CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage bij de toelichting 6 - QuickScan wet natuurbescherming Vlietskant 12 en 24.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 15 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vlietskant 12 en 24 te Leerdam5.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

broed

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Datum

3 september 2021

Kenmerk

BE/2021/722/r

Uw kenmerk

Email d.d. 1 juni 2021

Auteur(s)

ing. J. Dekkers

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Vlietskant 12 & 24 te Leerdam Aan de Vlietskant 12 is een winkelpand gesitueerd. Aan de Vlietskant 24 te Leerdam zijn 2 winkelpanden en 2 appartementen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande winkelpand aan de Vlietskant 12 te transformeren naar 2 appartementen en de 2 bestaande winkelpanden aan de Vlietskant 24 te transformeren naar 3 appartementen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘centrum’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocaties voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocaties te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocaties? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Contour en/of de Groene ontwikkelingszone?

• Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocaties zijn gelegen aan de Vlietskant 12 & 24 te Leerdam (figuur 1). De bebouwing aan de Vlietskant 12 & 24 is opgetrokken uit gemetselde muren en dakpannen. Een spouwmuur is aanwezig. Bij de transformatie van de bestaande winkelpanden naar appartementen worden de muren en daken van de bebouwing behouden. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocaties en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocaties wordt gekenmerkt door het centrum van Leerdam. De vlietskant is een winkelstraat. Op een afstand van circa 150 ten noorden van de planlocaties ligt de N327 en op een afstand van circa 300 m ten noorden van de planlocaties ligt een spoorweg. Circa 150 m ten zuiden van de planlocaties stroomt de Linge.

Figuur 1

2

De planlocaties (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Vlietskant 12 & 24 te Leerdam (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocaties en de directe omgeving hiervan. Vlietskant 12 (links) en Vlietskant 24 (rechts).

Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van in totaal 5 appartementen aan de Vlietskant 12 & 24 te Leerdam. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘centrum’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: •

transformatie van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal;

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocaties, de betekenis van de planlocaties voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn de planlocaties nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 20 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.

3

Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Contour en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaal beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

4

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocaties en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocaties is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kartuizer anjer (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De kartuizer anjer staat op zonnige, droge, matig voedselarme, vaak kalkhoudende grond (Wilde planten, 2021). De planlocaties bestaan uit winkelpanden en is geheel verhard. Derhalve groeien er op de planlocaties geen planten. Negatieve effecten wegens de beoogde ontwikkeling op de kartuizer anjer zijn uitgesloten. De directe omgeving van de planlocaties bestaat tevens uit bebouwing en/of bestrating, er is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.

Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en steenmarter. Ten tijde van het opstellen van dit rapport zijn kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De verwachting is echter dat kleine marterachtigen hun vrijstelling verliezen in de voorziene toekomst.

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.

5

De bever komt voor in overgangsgebied tussen water en land. (Bij12 Kennisdocument bever, 2017). Op en in de directe omgeving van de planlocaties komt geen oppervlaktewater en bijbehorende geschikt leefgebied voor. Derhalve is de aanwezigheid van de bever op de planlocaties uit te sluiten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en schuilgelegenheden aanwezig zijn. De hermelijn en in mindere mate de bunzing, prefereren waterrijke gebieden. De bunzing en de wezel worden ook in bebouwde gebieden met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Het voorkeurshabitat van de steenmarter bestaat uit kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. De steenmarter huist regelmatig in bebouwing (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). In de bebouwing van de planlocaties zijn geen openingen aanwezig, de bebouwing is derhalve ontoegankelijk voor de steenmarter. Negatieve effecten op de steenmarter wegens de beoogde ontwikkeling zijn derhalve uitgesloten.

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocaties een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocaties hebben enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocaties zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocaties zijn geen bomen aanwezig. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te transformeren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In de bebouwing op de planlocaties zijn spouwmuren aanwezig. Aan de Vlietskant 12 is een opening aanwezig tussen de muur en de houten daklijst (figuur 3).

Aan de Vlietskant 24 sluit de houten daklijst grotendeels aan op de muur, op enkele plekken is er een opening tussen de daklijst en de muur. Daarnaast sluit er een loodslab op de nok van het dak niet goed aan op de dakpannen (figuur 4). Deze openingen zouden vleermuizen toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. De muren en daken worden niet (na)geïsoleerd, de muren en de daken van de bebouwing blijven geheel bestaan in de beoogde ontwikkeling Derhalve zijn negatieve effecten op vleermuizen wegens de beoogde ontwikkeling uit te sluiten.

6

Figuur 3

De opening tussen de houten daklijst en de muur aan de Vlietskant 12.

Figuur 4

De opening tussen de houten daklijst en de muur (links) en de loodflap die niet goed aansluit op de dakpannen (rechts) aan de Vlietskant 24.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocaties gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocaties bestaan geheel uit bebouwing, derhalve zijn de planlocaties geen foerageergebied voor vleermuizen. De muren en daken van de bebouwing op de planlocaties blijven bestaan in de beoogde ontwikkeling, een eventuele vliegroute wordt niet aangetast. In de luwte van bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad (NDFF 2011-2021).

