CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2d bijlagen toelichting Vaststelling bestemmingsplan

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 12 december 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Recht van ter Leede 4 te Leerdam, nieuwbouw woning34.025 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 1.1

Op de planlocatie is de voornemens vijf vrijstaande woningen te realiseren. Hiervoor zal een schuur gesloopt worden.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Recht van ter Leede 2 en 4 te Leerdam (figuur 1.2). Het betreft twee woonpercelen met daartussen een grasperceel. De woningen van de percelen blijven behouden in de beoogde ontwikkeling en blijven derhalve buiten beschouwing in het voorliggende rapport. Een schuur ter hoogte van Recht van ter Leede 4 zal wel gesloopt worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. De schuur is opgebouwd uit houtenpotdeksels en een dakpannen zadeldak, ook bevat een deel golfplaten. Het deel met een dakpannen dak bevat dakbeschot. De tuin van dit perceel betreft een goed onderhouden tuin. Verharding is hier aanwezig in de vorm van kiezelstenen. Op het tussengelegen grasperceel is geen bebouwing of verharding aanwezig. Het perceel is begroeid met voornamelijk glanshaver, grote vossenstaart en kruipende boterbloem. Ook zijn binnen het grasperceel knotwilgen en een watergang aanwezig. Deze worden niet weggenomen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Wel wordt een nieuwe watergang gerealiseerd. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Recht van ter Leede 2 en 4 te Leerdam. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door woningen, watergangen en een laan van knotwilgen. Een grotere watergang betreft de Linge, circa 1 km ten zuiden van de planlocatie. Op circa 350 m ten zuiden van de planlocatie is de N848 gesitueerd.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de bestaande schuur te slopen.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van vijf vrijstaande woningen. Hiervoor dient een schuur gesloopt te worden. Daarnaast wordt een nieuwe watergang gerealiseerd en duikers ten behoeve van de ontsluitingen. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Tuin’ naar ‘Wonen’ Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van schuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • realisatie van watergang en duikers: graafwerkzaamheden en afvoer grond; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Architektenburo Bikker B.V.).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 17 mei 2022 en is uitgevoerd door ir. L. Davids. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Huisspitsmuis

Veldmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.

8

Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur.

Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

9

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de kartuizer anjer (NDFF 2012-2022). Kartuizer anjer groeit op droge, matig voedselarme en kalkhoudende grond. De soort groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages lang bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen (Verspreidingsatlas, 2022). Ter hoogte van Recht van ter Leede 4 is er sprake van een goed onderhouden tuin en ook veel verharding. Op de planlocatie is geen sprake steenachtige biotopen en/of de vereiste voedselarme en kalkhoudende grond. Daarnaast is kartuizer anjer niet waargenomen binnen de planlocatie. Het voorkomen van kartuizer anjer op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.

Enkele waargenomen soorten betreffen: echt riet, fluitenkruid, gewone braam, gewone vlier, glanshaver, grote brandnetel, grote vossenstaart, heermoes, hondsdraf, hortensia, kleefkruid, kruipende boterbloem, madelief, Spaanse aak, vijg en zomereik. Verharding is aanwezig in de vorm van kiezelstenen t.h.v. Recht van ter Leede 4. Op de muren van de schuur is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

De bever leeft in het overgangsgebied tussen water en land, namelijk moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. De bever is alleen waargenomen ter hoogte van de rivier de Linge, circa 1 km ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2012-2022). De watergangen rondom de planlocatie betreffen smalle ondiepe watergangen en watergangen waar beschoeiing aanwezig. Daarnaast zijn er geen sporen van bever (c.q. burcht, knaagsporen of wisselsporen) aangetroffen. Derhalve kan de aanwezigheid van bever op de planlocatie uitgesloten worden. De kleine marterachtigen staan momenteel nog op de vrijstellingslijst maar worden mogelijk in de nabije toekomst van de vrijstelling afgehaald. De soorten hebben een voorkeur voor kleinschalig parklandschap met voldoende dekking- en schuilmogelijkheden. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing. In de schuur zijn geen sporen van marterachtigen (c.q. prooiresten of uitwerpselen) aangetroffen. 10

Gezien de groene inrichting van het grasperceel is het niet uit te sluiten dat marterachtigen de planlocatie wel sporadisch passeren. Er zijn echter geen wisselsporen, prooiresten en/of uitwerpselen aangetroffen. Noch zijn er waarnemingen van kleine marters bekend op de planlocatie of de directe omgeving ervan (NDFF 2012-2022). Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats zijn dergelijke sporen veelvuldig aanwezig. Door volledige afwezigheid van sporen en waarnemingen kan een vaste rust- en/of voortplantingsplaats derhalve uitgesloten worden. Daarnaast is tegenover de planlocatie een vergelijkbaar perceel aanwezig en zijn er veel groenstructuren aanwezig in de nabij omgeving. Derhalve is er eveneens geen sprake van essentieel leefgebied op de planlocatie. Negatieve effecten op marterachtigen, zoals de bunzing en hermelijn, kan derhalve uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.

Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. Daarnaast zijn er geen geschikte holtes waargenomen in de knotwilgen op het tussenliggende grasperceel. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

De te slopen schuur is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De gevels van de schuur zijn opgebouwd uit houtenpotdeksels, hierbij is er geen sprake van wegkruipruimtes. Het dak deel met golfplaten bevat geen dakbeschot waardoor er geen sprake is van een geschikte dakruimte. De dakruimte met dakpannen is niet toegankelijk gezien de afwezigheid van kantpannen. Daarnaast is er geen sprake van losliggende en/of kapotte dakpannen. Derhalve kan uitgesloten worden dat de schuur gebruikt wordt als verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.

Aanwezigheid van foeragerende vleermuizen op de planlocatie is niet uit te sluiten, echter gezien de ruime hoeveelheid groen in de nabij omgeving van de planlocatie is er geen sprake van essentieel foerageergebied. De knotwilgen en/of watergangen zijn mogelijk onderdeel van een vliegroute. Deze worden echter niet weggenomen in de beoogde ontwikkeling. Echter dient lichtuitstraling richting de knotwilgen en watergangen voorkomen te worden tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie.

11

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad. (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Op 2 waarnemingen van de rugstreeppad na zijn alle waarnemingen van vorengenoemde beschermde amfibieën bekend in het agrarisch gebied rondom Leerdam (NDFF 20122022). Binnen de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande watergang aan de oostzijde van de planlocatie uitgebreid en worden 2 dammen met duikers geplaatst in de westelijke sloot. De Alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, agrarisch gebied op zandgrond, maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen (Creemers & Van Delft, 2009). Als landhabitat maakt de Alpenwatersalamander gebruikt van allerlei typen loofbos (RAVON). De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen en struweel. De samenhang van geschikte landhabitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soorten.

Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, slechts beperkt beschaduwd en er mogen geen vissen of watervogels in voorkomen (RAVON kamsalamander, 2022). In de omgeving van de planlocatie is geen (loof)bos aanwezig. Er is derhalve geen geschikt landhabitat aanwezig voor de vorengenoemde salamanders. De oostelijke watergang is relatief breed en diep genoeg om over een vispopulatie te beschikken, derhalve is deze watergang ongeschikt als voortplantingswater voor de salamanders wegens predatie door vissen. De westelijke watergang beschikt over veel kroos waardoor er geen sprake is van lichtdoorlating. Daarnaast is de watergang erg geëutrofieerd. Derhalve is deze watergang eveneens ongeschikt als voortplantingswater voor de soorten. Waarnemingen van Alpenwater- en kamsalamander zijn uitsluitend bekend nabij bosgebieden, op circa 1,9 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF 20122022). Door het voorgenoemde kan het voorkomen van de Alpenwatersalamander en kamsalamander op de planlocatie uitgesloten worden. De poelkikker komt doorgaans voor in halfnatuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel en op ruderaal terrein. De soort heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oeverzone.

Buiten de voortplantingstijd kan de poelkikker worden aangetroffen in weilanden en bossen die op enige afstand van het water liggen (BIJ12 Kennisdocument Poelkikker, 2017). Binnen de planlocatie is een geschikte watergang aanwezig die over onbeschaduwd en rijke oevervegetatie beschikt. Daarnaast is een groene kikker waargenomen ten tijde van het veldbezoek (figuur 3.1). De aanwezigheid van poelkikker is er derhalve niet met zekerheid uit te sluiten. Aanvullend onderzoek dient de aan- of afwezigheid vast te stellen van de poelkikker (zie H5.3). De heikikker is ook waargenomen in de omgeving van de planlocatie. De heikikker komt voor in zonbeschenen voortplantingswater en in natuurlijk grasland in de actieve periode. De potentie voor het voortplantingswater van de heikikker is beperkt gezien de hoeveelheid kroos die aanwezig is in de watergang, echter kan deze voor volledigheidshalve meegenomen worden in het aanvullend onderzoek (zie H5.3).

Figuur 3.1 De watergang welke mogelijk geschikt habitat vormen voor de heikikker en poelkikker.

12

De rugstreeppad is een typische pionierssoort die vaak als eerste verschijnt in een gebied dat door mensen op de schop is genomen, zoals afgravingen en braakliggend bouwterrein. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. In brede en grotere watergangen komt de rugstreeppad niet voor (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers, 2019). Rugstreeppadden zijn waargenomen circa 400 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Momenteel wordt het voorkomen van de rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied. De rugstreeppad staat er echter om bekend dat deze bouwterreinen snel kan koloniseren zodra er geschikte omstandigheden ontstaan (bijlage 2). Derhalve wordt aanbevolen om de planlocatie ongeschikt dan wel ontoegankelijk te houden voor rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden (zie H5.4). Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: muurhagedis en ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De muurhagedis is een warmteminnende soort, die in Nederland van nature alleen in Maastricht voorkomt.

