CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.1. Integrale tekst Bal Bkl en Ob zoals gewijzigd door de zienswijzenversie

Commissie Ruimte, Wonen en Duurzaamheid 8 april 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Aanvulling Beleidskader energietransitie [BET] - kleine windturbines en zon op grond9.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

In dit document zijn de windturbinebepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit opgenomen. In renvooi zijn de wijzigingen opgenomen die hierin worden aangebracht via het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving Tekst Besluit activiteiten leefomgeving, zoals gewijzigd door de zienswijzeversie ontwerpbesluit windturbines leefomgeving § 3.2.4 Windturbine Artikel 3.11 (aanwijzing milieubelastende activiteiten) 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m. 2. Onder de aanwijzing valt niet het opwekken van elektriciteit met een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee als bedoeld in paragraaf 7.2.3. Artikel 3.12 [vervallen] Artikel 3.13 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.11, voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 3.14 (algemene regels) Bij het verrichten van de activiteit, bedoeld in artikel 3.11, wordt voldaan aan de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30.

Artikel 3.14a (tijdelijke uitzondering algemene regels) In afwijking van artikel 3.14 zijn de regels over een windturbine, bedoeld in paragraaf 4.30 niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13. Artikel 3.14b (overgangsrecht: tijdelijke algemene regels) 1. De regels over een windturbine, bedoeld in de paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b, zijn tot en met 30 juni 2025 van toepassing, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en daarvoor: a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. 2. Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt. 3.

Met een maatwerkvoorschrift kan voor een windpark als bedoeld in het eerste lid niet worden afgeweken van de regels over een windturbine, bedoeld in paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b. 4. Als op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid of derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin normen met een andere waarde voor geluidhinder waren vastgesteld, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan de normen met die andere waarde. § 4.30 Windturbine

1

Artikel 4.425b (begripsbepaling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: daglichtperiode: deel van een etmaal met een omgevingslichtsterkte groter of gelijk aan 500 cd/m2; nachtlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte minder of gelijk aan 50 cd/m2; schemerlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte tussen 50 en 500 cd/m2. Artikel 4.426 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine. Artikel 4.427 (melding) 1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.426, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat: a. het vermogen van de windturbine in kilowatt; b. de diameter van de rotor in centimeters; c. de hoogte van de mast in meters; en d. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is. 3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan. 4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3. 5. Op het berekenen van de afstanden zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 4.428 (externe veiligheid: beoordeling) 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een windturbine ten minste eenmaal per jaar beoordeeld door een deskundige op het gebied van windturbines op de beveiligingen, onderhoud en reparaties. 2. Na constatering of vermoeden van een gebrek, waardoor de veiligheid in het geding is, wordt de windturbine onverwijld buiten gebruik gesteld. 3. Een buiten gebruik gestelde windturbine wordt pas in gebruik genomen als alle geconstateerde gebreken zijn hersteld. Artikel 4.429 (informeren: buiten gebruik stellen) Het bevoegd gezag, bedoeld in afdeling 2.2, wordt onverwijld geïnformeerd over het buiten gebruik stellen van een windturbine. Artikel 4.430 (externe veiligheid: ontwerp) 1. Een windturbine is ontworpen volgens: a. NEN-EN-IEC 61400-1, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van meer dan 16 m; of b. NEN-EN-IEC 61400-2, als het gaat om een windturbine met een rotordiameter van ten hoogste Besluit activiteiten leefomgeving 16 m.

2

2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als voor de windturbine een certificaat is verstrekt waaruit blijkt dat de windturbine is ontworpen volgens het eerste lid. 3. Het certificaat is verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NENENISO/IEC 17065 voor NEN-EN-IEC 61400-22. 4. Een windturbine met een leeftijd die hoger is dan de ontwerp-levensduur die is aangegeven in het certificaat dat voor de windturbine is verstrekt, wordt beoordeeld door een onafhankelijke deskundige volgens NPR 8400. Artikel 4.430a (overgangsrecht: ontwerp) 1. Artikel 4.430, eerste lid, is niet van toepassing op een windturbine waarvoor voor 1 december 2001 een vergunning is verleend op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en die voldoet aan de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden. 2. Een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of die een windturbine vervangt die is opgericht voor 1 januari 2017, kan in afwijking van artikel 4.430, eerste lid, onder b, ook zijn ontworpen volgens de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm NVN 11400-0.

