Bijlage 2a toelichting BP Vaststelling bestemmingsplan
Tekst van het document
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verder zijn er geen buisleidingen, vaar-, spoor- of overige wegen waardoor/waardoor structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor dit plan. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s te verwachten.
34
Plangebied
Afbeelding 13: Risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
35
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
36
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.8.1 Soortenbescherming Ecologische quickscan Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door adviesbureau Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van het ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. Hieruit blijkt dat de beoogde realisatie van de woning aan de Recht van Ter Leede te Leerdam uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Er dient wel aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: heikikker en poelkikker. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt.
Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Aanvullend ecologisch onderzoek heikikker en poelkikker Door adviesbureau Blom Ecologie is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de heikikker en poelkikker. De rapportage van het aanvullend ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat aanwezigheid van de heikikker en poelkikker uitgesloten kan worden. Binnen het plangebied komen geen beschermde natuurwaarde voor. Voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling is een ontheffing Wnb niet nodig. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
37
•
•
•
•
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) van algemene amfibieën, als de kleine watersalamander en bastaardkikker, dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden en realisatie van de duiker dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.
Voordat het nieuw oppervlaktewater in verbinding wordt gebracht met de bestaande watergang dient eerst de grond voor de nieuwe watergang uitgegraven te worden, met een afscheiding (dam). Vervolgens kan het oppervlaktewater, na afronding van de graafwerkzaamheden in verbinding worden gebracht met de bestaande watergang.
4.8.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingebied en Diefdijk-Zuid’. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 400 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 6,2 km ligt de Groene contour. Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 1 km van het plangebied. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
38
Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
4.8.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft voor dit plan een proefberekening uitgevoerd. Gezien de omvang van het plan en op basis van de resultaten van deze proefberekening wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen. 39
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen is door Linge Milieu verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek zijn: Grond De boven- en ondergrond van het terrein aan de Recht van Ter Leede zijn maximaal licht verontreinigd met metalen en PAK. Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740pakket wordt een tussenwaarde overschreden. Olie en PCB's zijn nergens boven de achtergrondwaarde verhoogd. In het bovengrondmengmonster van de boringen in de contour van de gedempte sloot is zink als enige licht verhoogd. De ondergrond van deze boringen is analytisch schoon.
Van de bestrijdingsmiddelen zijn DDT en de afbraakproducten DDE en DDD meetbaar verhoogd in de toplaag van het grasland. Gehaltes liggen echter onder de achtergrondwaarde. Asbest Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie. Er zijn voor het asbest-onderzoek totaal vijf mengmonsters van grond en puin samengesteld. Ook analytisch is asbest daarin niet aantoonbaar. Grondwater In het grondwater is barium als enige verhoogd, boven de tussenwaarde. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor de locatie zelf. Conclusie, aanbevelingen De kwaliteit van grond en grondwater van de locatie is geen belemmering voor de ontwikkeling van het terrein. De licht verhoogde gehaltes in de grond zijn geen risico voor de volksgezondheid. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden in grond of grondwater is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Als er grond bij de ontwikkeling vrijkomt, dan kan deze zonder belemmering op locatie worden hergebruikt. Voor de afvoer van grotere volumes grond is waarschijnlijk partijkeuring nodig. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie met de plannen en het benodigde grondverzet is omgevingsdienst Utrecht, namens Gemeente Vijfheerenlanden. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen. 40
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen (bruin). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door ADC Archeoprojecten een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Op basis van het uitgevoerde archeologische bureau- en booronderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de late middeleeuwen. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied door de relatief lage ligging en vochtige omstandigheden tot aan de late middeleeuwen weinig aantrekkelijk is geweest voor menselijke bewoning. Vanaf de late middeleeuwen is het gebied ontgonnen en zijn dijken en een watergang in het gebied aangelegd. 41
Aan weerszijden van het plangebied stonden molens die verband hielden met deze waterstaatkundige werken. Op historische kaarten is zichtbaar dat de watergang uiteindelijk is gedempt. Het booronderzoek toont dat de dijken en voormalige watergang nog aanwezig zijn in het plangebied. Er is sprake van een waterstaatkundig ensemble samen met de molenlocaties, met een potentieel hoge archeologische informatiewaarde. De kans dat bij de voorgenomen ontwikkeling deze archeologische waarden worden aangetast is groot. Plangebied
Afbeelding 16: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Op basis van dit onderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Het proefsleuvenonderzoek dient zich te richten op de dijken en watergangen die in het plangebied zijn aangetroffen. Deze elementen zijn in het zuidoostelijke deel van het plangebied het meest intact aangetroffen. Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven Door ADC Archeoprojecten is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd. De verwachting die op grond van het vooronderzoek is gesteld, kan op basis van het aanvullend proefsleuvenonderzoek worden bevestigd. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee dijklichamen, een zevental sloten en een mogelijke kuil aangetroffen. De bodemopbouw die is gedocumenteerd wijst op een beperkte invloed van (sub)recente grondverstorende werkzaamheden. Dat betekent dat als er archeologische restanten in de bodem aanwezig zijn, deze nog relatief intact moeten zijn gebleven. Aangezien deze niet in voldoende aantal of bijzonderheid zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat het plangebied in het verleden niet intensief is gebruikt.
