CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Quickscan Wnb - Kerkstraat 37, Kedichem

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 26 september 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kerkstraat 37 Kedichem6.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Kerkstraat 37 te Kedichem Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-1330

Datum:

21 december 2022 (herzien: 1 maart 2023)

Samensteller:

ing. B.P.G. van Beurden

Collegiale toets:

ing. L. Pieterman

Opdrachtgever:

Plannen-makers B.V.

Contactpersoon:

W. Lakerveld

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

7

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

10

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

18

3.3

Houtopstanden

20

4 Samenvatting

21

4.1

Soortenbescherming

21

4.2

Gebiedsbescherming

21

4.3

Houtopstanden

21

5 Conclusie

22

5.1

Conclusie

22

5.2

Uitvoerbaarheid

22

5.3

Vervolgstappen

22

5.4

Te treffen maatregelen

22

1 Inleiding Aan de Kerkstraat 37 te Kedichem is een woonperceel met een woning en 4 bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bijgebouwen op de planlocatie te slopen en te transformeren ten behoeve van 4 woningen. De woning op de planlocatie valt buiten de beoogde ontwikkeling en wordt derhalve niet meegenomen in de beoordeling. Het bestemmingsplan voorziet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Kerkstraat 37 te Kedichem.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kerkstraat 37 te Kedichem (figuur 1.2). De planlocatie betreft een woonperceel met een woonhuis en 4 bijgebouwen. De woning valt buiten de ontwikkeling en wordt derhalve niet meegenomen in de beoordeling. Onderstaand wordt de bebouwing beschreven waarbij de nummering correspondeert met figuur 1.2 en 1.3. 1.

Woonhuis: is opgebouwd uit gestucte muren met luchtspouw. Het huis beschikt over een mansardedak en is bekleed met dakpannen. 2. Werkplaats: is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw en beschikt over een plat dak en een boeibord. 3. Schuur: is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw. Het dak is bekleed met golfplaten. 4. Werkplaats: is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw. Het zadeldak beschikt over stormpannen. 5. Werkplaats: is opgebouwd uit gemetselde muren zonder luchtspouw. Het zadeldak is bedekt met golfplaten en beschikt niet over een dakbeschot. Rondom de bebouwing is verharding aanwezig in de vorm van bestrating en kiezelstenen. Op de planlocatie is een tuin aanwezig, maar deze wordt niet meer goed onderhouden gezien het perceel niet is bewoond. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kerkstraat 37 te Kedichem. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door bebouwd gebied. De planlocatie is op circa 200 m gelegen van het centrum van Kedichem. Circa 10 m ten zuiden is Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ gelegen. Op circa 20 m ten zuiden van de planlocatie is rivier ‘Linge’ gelegen. De dichtstbijzijnde provinciale weg betreft de N848 en is gelegen op circa 3 km ten oosten van de planlocatie.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om een schuur (3) en een werkplaats (4) te slopen en 2 werkplaatsen (2 & 5) te transformeren ten behoeve van 4 woningen.

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

6

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop en transformatie van 2 bijgebouwen ten behoeve van de realisatie van 4 woningen. Er zijn geen kapwerkzaamheden beoogd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van 2 bijgebouwen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • transformatie en realisatie nieuwe woningen: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Lanerak Teken- & Adviesbureau).

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 december 2022 en is uitgevoerd door ing. B.P.G. van Beurden. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, -1 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

8

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.

Tabel 2.1

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart

Havik Huismus Kerkuil Oehoe

Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk

Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw

Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend

Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel

Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.

9

In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Tweekleurige bosspitsmuis

Bunzing

Huisspitsmuis

Veldmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.

Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen

10

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone klimop, haagbeuk, paardenbloem, straatgras, witte klaver en zomereik. Verharding is aanwezig in de vorm van bestrating en kiezelstenen. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, damhert, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos, wild zijn en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, damhert en wild zwijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever leeft in overgangsgebieden tussen land en water waar langs de oever goed bereikbare bomen en struiken aanwezig zijn. Gezien op de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig is en er geen bomen of struiken aanwezig zijn, is de aanwezigheid van de bever op de planlocatie uitgesloten. Het damhert en wild zwijn leven in bosgebieden, zoals loof- en gemengde bossen. De planlocatie betreft een woonperceel wat grotendeels is verhard. Er is geen sprake van bosgebied op en rondom de planlocatie waar het wild zwijn en damhert gebruik van kunnen maken. Derhalve is de aanwezigheid van het damhert en wild zwijn op de planlocatie uitgesloten.

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

12

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). In de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden geen bomen gekapt. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De te slopen en renoveren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Onderstaand wordt per bebouwing een beoordeling gegeven ten aanzien van gebouw bewonende vleermuizen. De nummering correspondeert met de nummering uit figuur 1.2 en 1.3. 2. De werkplaats bestaat uit volsteense muren en beschikt over een plat, bitumen dak. Aan de noordzijde van het gebouw is een invliegopening aanwezig in de vorm van een weggevallen steen (figuur 3.1). De opening leidt niet naar een dakruimte of luchtspouw maar leidt wel direct naar de binnenzijde van het gebouw. De meeste vleermuizen willen wegkruipen in een gesloten ruimte. Wegens de afwezigheid van krappe ruimten met een stabiel microklimaat, zoals een luchtspouw of een geschikte dakruimte, is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen in de werkplaats uitgesloten.

Tevens is er sprake van lichtinval in de bebouwing door de aanwezigheid van ramen, waardoor de bebouwing geen geschikte verblijfplaats is voor zeer lichtgevoelige soorten als de gewone grootoorvleermuis (figuur 3.1). 3. De schuur bestaat uit volsteense gemetselde muren en beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Wegens de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen, is de aanwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen in de schuur uitgesloten. 4. De werkplaats bestaat uit volsteense muren en beschikt over een zadeldak bedekt met stormpannen. Aan de zuidzijde van de bebouwing ontbreekt er bij het overstek een plank. Via deze opening is de dakruimte toegankelijk (figuur 3.2). Wegens de grootte van de opening kan het onder het dak erg gaan tochten, waardoor er geen sprake is van een stabiel microklimaat onder het dak. Ook is aan de westzijde van het dak onder de dakgoot een opening aanwezig. De opening leidt niet naar een geschikte dakruimte, gezien de aanwezigheid van stormpannen op het dak. Onder de stormpannen is er geen ruimte voor vleermuizen om onder het dak te verblijven, gezien de stormpannen direct op het dakbeschot zijn geplaatst (figuur 3.2). Met de afwezigheid van een geschikte dakruimte en een stabiel microklimaat, is de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de werkplaats uitgesloten. 5.

De werkplaats bestaat uit gemetselde muren zonder luchtspouw en het gebouw beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Gezien er geen luchtspouw en geen geschikte dakruimte aanwezig is, is de aanwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen in de werkplaats uitgesloten.

13

Figuur 3.1 In werkplaats 2 is een invliegopening aanwezig voor vleermuizen in de vorm van een weggevallen steen (links). Gezien de bebouwing beschikt over een plat dak, er geen sprake is van een luchtspouw en er veel lichtinval is in de bebouwing (rechts), beschikt de werkplaats niet over een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen.

Figuur 3.2 Links: missende plank in dakoverstek. Alhoewel de dakruimte toegankelijk is, betreft het geen geschikte verblijfplaats gezien de afwezigheid van een geschikt microklimaat. Rechts: opening aan de onderzijde van de dakgoot. Ook is hier geen sprake van een geschikte verblijfplaats gezien de stormpan direct op het dakbeschot is geplaats en er daardoor geen ruimte onder het dak aanwezig is. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden groenstructuren niet verwijderd. Derhalve worden essentiële vliegroutes en foerageergebieden niet aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander en poelkikker.