Artikel 4.430aa (lichtschittering: beperken van reflectie) Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen Artikel 4.430ab (lichtschittering: meten reflectiewaarden) Op het meten van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing. Artikel 4.430ac (obstakelmarkering en obstakelverlichting: afzonderlijke windturbines) 1. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn de volgende windturbines voorzien van obstakelmarkering en obstakelverlichting: a. een windturbine met een hoogte van ten minste 150 m ten opzichte van het maaiveld; b. een windturbine die een hoogtebeperkingsvlak voor de vliegveiligheid in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven als bedoeld in artikel 8a.54 van de Wet luchtvaart in verticale richting penetreert; c. een windturbine met een hoogte van ten minste 100 m ten opzichte van het maaiveld binnen een afstand van ten hoogste 120 m van een bij ministeriële regeling aangewezen autosnelweg of waterweg; en d. een windturbine met een hoogte van ten minste 100 m of meer ten opzichte van het maaiveld binnen bij ministeriële regeling aangewezen laagvlieggebieden voor de luchtvaart. 2.

De rotorbladen, de gondel en het bovenste tweederde deel van de mast van een windturbine als bedoeld in het eerste lid zijn uitgevoerd in wit. 3. De obstakelverlichting van een windturbine als bedoeld in het eerste lid omvat de volgende obstakellichten: a. in de dag- en schemerlichtperiode op het hoogste vaste punt een wit flitsend obstakellicht; b. in de nachtlichtperiode op het hoogste vaste punt een rood flitsend of vastbrandend obstakellicht; c. in de nachtlichtperiode bij windturbines met een hoogte van 150 meter tot 210 meter vastbrandende rode obstakellichten halverwege de mast, gerekend vanaf de gondel, of ter hoogte van een nabij gelegen intern torenplatform; en

3

d. in de nachtlichtperiode bij windturbines met een hoogte van 210 meter of meer vastbrandende rode obstakellichten op eenderde en op tweederde hoogte van de mast, gerekend vanaf de gondel, of ter hoogte van een nabij gelegen intern torenplatform. 4. De obstakelmarkering en de obstakelverlichting van een windturbine worden uitgevoerd overeenkomstig het Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland. Artikel 4.430ad (obstakelmarkering en obstakelverlichting: windturbines in een windpark) 1. Flitsende obstakellichten op de windturbines van een windpark worden onderling gesynchroniseerd en flitsen gelijktijdig en gelijkmatig. 2. Voor zover het gaat om een windpark worden alleen de volgende windturbines voorzien van obstakelverlichting volgens artikel 4.431a: a. de windturbines op de hoekpunten van het windpark; b. de windturbines op de randen van het windpark, voor zover de afstand tussen twee naburige windturbines meer dan 900 m bedraagt; en c. de windturbines die in hoogte boven de omringende windturbines uitsteken. 3. Als in de nachtlichtperiode vastbrandende obstakellichten worden toegepast, worden alle windturbines in het windpark van obstakellichten voorzien.

Artikel 4.430ae (overgangsrecht) Als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de inwerkingtreding van artikel 4.431a, onderscheidenlijk artikel 4.431b, heeft ingestemd met een voorstel voor het aanbrengen van obstakelmarkering en obstakellichten op een windturbine, respectievelijk een windpark, dan wordt de windturbine overeenkomstig het voorstel waarmee is ingestemd gemarkeerd en van obstakellichten voorzien. § 4.30a Windturbine: tijdelijke regels geluid Artikel 4.430b (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13. Artikel 4.430c (geluid: waarden windturbines) 1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een op 1 januari 2024 aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat voor dat terrein een van de volgende besluiten in werking is getreden: a.

bij omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.11a van de wet; b. bij besluit geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld op grond van artikel 2.12a, eerste lid, van de wet; of c. bij omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt verricht. 32. Op de begrippen Lden en Lnight zijn de begripsbepalingen bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing.

