Ecologische quickscan.pdf
Tekst van het document
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. T. Versluis Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Datum
3 december 2019
Kenmerk
BE/2019/102
Uw kenmerk
Email d.d. 29 oktober 2018
Auteur(s)
J.E. Soethout en C.J. Blom
Collegiale toets
T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Recht van ter Leede 40a te Leerbroek Aan de Recht van ter Leede 40a te Leerbroek is een melkveehouderij gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens alle bebouwing (bedrijfswoning, stallen en schuren) te saneren ten behoeve van een basisschool en 32 burgerwoningen. Ook worden enkele watergangen gerealiseerd. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Recht van ter Leede 40a te Leerbroek en het betreft een melkveehouderij (figuur 1). De bedrijfswoning is opgebouwd uit een enkel laags gemetselde stenenmuur zonder luchtspouw en het draagt een zadeldak met dakpannen (figuur 2A). De bedrijfswoning grenst aan de koeienstal welke dezelfde bouwwijze heeft als de bedrijfswoning. Het dak is enkel geïsoleerd met riet van binnenuit, welke ook dient als hooizolder (figuur 2B). Aan de koeienstal is een uitbouw gevestigd (figuur 2C). Deze is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, zonder luchtspouw, en draagt een schuin golfplaten dak met isolatiemateriaal. De schuren welke worden gebruikt voor vee opstal (figuur 2D) zijn opgetrokken uit een houten of metalenconstructie, bedekt met golfplaten en bezitten een golfplaten dak. De opslagschuur (figuur 2E) is opgebouwd uit een combinatie met een houten en metalenconstructie. De zijkanten zijn opgetrokken uit houten planken en het draagt een schuin golfplaten dak. Aan de noordoostzijde van de planlocatie staat nog een schuur gesitueerd waar opstal jongvee staat (figuur 2F). Deze is opgebouwd uit een metalenconstructie, bedekt met golfplaten en draagt een golfplaten dak. Alle schuren (D t/m F) bezitten één zijde welke geheel open is. Rondom de bebouwing is sprak van verharding.
De noordoostzijde van de planlocatie wordt begrensd door een grasperceel welke bij de planlocatie hoort. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door (agrarische)bedrijven, woonpercelen, watergangen en infrastructuur. Ten oosten van de planlocatie ligt de N484 gesitueerd op een afstand van 3,3 km. De A27 ligt ten westen van de planlocatie op een afstand van 4,7 km gesitueerd.
Figuur 1 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Recht van ter Leede 40a te Leerbroek (bron: arcgis.com).
2
Figuur 1 De bebouwing welke aanwezig is op de planlocatie, A: bedrijfswoning, B, C, D en F: koeienstallen en E: opslagschuur (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de sloop van de huidige bebouwing (bedrijfswoning, koeienstallen en opslagschuur), de realisatie van een basisschool, 31 burgerwoningen en watergangen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van de bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • vergraven terrein en egaliseren; graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden; Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.).
3
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rusten voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht.
4
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Ondergrondse woelmuis
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen op de planlocatie. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. In het algemeen komen muurvegetaties in ons land voor op stenige, steile tot verticale standplaatsen. Van nature groeien ze op gebergten en rotsen. Een alternatieve standplaats zijn voegen op verweerde muren. De vegetatie binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit algemene vaatplanten en aangeplante gecultiveerde en/of algemene inheemse vaatplanten. De aangetroffen vegetatie betreft onder andere: wilgen, echte kamille, scherpe boterbloem, hondsdraf, paarse dovennetel, es, vogelmuur en braam. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is in gebruik als zijnde een melkveehouderij, is voornamelijk verhard en bezit een grasperceel. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In de directe omgeving van de planlocaties zijn, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, vos, wezel, woelrat en diverse muisachtigen (NDFF, 2000-2019). Enkele zoogdiersoorten zijn door de provincie vrijgesteld van bescherming, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Voor al deze in de omgeving voorkomende soorten geldt een dergelijke vrijstelling. Veel grondgebonden zoogdieren prefereren een structuurrijke omgeving (vegetatie, macroreliëf, etc.) waarin voldoende rust en voedsel zijn gewaarborgd.