14

Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt. Op de planlocatie is een steenhoop aanwezig, maar gezien geen mogelijk geschikte voortplantingswateren in de omgeving zijn gesitueerd, wordt de planlocatie niet gebruikt als vaste overwinteringsplaats. Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker, kamsalamander en poelkikker zijn derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2012-2022). De teunisbloempijlstaart is niet waargenomen binnen een straal van 2 km in de afgelopen 10 jaar. Echter is de soort de laatste jaren flink in opmars en reikt zijn verspreidingsgebied inmiddels ten zuidoosten van de lijn Rotterdam – Zwolle. Het betreft een zwervende soort waardoor deze lastig waar te nemen is en waarnemingen in de NDFF aannemelijk ontbreken. Derhalve wordt deze soort ook meegenomen in de beoordeling. De teunisbloempijlstaart leeft in open, vochtige bossen, bosranden. De soort gebruikt de teunisbloem, basterdwederik, kattenstaart en wilgenroosje als waardplant.

De planlocatie is grotendeels verhard in de vorm van bestrating en kiezelstenen. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bosgebieden en bosranden aanwezig. Tevens zijn op de planlocatie geen waardplanten, zoals teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart aangetroffen. Gezien dat de planlocatie intensief wordt gebruikt, hebben de voorgenoemde waardplanten ook geen ruimte om op de planlocatie te groeien. De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart op de planlocatie is derhalve uitgesloten. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

15

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus, kauw en merel. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Onderstaand wordt een beoordeling gegeven per bebouwing op de planlocatie. De nummering correspondeert met de nummering uit figuur 1.2 en 1.3. 2. De werkplaats beschikt over een plat, bitumen dak.

Hierdoor is er geen ruimte aanwezig voor de huismus om een nest te maken. Daarbij zijn er geen andere constructies aanwezig waar deze soort een nest op kan maken. Er is geen sprake van een geschikte nestlocatie voor de huismus. 3. De schuur beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Met de afwezigheid van een geschikte dakruimte, is uitgesloten dat de schuur als nestlocatie fungeert van de huismus. 4. De werkplaats beschikt over een zadeldak bedekt met stormpannen en een dakbeschot. Onder de stormpannen is er geen ruimte voor huismussen om onder het dak te nesten, gezien de stormpannen direct op het dakbeschot zijn geplaatst en er geen sprake is van een bolling in de stormpannen (figuur 3.3). Derhalve is het uitgesloten dat de werkplaats fungeert als nestlocatie voor de huismus. 5. De werkplaats beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Met de afwezigheid van een geschikte dakruimte, is uitgesloten dat de werkplaats fungeert als nestlocatie voor de huismus.

Figuur 3.3 Onder het dak is geen ruimte voor huismussen om te kunnen nesten. De stormpannen zijn direct geplaatst op het dakbeschot waardoor er geen ruimte onder het dak aanwezig is.

16

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Onderstaand wordt per bebouwing een beoordeling gegeven. De nummering correspondeert met de nummering uit figuur 1.2 en 1.3. 2. De werkplaats beschikt over een plat dak. Met de aanwezigheid is er geen geschikte dakruimte aanwezig voor de gierzwaluw om in de bebouwing te nestelen. Derhalve kan de aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluwen in de werkplaats uitgesloten worden. 3.

De schuur beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Er is geen geschikt aanvliegopening aanwezig en er is geen sprake van geschikte dakruimten. Derhalve fungeert de schuur niet als nestlocatie voor de gierzwaluw. 4. De werkplaats beschikt over een zadeldak met stormpannen. Gezien het dak beschikt over stormpannen, is de ruimte onder het dak te klein voor gierzwaluwen om te kunnen fungeren als nestlocatie. Derhalve is uitgesloten dat de werkplaats fungeert als nestlocatie voor de gierzwaluw. 5. De werkplaats beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot. Gezien er geen geschikte invliegopeningen aanwezig zijn en er geen geschikte dakruimte aanwezig is, is de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw in de bebouwing uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie is grotendeels verhard en beschikt over weinig korte of verruigde vegetatie. Ten zuiden van de planlocatie is geschikter alternatief leefgebied aanwezig. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen of andere roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en cat.

5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloop- en renovatiewerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

17

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 10 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 3.4).

Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 m tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een schuur en een werkplaats en de transformatie van 2 werkplaatsen tot 4 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Gezien de korte afstand tussen de planlocatie en Natura 2000-gebied, is er mogelijk sprak van enige effecten. Potentiële effecten van activiteiten op het Natura 2000-gebied kunnen in kaart gebracht worden middels de Effectenindicator (Synbiosys Alterra, 2022). De indicator is een interactieve tool waarmee op hoofdlijnen bepaald kan worden welke effecten mogelijk optreden bij een bepaalde ruimtelijke activiteit. De output bestaat uit een tabel waarin per habitat en doelsoort van het gebied wordt aangegeven wat de gevoeligheid is. De activiteit ‘Woningbouw’ kan binnen het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ leiden tot verschillende tijdelijke/permanente effecten, namelijk: • • • • • • • • •

1, Oppervlakteverlies; 2, Versnippering; 7, Verontreiniging; 8, Verdroging; 13, Verstoring door geluid; 14, Verstoring door licht; 15, Verstoring door trilling; 16, Optische verstoring; 17, Verstoring door mechanische effecten.

Gezien de geplande werkzaamheden plaatsvinden buiten het Natura 2000-gebied, is het uitgesloten dat er sprake is van oppervlakteverlies en versnippering. De geplande werkzaamheden (sloop en transformatie) zijn van kleinschalige aard en zullen derhalve niet leiden tot veranderingen in verontreiniging of verdroging. Binnen het Natura 2000-gebied worden geen voorwerpen gerealiseerd die niet thuishoren in de omgeving. Het (werk)verkeer zal de reguliere openbare weg volgen, welke reeds gebruikt wordt door een verscheidenheid aan voertuigen. 18

De nieuwe woningen heeft geen afstekend ontwerp en zal opgaan in de omgeving. Derhalve resulteert de ontwikkeling tevens niet in externe optische verstoring. De habitattypen binnen het Natura 2000gebied ‘Lingeggebied & Diefdijk-Zuid’ zijn, conform de Effectenindicator, niet gevoelig voor verstoring door geluid, licht en trilling. Ten aanzien van de bever (doelsoort) geldt dat de dijk, welke is gesitueerd tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied, een bufferende werking heeft op de eventuele verstoringen m.b.t. geluid, trillingen en licht. Tevens vindt de realisatie van woningen op de planlocatie grotendeels inpandig plaats. De Lingedijk is een drukke weg en er vindt recreatie plaats in het Natura 2000-gebied, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de bever is uitgesloten. Ten aanzien van vissen- en amfibiesoorten die zijn aangeschreven als doelsoort geldt dat er geen sprake is van geschikt leefgebied, waardoor negatieve effecten derhalve zijn uitgesloten. Eventuele maatregelen voor effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn derhalve niet noodzakelijk. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen.

Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Plannenmakers voert bij ieder project preventief een AERIUS-calculatie uit om inzichtelijk te krijgen of de ontwikkeling mogelijk leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar de separaat opgestelde rapportage. Gezien er een geringe afstand (10 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 50 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.5). Op een afstand van circa 11 km ligt de Groene contour (geen kaartmateriaal vervaardigd). Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 590 m van de planlocatie (figuur 3.6).

Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl)

19

Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 590 m tot het Weidevogelkerngebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl)

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

20

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groen contour Weidevogelkerngebied

10 m 50 m 11 km 590 m

Stikstof Geen Geen Geen

AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

21

5 Conclusie 5.1

Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Kerkstraat 37 te Kedichem is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De sloop- en transformatiewerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

22

Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

23

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Kerkstraat 37 te Kedichem en bestaat uit een woonhuis, een schuur en 3 werkplaatsen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een schuur en werkplaats (4) en de renovatie van 2 werkplaatsen (2 & 5) voor 4 woningen.

Figuur 2

De directe omgeving aan ten zuiden van de planlocatie.

24

Figuur 3

Op de planlocatie is sprake van een tuin welke niet meer wordt onderhouden.

Figuur 4

De directe omgeving van de planlocatie ten noorden van de planlocatie.

25

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=5f917091-cbee-4652-ae8b-cd2bf62a891e