4

Artikel 4.430ca (overgangsrecht) Als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor het opwekken van elektriciteit met een windpark op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een andere waarde voor geluidhinder gold, blijft die waarde gelden totdat het windpark wordt vervangen. Artikel 4.430cb (geluid: functionele binding) Artikel 4.430c is niet van toepassing op het geluid van een windpark op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met het windpark. Artikel 4.430d (geluid: registratie gegevens windturbines 1. De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, zijnde het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband dat door de turbine wordt uitgestraald, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte. 2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard. 3. De parameters worden geregistreerd volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels. Artikel 4.430e (geluid: meet- en rekenbepalingen) Op het bepalen van het geluid Ldenof Lnight, bedoeld in artikel 4.430c, zijn de bij ministeriële regels gestelde regels van toepassing.

§ 4.30b Windturbine: tijdelijke regels slagschaduw en lichtschittering Artikel 4.430f (begripsbepaling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: slagschaduwgevoelig gebouw: slagschaduwgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; verblijfsruimte: verblijfsruimte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; woonschip: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip; woonwagen: woonwagen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 4.430g (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 en: a. slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of b. lichtschittering veroorzaakt. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

5

3. Voor de toepassing van deze paragraaf is sprake van slagschaduw als de ingestraalde energie van de zon die bij het bewegen van de rotor van een windturbine slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw veroorzaakt, op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon hoger is dan 120 W/m². Artikel 4.430h (toepassingsbereik: eerbiedigende werking) 1. In afwijking van artikel 4.430g, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet. 2. In afwijking van artikel 4.430g, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet. Artikel 4.430i (slagschaduw: stilstandvoorziening) 1.

Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt. 2. De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en b. tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen. Artikel 4.430i (waarden voor slagschaduw) 1. Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw veroorzaakt een windpark niet meer dan zes uur per jaar en ten hoogste twintig minuten per dag slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw voor zover de afstand tussen de dichtstbijgelegen windturbine van het windpark en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalfmaal de rotordiameter bedraagt. 2. Een windturbine van het windpark met een passeerfrequentie van alle draaiende rotorbladen tussen 2,5 tot 14 Hz veroorzaakt geen slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. 3.

Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is elke windturbine van een windpark dat meer dan zes uur per jaar of meer dan twintig minuten per dag slagschaduw op een schaduwgevoelig gebouw kan veroorzaken voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine onmiddellijk afschakelt wanneer meer slagschaduw optreedt dan volgens het eerste lid is toegestaan. 4. De slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine, wordt niet meegerekend bij de norm die in het eerste lid is gesteld. Artikel 4.430ia (tot waar afstanden gelden)

6

De afstand, bedoeld in artikel 4.430i, eerste lid, wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine tot: a. voor gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: de gevel; b. voor nieuw te bouwen gebouwen: de locatie waar een gevel mag komen; en c. voor woonschepen en woonwagens: de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Artikel 4.430ic (slagschaduw: logboek) 1. Voor elke windturbine die met een stilstandvoorziening moet zijn uitgerust, wordt een logboek bijgehouden, waarin per etmaal de daadwerkelijk opgetreden slagschaduw wordt vermeld en alle gegevens worden opgenomen die relevant zijn om de opgetreden slagschaduw te bepalen. 2. Het logboek bevat ten minste een slagschaduwkalender voor elk relevant gevoelig gebouw in tabelvorm waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur wordt weergegeven en een vermelding van het aantal uren slagschaduw per jaar dat op elk relevant gevoelig gebouw is veroorzaakt. Artikel 4.430j (slagschaduw: functionele binding) Artikel 4.430i is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 4.430k (slagschaduw: voormalige functionele binding) Bij een agrarische activiteit is artikel 4.430i niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet of een voor de inwerkingtreding van de wet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn. Artikel 4.430l (lichtschittering: beperken van reflectie) Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen. Artikel 4.430l (overgangsrecht: stilstandvoorziening) Tot 1 juli 2026 is artikel 4.430i, derde lid, niet van toepassing op een windturbine die op 1 juli 2025 nog niet van een automatische stilstandvoorziening was voorzien.

Artikel 4.431 (lichtschittering: meten reflectiewaarden) Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing. Tekst Besluit kwaliteit leefomgeving, zoals gewijzigd door de zienswijzeversie ontwerpbesluit windturbines leefomgeving § 5.1.2.2 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines Artikel 5.4 (toepassingsbereik activiteiten) 1. Deze paragraaf is ook van toepassing op het op een locatie toelaten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage VII in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties 7

die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2. De artikelen 5.7, eerste lid, en 5.11, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het toelaten van een risicoverhogend bouwwerk in de directe omgeving van een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.4a (tijdelijke uitzondering windparken) Deze paragraaf is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 5.4a (tijdelijke uitzondering windparken) Deze paragraaf is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 5.5 (functionele binding) De artikelen 5.7 en 5.11, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties waar een activiteit als bedoeld in bijlage VII wordt verricht of die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in die bijlage. Artikel 5.6 (plaatsgebonden risico) Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit.

