CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 14 december 2021, gemeente Vijfheerenlanden14.857 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Op weg naar de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden Versie voor besluitvorming

Koersdocument RVS-Utrecht mei 2021

Op weg naar de Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse Veenweiden Koersdocument

Inhoud Op weg naar de Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse Veenweiden ............................. 2 Samenvatting...................................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel Regionale Veenweiden Strategie ........................................................ 5

1.2

Proces van totstandkoming Regionale Veenweiden Strategie .......................................... 6

1.3

Leeswijzer ........................................................................................................................... 8

Uitgangssituatie Utrechtse veenweiden .................................................................................... 9 2.1

Utrechtse veenweiden ....................................................................................................... 9

2.2

Grondslag, bodemdalingsgevoeligheid en uitstoot van broeikasgassen ......................... 12

Doelstellingen, ambitie en uitgangspunten ............................................................................. 17 3.1

Landelijke doelstelling en regionale ambities .................................................................. 17

3.2

Integrale ambitie RVS-Utrechtse Veenweiden ................................................................. 18

3.3

Uitgangspunten ................................................................................................................ 19

Sturingsmogelijkheden en typen maatregelen ........................................................................ 21 4.1

Sturingsmogelijkheden ..................................................................................................... 21

4.2

Mate van systeemverandering en toepassen technologie .............................................. 23

4.3

Haalbaarheid en toepasbaarheid van maatregelen ......................................................... 25

5

Vraagstukken ............................................................................................................................ 26

6

Routekaart ................................................................................................................................ 29

7

6.1

Verschillende sporen ........................................................................................................ 29

6.2

Spoor 1: Kennisontwikkeling en innovatie ....................................................................... 29

6.3

Spoor 2: Regionale uitrol van werkzame maatregelen .................................................... 31

Vervolgstappen naar Regionale Veenweiden Strategie ........................................................... 34 7.1

Het verdere proces ........................................................................................................... 34

7.2

Financiën uitvoeringsfase ................................................................................................. 34

7.3

Tijdpad en vaststellingstraject .......................................................................................... 34

Bijlagen ............................................................................................................................................. 36 Bijlage 1

Veentypen en uitstoot broeikasgassen per waterschap en gemeente........................ 37

Bijlage 2

Relevante maatregelen uit NOBV-studie. .................................................................... 39

Bijlage 3

Kennisvragen ................................................................................................................ 40 2

Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Samenvatting Voor u ligt het ‘Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse veenweiden’. Het Koersdocument is een opstap naar de uiteindelijke Regionale Veenweiden Strategie (RVS) Utrechtse veenweiden, wat een verplichting is uit het Klimaatakkoord (2019) voor alle veenweideprovincies in Nederland. In een groot deel van de Utrechtse veenweidegebieden (ca. 45.000 hectare) daalt de bodem tussen 0,4 en 1 cm per jaar. De zakkende veenbodem leidt zonder maatregelen tot problemen zoals uitstoot van broeikasgassen en hogere kosten voor het waterbeheer en voor het herstel van woningen en wegen. De laatste jaren, versneld door het landelijke Klimaatakkoord (2019), is er veel aandacht voor de klimaataspecten van bodemdaling. De bodemdaling wordt veroorzaakt door oxidatie van de veenbodem waarbij broeikasgassen zoals CO2 vrijkomen. In het Klimaatakkoord is de doelstelling opgenomen dat de veenweidegebieden uiterlijk in 2030 gezamenlijk een reductie in jaarlijkse broeikasgassenuitstoot moeten hebben behaald van 1 Mton CO2-eq. In het Klimaatakkoord is ook aangegeven dat de provincies samen met hun partners via een RVS aan moeten geven hoe deze doelstelling te realiseren. Een RVS is een strategie voor de middellange termijn, bedoeld om de koers uit te zetten voor de komende tien jaar (2030) met een doorkijk naar 2050.

Voor het veenweidegebied loopt de aanpak van broeikasgasemissies en bodemdaling gelijk op, het vraagt om gelijksoortige oplossingen. De provincie Utrecht stelt momenteel samen met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR), Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) en de gemeenten Woerden, De Ronde Venen en Vijfheerenlanden de RVS Utrechtse veenweiden op. Regie op dit proces wordt gevoerd door een bestuurlijke stuurgroep vanuit deze organisaties, voorgezeten door de gedeputeerde van de provincie. Ook de waterschappen Rivierenland en Vallei en Veluwe, de andere veenweidegemeenten en landbouw- en natuurorganisaties zijn gedurende het proces betrokken. De RVS richt zich zowel op de (middel)lange termijn als op de eerste stappen op de korte termijn. We zijn ervan overtuigd dat de aanpak alleen succesvol kan zijn als die samen met onze partners wordt ontwikkeld, gericht is op een mix aan maatregelen en met oog voor meekoppelkansen.

Vanuit deze conclusie hanteren wij voor deze RVS de volgende integrale ambitie: ‘We zetten met afremmen van bodemdaling en daarmee reductie van CO2-emissies uit veenbodems samen met onze partners de komende jaren een flinke beweging in gang naar een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, geborgd in het landschap en met ruimte voor natuur, energietransitie, vermindering van de stikstofuitstoot en andere meekoppelkansen.’ Het werken aan een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw is een belangrijk uitgangspunt van de RVS Utrechtse veenweiden. Daarbij willen we zoveel mogelijk gebruik maken van beschikbare kennis, ervaring en innovatie die gericht is op een toekomstbestendig watersysteem waar landbouw, natuur, bodem en water samen komen. We hebben een aanpak voor ogen die mogelijkheden benut voor combinaties met andere maatschappelijke opgaven. Denk aan de gebiedsgerichte aanpak stikstof, kringlooplandbouw, verbeteren waterkwaliteit en kansen voor natuur- en recreatieontwikkeling. Zonder daarbij het waardevolle veenweidelandschap uit het oog te verliezen. Een belangrijke sleutel voor het afremmen van bodemdaling ligt bij het beter beheren van de grondwaterstanden waarmee we bodemdaling in de veengronden daadwerkelijk kunnen 3 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

remmen. Dat is vooral aan de orde in droge zomerperioden wanneer het grondwater uitzakt naar beneden. Agrariërs spelen daarbij een sleutelrol als belangrijke beheerders van de veenweidepercelen. Er zijn al diverse mogelijkheden bekend voor het afremmen van bodemdaling. Deze variëren van technische maatregelen binnen het bestaande landbouw- en watersysteem zoals waterinfiltratie en bodemmaatregelen tot andere vormen van landbouw zoals natte teelten en natuurinclusieve landbouw. Via de link https://www.youtube.com/watch?v=rY8wYUhZg7E komt u bij meer informatie en een filmpje over ervaringen in het Utrechtse veenweidegebied. We zien een aantal sporen voor ons om samen met onze gebiedspartners aan te werken: Spoor 1. Kennisontwikkeling en innovatie; samen met landelijke programma’s. Spoor 2. Regionaal komen tot uitvoering van maatregelen in agrarische gebieden. Spoor 3. Regionaal komen tot uitvoering van maatregelen in en rondom natuurgebieden. Deze sporen werken we samen met onze gebiedspartners in de RVS-Utrechtse veenweiden verder uit waarbij we keuzen willen maken waar eerst en waar later aan de slag. We doen dat op basis van wat we weten over urgentie, energie & draagvlak in de gebieden en combinaties met andere maatschappelijke opgaven. We zorgen daarbij voor een goede afstemming met onze buurprovincies.

Dit koersdocument werken we de komende tijd samen met onze partners uit tot een RVS. Vraagstukken waar we de komende tijd met elkaar over spreken zijn: koppeling met een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, verbinding tussen natuur en landbouw, organisatie en planning van de uitvoering en financieringsconstructies. De planning is om de RVS in december 2021 ter vaststelling voor te leggen aan Provinciale Staten. Na vaststelling biedt de RVS de basis voor (nieuwe) gebiedsprocessen waar middelen vanuit verschillende bronnen op worden ingezet, zoals: Europa (middelen vanuit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid), het Rijk (Klimaatgelden), de provincie, de waterschappen en mogelijk ook middelen van andere partijen.

