CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11. Evaluatierapport opgraving

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 17 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd6.874 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Een waterput uit de IJzertijd of Romeinse tijd en laatmiddeleeuwse sporen aan de Kerkweg 3A te Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden Een archeologische opgraving

Auteurs: - V. Cock - M. van Stiphout - A.Y.E. Minneboo

Colofon ADC Rapport Een waterput uit de IJzertijd of Romeinse tijd en laatmiddeleeuwse sporen aan de Kerkweg 3A te Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden. Een archeologische opgraving Auteurs: V. Cock, M. van Stiphout en A.Y.E. Minneboo In opdracht van: Gemeente Vijfheerenlanden Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, februari 2025 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie door:

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort T 033 299 8181 E info@archeologie.nl W www.archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden 2.1 Puttenplan en werkwijze 2.2 Technische uitwerking van het onderzoek 2.3 Oplevering van het terrein 3 Resultaten 3.1 Fysisch geografisch onderzoek 3.2 Sporen en structuren 3.3 Vondstmateriaal 4 Conclusie 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen Literatuur Lijst van afbeeldingen en tabellen Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 8 9 10 12 12 13 14 15 15 16 19 20 20 20 24 24 25 26

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kaartblad: Coördinaten:

Opdrachtgever:

Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid: Deskundige namens de bevoegde overheid:

Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archiszaaknummer: ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): KNA versie: Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:

Utrecht Vijfheerenlanden Schoonrewoerd Kerkweg 3A 38HN2 136.454 / 436.839 (ZW) 136.501 / 436.818 (ZO) 136.461 / 436.885 (NW) 136.521 / 436.867 (NO) Gemeente Vijfheerenlanden Contactpersoon: Mevr. A. van Pelt Postbus 11 4140 AA Leerdam Tel: 088-599 7520 / 088-599 7000 E-mail: a.van.pelt@vijfheerenlanden.nl M. van Stiphout Gemeente Vijfheerenlanden Mevr. L. Bruning (Omgevingsdienst Regio Utrecht) Archimedeslaan 6 3584 BA Utrecht Tel: 06-3491 4004 E-mail: l.bruning@odru.nl 5621508100 1854 Nederzetting onbepaald (NX), Infrastructuur percelering (IPER) IJzertijd of Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd 4.2 Schoonrewoerdse stroomgordel en flank van de dorpsterp van Schoonrewoerd 1,6 – 1,3 m +NAP -1,25 m NAP (waterput) 15 en 16 juli 2024 en 31 januari 2025 Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Utrecht

Samenvatting In opdracht van de gemeente Vijfheerenlanden heeft ADC ArcheoProjecten op 9 en 10 juli 2024 en 31 januari 2025 een definitieve opgraving uitgevoerd in het plangebied Kerkweg 3A achter de Noachschool in Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden. Aanleiding vormt de geplande uitbreiding van de Noachschool aan de noordzijde met een nieuw gebouw waarvoor binnen dit plangebied grondroerende werkzaamheden plaats moeten vinden. Eventueel in de bodem bewaard gebleven archeologische resten worden hierdoor verstoord of vernietigd. Bij een eerder uitgevoerd proefsleuvenonderzoek zijn resten van een mogelijk middeleeuws erf aangetroffen, op basis van vondsten te dateren tussen ca. 1250 en 1550. De vindplaats is door de bevoegde overheid als behoudenswaardig aangemerkt en kan niet in situ bewaard blijven. Daartoe heeft het bevoegd gezag besloten dat de sporen en vondsten van deze behoudenswaardige vindplaats middels een opgraving moesten worden veiliggesteld. Het oorspronkelijke puttenplan bestond uit vier werkputten. Echter, door de omstandigheden in het veld is er voor de eerste fase voor gekozen om één grote werkput in twee delen aan te leggen. Dit omdat er niet voldoende ruimte was om de vrijgekomen grond op te slaan en om een zo groot mogelijk sporenvlak te creëren. Er is gekozen om de werkput in twee helften aan te leggen en te documenteren.