Artikel 5.7 (plaatsgebonden risico: kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen) 1. In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het toelaten van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van binnenwateren die behoren tot het basisnet, met uitzondering van zeevaartroutes, het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op een locatie: a. die parallel aan een tunnel is gelegen; of b. boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. Artikel 5.7a (plaatsgebonden risico: domino-effecten voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen) 1. Dit artikel is van toepassing op het toelaten van een van de volgende risicoverhogende bouwwerken waardoor het plaatsgebonden risico daarvan voor kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen wordt verhoogd: a. een buisleiding als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 2; of b. een andere activiteit met gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 13. 2.

In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit als bedoeld in het eerste lid in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen, in verband met de verhoging van dat risico van die buisleiding of activiteit door het toelaten van een windturbine of windpark in de directe omgeving. Artikel 5.7b (eerbiedigende werking)

8

Artikel 5.7a is, voor zover het gaat om het plaatsgebonden risico van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder b, van dat artikel, niet van toepassing: a. voor zover een risicoverhogend bouwwerk op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al op een locatie is toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, en voor zover de windturbines of het windpark niet wijzigt; en b. op kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen voor zover zij op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al op een locatie zijn toegelaten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 5.8 (plaatsgebonden risico: afstanden) 1. Aan de artikelen 5.7 en 5.7a artikel 5.7 wordt voldaan door inachtneming van de volgende afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII: a. de onderdelen A en B: de afstand, aangegeven bij die activiteit; b. onderdeel C: de afstand tot de locaties die bij ministeriële regeling zijn aangewezen; en c. de onderdelen D en E: een berekende afstand. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, kunnen de volgende afstanden in acht worden genomen voor de activiteiten aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII: a.

onderdeel A: de afstand waarvoor toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet is verleend, als de toestemming gaat om een gelijkwaardige maatregel die betrekking heeft op die afstand; en b. onderdeel B, onder 2 of 3: een berekende afstand. 3. Als de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b, alleen een deel van de breedte van de weg, de spoorweg of het binnenwater beslaat, laat het omgevingsplan boven de volle breedte geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toe. 4. Als een weg of spoorweg die tot het basisnet behoort gedeeltelijk bestaat uit een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen is toegestaan, laat het omgevingsplan boven dat gedeelte geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toe. 5. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Artikel 5.9 (plaatsgebonden risico: tot waar afstanden gelden) 1. De afstanden, bedoeld in artikel 5.8, gelden: a. voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: tot de gevel; b. voor nieuw te bouwen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen: tot de locatie waar een gevel mag komen; c. voor kwetsbare locaties: tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen; en d.

voor woonschepen en woonwagens: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2. De afstanden gelden voor zeer kwetsbare gebouwen ook tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval

9

veroorzaakt door een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A, onder 1a, B, C, D, onder 2, en E, onder 2 tot en met 13. Artikel 5.10 (plaatsgebonden risico: tijdelijke afwijking kwetsbare gebouwen en locaties) 1. In afwijking van artikel 5.7 kan in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht worden genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar: a. voor kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties; b. gedurende een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum: 1°. waarop het gebouw of de locatie is toegelaten; of 2°. van het begin van de activiteit; en c. als na die periode wordt voldaan aan artikel 5.7. 2. Aan het eerste lid wordt voldaan door inachtneming van een berekende afstand. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De afstand geldt tot de begrenzing, bedoeld in artikel 5.9. Artikel 5.11 (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. 2.

In afwijking van het eerste lid wordt, als het gaat om het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar. 23. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door inachtneming van de afstanden, bedoeld in artikel 5.8. 34. Aan het tweede lid wordt voldaan door inachtneming van een berekende afstand. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 45. De afstanden gelden tot de begrenzing, bedoeld in artikel 5.9. Artikel 5.11a (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, uitzonderingen basisnet) 1. Artikel 5.11, eerste lid, is niet van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van binnenwateren die behoren tot het basisnet, met uitzondering van zeevaartroutes, het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal. 2. Artikel 5.11, eerste lid, is niet van toepassing op beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties op een locatie: a. die parallel aan een tunnel is gelegen; en b. boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. 3.