Op de planlocatie vindt met regelmaat verstoring plaats door menselijke activiteiten. De planlocatie bestaat uit verharding en een grasperceel met een hoog kwaliteitsbeeld. Een structuurrijke omgeving van voldoende grootte en kwaliteit is niet aanwezig op de planlocatie of in de directe omgeving. Tevens zijn er ten tijde van het veldbezoek geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van beschermde soorten. Verblijven van marterachtigen, waaronder de bunzing, hermelijn en wezel, gaan samen met prooiresten (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren etc.), nesten, pootafdrukken of loopsporen, uitwerpselen, latrines en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie op en rondom de planlocatie zijn deze sporen niet aangetroffen. Het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor deze marterachtigen door het ontbreken van vegetatierijke structuren en de hoge mate van menselijke verstoring. Bij tijd en wijle is het mogelijk dat een marterachtige de planlocatie passeert. Echter geldt voor deze kleine marterachtigen een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie heeft hooguit een (beperkte) functie voor algemene/ opportunistische soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Dit betreft met name mol, rat- en muisachtigen.
Voor dergelijke soorten is in de directe omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven gedurende de roering die kan ontstaan tijdens werkzaamheden. Essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren zijn niet aanwezig en worden derhalve niet aangetast. Mits enkele maatregelen worden getroffen in het kader van
5
de Algemene zorgplicht leidt de beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten voor beschermde zoogdieren. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2000-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig welke potentieel geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van boom bewonende vleermuizen, door het ontbreken van openingen. Het is derhalve uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot het ongeschikt raken van vaste rust- en verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De bebouwing, welke is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, bezit niet over een spouwmuur. Echter zijn er in nokgevel openingen waargenomen onder de boeiborden (figuur 2). Dergelijke openingen geven toegang tot de achtergelegen open ruimte (tussen het dakbeschot en dakpannen) en zijn derhalve potentieel geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De aanvliegroute naar de openingen zijn tevens geschikt. Om uit te sluiten of de potentieel geschikte vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen daadwerkelijk gebruikt worden dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van rust- en verblijfplaatsen en de functie van het plangebied voor vleermuizen (onderzoek conform vleermuisprotocol 2017).
Figuur 2 Potentiele toegang naar achterliggende ruimte, welke kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen. Ten aanzien van de soortgroep dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
6
Naast dat het niet uit te sluiten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als onderdeel van het foerageergebied. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze niet aangetast. In de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie zijn geen lijnvormige structuren aanwezige die een essentiële functie hebben met betrekking tot vliegen/of migratieroutes. De planlocatie vormt, gezien de overvloed aan vergelijkbaar of meer kwalitatief leefgebied, geen essentieel foerageergebied. De ontwikkeling leidt niet tot significante aantasting of afname van het foerageergebied en vlieg/migratieroutes. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast of de werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: ringslang, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2000-2019). Voor de ringslang, heikikker, kamsalamander, poelkikker en de rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Rondom de planlocatie zijn kavelsloten gesitueerd. De kavelsloten rondom de bebouwing bezitten een beschoeide oever. Het is voor amfibieën niet mogelijk om het oppervlaktewater te verlaten. De kavelsloten rondom het grasperceel hebben geen beschoeide oever.
Echter is eendenkroos in de kavelsloten aanwezig (figuur 3). Kroos is een indicator voor een slechte waterkwaliteit met een hoge nutriëntenlading. Beschermde amfibieën stellen hoge eisen aan het voortplantingswater. De kavelsloten zijn ongeschikt als voorplantingswater door de slechte waterkwaliteit, de voedselrijkheid en het ontbreken van onderwatervegetatie.
Figuur 3 Watergangen met eendenkroos geven aan dat het water een slechte waterkwaliteit bezit.
7
Op de planlocatie ontbreken vegetatierijke structuren of andere vorstvrije plaatsen, welke kunnen dienen als overwinteringslocatie. Bovendien vindt er met grote regelmaat menselijke verstoring op de planlocatie plaats. Derhalve zijn negatieve effecten op beschermde amfibieën uitgesloten. Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). De laatste waarneming welke het dichtstbij de planlocatie waargenomen is, was in 2017 op een afstand van 1,4 km. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen. Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van vergraafbaar zand en langdurige materiaalopslag binnen het plangebied. Daarnaast kan door het plaatsen van schermen het plangebied ontoegankelijk gemaakt worden (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017).