Na aanleg en documentatie van de eerste helft werd de andere helft aangelegd en met de vrijgekomen grond kon de eerste helft weer worden gedicht. Deze techniek is doorgezet van oost naar west. In de eerste fase van het onderzoek kon één werkput niet worden aangelegd. Het betrof het meest westelijke deel op de locatie van de geplande infiltratiekratten. Doordat op het terrein nog bomen/bosschages aanwezig waren die met de kraan niet te verwijderen waren, kon deze werkput toen niet worden aangelegd. Deze put is tijdens fase 2 opgegraven en gedocumenteerd als put 2. In het noorden van het plangebied bleek ook nog een smalle zone niet opgegraven en hier zijn tijdens fase 2 nog de werkputten 3 en 4 aangelegd. Landschappelijk gezien bevindt het plangebied zich op de Schoonrewoerdse stroomgordel. Deze was actief rond ca. 3250-2100 v.Chr. In het grootste deel van het onderzoeksgebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit een gelaagd zandpakket dat als beddingafzettingen van deze stroomgordel wordt geïnterpreteerd. Langs de zuidelijke plangrens is een smalle zone van uiterst siltige klei aanwezig die als mogelijke restgeul of crevasse zou kunnen worden geïnterpreteerd. Tijdens het veldwerk zijn verschillende archeologische sporen uit meerdere perioden waargenomen evenals enkele recente verstoringen.

De archeologische sporen bestonden vooral uit kuilen en greppels, maar er is ook een waterput aangetroffen. De vondst van deze waterput is bijzonder want op basis van handgevormd besmeten aardewerk dateert deze uit de IJzertijd of Inheems-Romeinse periode. Andere sporen uit deze periode lijken te ontbreken al oversnijdt de waterput wel een greppel die mogelijk uit dezelfde periode of vroeger dateert. Van de houten putconstructie was niks bewaard gebleven. Uit de Late Middeleeuwen dateren enkele kuilen, maar te gering in aantal en zonder zicht op een structuur om van een erf te kunnen spreken. Het kleine aantal sporen en de afwezigheid van structuren duidt wellicht eerder op een achtererf van bewoning in de omgeving. Gezien de locatie van het plangebied zou het kunnen gaan om een achtererf van bewoning aan de Dorpsstraat. In deze kuilen zijn fragmenten grijsbakkend en spaarzaam geglazuurd roodbakkend aardewerk gevonden met een datering in de 14e of 15e eeuw. Twee greppels met een lichte noordoost-zuidwest oriëntatie komen overeen met perceelsgrenzen of sloten die op historische kaarten uit de late 19e en 20e eeuw zijn terug te vinden. Eén dierbegraving kwam direct vanuit de bouwvoor tevoorschijn en moet op basis daarvan als 20 eeeuws worden beschouwd.

Tabel 1. Overzicht van de verschillende perioden.

1

Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van de gemeente Vijfheerenlanden heeft ADC ArcheoProjecten op 9 en 10 juli 2024 en op 31 januari 2025 een definitieve opgraving uitgevoerd in het plangebied Kerkweg 3A te Schoonrewoerd (afb. 1) in het kader van geplande nieuwbouw. Directe aanleiding voor het onderzoek vormde de geplande uitbreiding van de Noachschool ten noorden van de huidige bebouwing (afb. 2). Ten westen van de uitbouw worden infiltratiekratten geplaatst ten behoeve van watercompensatie. Op de kaart van het vigerende ‘Bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp’ staat het plangebied aangeduid als een zone met een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie – 1). Voor een dergelijke zone geldt een archeologische onderzoeksverplichting bij een bodemverstoring met een oppervlakte van meer dan 30 m 2 en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld. Daarom is in eerste instantie een archeologisch bureau- en booronderzoek binnen het plangebied uitgevoerd. Vervolgens heeft op basis van de resultaten van dit vooronderzoek nader onderzoek plaatsgevonden door middel van de aanleg van twee proefsleuven. Dit leverde sporen en vondsten op van een mogelijk laatmiddeleeuws erf dat door de bevoegde overheid als behoudenswaardige vindplaats is aangemerkt. Uitvoering van de nieuwbouwplannen heeft tot gevolg dat de bodem wordt geroerd en daarmee de archeologische vindplaats zou worden verstoord.

