CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3_Onderzoek natuur.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 september 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Diefdijk 21 Schoonrewoerd gemeente Vijfheerenlanden5.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO

T.a.v. dhr. R. van Veen Utrechtseweg 29A 3811 NA Amersfoort

Datum

25 januari 2018, 1e revisie 11 juli 2019

Kenmerk

BE/2017/553/r

Uw kenmerk

Email d.d. 11 december 2017

Auteur(s)

M.J. Visschers

Projectleider

C.J. Blom

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Diefdijk 21 te Schoonrewoerd Aan de Diefdijk 21 te Schoonrewoerd is een perceel met voormalig agrarisch bouwblok gelegen. De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatsen een minicamping met 5-15 campingplaatsen en een dienstwoning met gastenverblijf te realiseren. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie bv verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Diefdijk 21 te Schoonrewoerd. De Diefdijk is in het verleden aangelegd als bescherming tegen wateroverlast vanuit de Betuwe. Het is momenteel een onderdeel van de Hollandse waterlinie. Het landschap aansluitend op de Diefdijk betreft een karakterestriek polderlandschap met verschillende natuurwaarde. De planlocatie grenst dan ook aan een natuurgebied. In het verleden is het perceel en de omliggende grond in gebruik geweest t.b.v. agrarische doeleinden. De initiatiefnemer is voornemens een natuurcamping te realiseren op het perceel waarbij een dienstwoning met gastenverblijf, schuur, camping gebouw en 5-15 campingplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Vooralsnog bestaat de planlocatie uit een zeer verruigt terrein waarbij op delen van het perceel puin in de grond aanwezig is. Binnen het perceel dat 0,7ha telt zijn verscheidene hoogteverschillen aanwezig, waarbij droge en natte terreindelen elkaar afwisselen. De vegetatie op het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit soorten welke kenmerkend zijn voor voedselrijke en/of natte gebieden zoals wilgen, brandnetel en braamstruwelen. Aan de noordwestzijde is het perceel begrenst door een watergang. Aan de beide zijkanten van het perceel (de noordoost en zuid(west)zijde) is een pad gelegen. De zuidoostzijde grenst direct aan het dijktalud.

In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Het dorp Schoonrewoerd behoort tot de gemeente Leerdam in de provincie Zuid-Holland. Het dorp ligt in de oksels van de samenkomst van de provincie Zuid-Holland, Gelderland en Utrecht. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Schoonrewoerd. De omgeving van de planlocatie bestaat dan ook voornamelijk uit (agrarische) bedrijven, woningen, weilanden, plattelandsinfrastructuur en natuurgebieden. Ten noordoosten van de planlocatie op een afstand van 1,1km is de snelweg A2 gelegen. Op een afstand van circa 2 km ten zuidwesten van de planlocatie is de dorpskern van Schoonrewoerd gelegen.

Figuur 1

De planlocatie (rood omlijnd) is gelegen aan de Diefdijk 21 te Schoonrewoerd (bron: pzh.b3p.nl).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreft het verwijderen van het bestaande groen, nieuwbouw van een dienstwoning met gastenverblijf, campinggebouw en schuur en de aanleg van de campingplaatsen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • •

2

verwijderen vegetatie: kapwerkzaamheden, afvoer groen; egaliseren terrein; graafwerkzaamheden en grondtransport; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.;

• • •

realisatie bebouwing: algemene bouwwerkzaamheden; aanleg campingplaatsen: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein: algemene hoveniers- en overige werkzaamheden.

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 5-6 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Aardmuis Bastaard kikker Bosmuis Bruine kikker Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel

Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker

Ree Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

3

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen sporen van (beschermde) planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. De aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie is uitgesloten door het ontbreken van geschikte structuren. De vegetatie op het plangebied bestaat uit soorten zonder beschermde status zoals; Wilg, els, vlier, hazelaar, populier en braam. Op enkele plekken zijn algemene kruidachtige vegetatie aangetroffen. Enkele waargenomen soorten betreffen: grote bandnetel, kale jonker, kleefkruid, hondsdraf en kruipende boterbloem, zachte ooievaarsbek, riet, peen en ijle zegge. Daarnaast is er veel mos aanwezig, voornamelijk gewoon haakmos. De vegetatie op de planlocatie is zeer sterk verruigt. Braamstruwelen groeien weelderig op het gehele perceel.