Het voorkomen van de ringslang op de planlocatie kan worden uitgesloten aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Door het ontbreken van geschikt habitat en de hoge mate van menselijke verstoring is de aanwezigheid van reptielen op de planlocatie uitgesloten. Gedurende de ontwikkeling worden mogelijk incidenteel passerende of aanwezige (algemene) minder watergebonden amfibieën verstoord. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In de omgeving is het voorkomen bekend van: baars, bittervoorn, blankvoorn, brasem, driedoornige stekelbaars, kleine modderkruiper, kolblei, pos, ruisvoorn, snoek, tiendoornige stekelbaars, vetje en zeelt. Voor al de voorkomende soorten geldt dat ze niet zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Bovendien zijn de watergangen niet geschikt voor beschermde soorten, aangezien onderwatervegetatie ontbreekt, het water voedselrijk is en een slechte waterkwaliteit heeft. De kavelsloten vormen enkel potentieel functioneel leefgebied voor algemene vissoorten. In de beoogde ontwikkelingen worden verschillende watergangen gerealiseerd of met bestaande watergangen verbonden.
De realisatie van de watergangen dient door middel van afdammen gerealiseerd te worden. Hierbij worden eerst de te realiseren watergangen gegraven, welke door middel van dammen gescheiden blijven met de bestaande watergang. Waarna deze pas als laatste in verbinding worden gebracht met de bestaande watergangen door de afdammen te verwijderen (figuur 4).
Figuur 4 De watergangen dienen door afdammen gerealiseerd te worden.
8
Mogelijk bestaat er een kans dat er geluids- en/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: huismus, houtduif, kauw, zilvermeeuw, buizerd, vink, knobbelzwaan, ekster, merel, kievit, Turkse tortel, mantelmeeuw.
De planlocatie biedt mogelijk foerageergelegenheid voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. De te slopen bebouwing biedt toegang voor soorten die gebruik maken van bebouwing, zoals steenuil en kerkuil. Bij de inspectie is de bebouwing van binnenuit gecontroleerd. Daarbij zijn geen sporen van uilen of andere roofvogels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid dan wel het functioneel gebruik (o.a. veren, uitwerpselen, braakballen, prooiresten en krijtsporen). De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden op basis van het ontbreken van horsten in de aanwezige bomen. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soorten is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus is sterk verbonden met de mens en nestelt graag op beschutte plekken onder daken. Daarbij stelt de huismus een aantal eisen aan zijn leefgebied. Zo moeten er genoeg voedselbronnen, groenblijvende hagen, drinkwater, grind/zand (voor stofbaden) aanwezig zijn.
De huismus is een standvogel en verblijft binnen enkele honderden meters van zijn broedplek. De verschillende habitateisen moeten dan ook binnen het bereik van de broedplaats aanwezig zijn. Op de planlocatie zijn alle habitateisen aanwezig. De onderste rij dakpannen, van de woning, en de golfplaten, van de koeienstal (C), zijn toegankelijk voor de huismus. Daarbij zijn ook meerdere huismussen tijdens de veldinspectie op de planlocatie waargenomen. De beoogde ontwikkelingen leiden tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteren niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. Echter om de aan- dan wel afwezigheid van nestlocaties en de functie van het plangebied voor de huismus vast te stellen dient een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Dit kan middels twee gerichte veldbezoeken in het broedseizoen. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken. En is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Potentieel geschikte in- en uitvliegopeningen op voldoende hoogte zijn niet aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake.
9
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in het voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Overige Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km ten westen van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).
Wél maakt de planlocatie deel uit van een Belangrijk weidevogelgebied (figuur 7). Ten aanzien van het weidevogelgebied dient er volgens provinciaal beleid een ‘nee, tenzij’-toets uitgevoerd te worden.
Figuur 5 De planlocatie ligt op een afstand van 3,2 km tot het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl)
10
Figuur 6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).
Figuur 7 De planlocatie ligt gedeeltelijk pzh.b3p.nl/viewer/app/NNNl).