Omdat behoud in situ niet mogelijk was heeft het bevoegd gezag bepaald dat de resten van deze behoudenswaardige vindplaats door middel van een vlakdekkende opgraving moesten worden veiliggesteld.

Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied op de topografische kaart (overgenomen uit PvE).

Afb. 2. Bouwschets met de Noachschool en de geplande uitbreidingen. Het noorden is linksonder. In het blauw is de locatie van de infiltratiekratten aangegeven (overgenomen uit PvE). Het onderzoeksgebied was voor de opgraving in gebruik als boomgaard en grasland. Ten zuiden van de boomgaard ligt het huidige gebouw van de Noachschool aan de Kerkweg 3A. De oostelijke grens wordt gevormd door de Kortgerechtsche Wetering. De west- en noordzijde grenzen aan de percelen van de Dorpstraat 26-32. Het onderzoeksgebied heeft een omvang van ca. 2.100 m2.

1.2

Vooronderzoek

Een eerste archeologische inventarisatie van het plangebied heeft plaatsgevonden in 2021 door SOB Research en bestond uit een bureau- en booronderzoek. Op basis van deze resultaten heeft vervolgens een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven plaatsgevonden uitgevoerd door ADC Beesd. Onderstaande paragrafen zijn voor het grootste deel uit deze onderzoeken overgenomen. Landschap Het plangebied ligt in het centrale deel van het Nederlandse rivierengebied op de Schoonrewoerdse Stroomgordel (actieve fase: ca. 3250-2100 v.Chr.). Onder deze stroomrug liggen afzettingen van de Middelkoop Stroomrug (actieve fase: ca. 6250-4200 v.Chr. Ter plaatse van de Schoonrewoerd Stroomgordel zijn meerdere archeologische vindplaatsen uit de periode van het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd aangetroffen. Op de geomorfologische en bodemkundige kaart van Nederland staat het plangebied aangegeven als een terp (respectievelijk code: ‘B91’ en ‘terp’). Het ligt op de oostelijke flank van de dorpsterp van Schoonrewoerd.

Archeologie Op het terrein direct ten zuiden van het plangebied, waar het huidige gebouw van de Noachschool staat, is in 2016 een archeologische begeleiding en opgraving uitgevoerd. De bouwput was bij de start van dit onderzoek al uitgegraven. In het noordelijke deel van de opgraving was een zone met restgeulafzettingen aanwezig. In de restgeulvulling werden twee vegetatieniveaus aangetroffen. Het bovenste niveau is op basis van het aardewerk en 14C-analyse in de Midden Bronstijd B gedateerd. Er zijn ook twee zandlagen aangetroffen die door de onderzoekers in verband gebracht worden met twee overstromingsfasen in de 11e/12e eeuw en in de 14e eeuw. Tijdens het proefsleuvenonderzoek in oktober 2023 zijn twee vindplaatsen aangetroffen. De jongste vindplaats bestaat uit lagen van de dorpsterp en is direct vanaf het maaiveld aangetroffen. De terplagen strekken zich over het hele plangebied uit en reiken tot een diepte van 40 tot 70 cm -mv. De onderzoekers stellen dat op basis van de vondsten het erop lijkt dat de terp(ophoging) aan het einde van de 16e eeuw is aangelegd. De oudste vindplaats dateert aan het eind van de 13e/14e eeuw. Deze ligt in de top van de dijkdoorbraakafzettingen die zich hebben gevormd vanuit de rivieren in de Betuwe na de aanleg van de Diefdijk (1 km ten oosten van het plangebied).