Daarbij zijn er soorten als els en (in grote hoeveelheden) wilg aanwezig, welke kenmerkend zijn voor vochtige gronden. Waargenomen soorten als grote bandnetel, kleefkruid, hondsdraf en kruipende boterbloem duiden op matig voedselrijke gronden. De planlocatie is in het verleden dan ook gebruikt t.b.v. agrarische doeleinden. De habitatpreferentie van beschermde soorten bestaat met name uit specifieke kenmerken zoals extensief beheerde (laag)veengronden, vochtige duinvalleien en schrale (blauw)graslanden. Dergelijke structuren zijn niet aangetroffen op de planlocatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan tevens niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn, behoudens sporen van muizen en konijnen, geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In de omgeving is slechts het voorkomen bekend van algemene soorten en soorten waarvoor een vrijstelling geld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). De locatie is beperkt geschikt voor in het wild levende grote zoogdieren. Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust, voortplantingsmogelijkheden en dergelijke aanwezig zijn.

De oppervlakte van de planlocatie is te beperkt om hierin te kunnen voorzien. Door het ontbreken van relevante vegetatiestructuren en ecotopen is een essentiële functie voor beschermde (grondgebonden) zoogdieren minimaal. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Gelet op de ligging van de locatie en overige barrièrevormende elementen in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat andere soorten van de habitatrichtlijn en bijzondere overige soorten niet op de locatie voorkomen. Bovendien ontbreken essentiële onderdelen van het functionele leefgebied van habitatrichtlijn- en bijzondere overige soorten. De planlocatie heeft echter mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn, rat-, muis-, en marterachtigen. Tevens is het mogelijk dat soorten als vos en ree bij gelegenheid de planlocatie passeren. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Voor de algemene soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De realisatie van de camping leidt tot de kap van (een deel van) de bomen. De bomen op de planlocatie zijn geïnspecteerd op geschikte holte en scheuren, welke kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats voor boom-bewonende vleermuizen.

4

In de meeste gevallen was de stamdiameter van de boom te klein om over een (mogelijk) geschikte holte te kunnen beschikken. Bomen welke voldoende stamdiameter bezaten zijn nauwkeuring geïnspecteerd. Geschikte openingen welke kunnen dienen als potentiele rust- en of verblijfplaats zijn niet aangetroffen. Het is derhalve uitgesloten dat de kap van bomen leidt tot vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. Op de plan locatie zijn geen geschikte structuren aanwezig welke kunnen dienen als vaste rust- en of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Binnen het atlastblok (5x5km) waarin de planlocatie is gelegen, is het voorkomen bekend van diverse vleermuissoorten waaronder de rosse woelmuis, watervleermuis, baardvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (NDFF, 2010-2018). De watergang en het dijktalud tezamen met de bomengrens zijn door hun laanvormige uiterlijk geschikt als vlieg/foerageerroute. De vegetatie op de planlocatie is beperkt geschiktheid als leefgebied voor algemene insecten en matig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen foerageren opportunistisch waarbij het actuele voedselaanbod bepalend is voor de tijdsduur van foerageren op een bepaalde locatie. De meeste soorten gebruiken een fijnmazig netwerk van ruimtelijke structuren.

Het ongeschikt raken van een klein deel van het foerageernetwerk heeft geen significante effecten mits het geen belangrijke verbindingsroute betreft. Significant negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen zijn uitgesloten. Mogelijk kunnen (tijdelijk) foeragerende en passerende vleermuizen verstoord worden als gevolg van bouwverlichting. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve op voorhand een vleermuisvriendelijke wijze te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In het atlashok (5x5km) waarbinnen de planlocatie is gelegen is het voorkomen bekend van de muurhagedis en ringslang (Creemers en Van Delft, 2009; Ravon, NDFF; Verpreidingsatlas.nl, 2010-2018). De muurhagedis is een warmte minnende soort welke voorkomt op oude muren, steile, stenige zuidhellingen en rotswanden. De eieren van de muurhagedis worden afgezet tussen stenen of in zand. Dergelijke structuren ontbreken geheel op het betreffende perceel. De soort komt van oorsprong niet in Zuid-Holland voor. In de omgeving van Maastricht komt de enige natuurlijke populatie van Nederland voor. Echter is er een waarneming bekend van een individu dat is meegelift vanuit Zuid-Limburg naar Zuid-Holland. Het voorkomen van de muurhagedis op de planlocatie is uitgesloten.

