CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Facetherziening buisleiding Hoornaar-Reijerscop (Vijfheerenlanden).pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 9 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buisleiding Hoornaar-MR Reijerscop14.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

39

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico wordt beschreven in een zogenaamde F(N)‐curve en is afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting. Op de verticale as wordt de kans weergegeven dat meer dan N‐slachtoffers ten gevolge van het beschouwde scenario komen te overlijden. De kans wordt uitgedrukt in de eenheid 'per jaar'. Op de horizontale as staat het aantal slachtoffers weergegeven. Het groepsrisico kent, in vergelijking tot het plaatsgebonden risico, echter geen strikte normering. Wel wordt er uitgegaan van een oriëntatiewaarde, die recht doet aan risicoaversie (hoe groter de ramp, hoe lager het acceptabele risico). De oriëntatiewaarde geeft een eerste inzicht in het niveau van het risico. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde (= 1) niet overschrijdt. Voor leiding A‐555‐08 is over de gehele lengte van de leiding een maximaal groepsrisico berekend van 6.471E‐004 maal de oriëntatiewaarde, voor die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 11410.00 en stationing 12410.00. Dit tracé ligt grotendeels in de gemeente Lopik, maar ook deels in het grensgebied met de gemeente Vijfheerenlanden en in de gemeente Vijfheerenlanden zelf.

Het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Er wordt hierdoor voldaan aan de norm voor het groepsrisico conform het Bevb. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico voor het leidingtransport vormt geen belemmering voor het plan, daarom kan een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het is van belang dat de hulpdiensten in geval van een incident het plangebied kunnen bereiken. Hierbij is het van belang dat de toegangsweg voor de hulpdiensten niet geblokkeerd wordt door bouwmateriaal. Het plangebied ligt nabij de A2 en A27. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.

Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om in bebouwing afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

40

Conclusie Er is voor de buisleiding geen PR10‐6‐contour berekend en het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.

4.5

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn regels met betrekking tot geluid voorgeschreven. Hierin is voorgeschreven dat in bepaalde nieuwe situaties akoestisch onderzoek moet worden verricht. Het gaat daarbij om nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen en scholen) en om nieuwe geluidveroorzakende functies (zoals wegen en bedrijven). Conclusie De aanleg van een gastransportleiding leidt niet tot een extra geluidbelasting, want dit heeft geen verkeersaantrekkende werking. Tevens is de gasleiding geen geluidgevoelige functie. Onderzoek naar het aspect geluid is daarom niet nodig.

4.6

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

41

Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Conclusie De aanleg van de gastransportleiding kan niet onder deze getalsmatige grenzen worden geschaard. Deze ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking en zal daarom niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.7

Niet gesprongen explosieven

Als gevolg van gevechtshandelingen kunnen er conventionele explosieven (CE) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van CE uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane CE vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Plansituatie Om de risico's als gevolg van de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (CE) bij de aanleg van de nieuwe leiding in te kunnen schatten, is een bureaustudie naar de aanwezigheid van CE uitgevoerd. Het bureauonderzoek betreft een historisch vooronderzoek volgens de WCSC‐OCE. Het vooronderzoek CE is uitgevoerd voor het gehele tracé. In het rapport 'Bureaustudie CE, (d.d. 18‐05‐2021, kenmerk: 455773), zijn hiervan de bevindingen beschreven (zie bijlage 9). Op basis van de bevindingen tijdens het historische vooronderzoek naar de aanwezigheid van CE wordt het volgende geconcludeerd:  In het gebied kunnen CE aanwezig zijn als gevolg van de volgende handelingen / gebeurtenissen: 1. Het dumpen van wapens en munitie na de capitulatie. 2. Ontploffing van een munitieschip.