4 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel Regionale Veenweiden Strategie

Koersdocument als opmaat naar RVS Dit ‘Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie’ (RVS) beschrijft de problematiek en kansen van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen in het Utrechtse Veenweidegebied. Het geeft mogelijke oplossingsrichtingen aan, ‘koersen’ om het bodemdalingsvraagstuk aan te pakken. Als opstap naar de uiteindelijke Regionale Veenweiden Strategie (RVS) die wij, provincie Utrecht, de komende maanden opstellen als één overheid tezamen met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR), Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) en de gemeenten Woerden, De Ronde Venen en Vijfheerenlanden. We doen dit in samenspraak met de waterschappen Rivierenland en Vallei en Veluwe, met de overige veenweidegemeenten en met de landbouw- en natuurorganisaties. De RVS is een strategie voor de middellange termijn (2030), bedoeld om de koers uit te zetten voor de komende tien jaar met een doorkijk naar 2050. De RVS en ook dit koersdocument is gericht op het landelijk gebied binnen de provincie Utrecht. Bodemdaling en broeikasgassen Bodemdaling is al lang een probleem in de veenweidegebieden en niet voor niets benoemd in het Coalitieakkoord Provincie Utrecht 2020-2023, “Nieuwe energie voor Utrecht”. In de Utrechtse veenweidegebieden daalt de bodem op veel plekken tussen de 0,5 en 1 cm per jaar.

De zakkende veenbodem leidt zonder maatregelen tot grote problemen zoals uitstoot van broeikasgassen en hogere kosten voor het waterbeheer. Ook leidt het tot schade aan woningen en wegen met hoge kosten als gevolg. De laatste jaren, versneld door het landelijke Klimaatakkoord (2019), hebben we veel aandacht voor de klimaataspecten van bodemdaling. Bij oxidatie van de veenbodem komen broeikasgassen zoals CO2 vrij en dat draagt bij aan de ongewenste klimaatverandering. Regionale vertaling van het Klimaatakkoord Het opstellen van de RVS is een verplichting uit het Klimaatakkoord (2019) voor alle veenweideprovincies. In het Klimaatakkoord is de doelstelling opgenomen dat alle Nederlandse veenweidegebieden uiterlijk in 2030 gezamenlijk een reductie in jaarlijkse broeikasgassenuitstoot van 1 Mton CO2-eq moeten hebben behaald. In het Klimaatakkoord is ook aangegeven dat de provincie samen met hun partners via de RVS aan moeten geven hoe deze doelstelling te realiseren. De aanpak van de RVS-Utrecht past binnen de landelijke structuur van het Klimaatakkoord / Regiegroep Veenweiden. De waterschappen zijn nauw betrokken omdat water een belangrijk element is in de strategie voor de veenweiden. Voortvloeiend uit het Klimaatakkoord heeft het Rijk middelen beschikbaar gesteld en een Veenplan opgesteld (2020) waar deze rijksmiddelen aan gekoppeld zijn: 1. €100mln.

Impulsgelden Veenweiden, te besteden in de eerstkomende jaren (t/m 2025). 2. €176mln. voor het bereiken van de doelen uit het Klimaatakkoord in 2030, verdeeld in:  Onderzoek en kennisontwikkeling: €76mln.  Aanvullende uitstoot verminderende maatregelen: €100mln. Provincies hebben op verzoek van de minister zelf een verdeling van de €100mln. aan Impulsgelden gemaakt over de zes Veenweideprovincies. Bij deze verdeling is rekening gehouden 5 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

met de grootte van de opgave (hectares veen) en de kansrijkheid van projecten. Op basis hiervan heeft Utrecht €18mln. toebedeeld gekregen. De gebiedsgerichte inzet van de Impulsgelden veenweiden is onderdeel van de RVS. Doorontwikkelen met nieuwe kennis en inzichten De RVS-Utrecht wordt opgesteld wetende dat er nog veel kennisvragen zijn. Op nationaal niveau wordt gewerkt aan onderzoek en monitoring in het NOBV (Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen uit Veenweiden), het Nationaal Kennisplatform Bodemdaling (NKB) en het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP). Regionaal werken partijen met de Regiodeal Groene Hart en projecten zoals Klimaat Slim Boeren op Veen aan het ontwikkelen van kennis en innovatie met toepassingsgerichte pilots en projecten en het monitoren van effecten. Gaandeweg worden we met nieuwe kennis en inzichten steeds concreter en kunnen we meer maatregelen treffen. Het ligt in de lijn der verwachting dat we met deze input over enkele jaren een RVS 2.0 zullen opstellen. Andere regionale visies en plannen De RVS-Utrecht staat niet op zichzelf. In het Utrechtse veenweidegebied spelen meer uitdagingen dan bodemdaling en CO2-reductie. Zoals het stikstofdossier en de daarmee samenhangende natuuropgaven uit het landelijk Programma Natuur (kamerbrief 8 december 2020).

Verder lopen er diverse regionale plannen en samenwerkingstrajecten, vaak met het vizier op de wat langere termijn (2050), die ook kansen en aandachtspunten opleveren voor de RVS. De Provinciale Omgevingsvisie geeft richting en uitgangspunten aan de RVS-Utrecht (zie hoofdstuk 3). Het ontwerp Bodem en Water Programma 2022-2027 (2021) bevat de provinciale koers voor bodem en water. De Regionale Energie Strategieën (RES) bieden kansen voor koppeling met initiatieven voor energieopwekking in het landelijk gebied. Het Regionaal Economisch Programma U10 (REP) geeft inzicht in mogelijke verstedelijking en recreatiedruk op de lange termijn (2040). De Regionale Adaptatie Strategieën (RAP) zoals die voor Zuidwest Utrecht bieden kansen voor het nemen van klimaatadaptieve maatregelen. De waterbeheerders werken aan het halen van doelstellingen voor waterkwaliteit (KRW; 2027). Partijen werken samen aan het realiseren van het Nationale Natuurnetwerk Nederland (NNN), aan het verbeteren van biodiversiteit (Deltaplan Biodiversiteitsherstel) en aan het Plan van aanpak ‘Groen groeit mee’ (U10). We zijn als initiatiefnemers van de RVS-Utrecht alert op het benutten van kansen voor samenwerking en koppeling van initiatieven met deze andere regionale trajecten.

1.2

Proces van totstandkoming Regionale Veenweiden Strategie

Bijgaande figuur uit de startnotitie RVS-Utrecht (december 2020) geeft een samenvatting van het proces van totstandkoming van de RVS-Utrechtse Veenweiden. In dit traject naar totstandkoming en uitvoering van de RVS werken provincie, waterschappen en gemeenten zoveel mogelijk samen als één overheid. Het bestuurlijk overleg, bestaande uit bestuurders van provincie Utrecht, van de waterschappen HDSR en AGV en van de gemeenten De Ronde Venen, Woerden en Vijfheerenlanden, geeft richting aan de visie, de aanpak en de vraagstukken tijdens het opstellen van de RVS. De gedeputeerde van provincie Utrecht is de voorzitter van het bestuurlijk overleg. Vanuit de projectgroep is een kernteam/schrijversteam gevormd met medewerkers van provincie en waterschappen. De programmamanager veenweide van de provincie is secretaris van het bestuurlijk overleg en voorzitter van de projectgroep en kerngroep.