Als een weg of spoorweg die tot het basisnet behoort gedeeltelijk bestaat uit een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen is toegestaan, wordt in het omgevingsplan boven dat gedeelte rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Artikel 5.11b (plaatsgebonden risico: domino-effecten voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties) 10

1. Dit artikel is van toepassing op het toelaten van een van de volgende risicoverhogende bouwwerken waardoor het plaatsgebonden risico daarvan voor beperkt gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen wordt verhoogd: a. een buisleiding als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 2; of b. een andere activiteit met gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 13. 2. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, in verband met de verhoging van dat risico van die buisleiding of activiteit door het toelaten van een windturbine of windpark in de directe omgeving. 3. Artikel 5.11, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.11c (eerbiedigende werking) Artikel 5.11b is, voor zover het gaat om het plaatsgebonden risico van een activiteit als bedoeld in onderdeel b van dat artikel, niet van toepassing: a. voor zover een windturbine of windpark op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al op een locatie is toegelaten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, en voor zover de windturbine of het windpark niet wijzigt; en b.

op beperkt kwetsbare gebouwen en locaties voor zover zij op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al op een locatie zijn toegelaten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 5.12 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: categorieën) 1. Een brandaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is. 2. Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. 3. Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode. 4.

In afwijking van het derde lid wordt een gifwolkaandachtsgebied voor de toepassing van deze paragraaf begrensd door een afstand van 1,5 km vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit, bepaald volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als de afstand, bedoeld in het derde lid, groter is dan 1,5 km. Artikel 5.13 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: begrenzing) 1. De afstanden, bedoeld in artikel 5.12, zijn voor de volgende activiteiten aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII: a. de onderdelen A, onder 1a en 7, B, onder 2 en 5, C en E, onder 9, 10 en 13: de afstand, aangegeven bij die activiteit; en

11

b. de onderdelen D, onder 2, en E, onder 2 tot en met 9, 11 en 12: een berekende afstand. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand berekend, als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder B, onder 2, en als voor die activiteit de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, onder b, wordt berekend. 3. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 4. Als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, zijn brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden de locaties die bij ministeriële regeling zijn aangewezen. Artikel 5.14 (aandachtsgebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden) 1. Een brandvoorschriftengebied en een explosievoorschriftengebied zijn de locaties: a. die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten; en b. waar voor een bouwwerk de eis van artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt. 2. In een omgevingsplan wordt: a. een brandaandachtsgebied aangewezen als brandvoorschriftengebied; en b. een explosieaandachtsgebied aangewezen als explosievoorschriftengebied. 3.

In afwijking van het tweede lid kan in een omgevingsplan worden afgezien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dit geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. 4. In een omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van een brandvoorschriftengebied en van een explosievoorschriftengebied. 5. Het tweede lid, aanhef en onder a, derde en vierde lid zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Artikel 5.15 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: groepsrisico) 1. In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. 2. Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied: a.

geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt: 1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of 2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. Artikel 5.15a (eerbiedigende werking) Artikel 5.15 is niet van toepassing: a. voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling; of

12

b. op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling. Artikel 5.16 (risicogebied externe veiligheid: aanwijzing en werking) 1. Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied activiteiten als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 3 tot en met 5.2, 6 tot en met 9 en 11 tot en met 13, worden toegelaten. 2. In een omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van een risicogebied externe veiligheid. 3. In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar, met uitzondering van het risico van een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, en onder D, onder 2. 4. Aan het derde lid wordt voldaan door inachtneming van de afstanden, bedoeld in artikel 5.8, op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid. 5. De artikelen 5.7 en 5.11 zijn niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit in een risicogebied externe veiligheid.

