Bijlage toelichting 05 Quick scan ecologie - Doelakkerweg 56, Ameide
Tekst van het document
QuickScan Wet Natuurbescherming Sloop van bestaande loods met als compensatie twee onder één kapwoningen te realiseren. Doelakkerweg 56, Ameide.
Rapportnummer 20190025 Datum rapport 18-06-2020 (aangepaste versie)
Opdrachtgever Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Kingfisher Natuurprojecten. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Kingfisher Natuurprojecten hoge prioriteit.
Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming 1.2.2. Gebiedsbescherming 1.3. Doel 1.4. Leeswijzer 2. Huidige en Toekomstige situatie 2.1. Beschrijving huidige situatie 2.2. Beschrijving toekomstige situatie 3. Aanwezigheid beschermde soorten 3.1. Methode onderzoek 3.2. Resultaten bureaustudie 3.3. Resultaten veldbezoek 3.3.1. Inleiding 3.3.2. Waarnemingen 3.3.3. Geschiktheid Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor 3.3.4. Ongeschiktheid Het plangebied is ongeschikt als groeiplaats/verblijfplaats voor 4. Beknopte effectenanalyse en maatregelen 4.1. Inleiding 4.2. Vogels 4.2.1. Inleiding 4.2.2. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) 4.2.3. Vogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten 5. Gebiedsbescherming 6. Conclusies en aanbevelingen 6.1. Soortenbescherming 6.2. Gebiedsbescherming
2
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer wenst een bestaande loods te slopen met als compensatie twee onder één kap woningen te realiseren. Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Kingfisher Natuurprojecten gevraagd een ecologische quickscan uit te voeren. 1.2
Wet natuurbescherming
1.2.1
Soortenbescherming
Via de Wet natuurbescherming (WNB) is de bescherming van diverse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de WNB), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wet natuurbescherming niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. 1.2.2
Vrijstelling binnen provincie Utrecht
Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Utrecht worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaard kikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat. 1.2.3
Voorzorgsmaatregelen
Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is veelal te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (bijv. doden en verwonden). 1.2.4
Ontheffingsplicht
Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de WNB) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende omgevingsdienst (in deze de Omgevingsdienst Haaglanden). De omgevingsdienst toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria:
3
- Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? - Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? - Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.5
Gebiedenbescherming
Via de Wet natuurbescherming is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd (voormalige Natuurbeschermingswet 1998). De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep in of nabij Natura 2000-gebieden geen dusdanig negatieve effecten op de kwalificerende habitats en/of soorten mag hebben, dat deze zich op de lange termijn niet kunnen handhaven. Voor projecten die een (significant) negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied, is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast de bescherming van Natura 2000-gebieden via de Wet natuurbescherming kunnen gebieden via de ruimtelijke kaders beschermd worden middels het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS). 1.3
Doel
De QuickScan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt. Het doel van de QuickScan is geformuleerd in onderstaande onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke WNB-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of te beperken? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een QuickScan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn.
Als met de QuickScan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn. 1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. Hoofdstuk 3 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 4 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt kort 4
beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 6 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.3) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
2. Huidige en toekomstige situatie 2.1
Beschrijving huidige situatie
De planlocatie is gelegen aan de Doelakkerweg 56, Ameide.
Fig. 2.1. Ligging plangebied. Bron: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
Bebouwing: De loods, welke dient te worden gesloopt, is voorzien van een asbesthoudende dakbedekking. Deze loods vermoedelijk gebouwd tussen 1940 en 1993. Na deze data was het namelijk geheel verboden in Nederland om asbest toe te passen in de bouw. De buitenmuren zijn enkelwandig en geheel uit bakstenen opgebouwd. Open stootvoegen waren niet aanwezig. In de noordgevel is er een raam aanwezig wat de binnenruimte toegankelijk maakt voor dieren, dit raam is echter na ons bezoek dichtgezet met een plaat hout. Waardoor de loods niet meer open is en er geen invliegopeningen aanwezig meer waren. Erf- en groenstructuren: Rondom de loods is er beperkt kwalitatief groen aanwezig (klimop, laurierkers en coniferen). De privétuin van de eigenaar van perceel Doelakkerweg 56, noordelijk van de loods, is voornamelijk esthetisch aangelegd met beperkte ecologische waarde (kort gemaaide gazon, wintergroene haag, geen of weinig gelaagdheid in de beplanting).
5
Buitenzijde van de Loods
A- Loods met noordgevel grenzend aan privétuin
B- Raam in noordgevel, na bezoek dichtgezet met plaat hout
C- Afdek aan zuidgevel met houtafval
D- Detail van dakrand en nok
6
Binnenruimte van de loods
zolderruimte
E- Open dakconstructie bij raam
F- Zoldervloer afgewerkt met teer
G- Zolderruimte
2.2
Beschrijving toekomstige situatie
De loods zal verdwijnen en als compensatie worden er door de iniatiefnemer twee onder één kap woningen gerealiseerd. De woningen zullen aan de rooilijn worden ingeplant.