6 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Figuur 1.1 Organisatie opstellen RVS In april-mei 2021 zijn twee webinars georganiseerd voor een brede groep van bestuurders (PSleden, heemraden en raadsleden) waarin we hen hebben geïnformeerd over de voortgang van het opstellen van de RVS en input voor het koersdocument hebben opgehaald. Ook de Utrechtse veenweidegemeenten en -waterschappen die niet in het bestuurlijk overleg zitten, waren hiervoor uitgenodigd. Gedragen koers landelijk gebied Vanwege de directe onderlinge samenhang kiezen we voor een verkenning van oplossingen voor tegelijkertijd CO2-uitstoot en bodemdaling in het veenweidegebied. We focussen ons in de RVSUtrecht op het landelijk (veenweide)gebied binnen de provincie Utrecht. We hechten daarbij veel belang aan een breed gedragen RVS. We luisteren tijdens het opstellen van de RVS goed naar betrokken partijen en sectoren. Een transparante open houding en het delen van de juiste inhoudelijke informatie zijn randvoorwaarden voor vertrouwen en draagvlak bij betrokken partijen en agrarische ondernemers. Voor de RVS-Utrecht en dit koersdocument wordt input geleverd vanuit drie ‘denktanks’. Eén vanuit de agrarische sector ( ‘denktank landbouw’), één vanuit de natuursector ( ‘denktank natuur’) en één vanuit kennis over de waterhuishouding (‘denktank water’).

In deze denktanks is kennis en ervaring van agrarische ondernemers, natuurbeheerders en waterbeheerders uit het gebied gebundeld. Deze denktanks zijn bij aanvang sectoraal ingestoken en worden gaandeweg meer integraal georganiseerd. De afspraak is dat in de denktanks niet wordt onderhandeld, dat het een plek is waar vrijuit met elkaar van gedachten gewisseld kan worden om zo tot goede bouwstenen voor de Utrechtse RVS te komen. Ook op bestuurlijk niveau vindt overleg plaats met de afzonderlijke landbouw- en natuurorganisaties.

7 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Planning Met de startnotitie RVS (december 2020) is een belangrijke stap gezet. Dit koersdocument is te beschouwen als de opmaat naar de uiteindelijke RVS Utrechtse veenweiden. Vaststelling van de RVS is voorzien eind 2021.

1.3

Leeswijzer

In dit koersdocument gaan we eerst in op de uitgangsituatie in de Utrechtse veenweiden (hoofdstuk 2). Wat weten we over de mate van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen? En hoe is het gebied in gebruik en beheer? Hoofdstuk 3 geeft de beleidsmatige doelen, ambitie en uitgangspunten voor de RVS waarbij we de samenhangende doelen voor klimaat en bodemdaling beschrijven. Dit hoofdstuk gaat ook in op de samenhang van waterbeheer, landbouw- en natuurontwikkeling. In hoofdstuk 4 beschrijven we de sturingsmogelijkheden en mogelijke maatregelen om dit probleem aan te pakken, de relatie met de mate van systeemverandering en innovatie en daarmee ook de haalbaarheid. Hoofdstuk 5 licht een aantal vraagstukken toe die we tot op heden zijn tegengekomen in het proces naar de RVS. In hoofdstuk 6 schetsen we de eerste contouren van een routekaart voor de verdere aanpak. Het koersdocument sluiten we in hoofdstuk 7 af met de vervolgstappen en financiële aspecten.

8 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

2

Uitgangssituatie Utrechtse veenweiden

De RVS-Utrecht heeft betrekking op het Utrechtse veenweidegebied, de lager gelegen gebieden in de provincie. Dit hoofdstuk bevat eerst een algemene gebiedsbeschrijving. Vervolgens gaan we in op de veenbodems en mate van CO2-uitstoot, met tekst en kaartbeelden.

2.1

Utrechtse veenweiden

Ontstaansgeschiedenis en unieke karakter Na de ijstijd vindt in de kustzone en delta van Nederland veenvorming plaats achter een reeks strandwallen. Een groot deel van het veen bestaat uit voedselrijk bosveen en zeggeveen onder invloed van regelmatig indringend rivierwater vanuit rivieren en riviertjes. Plaatselijk ontstaan voedselarme hoogveenkoepels, zoals in het centrum van de Ronde Venen en bij Veenendaal. In de vroege middeleeuwen begint men de veengebieden eerst voorzichtig te ontginnen langs de riviertjes; later systematisch. De eerste concessie voor systematische ontginning werd door de bisschop van Utrecht uitgegeven in 1085. De ontginning start met het graven van sloten. Na dat moment gaat het proces van bodemstijging als gevolg van veenvorming over in een proces van bodemdaling. De gegraven sloten zorgen voor de ontwatering van de veengebieden. De bovenzijde van het veen droogt uit en kan daardoor in gebruik genomen worden voor landbouw, aanvankelijk veel akkerbouw. Met het uitdrogen van de bovenlaag begint het aan de lucht blootgestelde veen in te klinken en te oxideren en daardoor te dalen. De bodemdaling duurt tot op de dag van vandaag voort. Rond ca. 1400 is de bodemdaling zo ver voortgeschreden dat in het westen van de provincie de riviertjes niet langer het laagste punt in het landschap zijn.

Eerst worden alleen kaden aangelegd om tijdelijk hoog water op de veenriviertjes te keren. Als de bodem nog lager komt te liggen is bemaling van het achterland met windmolens noodzakelijk. Het keren van het water is een gezamenlijk belang en zo ontstaan de eerste polders en waterschappen. Om de bodemdaling voor te blijven, worden met regelmaat de waterpeilen in de veen(weide)gebieden verlaagd. Het land is nu zo nat geworden dat veeteelt de dominante vorm van landbouw wordt. Naast de ontginning van de gronden voor landbouw, wordt het veen ook afgegraven. Dit gebeurt al in de Middeleeuwen, maar vanaf de 17de eeuw wordt de turfwinning steeds systematischer en grootschaliger aangepakt. Het veen is nodig voor de energiebehoefte van de groeiende Hollandse steden. Dit resulteert in het noordwesten van de provincie Utrecht in een sterk verbrokkeld landschap met veel open water. Vanaf ca. 1750 worden de ontstane plassen drooggelegd en ontstaan droogmakerijen. Vanaf 1900, vooral in de tweede helft van de 20ste eeuw, nemen bevolking en welvaart sterk toe en komt er steeds meer bebouwing en infrastructuur. Marktontwikkelingen zorgen ervoor dat de melkveehouderij steeds grootschaliger wordt. Om de productie te verhogen volgen ruilverkavelingen en verdere peilverlagingen.

Karakteristiek voor het huidige veenweidelandschap zijn de goed zichtbare verkavelingspatronen met smalle kavels, veel sloten en plassen, de aanwezigheid van kades, dijkjes, lintdorpen, oude dorpskernen, kronkelende veenriviertjes, openheid, vee, rietlanden en moerassige delen. Het is een waterrijk gebied, de grondwaterstand is er over het algemeen relatief hoog. De agrarische sector is de belangrijkste drager en beheerder van het landschap. De veen(weide)gebieden zijn zowel in de natuurgebieden als het agrarisch gebied belangrijk voor weidevogels en biodiversiteit. Het unieke landschap en het vele water maken het gebied zeer aantrekkelijk voor recreatie. 9 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Figuur 2.1 Ligging provincie, waterschappen en gemeenten Waterhuishouding Het waterbeheer van de veenweidegebieden van Utrecht is sinds honderden jaren niet echt principieel veranderd. Via de boezemwateren (o.a. Amstel, Oude Rijn, Hollandse IJssel, Eem) wordt water, dat de polders via gemalen oppompen, afgevoerd richting zee. Ook kan, andersom, vanuit de boezems het water in de polders worden aangevuld. De polders bestaan uit peilvakken, waarvan de peilen middels peilbesluiten formeel worden vastgelegd met een zomerpeil en een veelal lager gelegen winterpeil. In de landbouwgebieden kan de drooglegging (verschil tussen slootpeil en gemiddelde maaiveld in een perceel) in Utrecht liggen tussen de 30 en 70 cm, veelal tussen de 40 en 55 cm. Natuurgebieden hebben doorgaans een kleinere drooglegging (tussen de 10 en 40 cm). De grondwaterstand in de percelen is niet gelijk aan het slootpeil als gevolg van de weerstand die waterstroming in de bodem ondervindt. In de winter is er een overschot aan neerslag ten opzichte van de verdamping, in de zomer is dat omgekeerd. In combinatie met de genoemde weerstand, leidt dat er toe dat in de winter de grondwaterstand hoger is dan het slootpeil (soms tot dicht tegen het maaiveld) en in de zomer lager dan het slootpeil (aan het eind van de zomer 50-80 cm beneden slootpeil).