7

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocaties. De planlocaties zijn verhard en worden intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Op en in de directe omgeving van de planlocaties is geen (geschikt) oppervlaktewater (c.q. voortplantingswater) aanwezig. Overwinteringshabitat kan derhalve tevens uitgesloten worden. Derhalve zijn negatieve effecten wegens de beoogde ontwikkeling op de heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad uit te sluiten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocaties. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: muurhagedis en ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De muurhagedis is een warmteminnende soort. Van nature komt de soort in Nederland alleen in Zuid-Limburg voor. Daar komt de soort voor op oude vestingwerken. Belangrijk is dat er voldoende spleten en holen aanwezig zijn voor thermoregulatie, overwintering en bescherming tegen predatoren. Het ideale habitat is een voor een slechts klein deel begroeide muur met weinig schaduw. De vegetatie vormt een schuilplaats en kan dienen voor thermoregulatie, evenals habitat voor ongewervelden die als prooi dienen (Creemers & van Delft, 2009). De muren van de bebouwing op de planlocaties bevatten geen spleten en holen waar muurhagedissen in kunnen schuilen. Derhalve zijn negatieve effecten op de muurhagedis wegens de beoogde ontwikkeling uit te sluiten. De ringslang is watergebonden, ze zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water (Ravon ringslang, 2021). Op en in de directe omgeving van de planlocaties is geen (geschikt) water (c.q. leefgebied) aanwezig. Derhalve is de aanwezigheid van de ringslang op de planlocaties uit te sluiten.

Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoort: grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei (Ravon grote modderkruiper, 2021). Op de planlocaties en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op de grote modderkruiper wegens de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocaties zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocaties zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocaties en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus.

8

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Aan de oostkant van de planlocaties zijn dakpannen aanwezig, waaronder de huismus zijn nest kan bouwen. Echter wordt het dak geheel behouden in de beoogde ontwikkeling, er zullen geen werkzaamheden aan het dak plaatsvinden. Om verstoring van eventuele nestlocaties van huismussen in het dak te voorkomen zullen er in het broedseizoen van huismussen extra maatregelen genomen moeten worden (zie Te treffen maatregelen). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.

Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). In de bebouwing zijn geen geschikte openingen aanwezig die de gierzwaluw toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocaties uitgesloten worden. De planlocaties zijn geheel verhard en liggen te midden van een winkelstraat, waardoor de mate van verstoring er hoog is. Derhalve is er op de planlocaties geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogels. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocaties voorzien in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals duiven geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocaties. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocaties maken geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 370 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 5).

Figuur 5

De planlocaties liggen op een afstand van circa 370 m tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: webkaart.provincie-Utrecht.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van 3 winkelpanden naar 5 appartementen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De appartementen zullen zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.

Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

10

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocaties maken geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 350 m ligt het Natuurnetwerk Nederland en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 610 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 6). Op een afstand van circa 6,7 km ligt de Groene Contour (figuur 7).

Figuur 6

De planlocaties liggen op een afstand van circa 350 m tot het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van 610 m van de Groene Ontwikkelingszone (bron: webkaart.provincieutrecht.nl).

Figuur 7

De planlocaties liggen op een afstand van circa 6,7 km tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl).

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Contour en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

11

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocaties hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocaties zijn mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocaties maken geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocaties zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Aan de Vlietskant 12 & 24 te Leerdam is geen aanvullend onderzoek benodigd. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)

Tabel 3

Nee Nee

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

370 m

Geen

N.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

350 m

Geen

N.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

350 m

Geen

N.v.t.

Groene Contour

6,7 km

Geen

N.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

610 m

Geen

N.v.t.

Tabel 4

13

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Nee

Nee

N.v.t.

Bomen

Nee

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De transformatie van het winkelpand aan de Vlietskant 12 naar 2 appartementen en de transformatie van 2 winkelpanden naar 3 appartementen aan de Vlietskant 24 is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocaties tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. • Ten aanzien van de huismus dienen de werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Het broedseizoen van de huismus loopt van maart – augustus. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd zullen worden, dient er op minimaal 2 meter van de dakrand gewerkt te worden, dit is inclusief de opbouw van de steiger. Daarbij dienen er geen werkzaamheden rondom de groenstructuren uitgevoerd te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. J. Dekkers Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De oostzijde van de planlocaties gelegen aan de Vlietskant 12.

Figuur 2

De oostzijde van de planlocaties gelegen aan de Vlietskant 24.

18

Figuur 3

De directe omgeving van de westzijde van de planlocaties, welke gelegen is aan de Vlietskant.

Figuur 4

De directe omgeving van de oostzijde van de planlocaties, welke gelegen is aan de Oostwal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=59b6ef77-ee4a-4f22-ac72-db16e6672e4c