CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Quickscan

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 25 april 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Ongewijzigd bestemmingsplan Broekseweg 75-77 Meerkerk6.461 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Broekseweg 75-77 te Meerkerk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0385

Datum:

7 april 2022

Revisie:

27 januari 2023

Samensteller:

ing. R.C. Pickert, ir. ing. D. Bogers, ing. D.F. Knoops

Collegiale toets:

ir. ing. D. de Boer

Opdrachtgever:

Van den Heuvel B.V.

Contactpersoon:

R. de Groot

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

5

2 Methode

6

2.1

Uitvoering onderzoek

6

2.2

Soortenbescherming

6

2.3

Gebiedsbescherming

7

2.4

Houtopstanden

8

2.5

Houdbaarheid en toepassing

9

3 Beoordeling

10

3.1

Soortenbescherming

10

3.2

Gebiedsbescherming

14

3.3

Houtopstanden

18

4 Samenvatting

19

4.1

Soortenbescherming

19

4.2

Gebiedsbescherming

19

4.3

Houtopstanden

19

5 Conclusie

20

5.1

Conclusie

20

5.2

Uitvoerbaarheid

20

5.3

Vervolgstappen

20

5.4

Te treffen maatregelen

20

1 Inleiding Aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk is camping ‘’de Victorie’’ gelegen met een bedrijfsgebouw en diverse caravans. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande camping uit te breiden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Heuvel begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.

3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk (figuur 1.2). De planlocatie betreft weilanden met kavelsloten. Er worden geen sloten gedempt en er zijn geen bomen aanwezig. Er zullen struiken en knotwilgen langs de grens van de planlocatie geplant worden. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Op circa 2,2 km afstand loopt de A27. Op circa 2,3 km afstand ten oosten ligt Natura 2000-gebied ‘’Zouweboezem’’.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het uitbreiden van de bestaande camping. Ten behoeve hiervan dient de functie van het perceel te wijzigen. Er worden geen gebouwen gerealiseerd of sloten gedempt. Er zullen mogelijk enkele kleine bruggen over de sloten gemaakt worden en knotwilgen en struiken aangeplant worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • Planten knotwilgen en struiken: allerhande (hoveniers) werkzaamheden; • Mogelijke realisatie van bruggen over sloten: algemene bouwwerkzaamheden.

5

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29 maart 2022 en is uitgevoerd door ing. R.C. Pickert. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

6

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Huisspitsmuis

Veldmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.

7

Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur.

Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen Weidevogelkerngebieden Windturbines en zonnevelden kunnen negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden. Vanwege het belang van de energietransitie worden windturbines en zonnevelden echter niet uitgesloten binnen de weidevogelkerngebieden. Voorwaarde is wel dat er tegelijkertijd sprake is van aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied. De volgende factoren zijn belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. De regel heeft betrekking op weidevogelkerngebieden buiten het NNN. Voor de weidevogelkerngebieden binnen het NNN gelden de NNN-regels.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) 8

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie bestaat uit weilanden met kavelsloten. Gezien de omgeving en de aangetroffen soorten betreft het een voedselrijke bodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gestreepte witbol, hondsdraf, madeliefje, pitrus en witte klaver. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, mol, ree, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en damhert. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Zowel de bever als het damhert zijn op meer dan 1 km afstand van de planlocatie waargenomen. De planlocatie biedt geen geschikt leefgebied voor de bever wegens het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De aanwezigheid van het damhert is uitgesloten wegens het ontbreken van beschutting. De aanwezigheid van zowel de bever als het damhert op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn, mol en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

10

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Er zijn geen bomen op de planlocatie. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing op de planlocatie aanwezig. Het is uit te sluiten dat de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Wegens het ontbreken van lijnvormige structuren of struweel is er geen sprake van een vliegroute of foerageergebied op de planlocatie. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De heikikker komt voor in en rond ondiepe, voedselarme en enigszins zure watersystemen. Vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtig te zijn.

Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtige half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker is veelvuldig in de directe omgeving van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022). De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn bekend op aangrenzende agrarische percelen. In bepaalde delen van Nederland, en gezien het groot aantal waarnemingen ook in de omgeving van de planlocatie, komt de heikikker ook voor in agrarisch gebied. Hierbij wijkt het leefgebied van de soort af van de literatuur. De aanwezigheid van de heikikker in de sloten rond de planlocatie is dan ook niet volledig uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft echter enkel de uitbreiding van een camping. Er worden geen sloten gedempt, waardoor aantasting van eventueel voortplantingswater op voorhand is uitgesloten. De heikikker is in de periode oktober-half/eind februari in winterrust (Kennisdocument Heikikker, 2017). De slootkanten en de daarin aanwezige (muizen)holen, vormen voor heikikkers potentiële overwinteringslocaties. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijven deze elementen behouden.

Om overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de overwinterende heikikker uit te sluiten, dienen de slootkanten van het plangebied in de winter niet betreden te worden met grote gemotoriseerde voertuigen, of vergelijkbare grootschalige verstoringselementen (zie H5.4). Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden mogelijk bomen en struiken aangeplant. Voor de heikikker kunnen dichte

11

struwelen dienen als overwinteringsgebied. Ten aanzien van de heikikker ontstaan er ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep derhalve aannemelijk positieve effecten. Direct na de winterrust betreden adulte heikikkers het voortplantingswater. Deze voortplantingsperiode loopt in de periode half februari-half/eind juli (Kennisdocument Heikikker, 2017). Gedurende deze periode zijn heikikkers over het algemeen niet aanwezig op het land, waardoor eventuele activiteiten, zoals maaiwerkzaamheden en het plaatsen van tenten en caravans, niet zullen leiden tot het doden van individuen. Na de voortplantingsperiode betreden (jonge) heikikkers het landhabitat. De sporadische aanwezigheid van de heikikker kan op het grasland binnen het plangebied in deze periode derhalve niet uitgesloten worden. Kijkend naar de omgeving, welke bestaat uit een grote hoeveelheid vergelijkbare graslanden, betreft het plangebied geen essentieel landhabitat voor de heikikker. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake van aantasting van essentieel leefgebied van de heikikker. Om overtreding van overige verbodsbepalingen (i.e. het doden van individuen) ten aanzien van de heikikker te voorkomen, dient het plangebied gemaaid te worden vóór het einde van de voortplantingsperiode (dus voor eind juli; zie H5.4).

De heikikker mijdt korte vegetatie, omdat hier een groter risico aanwezig is op uitdroging en predatie. Op die manier kan de aanwezigheid van heikikkers binnen het plangebied, en de overtreding van verbodsbepalingen, op voorhand uitgesloten worden. De kamsalamander komt enkel voor in poelen in de omgeving van bosschages en houtwallen. Wegens het ontbreken van bomen en houtwallen kan de aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie worden uitgesloten. De rugstreeppad is enkel op meer dan 1 km afstand van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022). De rugstreeppad komt voor bij vergraafbaar zand en ondiepe, zonnige poelen. Het is een pionierssoort welke snel nieuw leefgebied kan koloniseren. Op het moment wordt de aanwezigheid van de rugstreeppad niet verwacht wegens het ontbreken van geschikt leefgebied. In de beoogde ontwikkeling zal er geen geschikt leefgebied ontstaan omdat er geen vergraafbaar zand of tijdelijke poelen zullen ontstaan. Negatieve effecten op de rugstreeppad zijn derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen.

Er is ten aanzien van amfibieën, indien rekening wordt gehouden met de maatregelen ten aanzien van de heikikker, geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper is op circa 2 km afstand van de planlocatie waargenomen. Er worden mogelijk enkel wat bruggen over de sloten gebouwd, deze laten de oevers en de slootgeulen onberoerd. Negatieve effecten op de grote modderkruiper zijn derhalve uitgesloten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

12

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, kauw, kievit, pimpelmees, spreeuw, tjiftjaf, Turkse tortel, wilde eend, witte kwikstaart, vink en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn individuen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Dit betroffen huismussen welke zich buiten de planlocatie bevonden. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20122022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.