Dit betekent dat een groot deel van het aanwezige veen zich in de zomerperiode boven de grondwaterstand bevindt en, omdat zuurstof tot aan het grondwaterniveau kan doordringen, dan vooral vatbaar is voor oxidatie. De veenafbraak als gevolg van de oxidatie van veen leidt ook tot het vrijkomen van nutriënten, zoals stikstof, fosfaat en sulfaat, die deels uitspoelen naar het oppervlaktewater. Mede hierdoor heeft het oppervlaktewater een voedselrijk karakter. Landbouw Onderstaande korte beschrijving is vooral gebaseerd op een analyse over Utrecht-West. Deze analyse bevat geen recente informatie over de andere veenweidegebieden Eemland en Vijfheerenlanden. We gaan er wel van uit dat de situatie in die gebieden in hoofdlijnen vergelijkbaar is met Utrecht-West. In de RVS willen we informatie over deze gebieden aanvullen. Het overgrote deel van de ruim 1.300 landbouwbedrijven, die Utrecht-West in 2015 telde, bestaat uit graasdierbedrijven (melkvee, vleesvee, schapen). De graasdierbedrijven gezamenlijk hebben 93% van de landbouwgrond in Utrecht-West in gebruik. Het aandeel melkveebedrijven is 76%. 10 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Kenmerken van de melkveehouderij in de Utrechtse veenweiden zijn de volgende: - de bedrijven zijn gemiddeld kleiner dan het landelijk gemiddelde wat betreft oppervlakte, veestapel en intensiteit (productie per hectare). - de jaarlijkse vermindering van het aantal landbouwbedrijven sinds 2006 is 1,1% tegenover 2,2% landelijk. - relatief veel ondernemers in Utrecht-West hebben hun bedrijfsactiviteiten verbreed en daarmee een aanvullende inkomensbron gevonden. Vooral agrarisch natuurbeheer en agrotoerisme zijn populaire activiteiten. - Ondernemers in het gebied houden relatief lang hun bedrijf vast, waardoor de ruimte voor bedrijfsuitbreiding op andere bedrijven beperkt blijft. - Het aantal bedrijven met een bedrijfshoofd dat ouder is dan 55 jaar en geen opvolger heeft bedraagt 29%. (Bron: Verkavelingsanalyse Provincie Utrecht, Kadaster en Wageningen Economic Research, febr. 2017). Het meer recente rapport ‘Kennisdocument economisch rendabele bedrijven met toekomst’ uit 2020 gaat dieper in op de landbouwstructuur van de polders bij Kamerik (Utrecht-West). De bedrijven hebben daar gemiddeld 47 ha grond in gebruik, melken gemiddeld 86 koeien met ca. 15.000 kg melk per hectare. Bijna alle grond is grasland, slechts op enkele hectares wordt mais geteeld. Het gemiddelde huiskavel percentage is in Utrecht-West 51% (wenselijk is min. 60%).

In Eemland bedraagt dat percentage 46% met een gemiddeld oppervlak van 19,6 ha. Natuur Verspreid in het Utrechtse veenweidengebied liggen waardevolle en kwetsbare natuurgebieden: een zestal Natura 2000-gebieden en grote en kleinere natuurgebieden als onderdeel van het Nationale Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelkerngebieden. Bijgaande figuur duidt de stikstofgevoelige N2000-gebieden1 die zich binnen en net buiten de provincie Utrecht bevinden.

Figuur 2.2 Natura 2000-gebieden provincie Utrecht

1

Stikstofgevoelige Natura2000-gebieden: Oostelijke Vechtplassen, Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (Schraallanden van de Meije), Uiterwaarden Lek, Zouweboezem, Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

11

Met een gebiedsgerichte aanpak wordt hier gewerkt aan verlaging van de ammoniakuitstoot vanuit de agrarische bedrijfsvoering. Hier liggen belangrijke raakvlakken met opgaven vanuit de RVS-Utrecht.

2.2

Grondslag, bodemdalingsgevoeligheid en uitstoot van broeikasgassen

De RVS-Utrecht gaat over de veengronden die zich bevinden in het landelijk gebied van de provincie Utrecht. Veengronden zijn er in soorten en maten en worden gekenmerkt door verschillen in bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen. De mate waarin wordt, naast het type veen, ook door andere variabelen bepaald. Voor de RVS is door een werkgroep van medewerkers van provincie Utrecht en waterschappen AGV en HDSR oriënterend onderzocht wat het areaal veen is in de provincie Utrecht, hoe groot de bodemdaling is en hoe groot de broeikasgasuitstoot. In een later stadium komt hiervan nog een technisch rapport met nadere toelichting en onderbouwing. In deze paragraaf van het koersdocument worden op hoofdlijnen de al beschikbare conclusies en aandachtspunten van dat lopende onderzoek weergegeven. Hoe ontstaat bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen? De bodem in veengebieden beweegt. Daarbij is sprake van structurele- (bodemdaling over meerdere jaren) en van seizoenseffecten (fluctuatie van bodemdaling binnen één jaar). Er zijn drie hoofdoorzaken van veenbodemdaling:  Oxidatie. Door het indringen van zuurstof in de bodem, ongeveer tot het niveau van het grondwater, verbrandt de organische stof in het veen langzaam. Het organisch materiaal wordt omgezet in CO2 en verdwijnt in de lucht.

Bij de afbraak komen ook stikstof, fosfaat en sulfaat vrij, die deels worden opgenomen door vegetatie en deels uitspoelen naar oppervlaktewater. Door afbraak vermindert het volume en daalt de bodem. Oxidatie vindt vooral in de zomer plaats, als het grondwater laag staat en de bodemtemperatuur relatief hoog is.  Zetting en klink. Deze treden op door gewichtstoename op veen en klei, veelal door menselijke activiteiten. Die gewichtstoename treedt op door het ophogen van bodems met ophoogmateriaal (zetting) of doordat de opwaartse druk van het grondwater afneemt door het verlagen van de grondwaterstand (klink). De klei- en veendeeltjes worden door de gewichtstoename dichter op elkaar gedrukt, waardoor het volume vermindert en de bodem dus daalt. Zetting en klink gaan eerst snel, maar nemen af in de loop van de tijd.  Krimp en zwel. Wanneer veen of klei in de winter nat wordt zwelt het op, wanneer het uitdroogt krimpt het weer. Op de lange termijn is het nettoresultaat ongeveer nul (structureel effect). Sterke krimp in droge zomers kan ook tot scheurvorming leiden. Binnen het tijdsbestek van een jaar kunnen veenbodems tot wel meer dan 10 cm op en neer gaan. Dit seizoenseffect van krimp en zwel is hiermee veel groter dan dat van de structurele bodemdaling (in Utrecht ligt dat grofweg tussen 0.5 – 1 cm per jaar).

