwerkingsplannen voor fase 5.6a en 5.6b is de bestemming Woongebied gewijzigd in de bestemmingen Wonen en Verkeer en er zijn bouwvlakken en maatvoeringen opgenomen. Daarnaast is de bestemming Water verruimd. In fase 5.6b is tevens een aanduiding ‘bijgebouwen’ opgenomen. En de geluidszone – industrie is per abuis niet opgenomen in dit uitwerkingsplan. Als gevolg hiervan worden de bestemmingen, bouwvlakken en maatvoeringen overgenomen uit de respectievelijke uitwerkingsplannen.
De geluidszone wordt weer hersteld. 9. In het uitwerkingsplan voor fase 5.7 is de bestemming Woongebied gewijzigd in de bestemmingen Wonen en Verkeer en er zijn een bouwvlak en maatvoeringen opgenomen. Daarnaast is de bestemming Water verruimd. Tevens is een aanduiding ‘bijgebouwen’ opgenomen. Als gevolg hiervan worden de bestemmingen, het bouwvlak en de maatvoeringen overgenomen uit het uitwerkingsplan. 10. In verband met de eenduidigheid wordt de dubbelbestemming Waterstaat – Beschermingszone voor het hele plangebied opgenomen. 11. De gebiedsaanduiding ‘Wetgevingszone-ontwikkelingsgebied’ komt te vervallen aangezien de stikstofdepositie van Broekgraaf is geregeld via de verleende en onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming. 12. Gebleken is dat het maximum aantal wooneenheden uit het uitwerkingsplan Broekgraaf fase 1 niet volledig is overgenomen. De maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ ter plaatse van het plangebied van dit uitwerkingsplan wordt dan ook aangepast van 35 naar 36. 13. De gevellijn in deelgebied 4.5-4.6 ligt op de bestemmingsgrens. Deze wordt 1 m teruggelegd volgens het vigerende uitwerkingsplan. 14. Aan de noordwest zijde van de begraafplaats wordt een deel van de gronden met de bestemming ‘Woongebied’ gewijzigd in ‘Begraafplaats’. De verbeelding wordt aangepast overeenkomstig onderstaand kaartje.
11
15. De verbeelding wordt aangepast ter plaatse van deelgebied 4.9 en 4.10 door een doorlopende bouwgrens op te nemen voor het gehele vlak, zonder knip tussen het noordelijke en zuidelijke deel, waarbij ter plaatse van de parkeerkoffer tevens een bestemming Wonen wordt opgenomen met bouwgrens. De parkeerkoffer dient binnen deelgebied 4.9 en 4.10 aangelegd te worden. De bouwgrens wordt aan de noord en zuidzijde op de bestemmingsgrens gelegd. Voor het gehele vlak wordt een maximum aantal woningen opgenomen van 54. 16. Als gevolg van de realisatie van een (zorg)woongebouw aan de oostzijde van de sportvelden ter plaatse van fase 6.2 en 6.3 wordt de bestemming ‘Woongebied’ aangepast in de bestemming ‘Gemengd’. 17. Het plan is om aan het spoor een paar appartementencomplexen te realiseren, die een maximale hoogte van 17 meter zullen hebben. In verband hiermee wordt de hoogte op de plankaart in deze woongebieden aangepast. Dat betekent een wijziging van ter plaatse van 22 meter naar 17 meter en het woongebied ten noorden van het van de ontsluitingsweg van 12 meter naar 17 meter. 18. Als gevolg van de gewijzigde ontsluitingsstructuur en de aanleg van een fietstunnel ten oosten van de Parallelweg zal ten noorden van de Parallelweg de begrenzing van het bestemmingsplan worden aangepast.