7
3. Aanwezigheid beschermde soorten 3.1
Methode onderzoek
De QuickScan is uitgevoerd door middel van een bureau- en veldonderzoek. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een beeld te krijgen van aanwezige WNB-beschermde soorten in de omgeving van het plangebied, zodat de kans op voorkomen in het plangebied (op basis van de terreinsituatie tijdens het veldbezoek) kan worden geschat. Voor het bureauonderzoek is de omgeving van het plangebied als zoekgebied gebruikt. Voor het bureauonderzoek zijn gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). Op 20 juni 2019 is het veldbezoek uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied en loods voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken en aanwezige (oude) nesten). De QuickScan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van Kingfisher Natuurprojecten. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wet natuurbescherming. 3.2
Resultaten bureauonderzoek
Raadpleging van de NDFF toont dat de volgende soort(groep)en in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn: - jaarrond beschermde broedvogels (huismus, gierzwaluw) - niet jaarrond beschermde broedvogels (kerkuil) - vleermuizen (gewone,- en ruige dwerg vleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger); - grondgebonden zoogdieren (egel, huisspitsmuis, wezel en hermelijn) 3.3
Resultaten veldbezoek
3.3.1
Inleiding
De huidige situatie van het plangebied (zoals aangetroffen tijdens het veldbezoek) is omschreven in paragraaf 2.1. Bij het veldbezoek is het gehele plangebied bezocht (Loods en particuliere tuin) Voor de resultaten is een splitsing gemaakt in soortwaarnemingen en de beoordeling van de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats (flora) en/of leefomgeving (fauna) voor in de omgeving voorkomende beschermde soorten. 3.3.2
Waarnemingen
Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen; Koolmees, merel en gewone pad. Er zijn verder geen nesten en of verblijfplaatsen aangetroffen.
8
3.3.3
Geschiktheid Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor:
- Broedvogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten; De loods en particuliere tuin kunnen geschikt zijn voor broedvogels. In de particuliere tuin is de beplanting vooral esthetisch georganiseerd en is niet streekeigen. Vogels kunnen hun nest maken in de bestaande haag van laurierkers, die op de perceelrand van de particuliere tuin ingeplant staat. - Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4); Kerkuil: Uit de resultaten van de NDFF komt de kerkuil komt volgens in de nabije omgeving (< 1km) van het plangebied voor. Deze loods zou geschikt kunnen zijn voor deze soort, maar bij een bezoek aan de locatie werden er geen aanwijzingen of sporen gevonden.
3.3.4
Ongeschiktheid Het plangebied is ongeschikt als groeiplaats/verblijfplaats voor:
- Flora: Volgens de gegevens van de NDFF komen er geen beschermde planten voor in de nabije omgeving van de planlocatie. - Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4); Huismus: De loods is ongeschikt voor de huismus, door het ontbreken van dakpannen (nestgelegenheid) en invliegopeningen openingen is uit te sluiten dat de huismus zich kan vestigen en of aanwezig is in de loods. Gierzwaluw: De loods is ongeschikt voor gierzwaluw. Deze soort maakt zijn nest net onder dakpannen, gezien deze ontbreken evenals invliegopeningen sluiten we de soort uit. - Vleermuizen: De loods heeft slechts enkele gevels en er zijn geen open stootvoegen aanwezig. Er werden verder ook geen duidelijke openingen gevonden waar deze soortgroep gebruik van zou kunnen maken. Er werd wel een smalle opening gevonden tussen de dakrand en de noordgevel. Deze opening werd overdag gecontroleerd, maar er werden geen dieren gevonden. Zie foto’s van de locatie (foto D: detail van dakrand en nok). Flora en vleermuizen worden daarom niet verder behandeld in de effectanalyse.
4. Beknopte effectenanalyse en maatregelen 4.1
Inleiding
Uit paragraaf 3.3.3 blijkt dat slechts het particulier groen in de nabije omgeving van de loods geschikt werd bevonden voor broedvogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten. Aangezien het particulier groen blijft behouden en de werken buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, worden er geen effecten verwacht op deze groep. Er werden geen nesten of sporen aangetroffen van broedvogels met nesten die jaarrond beschermd zijn (categorie 1 t/m 4). De effecten en voorzorgsmaatregelen worden omwille van geschiktheid wel hieronder besproken.
9
4.2
Vogels
4.2.1
Inleiding
Middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd. Onder de Flora- en faunawet werden binnen de groep broedvogels drie categorieën onderscheiden. Deze indeling wordt door de provincies onder de WNB vooralsnog gehandhaafd. Het gaat om de volgende categorieën: - vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4); De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). - vogels met niet-jaarrond beschermde nesten, waarbij inventarisatie gewenst is (categorie 5); Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. - vogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten. In onderstaande paragrafen worden de mogelijke effecten en de benodigde maatregelen per categorie besproken. 4.2.2
Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4)
Uit het bureau- en veldonderzoek blijkt dat de haag in de particuliere tuin mogelijk geschikt zijn voor huismus. De nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Tijdens het plaatsbezoek op 20 juni 2019 werden er geen huismussen of nesten waargenomen. De haag blijft behouden en aangezien de werken buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden kan verstoring op eventuele aanwezigheid van huismus worden uitgesloten. Aangezien er geen nesten in of directe nabijheid van de loods werden vastgesteld en er geen huismussen aanwezig zijn kunnen we verstoring bij de sloop op huismus uitsluiten. Volgens de NDFF en het veldonderzoek blijkt de locatie ook geschikt voor kerkuil. Aangezien er geen sporen of aanwijzingen gevonden worden, is een effect op deze soort te verwaarlozen. Om te voorkomen dat de soort nog gebruik gaat maken van de locatie kan deze ongeschikt worden gemaakt, door het raam in de gevel dicht te maken.