In theorie is ook bodemstijging en daarmee vastlegging van CO2 mogelijk als gevolg van veenmosgroei in zeer natte natuurgebieden. Dit komt in Nederland, en ook in Utrecht, tegenwoordig nog maar zeer weinig voor en laten we hier buiten beschouwing. Veenvorming vindt in de provincie Utrecht lokaal wel plaats in verlandende petgaten (Oostelijke Vechtplassen, Botshol). Dit resulteert in drijvende kraggen, waardoor geen sprake is van bodemstijging. Het is onvoldoende bekend wat dit betekent voor CO2-vastlegging. Bepaling van de Utrechtse veengebieden Voor de RVS-Utrecht is het nodig goed inzicht te hebben in de ligging en aard van de veengronden in de provincie Utrecht. De officiële bodemkaart is die van de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Deze hebben we kritisch tegen het licht gehouden. De basis voor deze kaart ligt rond 1970, waarna allerlei veranderingen zijn opgetreden als gevolg van menselijke activiteiten. Dit heeft 12 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

ertoe geleid dat er diverse gebieden zijn die inmiddels geen veen meer zijn. Het gaat bijvoorbeeld om ophogingen met zand voor bebouwing en infrastructuur of het weghalen van veen om daaronder zand te winnen. Deze gebieden zijn van onze kaart verwijderd. Daarbij is, mede met behulp van luchtfoto’s, zo veel mogelijk getracht de situatie van 2015 te herleiden omdat dit jaartal waarschijnlijk voor het Klimaatakkoord als referentiejaar voor de uitstoot van broeikasgassen uit veen gebruikt gaat worden. Vervolgens zijn de bodemeenheden van de BRO-kaart waarvan verwacht wordt dat ze potentieel dalen of broeikasgas uitstoten geclusterd. Dat heeft plaatsgevonden op basis van eigenschappen die van belang zijn voor de mate van bodemdaling of broeikasgasuitstoot. De formele definitie van veengrond is: tenminste 40 cm veen in de bovenste 80 cm van de bodem. Wij beschouwen vanwege het potentieel effect alle bodems waar veen aanwezig is binnen de bovenste 120 cm, als veen en daarmee als relevant voor de RVS-Utrecht:  Dunne veengronden. Formeel zijn dit geen “veengronden”, maar “moerige gronden” met minder dan 40 cm veen in de bovenste 80 cm. Deels betreft het gronden met veen tot aan het maaiveld, deels zijn het bezande veen- of moerige gronden.  Klei op veen. Ook dit zijn formeel geen veengronden. Het kleidek is meer dan 40 cm, maar minder dan 80 cm.

Deze gronden hebben van nature minder last van bodemdaling door veenoxidatie omdat het kleidek het transport van zuurstof naar het veen afremt.  Kleidek op veen. Dit zijn formeel gezien veengronden die een kleidek van minder dan 40 cm hebben, waardoor het transport van zuurstof naar de ondergrond enigszins wordt geremd.  Kleiig veen. Hier is geen echt kleidek aanwezig, maar is wel klei aanwezig als bijmenging in het bovenste veen. De aanwezigheid van klei in veen beschermt enigszins tegen oxidatie. In het veld is het onderscheid tussen kleiig veen en kleidek op veen lastig te maken. Door grondbewerking kunnen kleidekken inmiddels gemengd zijn met de veen ondergrond.  Puur veen. Veen zonder duidelijke kleibijmenging, veelal meer dan 80 cm dik (tot wel 8 meter).

Figuur 2.3 Bodemkaart veengebieden voor de provincie Utrecht

13 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Op basis van deze indeling volgt de veenbodemkaart voor de RVS-Utrecht (figuur 2.3), een tabel met de oppervlakten per waterschap en een tabel met de oppervlakten per gemeente. De tabellen zijn opgenomen in bijlage 1. Alle beheergebieden van de waterschappen hebben dus te maken met veen / veenachtige gronden, waarvan de meeste in het beheergebied van HDSR liggen. Het hoogste percentage aan puur veen ligt in het beheergebied van AGV. In het Utrechtse deel van het beheergebied van WSRL (Vijfheerenlanden) overheerst klei(dek) op veen. In het beheergebied van Waterschap V&V bevinden zich ook, maar in mindere mate dan in de andere beheergebieden, verschillende typen veen(achtige)gronden. Zie bijlage 1 voor de details per beheergebied van de waterschappen. Ook veel gemeenten binnen de provincie Utrecht hebben te maken met veen en veenachtige gronden (zie ook de tabel met cijfers per gemeente in bijlage 1). Vooral in het westelijke (gemeenten De Ronde Venen, Woerden, Stichtse Vecht, Lopik en Oudewater) en het zuidelijk gelegen veenweidegebied (gemeente Vijfheerenlanden). Binnen laatstgenoemde gemeente vallen veel klei(dek) op veengronden. De Ronde Venen heeft te maken met een relatief hoog percentage aan puur veen. Ook centraal en aan de noordoost kant van provincie Utrecht (De Bilt, Bunschoten, Eemnes) komt nog substantieel, 3 tot 5% veen voor.

De gemeente De Bilt heeft een relatief hoog aandeel aan dun veen. Schatting van de bodemdaling en de broeikasgasuitstoot Er zijn weinig gegevens beschikbaar over de feitelijke grootte van de structurele, gebiedsdekkende bodemdaling en broeikasgasuitstoot in de provincie Utrecht. Dat geldt overigens ook voor de veenweidegebieden in andere delen van Nederland. Er zijn meerdere manieren om bodemdaling en broeikasgasuitstoot te bepalen. Elke methode heeft zijn voor- en nadelen. De uitkomsten van de verschillende methoden verschillen onderling, waarbij het moeilijk is te bepalen welke methode beter2 is. Wij hebben voor de RVS-Utrecht vooralsnog gekozen voor een methode die zo veel mogelijk geënt is op daadwerkelijke metingen. Bodemdaling is moeilijk rechtstreeks te meten. Er worden wel vorderingen gemaakt om dit met satellieten te doen, maar voor begroeide oppervlaktes is nog geen goed bruikbare methode beschikbaar. De bodemdaling is wel te bepalen door de gemeten hoogten uit datasets van twee momenten van elkaar af te trekken. Maar daarbij moet wel rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheden in deze metingen en met het feit dat de bodemhoogte gedurende het jaar flink varieert door zwel en krimp (de seizoenseffecten; zie boven). Het met elkaar vergelijken van zomer- en winterbodemhoogten geeft een vertekend beeld van de werkelijke structurele bodemdaling.

Ook binnen de winter of zomer kan de bodemhoogte variëren. Door metingen te gebruiken die een groot aantal jaren uit elkaar liggen, wordt deze relatieve fouten in de gemiddelde bodemdaling kleiner. Ook de eventuele fouten worden immers gedeeld door het aantal jaren. De broeikasgasuitstoot uit veenbodems is voor grote gebieden moeilijk rechtstreeks te meten. De broeikasgasuitstoot is wel voor gebieden tot 500 m2 te bepalen. Maar het is lastig om daar de broeikasgascyclus van het gewas uit te filteren (die dominant is t.o.v. die van de bodem) en om de effecten van sloten te elimineren. Dit soort methoden zijn echter nog in ontwikkeling. Voor de RVS is er daarom voor gekozen de broeikasgasuitstoot af te leiden uit de bodemdaling. Uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn gebiedsdekkende hoogtedata beschikbaar: inmiddels drie edities, AHN1 (1996-2001), AHN2 (2007-2012) en AHN3 (2011-2019). Een oudere 2 Binnen het Klimaatakkoord is geen methode voorgeschreven om broeikasgasuitstoot te bepalen.

Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

14

landelijke dataset is die van de Meetkundige Dienst (MD) van Rijkswaterstaat uit de periode tussen 1951 en 1971. Voor de schatting van de gemiddelde bodemdaling per jaar is een berekening gemaakt van het verschil tussen de dataset van het AHN3 en de MD. Het tijdverschil tussen de metingen van de MD en die van AHN3 is gemiddeld 51 jaar. Er zijn ruim 45.000 bruikbare meetpunten van de MD in het Utrechtse veengebied beschikbaar om de kaart te maken met de bodemdaling per deelgebied. Het veengebied is daartoe opgedeeld in ruim 700 deelgebieden. Binnen een deelgebied is het peil hetzelfde en het hoofdtype veen gelijk. De grootte van de bodemdaling, zoals die op de kaart (figuur 2.4) staat, is een gemiddelde over de periode tussen de twee datasets. Dat wil niet zeggen dat de bodemdaling over deze periode steeds hetzelfde is geweest. De trend van de laatste 20 jaar is dat bij nieuwe peilbesluiten de peilen minder worden verlaagd, wat ertoe zal leiden dat de bodemdaling tegenwoordig minder sterk kan zijn. Ook is eind vorige eeuw een aantal ruilverkavelingen uitgevoerd (Eemland, OukoopKortrijk, Lopikerwaard) waarbij polderpeilen soms flink zijn verlaagd. Dit kan in ieder geval tijdelijk een versnelling van de bodemdaling hebben veroorzaakt.