1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen. Deze bevonden zich rond het bedrijfspand bij de ingang van de camping. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Tevens zijn er geen bomen of struiken aanwezig. Derhalve biedt de planlocatie geen geschikte nestlocaties en leefgebied voor de huismus. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. Wegens het ontbreken van gebouwen zijn er geen nestmogelijkheden voor gierzwaluwen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Mogelijk zal er sporadisch gefoerageerd worden, echter is er ruim voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten wegens het zeer ruime aanbod van foerageergebied in de directe omgeving van de planlocatie.

Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het grasland vormt voor broedvogels zoals kieviet, scholekster en grutto geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

13

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 2,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van de camping. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Gezien er sprake is van een grote afstand (2,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van zeer beperkte omvang en een zo goed als afwezige bouwfase, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland of Groene contour. Op een afstand van circa 460 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). Op een afstand van circa 8,8 km ligt de Groene contour. Gezien de grote afstand tot de Groene contour is hiervan geen kaartmateriaal vervaardigd. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 14

De planlocatie is gelegen in Weidevogelkerngebied (figuur 3.3). Conform de meest recente versie van de omgevingsverordening van de provincie Utrecht gelden de volgende regels ten aanzien van ontwikkelingen binnen weidevogelkerngebied: Artikel 6.12 Windturbines en zonnevelden binnen weidevogelkerngebieden 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Weidevogelkerngebied kan bestemmingen en regels bevatten die realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Weidevogelkerngebied kan bestemmingen en regels bevatten die realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Toelichting De weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. Windturbines en zonnevelden kunnen negatieve gevolgen hebben voor de weidevogelkerngebieden.

Vanwege het belang van de energietransitie worden windturbines en zonnevelden echter niet uitgesloten binnen de weidevogelkerngebieden. Voorwaarde is wel dat er tegelijkertijd sprake is van aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied. De volgende factoren zijn belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. De regel heeft betrekking op weidevogelkerngebieden buiten het NNN. Voor de weidevogelkerngebieden binnen het NNN gelden de NNN regels. Met het oog op het leefgebied weidevogelkerngebieden wordt een handreiking opgesteld. Gezien er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen sprake is van het realiseren van windturbines of zonnevelden, is de ontwikkeling niet strijdig met het provinciale beleid. Op 20 januari 2023 heeft de Omgevingsdienst regio Utrecht namens de Gemeente Vijfheerenlanden echter een aanvulling gevraagd op de bovenstaande tekst met betrekking tot de weidevogelkerngebieden (kenmerk Z/22/215264 / D – 837671). Onderstaande tekst beantwoord de vraag om deze aanvulling.

De huidige bestemming van het grootste deel van het plangebied is reeds ‘Enkelbestemming – Verblijfsrecreatie, evenemententerrein’. Een smalle strook aan de noordwestzijde heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Door de bestemming als evenemententerrein vinden er reeds verstoringen door plaats. Dit terrein wordt meermaals per jaar gebruikt als kampeerlocatie tijdens grote evenementen in de omgeving. Hiervoor worden voornamelijk tenten gebruikt. Dit draagt reeds een verstoring uit op het aangrenzende deel met de agrarische bestemming. Derhalve is dit gebied reeds suboptimaal geschikt voor weidevogels. Het perceel met de agrarische bestemming betreft daarnaast een monocultuur van raaigras welke meermaals per jaar wordt gemaaid, of beweid. Kwalitatief gezien is deze strook derhalve ook al reeds suboptimaal geschikt voor weidevogels. Het plangebied zal in de toekomstige situatie als een soort ‘overloopgebied’ van de huidige camping gebruikt worden. Dit wil zeggen dat hier alleen gekampeerd zal worden als de huidige camping vol is. Naar verwachting zal de planlocatie dus alleen tijdens het hoogseizoen (zomervakantie) gebruikt worden. In deze periode hebben de meeste weidevogels (grotere) jongen, en zijn ze niet meer aan hun nest gebonden gezien het nestvlieders betreffen.