 Als gevolg van de bij het vorige punt genoemde handelingen kunnen de volgende soorten CE aanwezig zijn: 1. Gedumpte munitie. 2. CE verspreidt door de explosie van het munitieschip.  De verdachte gebieden zijn op de bodembelastingkaart in het rapport in bijlage 2 weergegeven.  Na vaststelling van het definitieve tracé kan een strategie voor het vervolgtraject met betrekking tot CE worden opgesteld. Conclusie Het aspect explosieven geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en de uitvoering van de werkzaamheden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

42

4.8

Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de waterparagraaf. Onderzoek In het geohydrologische rapport (Antea Group, d.d. 24 februari 2022, bijlage 10) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico's van de bemaling beschouwd. Om constructietechnische‐ en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Op het tracé Hoornaar bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich overwegend tussen NAP ‐8,0 m à NAP ‐9,5 m en bestaat uit klei en veen. Zeer lokaal komen zandlagen in de holocene deklaag voor. Op het meest noordelijke deel van het tracé bevindt de onderzijde van de deklaag zich op NAP ‐4,0 m à NAP ‐6,1 m. Onder de deklaag is tot een diepte van NAP ‐45 m à NAP ‐60 m het eerste watervoerend pakket aanwezig.

Dit watervoerend pakket bestaat overwegend uit grof tot zeer grof zand. Plaatselijk bestaan de bovenste meters van het watervoerend pakket uit (matig) fijn zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Hoornaar varieert overwegend tussen 0,30 m ‐mv en 1,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket loopt in een GHS vanuit het zuiden richting de Lek op van NAP ‐1,30 m naar NAP +0,70 m vervolgens loopt de stijghoogte noordelijk richting weer af naar NAP ‐1,30 m. De stijghoogte is in een GLS situatie 0,2 m à 1,2 m lager (hoe dichter bij de Lek hoe groter de fluctuatie). Op de delen waar een zandtussenlaag aanwezig is bevindt de stijghoogte in de zandtussenlaag zich tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich op circa NAP ‐4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m ‐mv en 2,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP ‐0,30 m en NAP ‐0,60 m.

Volgens de digitale kaart 'Grondwaterbeschermingsgebieden' van de provincie Utrecht en Zuid‐Holland blijkt dat binnen het invloedsgebied van de bemalingen diverse boringsvrije zones gelegen zijn. Op het tracé Hoornaar‐M&R Reijerscop is ten noorden van Benschop (gebied Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) het grondwaterwaterwingebied 'Blokland' binnen het invloedsgebied van de bemalingen gelegen. De stijghoogte wordt ter plaatse van dit waterwingebied in een GHS situatie met maximaal 0,20 m verlaagd. De mate en duur van de verlaging van de stijghoogte zijn beperkt, er wordt niet verwacht dat de bemalingen een noemenswaardig negatief effect hebben op de waterwinning. Onttrekking Voor de freatische bemaling kan worden volstaan met open bemaling. Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld. Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m‐mv voorgesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

43

Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,8 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in de beheergebieden van waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig en is een m.e.r. beoordeling noodzakelijk. Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld het de Lek, wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld‐ of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij waterschap Rivierenland wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. Er is bij lozing op deze oppervlaktewaterlichamen een vergunning benodigd. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. De noodzaak voor een vergunningaanvraag dient te worden overlegd met het hoogheemraadschap. Ten aanzien van de kwaliteit van het lozingswater dient een melding van de lozing in het kader van het Blbi plaats te vinden. Effecten Uit de zettingsberekeningen blijkt dat op het tracé Hoornaar binnen de 1,0 m verlagingscontour (stijghoogte watervoerend pakket) zettingen van 7 à 10 mm zijn te verwachten.