Een typering van de vindplaats moet derhalve gezocht worden in de categorie landinrichting. Geheel volgens PvE hoeft er dan ook geen waarde42
stelling en selectieadvies te worden opgesteld, en kan het plangebied worden vrijgegeven. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Indien bij verdere graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden en resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet, art. 5.10, direct te worden gemeld. In de praktijk kan melding het beste direct plaatsvinden bij de gemeente (de bevoegde overheid).
43
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Leerdam, Recht van ter Leede 4’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan ‘Leerdam, Recht van ter Leede 4’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Leerdam, Recht van ter Leede 4’ is aansluiting gezocht bij de vigerende bestemmingsplan ‘Leerdam-Noord’ (vastgesteld 30 juni 2011) en ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ (vastgesteld 10 juni 2021). De regels van het bestemmingsplan ‘Leerdam, Recht van ter Leede 4’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen en aanduidingen Tuin De voortuin/het voorerf behorende bij de nieuwe woning wordt bestemd als ‘Tuin’. In de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Water Ter plaatse van de watergang langs de Recht van ter Leede blijft de bestemming ‘Water’ ongewijzigd. Wonen Voor de nieuwe woning wordt een woonbestemmingsvlak met bouwvlak opgenomen. De nieuwe woning dient te worden gerealiseerd binnen het bouwvlak. Op het bouwvlak wordt de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ opgenomen (daarmee mag er uitsluitend een vrijstaande woning worden gerealiseerd) en de maatvoeringsaanduiding ‘bouw- en goothoogte (m): 9 en 4,5 opgenomen. Overige zone – groenblauw raamwerk Voor de strook aan de achterzijde van het perceel wordt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – groenblauw raamwerk’ opgenomen ter waarborging dat dit een 44
“groen-blauwe” zone wordt/blijft. Op deze gronden mogen geen gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De gronden wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan. Om de waterkwaliteit op peil te houden en de biodiversiteit te bevorderen, mogen er langs de watergang (Nieuwe Vliet) geen damwanden worden geplaatst. Langs de watergang dienen natuurvriendelijke oevers te worden toegepast.
45
6.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een planontwikkeling te informeren. Gezien de kleinschaligheid van het plan heeft de initiatiefnemer van dit plan besloten om de omwonenden persoonlijk mondeling te informeren over de plannen. Het verslag van de buurtparticipatie is toegevoegd in de bijlage.
6.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de overlegpartners, waaronder de Provincie Utrecht en het Waterschap Rivierenland.
6.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken (waaronder het ontwerpbesluit Hogere waarden Wet geluidshinder) hebben vanaf vrijdag 8 september 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
46
7.
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een plan
7.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de economische haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een exploitatieovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin zaken zoals planschade en financiële zekerheidstellingen zijn gewaarborgd. Door Linge Milieu is een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd waaruit blijkt dat de kwaliteit van grond en grondwater geen belemmering zijn voor de ontwikkeling van het terrein. De licht verhoogde gehaltes in de grond zijn geen risico voor de volksgezondheid. Als er grond bij de ontwikkeling vrijkomt, dan kan deze zonder belemmering op locatie worden hergebruikt.
Het aspect bodem zit de economische uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Omdat het plan niet voorziet in kosten die door de gemeente zal moeten worden gemaakt, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
47