in
een
Belangrijk
weidevogelgebied
(bron:
De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de huidige bebouwing (bedrijfswoning, stallen en schuren) en de realisatie van een basisschool en 32 burgerwoningen, wat leidt tot een verkeerstoename. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf:
11
• Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019). Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw bijgebouw, wat ten opzichte van de huidige situatie niet leidt tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal met hoge isolatiewaarden relatief lage tot geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien de planlocatie gelegen is aan de rand van een (landelijk/agrarisch) dorp en het een kleinschalig project betreft, worden er geen enkele negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied verwacht. Een deel van de ontwikkeling vindt plaats in beschermd weidevogelgebied. Het gebied behoorde tot 1 januari 2019 tot de provincie Zuid-Holland. Daarna als gevolg van gemeentelijke fusie tot de provincie Utrecht. In de praktijk wordt door de provincie Utrecht in beperkte mate getoetst aan het weidevogelbeleid. Onderstaand wordt beschouwd welke potentie de planlocatie heeft voor weidevogels en wat de mogelijk effecten zijn op het gebruik van (dit deel van) het weidevogelgebied. Ten aanzien van bebouwing, bomenrijen en menselijke activiteiten wordt een verstoringsafstand van tenminste 200m in acht genomen (Oosterveld et al, 2014).
In figuur 8 wordt afgebeeld wat de huidige en nieuwe verstoringafstand is (op basis van 200m), hieruit blijkt dat er geen toename is van verstoring als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
12
Figuur 8 De huidige (pagina 12) en toekomstige verstoring (boven) van de aanwezige bebouwing op de aanwezigheid van weidevogels (bron kaart ArcGIS). Volledigheidshalve is de NDFF geraadpleegd of er in het recente verleden waarnemingen zijn gedaan van weidevogels. Uit deze database bleek dat in de afgelopen 10 jaar meerdere waarnemingen bekend zijn van een breed scala aan soorten die slechts kort aanwezig waren (overvliegend/even rustend). In deze periode is één baltsende grutto waargenomen. De beoogde ontwikkellocatie maakt aannemelijk geen deel uit van voor weidevogels relevant gebied. Het gebied wordt, voor zover bekend gebruikt als algemeen leefgebied en heeft geen bijzondere waarde voor weidevogels. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunning plichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Op de planlocatie zijn houtopstanden (beschreven onder a en b) aanwezig. In de beoogde ontwikkelingen worden deze bomen gekapt. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
13
Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing heeft, behoudens mogelijk vleermuis en huismus, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, wél maakt het deel uit van Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+
-
-
+/-
-
+/-
n
n
n
+
+
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
+/-
+/-
Soort specifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
3,2 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,4 km
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
-
nihil
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding/ vergunning
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
j
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
- = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)
zoogdieren
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
vaatplanten
Tabel 2
1
-
n
j1
Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (m.n. wordt gewone dwergvleermuis, laatvlieger of huismus verwacht) zijn goed te compenseren. Het is dan ook de reële verwachting dat bevoegd gezag (provincie Utrecht) bij het treffen van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn). 1
14
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van vleermuis, huismus en het Belangrijk weidevogelgebied) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels een aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuis en huismus. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging, van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie Het saneren van de bebouwing aan de Recht van ter Leede 40a te Leerdam ten behoeve van een basisschool en 32 burgerwoningen, is na uitvoering van aanvullend onderzoek en eventuele ontheffing, uitvoerbaar zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Het aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de sloop van de bebouwing.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor het vaststellen van aan- of afwezigheid van nestlocaties van huismus in de te slopen bebouwing dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Dit kan door middel van twee gerichte veldbezoeken in het broedseizoen, in de periode 1 april – 15 mei met minstens 10 dagen tussen ieder veldbezoek of door middel van een eenmalige inspectie van de desbetreffende daken buiten het broedseizoen.
• Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen binnen het plangebied. Het aanvullende onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de richtlijnen uit het vleermuisprotocol, met vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 1 oktober. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
15
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.
KNNV Uitgeverij, Utrecht. Oosterveld, E.B., L.W. Bruinzeel, E. Wymenga. 2014. Ecologie van weidevogels: Kennisbundeling voor bescherming en beheer. A&W-rapport 1831. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. J.E. Soethout (versie 1)
Blom Ecologie B.V., ing. C.J. Blom (versie 2)
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
Figuur 1 De planlocatie is gelegen de lintbebouwing aan de Recht van ter Leede 40a te Leerbroek.
Figuur 2 Het plangebied betreft een melkveehouderij met een grasperceel en verschillende stallen en schuren.
19
Figuur 3 De initiatiefnemer is voornemens om alle aanwezige bebouwing (bedrijfswoning, stallen en schuren) te saneren.
Figuur 4 De melkveehouderij zal plaats maken voor een basisschool en 31 burgerwoningen.
20
Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
21
Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Indien uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Middels onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van EL&I, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
22
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
23
Overige soort Ten aanzien van Overige soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
24