Ringslangen daarentegen jagen langs het water en zonnen op open rustige beschutte plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals bladhopen, mesthopen, ruimte onder dikke mosplakkaten, vermolmde boomstobben en in opgeworpen broeihopen worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. De slang kan goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Door het ontbreken van flauwe, natuurvriendelijke oevers bij de aangrenzende watergang is de planlocatie niet optimaal voor amfibieën en andere prooidieren van de ringslang. Voor het broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn. Dergelijke hopen dienen langere tijd aanwezig te zijn voordat de ringslang de hopen ontdekt en in gebruik zal nemen. Lang liggende broeihopen zijn niet aangetroffen binnen het plangebied of op de aangrenzende percelen. Op de locatie komen soorten als bruine rat en kleine marterachtigen. De combinatie van de afwezigheid van lang liggende broeihopen en aanwezigheid van veelvoorkomende roofdieren maken de locatie ongeschikt voor de ringslang. Geschikt overwinteringshabitat en voortplantingsbiotopen ontbreken, roofdieren zijn veelvuldig te verwachten op de locatie.

Derhalve kan de aanwezigheid van functioneel leefgebied en potentiële verblijfplaatsen van ringslang uitgesloten worden. Bovendien is het aannemelijk dat de barrièrevormende elementen in de directe omgeving zoals de aanwezige infrastructuur (doorgaande weg, brede watergangen en het dijktalud) de locatie moeilijk bereikbaar maken. Amfibieën leven in een terrestrisch (m.n. herfst/winter) en aquatisch (m.n. lente/zomer) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, groene kikker, bastaardkikker, poelkikker, heikikker, bruine kikker en kamsalamander (Creemers en Van Delft, 2009; Ravon, NDFF 2009-2019; Verpreidingsatlas.nl, 2010-2018).

5

Op waarneming.nl (periode 2013-2018) zijn, behoudens de heikikker, geen waarnemingen van reptielen en amfibieën ingevoerd voor het telgebied waar de planlocatie in is gelegen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de groene kikker, bastaardkikker, bruine kikker en/of gewone pad gedurende de terrestrische periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Echter is de watergang grenzend aan de planlocatie, aan de oeverzijde van de planlocatie beschoeid waardoor deze moeilijk of niet bereikbaar is. De oeverzone grenzend aan het achterliggende perceel is niet beschoeid waardoor deze eenvoudiger te bereiken is. Mochten er überhaupt al amfibieën gedurende de terrestrische periode voorkomen binnen de planlocatie, is het onwaarschijnlijk dat het beschermde soorten betreft. Deze soorten zijn namelijk meer eisend dan de algemene en/of vrijgestelde soorten. De naastgelegen watergang is niet heeft een zeer beperkte hoeveelheid oever- en watervegetatie en de waterkwaliteit (optisch beoordeelt) is matig. In de omgeving van de planlocatie zijn verschillenden plassen, moerassen, en wielen gelegen. Aannemelijk is dat verscheidene van der eerdere genoemde amfibieën en reptielen op deze locaties voorkomen.

De habitateisen van een aantal soorten waaronder de kamsalamander en poelkikkers zijn vrij specifiek. Zo zijn in deze wateren hoeveelheden oever- en watervegetatie aanwezig, welke in de watergangen (weteringen/sloten) ontbreken of zéér beperkt aanwezig zijn. Deze vegetatie is van levensbelang; deze dient als o.a. schuilplaats, overwinteringsplaats en om eieren op af te zetten tijdens de voortplantingsperiode. Betreffende wateren dienen tevens zeer weinig of geen roofvis te bevatten wat zelden van toepassing is op weteringen/sloten t.b.v. waterafvoer. De geschikte aquatische habitats in de omgeving liggen veelal in de omliggende natuurgebieden. Hierbij zijn terrestrische habitats op zeer korte afstand voldoende aanwezig binnen deze gebieden. Ten aanzien van de heikikker kan de aanwezigheid van de soort (gezien de waarnemingen in de omgeving, NDFF 2009-2019) in de aangrenzende sloten niet uitgesloten worden. Echter zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de sloot. De sloot zal niet gedempt worden. Er zal derhalve geen aquatisch leefgebied verloren gaan. Om negatieve effecten ten aanzien van de heikikker uit te kunnen sluiten, wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen. De rugstreeppad is een lastige soort ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen omdat tijdens de werkzaamheden geschikt habitat kan ontstaan en de soort plotseling op kan duiken.