Artikel 5.15 is niet van toepassing op een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied of een gifwolkaandachtsgebied voor zover dat ligt binnen een risicogebied externe veiligheid. Artikel 5.17 (risicogebied externe veiligheid: beperkingen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een risicogebied externe veiligheid: a. kunnen beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten als die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al zijn toegestaan op het tijdstip van het aanwijzen van het gebied; b. kunnen beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties worden toegelaten die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor het gebied of voor een binnen het gebied toegelaten activiteit; en c. worden geen zeer kwetsbare gebouwen toegelaten. § 5.1.4.2 Geluid door activiteiten § 5.1.4.2.3 Geluid door specifieke activiteiten Artikel 5.56 (tijdelijke uitzondering windparken) 1. Paragraaf 5.1.4.2 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor: a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b.

een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. 2. Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt. § 5.1.4.2.3 Geluid door specifieke activiteiten Artikel 5.74 (windturbines en windparken) 13

1. Een omgevingsplan dat het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark toelaat, bevat als waarde de standaardwaarde 4745 Lden en 3941 Lnight voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw. 2. In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan hogere of lagere waarden bevatten. Een omgevingsplan kan alleen lagere waarden bevatten als dat gelet op cumulatie met het geluid van een andere windturbine of een ander windpark of gelet op de bijzondere aard van het gebied aangewezen is.2. In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan hogere of lagere waarden bevatten. Een hogere waarde is niet hoger dan de grenswaarden 47 Lden en 41 Lnight. Het omgevingsplan kan alleen een lagere waarde bevatten als dat gelet op de cumulatie met het geluid van een andere windturbine of een ander windpark of als dat gelet op de bijzondere aard van het gebied aangewezen is. 3. Een omgevingsplan bevat geen andere regels over geluid op een geluidgevoelig gebouw door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark dan de waarden die op grond van het eerste of tweede lid in het omgevingsplan zijn opgenomen. Artikel 5.74a (eerbiedigende werking) 1.

In afwijking van artikel 5.74, eerste lid, kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.74, tweede lid, voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een hogere waarde gold op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 2. Als het omgevingsplan waarden als bedoeld in het eerste lid bevat, bepaalt het dat deze gelden totdat de windturbine of het windpark wordt gesloopt of vervangen. Artikel 5.75 (windturbines en windparken – verhouding met aanvaardbaarheid) 1. Aan artikel 5.59, tweede lid, wordt voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.74, eerste lid. 2. In afwijking van het eerste lid kan aan artikel 5.59, tweede lid, worden voldaan door toepassing te geven aan artikel 5.74, tweede lid, of artikel 5.74a. Artikel 5.75a (tijdelijke uitzondering windparken) 1. De artikelen 5.74 en 5.75 zijn niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. 2.

Als een omgevingsplan voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarden bevat voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, worden die waarden in ieder geval uitgedrukt in Lden en Lnight. § 5.1.4.4a Slagschaduw van windturbines Artikel 5.89a (toepassingsbereik) 1. Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten van: a. een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die slagschaduw veroorzaakt in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een slagschaduwgevoelig gebouw waarin slagschaduw wordt veroorzaakt door een windturbine als bedoeld onder a, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf, met uitzondering van artikel 5.89c, niet van toepassing op slagschaduwgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een

14

omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. Artikel 5.89aa (tijdelijke uitzondering windparken) 1. In afwijking van artikel 5.89a, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor: a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; en b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. 2. Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt. Artikel 5.89b (slagschaduwgevoelige gebouwen) 1. Een slagschaduwgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c.

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2. Onder een slagschaduwgevoelig gebouw wordt ook verstaan een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. Artikel 5.89c (rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat de slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Artikel 5.89d (functionele binding) Als een omgevingsplan regels bevat over de slagschaduw door een windturbine, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op de slagschaduw in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die windturbine. Artikel 5.89e (voormalige functionele binding) Als een omgevingsplan regels bevat over de slagschaduw door een windturbine bij een activiteit: a. in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b.

verricht op een bedrijventerrein, kan het omgevingsplan bepalen dat die regels niet van toepassing zijn op de slagschaduw door die windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit of die windturbine. Artikel 5.89f (aanvaardbare slagschaduw)

15

1. Aan artikel 5.89c, tweede lid, wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan dat een windturbine toelaat, bepaalt dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste zes uur per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden. 2. De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en b. tot de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen. 2. Van slagschaduw als bedoeld in het eerste lid is sprake als de ingestraalde energie van de zon die bij het bewegen van de rotor van een windturbine de slagschaduw veroorzaakt, op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon hoger is dan 120 W/m². Artikel 5.89fa (tijdelijke uitzondering windparken) Artikel 5.89f is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 5.89fa (slagschaduw: stilstandvoorziening) 1.