Aan de hand van de stratigrafie wordt verwacht dat deze vindplaats niet ouder is dan 1284. De middeleeuwse vindplaats is vanaf 40 cm -mv aangetroffen. Historie Uit de bestudering van de historische kaarten is gebleken dat het onderzoeksgebied tot 1936 onbebouwd is geweest. De bebouwing na 1936 betreft vermoedelijk de twee schuren behorende tot de percelen aan de Dorpsstraat, die buiten het onderzoeksgebied van het proefsleuvenonderzoek vallen. Het onderzoeksgebied is voor zover vastgesteld kan worden altijd onbebouwd gebleven. Aan de hand van het bureauonderzoek heeft ADC Beesd in oktober 2023 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Tijdens dit onderzoek zijn twee proefsleuven aangelegd in het gebied met een totale oppervlakte van 120 m2. In de proefsleuven zijn resten van een middeleeuws (achter)erf aangetroffen. Het erf is aan de hand van de bodemstratigrafie en vondstmateriaal te dateren in de periode tussen circa 1250 en 1550. Het zwaartepunt lijkt aan het einde van de 13e en in de 14e eeuw te liggen. De in het plangebied aangetroffen resten bestonden uit onder meer een mestkuil en twee forse greppels of grachten. Verder zijn nog een aantal kleine greppeltjes (mogelijk moesbedden), twee paalkuilen en een kuil aangetroffen. De vindplaats is als behoudenswaardig bestempeld en kreeg als advies om een definitieve opgraving te laten uitvoeren in het gebied.

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het doel van dit archeologische onderzoek is het veiligstellen van het materiaal van de vindplaats(en) en het documenteren van de gegevens. Daarmee wordt informatie behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Het onderzoek moest antwoord geven op de in het PvE gestelde onderzoeksvragen. Deze worden daarom hieronder nog eens opgesomd. Algemeen 1. In hoeverre is er sprake van een (deel van een) middeleeuws erf? En is er sprake van één erf of meerdere erven? 2. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de opgraving binnen de bouwput van de huidige Noachschool? 3. Indien het onderzoek geen aanvullende of beperkte aanvullende archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert t.o.v. de sporen uit het proefsleuvenonderzoek, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 4. Zijn er verstoringen van de vindplaats waar te nemen en wat is de aard en omvang daarvan? Perioden en vindplaatsen 5. Wat is de begrenzing of de ruimtelijke spreiding van de vindplaats(en)? Is hier slechts het achterdeel van het erf te vinden of ook de bewoningsresten (boerderij/huis) zelf?

6.

Zijn er aanwijzingen voor structuren/gebouwen (opslagstructuren, waterputten, ovens, etc.) op het erf? En zo ja, wat is hiervan de aard, functie en datering? 7. Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype/functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie 8. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzing van het erf / de erven? En over de inrichting van het erf / de erven en de ontwikkelingen daarin? 9. Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de activiteiten die op het erf / de erven plaatsvonden en de ontwikkeling daarin? Is er sprake van ambachten? Zo ja, welke? 10. In welke mate verhoudt de terpenlaag zich tot de Middeleeuwse vindplaats? Is hier aanvullende informatie over verkregen t.o.v. het proefsleuvenonderzoek? Kunnen in de terpophogingen verschillende lagen worden herkend? En zo ja, wat is daarvan de aard en datering? 11. In hoeverre kan er een goed onderscheid gemaakt worden tussen de (recente) bouwvoor en de (jongste) terplaag? 12.