Figuur 2.4 Bodemdalingskaart RVS Utrecht Op basis van deze bodemdalingsgegevens per deelgebied is vervolgens de uitstoot van CO2 uit de veenbodems bepaald (ook per gemeente en per waterschap; zie tabellen 3 en 4 in bijlage 1). De broeikasgasuitstoot uit sloten (methaan) is niet meegenomen. Aanname voor deze berekening is dat iedere mm bodemdaling door oxidatie is veroorzaakt. Deze aanname geeft een overschatting omdat, zeker bij dikke kleidekken, deels sprake zal zijn van klink. Verder is de gangbare aanname dat de uitstoot per mm bodemdaling 2259 kg CO2 per ha3 is. Daarnaast is bekend dat de uitstoot van andere broeikasgassen uit veenbodems (lachgas en methaan) relatief klein is en niet uit de schatting van de bodemdaling is te halen. Op basis van hiervoor genoemde argumenten wordt er (voorlopig) van uitgegaan dat de broeikasgasuitstoot min of meer gelijk is aan de uitstoot van CO2.

3

Akker, J.J.H. van den, J. Beuving, R.F.A. Hendriks & R.J. Wolleswinkel (2007a). Artikel 5510: Maaivelddaling, afbraak en CO2-emissie van Nederlandse veenweidegebieden. Leidraad Bodembescherming, afl. 83, Sdu, Den Haag, 32 p.

15

Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

De totale uitstoot van broeikasgassen per jaar in de Utrechtse veengebieden (landelijk gebied), zoals hierboven beschreven, komt daarmee op ca. 0.36 Mton. Dit komt overeen met ca. 8 ton/ha/jr. De totale uitstoot is minder dan de meer globale nationale berekening van 0.426Mton4. Dit ondanks dat de landelijke cijfers een kleiner gebied beslaan5. Qua ordegrootte is het wel vergelijkbaar. Vooralsnog gaan we uit van de door ons berekende 0.36 Mton per jaar. De uitstoot van broeikasgas uit veen per gemeente (tabel 4 in de bijlage) geeft een net wat andere volgorde dan die van het totale oppervlak aan veenbodems per gemeente (tabel 2 in bijlage 1). Dit kan worden verklaard door het aandeel verschillende veentypen en andere omstandigheden. Zoals vermeld zijn er ook andere manieren om bodemdaling en broeikasgasemissies te bepalen. Een enkele daarvan zal later nog nader worden beproefd ten behoeve van de RVS-Utrecht. Belangrijk is daarbij wel dat deze ook op landelijke schaal uitgevoerd moeten kunnen worden, opdat een goed landelijk beeld kan ontstaan en in het kader van het Klimaatakkoord een goede vergelijking kan worden gemaakt tussen de veenprovincies onderling.

4 Lof, M., S. Schenau, R. de Jong, R. Remme, C. Graveland en L. Hein (2017). The SEEA EEA carbon account for the

Netherlands. Report by Statistics Netherlands and Wageningen University, Den Haag. 5 Een deel van de gemeente Vijfheerenlanden behoorde ten tijde van de berekening nog tot de Provincie Zuid-Holland.

16 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

3

Doelstellingen, ambitie en uitgangspunten

3.1

Landelijke doelstelling en regionale ambities

Het Klimaatakkoord geeft een concrete inhoudelijke doelstelling voor de jaarlijkse reductie van CO2eq-emissie uit de veenbodems. Deze luidt als volgt: Doelstelling Klimaatakkoord (juni 2019): De doelstelling voor de veenweidengebieden6 in Nederland is 1 Mton CO2-eq reductie in 2030. De provincie Utrecht gaat in haar Omgevingsvisie (2020) in op de problematiek van bodemdaling in het veenweidegebied. In de ontwerp-Omgevingsvisie wordt aangegeven dat bodemdaling hoge maatschappelijke kosten met zich mee brengt en dat het gepaard gaat met een hoge CO2uitstoot. Oorzaken en maatregelen om bodemdaling af te remmen verschillen tussen het stedelijk en het landelijk gebied. Daarom geeft de Omgevingsvisie aan dat de aanpak van bodemdaling in beide gebieden anders is. Als ambitie stelt de Omgevingsvisie voor het landelijk veenweidegebied het volgende: Uit Omgevingsvisie provincie Utrecht: ‘2030: De bodemdaling in het landelijk veenweidegebied is met gemiddeld 50% geremd. Voornaamste achterliggende doelen zijn het verminderen van de CO2-uitstoot en het reduceren van de kosten van het waterbeheer’. ‘Onze ambitie voor bodemdaling past bij het Klimaatakkoord. De doelstelling in het Klimaatakkoord is 1Mton reductie van CO2 -equivalenten in 2030. Dit is grofweg een vermindering van 25%. Onze ambitie is hoger dan deze doelstelling7’.

Ook het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) hebben afremmen bodemdaling prominent in hun ambitie opgenomen. In de Omgevingsvisie Utrecht staat nog een aantal andere uitspraken die richting geven aan de RVS-Utrecht:| De bodemdaling in het landelijk gebied zal moeten worden geremd met een mix aan maatregelen. Verwacht wordt dat maatregelen genomen moeten worden in meer dan de helft van het landelijk veenweidegebied. Uitgangspunt hierbij is dat er toekomstperspectief moet zijn voor een zo groot mogelijk deel van de huidige gebruikers. 6

Binnen het Klimaatakkoord is nog geen bindende afspraak gemaakt over wat precies moet worden verstaan onder ‘veenweidengebied’ en welke bodems daartoe behoren (consensus is wel dat het alleen de veengebieden in laag Nederland betreft). Voor dit Koersdocument RVS-Utrecht is daartoe een eigen inschatting gemaakt van het areaal veenweidegronden en de broeikasgasuitstoot (zie hoofdstuk 2). Het is op dit moment lastig te beoordelen hoe de opgave van Utrecht zich precies verhoudt tot de landelijke. 7 Lof e.a. (2017) is een belangrijke bron voor de landelijke omvang van emissie van broeikasgas uit veen. Deze studie komt uit op 5,9 Mton/j voor alle veengronden in Nederland (buiten de natuurgebieden). Uit deze bron is echter niet op te maken welk deel daarvan betrekking heeft op laag Nederland. Een ruwe schatting daarvan is 4 Mton/j. De landelijke doelstelling van 1Mton reductie in 2030 betekent dan een reductie van 25%. Dat is minder dan de ambitie van Utrecht van 50% reductie bodemdaling en daarmee 50% reductie van CO2-uitstoot in het Utrechtse veenweidegebied in 2030.

17 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Dit proces doorlopen we samen met andere overheden, de agrarische sector, bewoners, terreinbeheerders en maatschappelijke actoren. Dit is in lijn met de Landbouwvisie, waarin we hebben aangegeven dat we een maatschappelijk aanvaardbare bodemdaling willen bereiken, met het behoud van een (alternatief) verdienmodel voor de agrariërs als leidend principe. De aanpak van bodemdaling biedt ook kansen voor combinaties met oplossingen voor andere maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, het bereiken van een circulaire en natuurinclusieve landbouw en vermindering van de stikstofuitstoot. De maatregelen zoeken wij vooral in de richting van het verhogen van de grondwaterstand. Ook kan de inrichting van zonnevelden voor de energietransitie in bepaalde gebieden samengaan met aanpassing van het peilbeheer. We kijken niet alleen naar technische oplossingen, maar ook naar functiewijzigingen of een andere invulling van bestaande functies. De juist mix van maatregelen moet zich nog ontwikkelen en kan per gebied verschillen.