Een omgevingsplan dat het exploiteren van een windturbine of windpark toelaat waarborgt dat elke windturbine die in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen, meer dan zes uur per jaar of meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan veroorzaken, is uitgerust met een stilstandvoorziening, die de windturbine automatisch onmiddellijk afschakelt wanneer te veel slagschaduw wordt veroorzaakt. 2. De slagschaduw die wordt veroorzaakt gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbine, wordt niet meegerekend bij de norm die in artikel 5.89f, eerste lid, is gesteld. Artikel 5.89fb (windturbine: logboek) Een omgevingsplan dat het exploiteren van een windturbine of windpark toelaat bepaalt dat voor elke windturbine die met een stilstandvoorziening waarvoor artikel 5.89fa, eerste lid, geldt, een logboek wordt bijgehouden, waarin per dag voor elk schaduwgevoelig gebouw de daadwerkelijk opgetreden slagschaduw wordt vermeld en alle gegevens worden opgenomen die relevant zijn om de optredende slagschaduw te bepalen. Artikel 5.89fc (tot waar afstanden gelden) De afstand, bedoeld in de artikelen 5.89f, eerste lid, en 5.89fa, eerste lid, wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine tot: a.

voor gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: de gevel; b. voor nieuw te bouwen gebouwen: de locatie waar een gevel mag komen; en c. voor woonschepen en woonwagens: de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. § 5.1.9 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties rond windturbines Artikel 5.162a (toepassingsbereik) 1. Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten op een locatie: a. van een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in de directe omgeving van een windturbinegevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. van een windturbinegevoelig gebouw in de directe omgeving van een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten 16

leefomgeving, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2. Een windturbinegevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 3. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op windturbinegevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op een locatie zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. Artikel 5.162b (eerbiedigende werking) Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover de afstand tussen een windturbine en een windturbinegevoelig gebouw die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al op een locatie waren toegelaten, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze paragraaf niet aan de in artikel 5.162d gestelde afstandsnorm voldeed, tenzij het gaat om een windturbine die een bestaande windturbine vervangt.

Artikel 5.162c (functionele binding) Deze paragraaf is niet van toepassing op de afstand tussen een windturbine en een windturbinegevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Artikel 5.162d (afstandsnorm windturbines) In een omgevingsplan wordt een afstand van ten minste twee keer de tiphoogte van de windturbine in acht genomen tussen een windturbine en een windturbinegevoelig gebouw. Artikel 5.162e (tot waar afstanden gelden) De afstand, bedoeld in artikel 5.162d, geldt: a. voor gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: tot de gevel; b. voor nieuw te bouwen gebouwen: tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. voor woonschepen en woonwagens: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. Artikel 5.162f (afwijken van afstandsnorm bij zwaarwegende belangen) In een omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 5.162d, als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Artikel 8.10a (bepalen maatregelen in verband met ongevallen) 1.

Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder g, wordt bij het bepalen van de nodige maatregelen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken in ieder geval rekening gehouden met: a. voor zover het gaat om de risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, het belang van: 1°. het voorkomen, beperken en bestrijden van die branden, rampen en crises; 2°. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en

17

3°. de geneeskundige hulpverlening aan personen, bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s; b. de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties; en c. de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de activiteit voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid. 2. Op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, is artikel 5.11, derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. 2. Op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn de artikelen 5.5 en 5.11, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing. 3. Op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 8.14, eerste lid, 8.15, eerste lid, of 8.16, eerste lid.

Artikel 8.11 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit overig algemeen) 1. Bij de toepassing van paragraaf 8.5.1 worden locaties en gebouwen in de nabijheid van de milieubelastende activiteit in aanmerking genomen die in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de omgevingsverordening. 2. Voor zover een omgevingsverordening regels bevat over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de wet, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als die in overeenstemming is met die regels. § 8.5.1.2 Specifieke beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit Artikel 8.12 (beoordelingsregels activiteit externe veiligheidsrisico’s) 1. Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VII, onder B en E. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 3.