4.2.3
Vogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten
Uit het bureau- en veldonderzoek blijkt dat het plangebied (voornamelijk de particuliere tuinen) geschikt is voor algemene broedvogels (koolmees, heggemus, kauw,…) Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield. Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wet natuurbescherming (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -
Werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten 10
deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen. -
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen starten: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd, gemeld aan de ecoloog en tijdens de werkzaamheden ontzien. Dit kan leiden tot uitstel van de werkzaamheden.
-
De potentiële broedlocaties ongeschikt te maken door het verwijderen van begroeiing voorafgaand aan het broedseizoen (voor 15 maart), rekening houdend om de vestiging van broedvogels te voorkomen. LET OP: dit geldt niet voor de huismus, het leefgebied van deze soort dient gespaard te worden (zoals voldoende beschutting).
5. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Natura 2000 gebieden Zouweboezem en Uiterwaarden Lek liggen wel in de nabije omgeving (op minder dan 1km van plangebied). Vanwege de aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van externe werking. Toetsing aan het onderdeel gebiedenbescherming conform de WNB (hoofdstuk 2 van de wet) is daarom niet noodzakelijk. Het voornemen hoeft alleen aan het onderdeel soortenbescherming te worden getoetst
Figuur 5-1. Ligging plangebied opzichte van beschermde natuurgebieden. gelegen. Natura 2000gebieden (in deze kaarten geel omlijnd liggen binnen een straal van 800m t.o.v. plangebied (rode 11
bol). Dichtst bijgelegen gebied is Zouweboezem en Uiterwaarden Lek Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx. Natuur Netwerk Nederland Het plangebied ligt op ca. 1km afstand van grote natura 2000 gebieden maar ligt niet binnen het Natuur Netwerk Nederland (zie figuur 5-2)
Figuur 5-2. Ligging plangebied opzichte van bestaande en nieuwe natuur volgens natuurnetwerk. gelegen. Plangebied aangeduid met een rode markering. Bestaande natuurgebieden groen ingekleurd. Gebieden met donkerblauwe inkleuring hebben de status: grote wateren en Noordzee. Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
12
6. Conclusies en aanbevelingen 6.1
Soortenbescherming
Op basis van de uitgevoerde QuickScan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke WNB-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Jaarrond beschermde broedvogels (huismus en kerkuil), tijdens het broedseizoen algemene beschermde soorten (bijv. merel). S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Zonder voorzorgsmaatregelen worden algemene broedvogels die we kunnen verwachten in de particuliere tuin verstoord. Door buiten de broedperiode te werken is er geen sprake van negatieve effecten op algemene broedvogels. Er worden geen effecten op kerkuil en huismus verwacht omdat deze soorten niet aanwezig zijn op de locatie. Door de locatie bovendien ongeschikt te maken kunnen we effecten op deze soorten voorkomen. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Nee, de geschiktheid van de locatie voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten kan in vraag worden gesteld. Bovendien is er bij deze QuickScan specifiek gelet op de aanwezigheid van sporen of aanwezigheid van soorten uit deze groep. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of te beperken? Soort(groep) Vogels (alle) Vogels met jaarrond beschermde nesten (Cat 1 t/m 4) Tabel 6.1.
Maatregelen Werken buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) of na voorafgaande broedvogelcontrole Ongeschikt maken van de loods voor Kerkuil. Dichtmaken van het raam om te voorkomen dat deze soort van de locatie gebruik kan maken (reeds na ons bezoek voldaan)
S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen? Nee. 6.2
Gebiedenbescherming
Op basis van de uitgevoerde QuickScan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? Het plangebied ligt op 1 km van Natura 2000-gebieden en ligt buiten het NNN. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Nee, De gewenste activiteit (wonen), de omvang van het plangebied, de afstand (minder dan 1 kilometer) tot beschermde natuurgebieden en de NNN en de huidige activiteiten kunnen de meeste negatieve effecten ten aanzien van gebiedsbescherming op voorhand worden uitgesloten. Alleen de mogelijke depositie van Stikstof boven de toegestane drempelwaarden als gevolg van de bouwfase van het project kan niet op voorhand worden uitgesloten. Wij adviseren ter onderbouwing een Aeriusberekening toe te voegen waaruit blijkt of de stikstofdepositie als gevolg van het project relevant is. G3. Is een nadere toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee. 13