3.2

Integrale ambitie RVS-Utrechtse Veenweiden

Uit bovenstaande teksten uit de Omgevingsvisie concluderen we dat de RVS-Utrecht zich zowel richt op de (middel)lange termijn als op de eerste stappen op de korte termijn en dat het daarbij veel ruimte moet bieden voor meekoppelkansen. De aanpak kan alleen succesvol zijn als die gericht is op een mix aan maatregelen in grote delen van het Utrechtse veenweidegebied en samen met onze partners wordt ontwikkeld en opgepakt. Vanuit deze conclusie hanteren wij voor deze RVS de onderstaande integrale ambitie. Ambitie RVS-Utrechtse Veenweiden ‘We zetten met afremmen van bodemdaling en daarmee reductie van CO2-emissies uit veenbodems samen met onze partners de komende jaren een flinke beweging in gang naar een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, geborgd in het landschap en met ruimte voor natuur, energietransitie, vermindering van de stikstofuitstoot en andere meekoppelkansen.’ Als toelichting hierop: - De reductie van CO2 en het afremmen van bodemdaling zal gecombineerd worden met een toekomstbestendig watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied. - Een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouwsector heeft als richting een meer circulaire, klimaatneutrale, natuurinclusieve en economisch rendabele landbouw. - We koesteren het waardevolle en kwetsbare cultuurlandschap van het veenweidegebied.

- Verminderen van de stikstofuitstoot is gericht op de verbetering van de instandhouding van de stikstofgevoelige habitats met bijbehorende flora en fauna in de aangrenzende N2000-gebieden. - Ruimte voor de energietransitie is gericht op mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen voor de agrarische sector (bijvoorbeeld energieopwekking door aanleg zonnevelden).

-

Met meekoppelkansen worden kansen bedoeld voor natuurontwikkeling, het versterken van de biodiversiteit, recreatie-ontwikkeling, cultuurhistorie en landschap.

18 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

3.3

Uitgangspunten

Voortbouwen op bestaande aanpak bodemdaling Met eerdere en lopende projecten en programma’s zoals Klimaat Slim Boeren op Veen, Veenweiden in Beweging, Programma Aanpak Veenweiden en praktijkproeven bij het Veenweiden Innovatie Centrum (VIC) hebben we de laatste jaren veel ervaring opgedaan met de aanpak van bodemdaling in diverse veenweidepolders. Deze inzichten en kennisvragen worden nu ook landelijk gebundeld in onder andere het Nationaal Onderzoeksprogramma Bodemdaling Veenweiden (NOBV). Het samenspel van agrarische ondernemers, agrarische collectieven, waterschappen, provincie en natuurbeheerders willen we graag voortzetten (poldergewijs) én verdere opschalen. Om daarmee te komen tot een substantiële aanpak van bodemdaling / klimaatgassen op veenweidepercelen in Utrecht. Maatregelen zoals verhogen van grondwaterstand, bodemverbetering en aanpassingen in de bedrijfsvoering kunnen echter nog steeds onvoldoende blijken te zijn om de ambitieuze doelstellingen voor CO2-reductie en bodemdaling te bereiken. In de RVS kijken we dan ook naar andere mogelijkheden met draagvlak voor verdere transitie in het veenweidegebied die bijdragen aan de doelstellingen. Duurzame landbouw met voldoende toekomstperspectief Het Utrechts veenweidegebied is tot stand gekomen door eeuwenlange inspanningen van agrariërs. Zij zijn de belangrijkste dragers en beheerders van het gebied.

Een toekomst zonder agrariërs in het veenweidegebied kunnen wij ons niet voorstellen. De landbouw ontwikkelt zich richting verduurzaming, dit proces gaat de komende jaren door. Een economisch rendabele landbouw is daarbij uitgangspunt. In de huidige situatie heeft de agrarische sector het echter economisch lastig om voort te kunnen bestaan. De aanpak van bodemdaling moet dan ook gericht zijn op een duurzame ontwikkeling van de landbouw in combinatie met voldoende bedrijfseconomisch toekomstperspectief. Dit betekent werken aan een gezonde bodem, aan het remmen van bodemdaling en aan een toekomstbestendig waterbeheer in afstemming met een economisch rendabele agrarische bedrijfsvoering. Dat betekent dat we niet alleen oog hebben voor technische oplossingen, maar ook voor andere landbouwkundige verbeteringen zoals verduurzaming, verdienvermogen bij hogere grondwaterstanden, verbetering van verkaveling en grondbeleid. Verbeteringen die aansluiten bij het ondernemerschap van agrarische ondernemers. Dit is conform de provinciaal vastgestelde landbouwvisie, die inzet op een economisch rendabele, klimaatneutrale, circulaire en natuurinclusieve landbouw.

Bodem, waterbeheer, landbouw en natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden De aanpak van bodemdaling en CO2 in het veenweidegebied hangt sterk samen met het water- en bodembeheer en dit heeft weer direct invloed op de mogelijkheden voor landbouw en natuur. Bij het opstellen van de RVS haken we dan ook aan bij uitdagingen van waterbeheer, landbouw en natuur en de onderlinge wisselwerking die er van nature is. De complexe veenbodem reageert op de grondwaterstand in het perceel zelf. Peilbeheer is een belangrijk instrument, maar het besef groeit dat de grondwaterstand niet alleen door het oppervlaktewaterpeil wordt beïnvloed. Het volledig volgen van de bodemdaling in peilbesluiten is niet zomaar vanzelfsprekend. We hebben te maken met een veranderend klimaat met drogere zomers, meer piekbuien en daarmee samenhangend een watertekort in de zomer en meer wateroverlast in natte perioden. Voldoende zoet water is gezien de klimaatverandering steeds belangrijker. Deze ontwikkeling heeft ook 19 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

gevolgen voor waterkwaliteit, landbouwopbrengst, grondgebruik, kwaliteit van natuurgebieden en biodiversiteit. De hoger wordende zeespiegel zorgt voor een grotere zouttong landinwaarts en een groter overstromingsrisico in de diepst gelegen delen. In het vinden van oplossingen voor bodemdaling hebben we oog voor deze klimaatopgaven en de verbindingen tussen bodem, water, landbouw en natuur. Met hogere grondwaterstanden in de percelen kunnen we bodemdaling en afbraak van veen vertragen, uitdroging van natuurgebieden voorkomen en biodiversiteit vergroten. Echter de grondwaterstanden mogen ook niet te hoog zijn om uitspoeling van nutriënten en ontstaan van methaangas te voorkomen. Dit soort interacties vraagt om maatwerk om te voorkomen dat een ingreep voor het ene doel ten koste gaat van het andere. Ook moet er zicht zijn op het agrarisch verdienvermogen bij een hogere grondwaterstand. Zaken als (voor) financiering en grondbeleid zijn dan aan de orde. Hogere grondwaterstanden vragen in de drogere zomers om meer beschikbaar zoetwater. Daartoe kijkt de waterbeheerder per gebied naar water inlaten, water vasthouden, flexibele peilen. Tegelijk moet ongelijkmatige bodemdaling worden beperkt om daarmee forse kosten voor het waterbeheer te voorkomen.