In hoeverre zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaal-economische situatie van de gebruikers? 13. Bij het aantreffen van bouwkeramiek en natuursteen uit relevante context: wat kan er gezegd worden over de herkomst van het materiaal, hoe is het bouwmateriaal toegepast en zijn deze te reconstrueren met tijdens het onderzoek aangetroffen gebouwen? 14. Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen site(s) aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? 15. Welk advies kan op basis van de resultaten worden gegeven voor onderzoek in de directe omgeving buiten het plangebied? (methoden en technieken, onderzoeksvragen, aandachtspunten) 16. Is er sprake van een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Zo ja, omschrijf deze. 17. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen sporen en vondsten worden gedaan over voedselbronnen en voedselproductie? 18. Hoe gingen de gebruikers van het erf om met afval? 19. Wat kan worden gezegd over de gebruiksduur en gebruikscontinuïteit van het erf / de erven? 20. Zijn er resten van infrastructuur (incl. bijv. karresporen, perceleringsgreppels, enz.)? 21.

Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen sporen en vondsten worden gedaan over de ontwikkeling van het dorp Schoonrewoerd en de plaats van de vindplaats daarin? 22. Kunnen aangetroffen sporen worden gerelateerd aan historische kaarten? 23. Zijn er ook sporen en vondsten uit eerdere perioden dan het erf / de erven aangetroffen? Wat is hiervan de aard, functie en datering? 24. Zijn er ook sporen en vondsten uit latere perioden aangetroffen? Wat is hiervan de aard, functie en datering? Landschappelijk 25. Hoe ziet de bodemopbouw eruit? 26. Wat is de relatie tussen de vindplaats en het omringende landschap?

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.2 -specificatie OS15). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Indien nodig kan altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het E-Depot Nederlandse Archeologie (EDNA).

Het volgende hoofdstuk (2) omschrijft de toegepaste onderzoeksmethoden tijdens de archeologische opgraving en het proces nadien. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. Allereerst volgt een beschrijving van het fysisch geografisch onderzoek (3.1), gevolgd door een beschrijving van de sporen (3.2). Daarna worden de vondsten per materiaalcategorie beschreven (3.3 e.v.). De auteurs staan telkens bij de betreffende hoofdstukken vermeld. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de conclusie van het uitgevoerde onderzoek, de beantwoording van de onderzoeksvragen en eventuele aanbevelingen voor toekomstig onderzoek in soortgelijke omstandigheden.

2

Methoden 2.1

Puttenplan en werkwijze

Binnen het onderzoeksgebied waren in het PvE vier werkputten voorgesteld (afb. 3). Echter, door de omstandigheden in het veld is er voor de eerste fase voor gekozen om één werkput aan te leggen. Dit omdat er niet voldoende ruimte was om de vrijgekomen grond op te slaan. Er is gekozen om eerst de helft van de werkput aan te leggen en te documenteren. Vervolgens werd de andere helft aangelegd en met de vrijgekomen grond is de eerste helft gedicht (afb. 4). Deze techniek is doorgezet van oost naar west. Bij het aantreffen van sporen in de putwand zijn deze in het geheel blootgelegd of dusdanig vrij gelegd dat duidelijk was wat voor type spoor het betrof. Door plaatselijke omstandigheden kon één werkput niet worden aangelegd. Het betreft de in afbeelding 3 aangegeven blauwe werkput op de geplande locatie van infiltratiekratten. Doordat op het terrein nog begroeiing aanwezig was die met de kraan niet verwijderd kon worden, kon deze werkput niet worden aangelegd. Deze put is tijdens fase 2 op 31 januari 2025 opgegraven en gedocumenteerd als put 2. Ook is een smalle zone aan de noordkant die in fase 1 was gemist in fase 2 alsnog opgegraven en gedocumenteerd als put 3 en put 4.

Afb. 3. In PvE voorgesteld puttenplan. Tijdens de opgraving zijn de vlakken machinaal aangelegd met een rupskraan met gladde bak. Tijdens de aanleg van het vlak zijn vondsten in vakken van 5 x 4 m verzameld. Na elke haal van de kraan is het vlak met een metaaldetector onderzocht en zijn metaalvondsten verzameld en als puntvondst ingemeten om zo een beeld te vormen over de spreiding van materiaal in het onderzoeksgebied.