Regels 19. In het uitwerkingsplan fase 4, deelgebied 4.7 zijn afwijkende regels opgenomen voor de situering van hoofdgebouwen. Inmiddels is er een vergunning verleend waarvan afgeweken wordt van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Dit kan ondervangen worden door ‘bestaand’ toe te staan. Als gevolg hiervan wordt de volgende regeling toegevoegd: o In aanvulling op en afwijking van vorenstaande geldt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – situering hoofdgebouw dat: hoofdgebouwen op minimaal 4,0 meter afstand van de bouwgrens dienen te worden gebouwd; hoofdgebouwen op minimaal 4,0 meter afstand van erfontsluitingswegen dienen te worden gebouwd; de afstand van vrijstaande hoofdgebouwen en van tweeaaneengebouwde hoofdgebouwen aan de zijde waar het hoofdgebouw niet aaneengebouwd is, ten minste 4 meter dient te bedragen tot aan de zijdelingse perceelsgrens, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt. 20. Als gevolg van het opnemen van de vastgestelde en onherroepelijke uitwerkingsplannen fase 1, deelgebied 1.5 en 1.6 herziening, fase 5.6a, fase 5.6b, fase 5.7, deelgebied 4.9c, fase 5.10a, fase 5.10b, fase 5.10c, fase 5.10d, fase 5.1, 5.2 en 5.5 en fase 5.4 en 5.8 en het vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplan Broekgraaf herziening fase 4, deelgebied 4.6 en 4.7 worden de volgende aanpassingen doorgevoerd:
12
a. het aantal woningen dat wordt genoemd in artikel 13.2.2 sub a wordt gewijzigd van 585 naar 348, aangezien de genoemde uitwerkingsplannen de bestemming ‘Wonen’ kennen en niet meer de bestemming ‘Woongebied’] b. voor het plangebied van uitwerkingsplan ‘fase 1, deelgebied 1.5 en 1.6’ wordt de bestemming wonen opgenomen met een maximaal aantal woningen van 12 en de regeling toegevoegd zoals opgenomen in artikel 4.2.5 en 4.2.6 van het uitwerkingsplan ‘fase 1, deelgebied 1.5 en 1.6’. c. artikel 12.3 sub a onder 2 wordt zodanig aangepast dat erkers bij recht zijn toegestaan (dus zonder afwijking). d. aan artikel 19.2 wordt een voorwaardelijke verplichting toegevoegd ten behoeve van een regeling ‘parkeren op eigen terrein’ voor vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen. e. de definities van het begrip wonen, huishouden, kamergewijze verhuur e.d. en de afwijkingsmogelijkheid uit het paraplubestemmingsplan Wonen en parkeren worden toegevoegd. f. aan artikel 12.2.3 wordt toegevoegd: c. in afwijking van het bepaalde onder a. en b. zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijbehorende bouwwerken toegelaten met een maximale oppervlakte van 50 m²; g. artikel 9.2.1 wordt als volgt gewijzigd: a. in of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. b.
in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bergingen ten behoeve van de woonfunctie toegelaten, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter. 21. Als gevolg van de gewijzigde ontsluitingsstructuur en de gedachte fietstunnel ten oosten van de parellelweg 37 zal een regel worden toegevoegd aan artikel 13 (Woongebied) waarin ter plaatse van de aanduiding tunnel een tunnel mogelijk is. 22. Artikel 20.6 (Wetgevingszone-ontwikkelingsgebied) komt te vervallen aangezien de stikstofdepositie van Broekgraaf is geregeld via de verleende en onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming. 23. Artikellid 1.34 wordt gewijzigd, waarbij de verwijzing naar het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder Spoorwegen komt te vervallen. Deze besluiten zijn niet meer van kracht. 24. Artikellid 1.54 wordt gewijzigd door “een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV Leerdam 2015” te wijzigen in “een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV Vijfheerenlanden 2019”. 25. Er wordt een artikel opgenomen voor begraafplaats. Dit in verband met een bestemmingsgrenswijziging van bestemming Woongebied naar begraafplaats in verband met reservering van gronden voor de begraafplaats. 26.