De rugstreeppad is een typische pionierssoort. Het optimale habitat bestaat uit een dynamische zandig gebied met een natuurlijk of door de mens veroorzaakt pionierskarakter (Creemers & Van Delft, 2009). De huidige situatie van het plangebied is ongeschikt voor de soort. Gedurende de sloop- en bouwwerkzaamheden kan het door de rugstreeppad geprefereerde habitat ontstaan. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot de afname van geschikt leefgebied. Voor de soorten die mogelijk (incidenteel) gebruik maken van de planlocatie geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Mits maatregelen worden getroffen ten aanzien van rugstreeppad zijn negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen uitgesloten. Vissen Er zijn geen ingrepen voorzien aan watergangen. Effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten, libellen en ongewervelde In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelden aangetroffen. Op de locatie en in de directe omgeving zijn slechts enkele algemene en/of gedomesticeerde vegetatie aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen specifieke planten soorten aangetroffen die specifiek voor een bepaalde soort een waardplant vormen.

Tevens is er geen sprake van zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde terrestrische insecten. Een essentiële functie voor zwaarder en strik beschermde soorten is uitgesloten. Significant negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen; koolmees, grote bonte specht, kneu, putter, vink, holenduif, grauwe gans, kokmeeuw, ijsvogel, kleine mantelmeeuw en houtsnip. Enkele waargenomen soorten, zoals de grote bonte specht, ijsvogel en koolmees, genieten een categorie 5 nestbescherming.

6

Deze bescherming houdt in; “Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen”. Echter zijn er van deze betreffende soorten geen nesten aangetroffen binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied is overigens voldoende vergelijkbaar habitat. Tijdens de inventarisatie zijn geen sporen van roofvogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Hierbij is gelet op braakballen, plukplaatsen, horsten of uitwerpselen van de desbetreffende soorten. De afwezigheid van deze sporen geeft aan dat de planlocatie voor de desbetreffende soorten geen essentiële functie heeft. De planlocatie biedt geen mogelijkheden voor gierzwaluw, kauw en andere vogelsoorten die broeden in gebouwen. Behoudens een duivennest, herkenbaar aan zijn eenvoudige bouw, zijn er geen (restanten van) vogelnesten aangetroffen tijdens de inventarisatie. Echter zijn de aanwezige groenelementen op de planlocatie wel degelijk geschikt als broedlocaties voor algemene broedvogels zoals; zangvogels, kraaiachtigen en duiven. Vogels prefereren een (broed)locatie waar sprake is van voldoende rust, voedsel en beschutting.

Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met eventuele broedgevallen om verstoring te voorkomen. De werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden opgestart of, indien dit niet mogelijk is, dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden maar betreft indicatief de periode medio maart - medio juli. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie word aan de noord- en westzijde omsloten door het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. De watergang aan de westzijde en het pad aan de noordzijde van het plangebied vormen de grens (figuur 3). Het natuurnetwerk Nederland omsluit eveneens de planlocatie. Het natura 2000-gebied is namelijk tevens onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Aan de oostzijde van de Diefdijk is tevens een Natuurnetwerk Nederland gevestigd, dat onderdeel is van de provincie Gelderland (figuur 4).

Figuur 3

De planlocatie ligt tegen het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’(bron: pzh.b3p.nl).

7

Figuur 4

De planlocatie ligt tegen een Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.b3p.nl).

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een minicamping met 5-15 campingplaatsen en een dienstwoning met gastenverblijf. De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het naastgelegen Natura2000-gebied zijn de volgende natuurbeheertype aanwezig; N14.03 Haagbeuken- en essenbos, N17.05 Wilgengriend, N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos en N05.01 Moeras. Deze natuurbeheertype zijn echter niet bijzonder gevoelig voor stikstofdepositie en mechanisch verstoring zoals trillingen, geluid, optische verstoring etc. (synbiosys.alterra.nl). Echter leert de ervaring dat bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats er geen significante toename van stikstofdepositie in kwetsbare habitats aan de orde is. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie.