Daar bevindt deze zich op de oude vestingwerken waar zij zonnend kunnen worden aangetroffen. Belangrijk is dat er voldoende spleten en holen aanwezig zijn voor thermoregulatie, overwintering en bescherming tegen predatoren. Het ideale habitat is een voor een slechts klein deel begroeide muur met weinig schaduw (Creemers & van Delft, 2009). De bebouwing en grasperceel binnen het plangebied voorzien niet in geschikt habitat voor de muurhagedis. Derhalve kan de aanwezigheid van de muurhagedis op de planlocatie uitgesloten worden. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Ringslangen kunnen goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Voor een broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn (RAVON ringslang, 2022). Aan de oostzijde van de oostelijke watergang zijn ringslangen waargenomen (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie is geen sprake van structuren als bladhopen, mesthopen en/of houtstapels welke kunnen fungeren als broedbiotoop of overwintering.

Aanwezigheid van broedbiotopen of overwinteringslocaties op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. In de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe watergang gerealiseerd welke in verbinding zal komen met de oostelijk watergang. Om het gebied geschikt te houden voor de ringslang dienen de oevers natuurvriendelijk ingericht te worden. De beoogde ontwikkeling leidt dan niet tot wegnemen van essentiële onderdelen of functioneel leefgebied van de ringslang. Negatieve effecten op de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Indien in de beoogde situatie natuurvriendelijke oevers aanwezig zijn, is er ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. Voor de aanwezigheid van grote modderkruiper dienen verschillende functionaliteiten binnen een watergang aanwezig te zijn, namelijk: de plekken waar gebaltst of gepaard wordt, de plekken waar eitjes afgezet worden en opgroeien en de plekken die door de larven of jonge visjes worden gebruikt.

De ondiepe paaizones zijn vaak sterk zonbeschenen en rijk begroeid met onderwatervegetatie, helofyten of ondergelopen gras (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2021). De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is op circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie (NDFF 2012-2022). De oostelijke watergang is relatief en breed waardoor deze ongeschikt is als leefgebied voor de grote modderkruiper. 13

De westelijke watergang wordt niet aangetast, er wordt alleen mogelijk een nieuwe watergang gerealiseerd die met de bestaande watergang in verbinding wordt gebracht. Dit leidt alleen maar tot meer geschikt leefgebied voor de soort. Negatieve effecten op de grote modderkruiper zijn derhalve uitgesloten. Echter dient er wel rekening gehouden te worden met enkele maatregelen (zie H5.4). Ten aanzien van de algemene zorgplicht dienen er tijdens het realiseren van een nieuwe watergang enkele maatregelen opgevolgd te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2012-2022). De platte schijfhoren leeft vooral in voedselrijke, schone, ondiepe, onbeschaduwde wateren met een uitbundige onderwatervegetatie. Op kleibodems komt de soort veel minder voor. De vegetatie wordt gekenmerkt door ondermeer kikkerbeet, diverse fonteinkruiden en brede waterpest (Boesveld et al, 2011). De westelijke watergang bevat veel kroos waardoor er geen sprake is van een rijke onderwatervegetatie. De oostelijke watergang bevat in zeer beperkte mate waterlelie, echter ontbreekt het aan een rijke onderwatervegetatie.

Daarnaast zijn soorten als kikkerbeet, diverse fonteinkruiden en brede waterpest niet waargenomen. Tevens is er sprake van een kleibodem. Door het voorgenoemde kan de aanwezigheid van platte schijfhoren op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: koolmees, merel, pimpelmees, spreeuw en vink. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies.

Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De schuur beschikt over een dakpannen dak en dakbeschot waarbij er sprake is van een geschikte dakruimte. Gedurende het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen en/of gehoord. Het veldbezoek vond plaats gedurende het broedseizoen van de huismus en de weersomstandigheden waren zeer gunstig voor het inventariseren van huismussen. De afwezigheid van huismussen op het perceel is een zeer sterke indicatie dat huismussen de bebouwing niet gebruiken als nestlocatie. Daarnaast beschikt de schuur niet over een dakgoot waardoor het invliegen zeer bemoeilijkt wordt. In de NDFF zijn tevens waarnemingen van huismussen op en nabij het perceel niet bekend (NDFF 20122022). Door het voorgenoemde wordt uitgesloten dat de schuur op de planlocatie gebruikt wordt door de huismus als nestlocatie. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.

Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.

14

De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De schuur beschikt niet over een toegankelijke kantpannen, ook zijn overige invliegopeningen niet aanwezig. Hierdoor is de dakruimte niet toegankelijk voor de gierzwaluw. Derhalve kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de schuur zijn geen sporen (c.q. braakballen of krijtsporen) van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. In een boom nabij de schuur is een boomholte aangetroffen, echter zijn hier geen braakballen, krijtsporen of ruiveren aangetroffen van soorten als steenuil. Derhalve kan de aanwezigheid van vaste rust- of nestlocaties van uilen (c.q.

kerkuil en steenuil) op de planlocatie uitgesloten worden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Het grasperceel is mogelijk onderdeel van algemeen foerageergebied van uilenen roofvogelsoorten. Echter zijn er voldoende alternatieve percelen aanwezig in de omgeving, zoals een weideperceel, en is er sprake van veel groenstructuren. Derhalve wordt uitgesloten dat de planlocatie essentieel leefgebied betreft voor uilen- en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=df295bcf-754d-45b6-b42c-a0c7229647c2