Op de beoordeling van de aanvraag zijn de artikelen 5.3 tot en met 5.6, 5.8 tot en met 5.10 en 5.11, tweede tot en met vijfde lid de artikelen 5.3 tot en met 5.6, 5.7a en 5.8 tot en met 5.10 van overeenkomstige toepassing. 4. Het tweede lid is niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit in een risicogebied externe veiligheid. Artikel 8.12a (tijdelijke uitzondering windparken) Artikel 8.12 is niet van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een windpark met 3 of meer windturbines. Artikel 8.12a (beoordelingsregels windpark) 1. Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 18

2 m, bedoeld in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving waardoor het plaatsgebonden risico van de volgende activiteiten in de directe omgeving wordt verhoogd: a. een buisleiding als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 2; of b. een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 13. 2. Bij de beoordeling, bedoeld in artikel 8.10a, eerste lid, onder b, wordt ook rekening gehouden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit in de directe omgeving waarvan het risico wordt verhoogd, van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. 3. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit in de directe omgeving waarvan het risico wordt verhoogd, in acht wordt genomen van 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. 4. Op de beoordeling van de aanvraag zijn de artikelen 5.8, 5.9, 5.74 en 5.74a van overeenkomstige toepassing. 5. Het tweede lid is niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit in een risicogebied externe veiligheid.

Artikel 8.41 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – dosismaat tijdelijke uitzondering windparken) Als een omgevingsvergunning voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarden bevat voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, worden die waarden in ieder geval uitgedrukt in Lden en Lnight. Artikel 8.41 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – windturbines en windparken) Aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het exploiteren van een windturbine als bedoeld in artikel 3.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden alleen voorschriften verbonden die inhouden dat het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen lager moet zijn dan 45 dB Lden en 39 dB Lnight, als dat aangewezen is gelet op: a. cumulatie met het geluid van een andere windturbine of windpark; of b. de bijzondere aard van het gebied. HOOFDSTUK 9 PROJECTBESLUITEN AFDELING 9.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 9.1 (instructieregels projectbesluit) 1. Afdeling 5.1, met uitzondering van paragraaf 5.1.5.4, en artikel 5.165 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten. 2.

De paragrafen 5.1.1 en 5.1.2, artikel 5.37, paragraaf 5.1.4, de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, de paragrafen 5.1.5.5, 5.1.7a, en 5.1.8 en 5.1.9 en artikel 5.165 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door een van Onze Ministers. 3. In afwijking van het eerste lid is paragraaf 5.1.3.2 niet van toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld voor de aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering. (na artikel 12.14) AFDELING 12.2A OVERGANGSRECHT WINDTURBINES Artikel 12.15 (doorwerking Besluit windturbines leefomgeving)

19

Als voor inwerkingtreding van het Besluit windturbines leefomgeving, of met toepassing van artikel IV van dat besluit, een omgevingsplan is vastgesteld: a. dat niet voldoet aan de artikelen 5.74 tot en met 5.75, 5.89f, 5.89fa of 5.89fb, wordt uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 22.5, eerste lid, van de wet, alsnog uitvoering gegeven aan die artikelen; of b. dat niet voldoet aan paragraaf 5.1.9, wordt uiterlijk op 1 juli 2035 alsnog uitvoering gegeven aan die paragraaf. Omgevingsbesluit, zoals gewijzigd door de zienswijzeversie ontwerpbesluit windturbines leefomgeving AFDELING 4.2 BETROKKENHEID VAN ANDERE BESTUURSORGANEN OF INSTANTIES BIJ EEN AANVRAAG OM EEN OMGEVINGSVERGUNNING OF EEN MAATWERKVOORSCHRIFT OF BIJ EEN VERZOEK OM INSTEMMING AFDELING 4.2 BETROKKENHEID VAN ANDERE BESTUURSORGANEN OF INSTANTIES BIJ EEN AANVRAAG OM EEN OMGEVINGSVERGUNNING, EEN MAATWERKVOORSCHRIFT OF TOESTEMMING VOOR HET TREFFEN VAN EEN GELIJKWAARDIGE MAATREGEL OF BIJ EEN VERZOEK OM INSTEMMING Artikel 4.30 (advies en instemming door Minister van Infrastructuur en Waterstaat) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een wateractiviteit die betrekking heeft op een watersysteem of onderdeel daarvan als bedoeld in artikel 3.1; b. een ontgrondingsactiviteit in: 1°.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=03d20ea9-70a5-47a5-85fe-aa547861bdd8