De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van een significante verhoging van stikstofdepositie is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.

Conclusies Het plangebied heeft echter geen essentiële betekenis voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de aangrenzende sloot kan de aanwezigheid van de heikikker niet uitgesloten worden. Het functioneel leefgebied zal door de beoogde ontwikkelingen niet verloren gaan. Aanvullend onderzoek en een eventuele ontheffing is daarbij niet noodzakelijk. Echter dient er wel een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. De planlocatie is geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels.

8

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake.

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

x = ongeschikt ja = geschikt m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden

vaatplanten

Legenda

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

1

x

x

ja

x

x

x

x

x

x

x

x

Geschikt habitat overige soort

x

ja

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

x

x

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura2000

5m

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

2m

geen

n.v.t.

x

x

1

ja

Geschikt habitat Habitarichtlijnsoort

1

x

broedvogels (j)

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

broedvogels (a)

Tabel 1

x

x

x

Enkel algemene soorten vallend onder het vrijstellingsbesluit voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van de planlocatie aan Diefdijk 21 te Schoonrewoerd leidt niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Ten aanzien van de heikikker dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. Tijdens de uitvoering dient tevens rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren. Voor vleermuizen en algemene broedvogels dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor dit soort dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Conclusie De ontwikkeling van de camping (dienstwoning met gastenverblijf, campinggebouw, schuur en 5-15 campingplaatsen) is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

Aanbevelingen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). •

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

9

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

•

Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Ten aanzien van heikikker dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden, om negatieve effecten ten aanzien van de soort te voorkomen tijdens de werkzaamheden. Het functioneel leefgebi

•

•

Onbekend is of de oude wilgen op de oever van de watergang gekapt worden. Gezien deze bomen karakteriserend zijn voor het gebied, de cultuurhistorie en ecologisch perspectief is het aan te bevelen deze te sparen.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites arcgis.com pzh.b3p.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.waarneming.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

10

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie bv, ing. M.J. Visschers Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V. ir. ing. K.J. Rebergen

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie bv worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie bv is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie bv.

11

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1

De voorzijde (noordoost) van het perceel is tegen het dijktalud gelegen De initiatiefnemer is voornemens een mini natuurcamping met dienstwoning en gastenverblijf te realiseren.

Figuur 2

12

Het plangebied is aanzienlijk verruigd en bestaat hoofdzakelijk uit wilg en braamstruweel.

Figuur 3

De achterzijde (westzijde) grenst aan een watergang.

Figuur 4

Binnen het perceel zijn hoogteverschillen aanwezig. Op een klein deel van het perceel staat het grondwater rond het maaiveld gedurende de winterperiode.

13

Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

Herkenning De rugstreeppad (Bufo calamita) is middelgrote pad met een lengte van circa 4,5-7 cm en korte poten. De rug heeft een grijsbruine kleur met groenige vlekken, de buik is lichtgrijs met grijszwarte vlekken. Over de gehele rug is karakteristieke lichtgele lengtestreep afgetekend. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwen door een paars/blauwe verkleuring van de keel. De rugstreeppad heeft een typische en harde roep die over een afstand van 1-3 kilometer hoorbaar is (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 centimeter lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een rug streep (kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionier soort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Klimatologische veranderingen vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannen komen hier doorgaans eerder aan dan vrouwen (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats van april-september met een hoogtepunt van half april-mei. Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraaf baar zand of fijne grond en pionierskarakter. Veelal bestaan deze uit onbeschaduwde laag begroeide terreinen met een macroreliëf. De vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderscheiden in het voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch de overige habitats terrestrisch. De functionele leefomgeving bestaat uit het terrein in en tussen deze habitats. De voorplantingslocatie bestaat uit veelal temporele, ondiepe en vegetatie loze wateren. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten.

De zomer enen winterlocaties bevinden zich in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft zich in of kruipt onder materialen zoals: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze plaatsen vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatie specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50-200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d647117f-df23-4524-94ef-de4ed171873f