Zoals de meeste vogels zijn weidevogels het meest gevoelig voor verstoring in de eifase van het nest (welke in het voorjaar is). De grootste verstoring op de planlocatie en de omgeving zal dus pas later in de zomer plaatsvinden, in de periode dat jonge weidevogels in staat zijn om zich buiten de verstoringszone op te houden.

15

Met de Gemeente Vijfheerenlanden is afgesproken dat het plangebied een groene inpassing dient te krijgen om de caravans, tenten en kampeerders vanaf wegen in de omgeving aan het beeld te onttrekken. Hier is reeds sprake van op de huidige camping. Eenzelfde beeld zal doorgetrokken worden richting het plangebied. Er worden dus slechts alleen laagblijvende struiken en knotwilgen aangeplant. Deze struiken bieden geen geschikte uitkijkpunten voor roofvogels gezien hun beperkte grootte en stevigheid. Daarnaast zullen roofvogels het campingterrein sowieso al vermijden gezien zij ook gevoelig zijn voor allerhande verstoringen welke de kampeerders uitdragen (optisch, geluid etc.). Door het aanplanten van struiken en knotwilgen worden optische verstoringen niet alleen voor de mens aan het beeld onttrokken, maar ook voor weidevogels in de omgeving. De veronderstelde verstoring van de aanplant van knotwilgen en struiken weegt derhalve ons inziens niet op tegen de verstoringen welke de kampeerders (in de huidige situatie gezien de bestemming evenementen reeds toestaat, of in de toekomstige situatie na uitbreiding van de camping) uitdragen (optisch, geluid etc.) wanneer er niets aangeplant zou worden.

Er kan mogelijk zelfs aangenomen worden dat de aanplant juist een positief effect kan hebben gezien optische verstoringen afgeschermd worden voor de weidevogels in de omgeving, wat in de huidige situatie niet het geval is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 460 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl)

16

Figuur 3.3 De planlocatie in gelegen in het Weidevogelkerngebied (bron: ruimtelijkeplannen.provincieutrecht.nl).

17

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

18

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van voorplantingsplaatsen, rustplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, AERIUS-berekening en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. De planlocatie is gelegen in weidevogelkerngebied. Gezien er binnen de beoogde ruimtelijke ingreep geen sprake is van het realiseren van windturbines of zonnevelden, is de ontwikkeling niet strijdig met het provinciale beleid. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groene contour Weidevogelkerngebied

2,3 km 460 m 8,8 km 0m

Geen Geen Geen Geen

N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig. Een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.

19

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde uitbreiding van een camping aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Om overtreding van overige verbodsbepalingen (i.e. het doden van individuen) ten aanzien van de heikikker te voorkomen, dient het plangebied gemaaid te worden vóór het einde van de voortplantingsperiode (dus voor eind juli; Kennisdocument Heikikker, 2017).

Tevens dienen de slootkanten van het plangebied in de overwinteringsperiode (oktober-half/eind februari; Kennisdocument Heikikker, 2017) niet betreden te worden met grote gemotoriseerde voertuigen, of vergelijkbare grootschalige verstoringselementen. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 20

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.vleermuisprotocol.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

21

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Broekseweg 75-77 te Meerkerk en bestaat uit weilanden met kavelsloten. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de uitbreiding van de bestaande camping.

Figuur 2

De kavelsloten zijn zeer voedselrijk.

22

Figuur 3

De planlocatie zal vergelijkbaar ingericht worden als de bestaande camping.

Figuur 4

De sloten worden mogelijk overbrugd en er worden bomen en struiken aangeplant.

23

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=95961875-aa67-4486-9f04-92d5f076c23b