In artikel 6.4 wordt toegevoegd dat de bestemming gewijzigd kan worden in een bestemming ‘Bedrijf’. 27. In artikel 10.2.2 komt lid c te vervallen, aangezien dit betrekking heeft op de aanduiding ‘openbaar vervoerstation’ en deze aanduiding niet meer voor komt. 28. In het uitwerkingsplan voor deelgebied 4.7 is in de regels opgenomen: o hoofdgebouwen dienen op minimaal 4,0 meter afstand van de bouwgrens te worden gebouwd; o hoofdgebouwen dienen op minimaal 4,0 meter afstand van erfontsluitingswegen te worden gebouwd; De regels worden aangepast door dit op te nemen. 29. In de regels van bestemming Wonen is bepaald: de afstand van vrijstaande hoofdgebouwen en van twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen aan de zijde waar het hoofdgebouw niet aaneengebouwd is, dient ten minste 3 meter te bedragen tot aan de zijdelingse perceelsgrens, met
13
dien verstande dat indien het bouwvlak grenst aan de bestemming 'Water' deze afstand ten minste 1 meter dient te bedragen. In deelgebied 4.7 kan hierdoor tot achterperceelgrens gebouwd worden. Dat is niet wenselijk. De afstand tot achterperceelgrens dient minimaal 3 m dient te bedragen. De regels worden hierop aangepast. 30. Artikellid 11.2.2.b.6 komt te vervallen, aangezien de maximale oppervlakte is af te leiden uit de maximale diepte en lengte van de vlonder. 31. In artikellid 13.4.2 komt het woord ‘reguliere’ te vervallen. 32. Artikel 13.4.4 wordt gewijzigd door: Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ten behoeve van het bouwen van een woning zoals bedoeld in lid 13.2, dient vast te staan dat wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan 'Leerdam, Broekgraaf' of diens rechtsopvolger. Te wijzigen in: Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ten behoeve van het bouwen van een woning zoals bedoeld in lid 13.2, dient te worden voldaan aan de bepalingen in de beleidsregel 'Beleidsregels Beeldkwaliteit en planontwikkeling Broekgraaf' of diens rechtsopvolger zoals deze geldt ten tijde van het indienen van de aanvraag.
In artikel 4 (Gemengd) en artikel 12 (Wonen) wordt een zelfde bepaling opgenomen. 33. In artikellid 16.3.b, artikellid 16.4.1 en artikellid 16.4.3 komt het woord ‘schriftelijk’ te vervallen. 34. In artikellid 18.1.d wordt na ‘boeiboord’ toegevoegd ‘of daarmee gelijk te stellen bouwdeel’. 35. Artikellid 18.3.b wordt afgestemd op artikellid 12.3 door de maat van afwijking aan te passen in 1,50 m. 36. In artikellid 19.2.1 wordt na ‘artikel 2.1 lid 1 onder c’ toegevoegd ‘van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’. 37. Artikel 19.2.5 wordt als volgt aangepast: Burgemeester en wethouders passen deze bestemmingsplanactiviteit en bouwregels toe met inachtneming van door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Indien er geen beleidsregels aanwezig zijn, gelden de actuele CROW kencijfers. Zijn er wel beleidsregels en wijzigen deze gedurende de planperiode dan gelden de gewijzigde regels. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels. 38. Artikel 19.6 wordt aangepast aan de tekst van artikel 5:2 van de huidige APV van de gemeente Vijfheerenlanden:
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, toegestaan: a. maximaal twee voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren mits dit uitsluitend gebeurt binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. een openbare plaats als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
39. Artikel 19.7.1 en 19.7.2 worden aangepast aan de tekst artikel 5:7 van de huidige APV van de gemeente Vijfheerenlanden:
14
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
40. Artikel 19.8, 19.11, 19.12.1 en 19.12.2 worden aangepast aan de tekst van artikelen 5:24, 5:25, 5:28, 5:29, 5:30 en 5:31 van de huidige APV d.d. 2 januari 2019 van de gemeente Vijfheerenlanden:
o o
Artikel 5:24 Voorwerpen in, op of boven openbaar water en vaarwegen 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd, indien een voorwerp door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1. Het is uitsluitend toegestaan om met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben, dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen: a. met een vergunning van het college; en b.