Als gevolg van de bemalingen worden verder geen noemenswaardige effecten op de omgeving verwacht. De volgende aanbevelingen worden gedaan:  Uitvoeren m.e.r. beoordeling (zie paragraaf 4.9);  Aanvragen vergunning grondwateronttrekking en lozing op oppervlaktewater;  Opstellen monitoringsadvies;  Monitoren stijghoogteverlagingen;  Aanvragen vergunningen voor onttrekken grondwater uit grondwaterbeschermingsgebieden;  Monitoren grondwaterkwaliteit (ijzer, chloride, onopgeloste bestanddelen). Conclusie De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) dient nog plaats te vinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

44

4.9

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffectrapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffectrapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2‐stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarden van 5 kilometer van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden. Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.". Het totale waterbezwaar voor het plan betreft circa 1,7 miljoen m3.

Er is hier sprake van m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage wordt overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.‐plicht is niet aan de orde (categorie C 15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan‐MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan is kaderstellend indien het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie. De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld. Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan‐MER is niet aan de orde.

Voorts is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan‐MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval:  Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is;  De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%);  Uit de voorliggende m.e.r.‐beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is het derhalve niet aan de orde om een plan‐MER op te stellen. De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling (zie bijlage 11) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde (bemalings‐)werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet tot waarschijnlijk belangrijke nadelige milieueffecten leiden. Op 8 juli 2022 is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is. De gebundelde besluiten van de gemeentes waarop het tracé betrekking heeft is opgenomen in bijlage 12.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

45

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de bestemmingsplanvorm, de systematiek en leeswijzer bij de regels en ten slotte de handhaafbaarheid.

5.2

Planvorm

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat geheel uit een dubbelbestemming, zonder enkelbestemmingen. Hiervoor is gekozen, omdat enkel de gasleiding wordt mogelijk gemaakt. De andere functies in het gebied blijven hetzelfde. Het opnemen van de enkelbestemmingen zou in dat geval misleidend zijn, omdat dat niet is waar dit bestemmingsplan om gaat. Dit voorliggende bestemmingsplan vormt een ‘facetherziening’. Dat houdt in dat de bestemmingsplannen die onder het plangebied van voorliggend bestemmingsplan liggen, geldend blijven en niet worden vervangen door dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan komt er als het ware ‘overheen’ te liggen.

5.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hoofdstuk 2 geeft de planregels behorende bij de in het plangebied voorkomende dubbelbestemming. Hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende, bepalingen en hoofdstuk 4 bevat tot slot de overgangsregels en slotregel. Toepassingsregels In de planregels van het bestemmingsplan zijn de planregels van de onderliggende geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. Alle (onderliggende) bestemmingen zijn en blijven daarmee nog steeds van kracht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

46

Dubbelbestemming Leiding ‐ Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 5 meter aan weerzijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. In het voorliggende bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

47

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaand hoofdstuk, zal ook de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project moeten worden aangetoond.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De aanleg van de circa nieuwe leiding (horizontaal gestuurde boring) en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. GTS heeft voor het project een raming opgesteld. GTS is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van GTS. GTS is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding zal GTS een standaardovereenkomst met de gemeente afsluiten. Daarnaast heeft GTS met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen.

6.2

Grondexploitatie

In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De aanleg van een leiding worden echter niet als een dergelijk bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro is het daarom niet verplicht om exploitatieplan op te stellen.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Er zijn reacties ontvangen van Rijkswaterstaat, Dunea, Waterschap Rivierenland, OASEN en de provincie Utrecht. Naar aanleiding van het overleg zijn de onderzoeken voor de aspecten bodem, archeologie, externe veiligheid (QRA), ecologie, water (geohydrologisch onderzoek) en de vormvrije m.e.r.‐beoordeling geüpdatet. Hiernaast is naar aanleiding van het overleg met de provincie Utrecht is paragraaf 3.2 aangepast en uitgebreid met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. In deze periode is één zienswijze binnengekomen. Een samenvatting van de zienswijze en beantwoording is opgenomen in bijlage 13 Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

48

Ambtshalve wijziging Vanwege optimalisatie van het ontwerp zijn er enkele (minimale) wijzigingen van de ligging van de gastransportleiding en het plangebied doorgevoerd. Vaststelling Vervolgens stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch bureau‐ en veldonderzoek, gemeente Vijfheerenlanden