Het succes van de aanpak van bodemdaling / reductie broeikasgassen hangt direct samen met de mogelijkheden die agrariërs en natuurbeheerders hebben binnen de bedrijfsvoering. Het gaat dan om het samenspel met verduurzamen van bedrijfsvoering, vergroten van biodiversiteit, natuurinclusiviteit, een passend verdienmodel en ook om het anticiperen op maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing en stoppen van agrarische bedrijven door gebrek aan opvolging. Werken als één overheid Wij kijken als initiatiefnemers van de RVS goed naar wat er al speelt, wat werkt, waar urgentie en waar mogelijkheden zijn tot een verdere opschaling van de aanpak. Daarbij zijn we ook alert op kansen voor koppeling met andere doelen zoals doelen die gericht zijn op de stikstofaanpak, op een circulaire en natuurinclusieve landbouw, op versterking van de biodiversiteit, op energietransitie en op recreatie. Een goede samenwerking als overheden (‘één overheid’) onderling en met agrariërs en natuurbeheerders en anderen is daarbij cruciaal (een responsieve, samenwerkende overheid). De één overheid gedachte geven we ook vorm door samen de RVSUtrecht op en vast te stellen en samen te werken in gebiedsprocessen.

20 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

4

Sturingsmogelijkheden en typen maatregelen

4.1

Sturingsmogelijkheden

Zowel in landelijke onderzoeksprogramma’s als het NOBV als regionaal in het Utrechtse veenweidegebied zijn al verschillende sturingsmogelijkheden met bijpassende maatregelen in beeld gebracht voor het remmen van bodemdaling. Met de inzichten van nu komen we op dit moment tot vier sturingsmogelijkheden en bijbehorende type maatregelen. We zitten nog in een traject van uitproberen en innoveren. De kans is groot dat er door de tijd nog meer maatregelen in beeld komen. In de praktijk gaat het vaak om een combinatie van verschillende oplossingsrichtingen en maatregelen. Sturingsmogelijkheid 1: het verhogen van de grondwaterstand in grasland Door het bewust verhogen van grondwaterstand midden in graslandpercelen in de droge periodes kan de veenoxidatie en daarmee de bodemdaling worden beperkt. Maatregelen uit het NOBV die ook deels in Utrechtse veenweidegebied zijn onderzocht of toegepast, zijn: A. Onderwaterdrainage/ waterinfiltratie (infiltratiebuizen vanuit onder in de sloot naar het midden van het perceel). B. Drukdrainage (infiltratiebuizen vanuit een put met een hogere waterstand die het water in de percelen duwt). C. Greppelinfiltratie (infiltratie van oppervlaktewater in het perceel via greppels). D. Hogere slootpeilen/ seizoenspeilen (kan in combinatie met flexibel peilbeheer en infiltratiebuizen en met weidevogelbeheer).

Regionale maatregelen die buiten het NOBV-programma in ons gebied worden onderzocht of toegepast: E.

Moldrainage (infiltratie/ drainage via gangen onder maaiveld tot onder slootwaterpeil als alternatief op drainagebuizen).

Met onderwaterdrainage en flexibele peilen/hogere zomerpeilen is de nodige ervaring opgedaan omdat deze al worden toegepast in het Utrechtse veenweidegebied. De andere maatregelen zijn veelal nog in ontwikkeling. Over het algemeen heeft een peilopzet tot 50cm onder het maaiveld relatief weinig impact op de agrarische bedrijfsvoering. Hogere peilen hebben een grotere impact, maar hoe groot moeten we in de praktijk nog gaan ondervinden. Sturingsmogelijkheid 2: het aanpassen van de bodemsamenstelling Ook met het aanpassen van de bodemsamenstelling kan veenoxidatie en daarmee bodemdaling worden beperkt. Maatregelen die in het NOBV en ook in Utrechtse veenweidegebied zijn onderzocht, zijn: F.

Klei in veen (kleideeltjes mengen met veen en daarmee de oxidatie van het veen remmen). Het gaat bijvoorbeeld om inspoelen van klei in veen. Hier is als bodemdalingsmaatregel nog niet veel kennis van en ervaring mee. Ook is nog niet bekend welk effect op emissies van broeikasgassen precies is te verwachten. Mogelijk is de impact op de bedrijfsvoering beperkt. G. Innovatief ophogen van de bodem (lage delen van het perceel ophogen met liefst lichte materialen; regionale maatregel). H. De bodem bedekt laten. Door scheuren of frezen van grasland kan, zolang de bodem niet met gewas bedekt is, extra oxidatie optreden. Daarom is het belangrijk de bodem zo min mogelijk onbedekt te laten.

21 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Sturingsmogelijkheid 3: transitie naar landbouwkundig gebruik met hoge grondwaterstand In deze sturingsmogelijkheid gaat het om vragen als: welke landbouwvormen zijn mogelijk bij een extreem hoge grondwaterstand? Hoe kan hierbij nog een rendabele vorm van melkveehouderij zijn, al dan niet in combinatie met weidevogelbeheer? Zijn er andere teelten mogelijk? Bijvoorbeeld lisdodde of riet, toegepast op een deel of zelfs het hele bedrijf, waarbij in het laatste geval de impact op de bedrijfsvoering van veehouders het grootst is. NOBV-maatregelen die bij deze sturingsmogelijkheid passen (deels ook in Utrechts veenweidegebied onderzocht) zijn: I.

J.

Boeren op hoog water (dit gaat minder om de techniek van infiltratie maar meer om het onderzoeken van mogelijkheden voor een rendabele bedrijfsvoering met een extreem hoge grondwaterstand van -20 cm onder maaiveld). Natte teelten op het gehele grasland ten behoeve van afzetmarkt.

Regionale maatregelen: K. L.

Waterinfiltratie voor weidevogels (onderzoeken mogelijkheden voor weidevogelbeheer bij extreem hoge waterstand van -20 cm onder maaiveld). Natte teelten in greppels, slootkanten of kleinere laaggelegen delen binnen de melkveehouderij.

Sturingsmogelijkheid 4: Water vasthouden voor robuuste natuurgebieden op veenbodem In het Utrechtse veenweidegebied ligt een aantal natuurgebieden met natte natuurwaarden. Deze kennen vaak al een hoger peil, maar hebben door wegzijging in droge zomers te kampen met verdroging en daarmee met uitstoot van broeikasgassen. Het helpt dan om rondom de natuurgebieden een overgangszone te maken waarin de grondwaterstand wat hoger is. Er zijn daartoe verschillende denkbare mogelijkheden. Op dit moment hebben we in beeld: met verdienmodel werken aan natuurinclusieve landbouw, realisatie van recreatiegebied en maatregelen in de natuurgebieden zelf om meer water vast te houden zodat deze natuurgebieden beter als spons gaan functioneren. Maatregelen zijn: M. Water vasthouden in natuurgebieden (sponswerking verbeteren) N. Overgangsgebieden rondom natuurgebieden (bijvoorbeeld met natuurinclusieve landbouw of recreatiegebied met hogere grondwaterstanden).

Tabel 4.1 Kenmerken van bodemdalingsmaatregelen Maatregel

Sturingsmogelijkheid

Kenmerken

Lopende pilots/ projecten in Utrecht

A. Onderwaterdrainage

1

Infiltratiebuizen van sloot naar midden perceel

Groot Wilnis Vinkeveen (158 uitgevoerd van 950 ha) Kortrijk & Portengen (230 ha), Zegveld en individuele boeren

B. Drukdrainage

1

Infiltratiebuizen vanuit put met hogere waterstand die water perceel in drukt

Spengen (55 ha), Kamerik (15 ha)

C. Greppelinfiltratie

1

Infiltratie via greppels in perceel

Elders

D. Hogere slootpeilen

1

Hogere zomerpeilen, flexibel peil om water meer vast te kunnen houden. Dit is

Diverse gebieden

22 Koersdocument Regionale Veenweiden Strategie mei 2021

Maatregel

Sturingsmogelijkheid

Kenmerken

Lopende pilots/ projecten in Utrecht

te combineren met weidevogelbeheer of samen met onderwaterdrainage. E. Moldrains

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d288216c-8e87-4ba3-8165-e77d26fd0673