op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of een provinciale Scheepvaartwegen- of Vaarwegenverordening. Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
15
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich in havens in het water te begeven of te bevinden.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of een provinciale Scheepvaartwegenof Vaarwegenverordening. Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. 3. Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich in havens op de loopsteigers tussen vaartuigen te begeven of te bevinden.
41. Artikel 19.9.1 en 19.9.2 wordt aangepast aan de tekst van artikel 5:34 van de huidige APV d.d. 2 januari 2019 van de gemeente Vijfheerenlanden: Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het in het eerste lid gestelde verbod en de in het derde lid genoemde ontheffing nadere regels stellen. 6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. 7. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 42. In artikellid 19.10.2 vervalt ‘schriftelijk en’. 43.
In artikellid 19.12.1.a wordt toegevoegd dat de regel niet van toepassing is op artikellid 11.2.2.b waarbij vlonders worden toegestaan. 44. In artikellid 20.6.2 wordt ‘provincie Zuid-Holland’ gewijzigd in ‘provincie Utrecht’. 45. In artikellid 23.1.3 en artikellid 23.3.3 wordt ‘Telecommunicatieverordening ZuidHolland Zuid’ vervangen door ‘telecommunicatieverordening van de provincie Utrecht’. 46. Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samengegaan tot gemeente Vijfheerenlanden. De APV’s van de drie gemeenten verschillen van elkaar. Ze zijn samengevoegd tot een nieuwe APV die begin 2019 in werking is getreden. Artikel 19 en artikel 21.4 van de regels worden aangepast aan de nieuwe APV. Tevens wordt artikel 22.3 en artikel 24 aangepast aan de nieuwe APV. Toelichting 47. Als gevolg van de realisatie van een (zorg)woongebouw aan de oostzijde van de sportvelden ter plaatse van fase 6.2 en 6.3 wordt hiervan een onderbouwing opgenomen, waaruit blijkt dat wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
16
48. Paragraaf 2.1.3 (ladder voor duurzame verstedelijking) wordt geactualiseerd naar de meest recente afspraken met de regio. 49. De toelichting wordt aangepast wat betreft de wijze waarop de nodige stikstofdepositie in het plan veilig wordt gesteld. In plaats van prioritair project bij de provincie, wordt nu de basis de vergunning Wet natuurbescherming. In de toelichting komt dat op verschillende plekken terug; par 1.2, par 2.1.4, par. 4.3.1. 50. Als bijlage bij de toelichting is een akoestisch onderzoek voor weg- en spoorweglawaai opgenomen. Inmiddels is de rapportage definitief gemaakt waarbij enkele ondergeschikte wijzigingen zijn doorgevoerd. 51. In par.4.8 wordt melding gemaakt van het dierenasiel. Onderzoek heeft aangetoond dat het dierenasiel niet hoeft te worden verplaatst en dat er afdoende geluidwerende maatregelen genomen kunne worden. Par. 4.8 zal hierop worden aangepast. Het akoestisch onderzoek is bijgevoegd. 52. In de toelichting wordt enkele keren verwezen naar een beeldkwaliteitsplan. Dat moet zijn de ‘Beleidsregels Beeldkwaliteit en planontwikkeling Broekgraaf’. Dit is de verkorte variant van de kadernota met daarin beeldkwaliteitseisen. 53. In Hoofdstuk 6 wordt de tekst onder het kopje Maatschappelijke uitvoerbaarheid geactualiseerd. Tevens wordt onder het kopje Grexwet aangegeven dat het exploitatieplan is herzien en is geactualiseerd naar 01-01-2021.
17