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 2 Historisch vooronderzoek bodem

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 4 Bureaustudie ecologie

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 5 Natuurtoets

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 6 Passende beoordeling stikstofdepositie

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 7 Addendum passende beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 8 QRA aardgasleiding

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 9 Bureaustudie CE

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Bijlage 10

Rho adviseurs voor leefruimte

Geohydrologisch rapport

20191066.003

Bijlage 11

Rho adviseurs voor leefruimte

Aanmeldingsnotitie mer‐beoordeling

20191066.003

Bijlage 12

Rho adviseurs voor leefruimte

Gebundelde m.e.r.‐beoordelingsbesluiten

20191066.003

Bijlage 13

Rho adviseurs voor leefruimte

Nota zienswijze

20191066.003

REGELS

79

Hoofdstuk 1

Artikel 1 a.

Toepassingsregels

Dit bestemmingsplan is van toepassing op de volgende bestemmingsplannen en de daarin aangehaalde regels:

bestemmingsplan Buitengebied Zederik Reparatieplan Buitengebied Zederik b.

Inleidende regels

identificatie vastgesteld door de gemeenteraad op NL.IMRO.0707.BPBuitengebied 29 juni 2015 ZDR‐VG02 NL.IMRO.0707.BPZDRREPBUITE 19 november 2018 NGEB‐VG01

De regels van de onder a genoemde bestemmingsplannen en eventuele bijlagen zijn, onverkort van toepassing met inachtneming van de aanpassingen en aanvullingen die zijn aangegeven in Artikel 2 Begrippen, Artikel 3 Wijze van meten, Artikel 4 Leiding ‐ Gas, Artikel 5 Anti‐dubbeltelregel, Artikel 6 Overgangsrecht en Artikel 7 Slotregel.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

80

Artikel 2

Begrippen

2.1 plan het bestemmingsplan Facetherziening buisleiding Hoornaar‐Reijerscop (Vijfheerenlanden) met identificatienummer NL.IMRO.1961.BPVHLghleiding‐VG01 van de gemeente Vijfheerenlanden. 2.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

81

Artikel 3

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 3.1 De bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.2 De oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.3 Meten bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de (digitale) verbeelding.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

82

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

83

Hoofdstuk 2

Artikel 4

Bestemmingsregels

Leiding ‐ Gas

4.1 Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding als zodanig aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hoge druk gastransportleidingen (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken. 4.2 Voorrangbepaling De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. 4.3 Bouwregels In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt dat op of in de in 4.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de ondergrondse hoge druk gastransportleiding mogen worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid. 4.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken ondergrondse hoge druk gastransportleiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten. 4.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a.

het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de ondergrondse hoge druk gastransportleiding. b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen, indien daardoor een kwetsbaar object wordt toegelaten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

84

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Verbod Het is verboden om op of in de gronden met de bestemming 'Leiding ‐ Gas' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. 4.6.2 Uitzonderingen Het in 4.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden: a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; b. die het normale beheer en onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie‐uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken; d. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

4.6.3 Toetsingscriteria Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kan worden verleend indien de betreffende werken en/of werkzaamheden de belangen van de ondergrondse hoge druk gastransportleiding niet schaden. 4.6.4 Advies leidingbeheerder Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 4.6.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de ondergrondse hoge druk gastransportleiding niet worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

85

Hoofdstuk 3

Artikel 5

Algemene regels

Anti‐dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

86

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

87

Hoofdstuk 4

Artikel 6

Overgangs‐ en slotregels

Overgangsrecht

6.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sublid a met maximaal 10%. c. Sublid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 6.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sublid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

88

Artikel 7

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Facetherziening buisleiding Hoornaar‐Reijerscop (Vijfheerenlanden) van de gemeente Vijfheerenlanden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

VERBEELDING

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=5f94c602-9866-4628-a14d-ae33f8154b8d