Grondsporen zijn direct ingekrast en voorzien van een spoornummer. Vervolgens is het vlak gefotografeerd en ingemeten met een Global Positioning System (GPS). Naast het inmeten van de sporen zijn ook vlakhoogtes en maaiveldhoogtes genomen met een interval van telkens 5 m. Elk spoor is beschreven op aard, kleur, vorm en eventuele insluitsels. Bij het aantreffen van vondstmateriaal is dit verzameld per spoor of per laag. Na het inmeten zijn de archeologisch revelante sporen met de hand gecoupeerd en verder gedocumenteerd (getekend (1:20), gefotografeerd en beschreven). Enkele natuurlijke sporen zijn selectief gecoupeerd. Na documentatie zijn de gecoupeerde sporen afgewerkt, is het vondstmateriaal verzameld per spoor en vulling en indien nodig bemonsterd voor archeobotanisch en archeozoölogisch onderzoek. De bodemopbouw is bestudeerd aan de hand van profielen. Profielen zijn geschaafd, gefotografeerd, getekend op schaal 1:20 en alle lagen zijn beschreven.

Afb. 4. Overzicht van de aangelegde werkputten.

2.2

Technische uitwerking van het onderzoek

De gegevens van de GPS zijn dagelijks uitgelezen, bewerkt en gecontroleerd. Alle gegevens zijn ingevoerd in het database programma Microsoft Access. Alle administratieve gegevens die horen bij de sporen (putnummer, spoornummer, spoordiepte, aard, beschrijving van de vullingen, etc.) zijn per spoor ingevoerd. Daarnaast zijn de metingen van de spooromtrekken in het programma MapInfo automatisch omgezet in een digitale vlaktekening (vector) per werkput. Vervolgens is elke werkput handmatig gecontroleerd en zijn spooroversnijdingen bijgewerkt. Hierna is een alle werkputtenkaart (APK) en allesporenkaart (ASK) vervaardigd in het GIS-programma QGIS. Het resultaat is een digitale kaart waarop elk spoor is afgebeeld met daaraan gekoppeld de informatie die in het veld werd gedocumenteerd (diepte, kleur, etc.). Alle vondsten zijn gewassen, gedroogd, gesplitst en in de database ingevoerd.

2.3

Oplevering van het terrein

Na afloop van het veldwerk is de werkput gedicht en verdicht (afb 5).

Afb. 5. Oplevering van het terrein.

3

Resultaten 3.1

Fysisch geografisch onderzoek

Het plangebied is gelegen in het centrale deel van het Nederlandse rivierengebied op de Schoonrewoerdse Stroomgordel. Deze kende een actieve fase rond ca. 3250-2100 v.Chr. Op een dieper niveau liggen onder deze stroomrug afzettingen van de Middelkoop Stroomrug. De actieve fase van deze stroomgordel was rond ca. 6250-4200 v.Chr. Op de geomorfologische en bodemkundige kaart van Nederland staat het plangebied aangegeven als een terp (respectievelijk code: ‘B91’ en ‘terp’). Het ligt op de oostelijke flank van de dorpsterp van Schoonrewoerd. Resultaten Aan de basis bestaat het profiel uit een pakket gelaagd zand. De top hiervan werd aangetroffen op ca. 0,6 à 0,7 m +NAP. Vrijwel overal in het plangebied wordt dit gelaagde pakket zand met een scherpe en soms iets minder scherpe grens afgedekt door een omgewerkte laag. Binnen een deel van het terrein gaat het om een opgebrachte of omgewerkte laag die in de Late Middeleeuwen, in de 14e of 15e eeuw, gedateerd kan worden. In delen van het plangebied waar de overgang tussen deze lagen heel scherp is, bevindt zich in de afdekkende omgewerkte laag vondstmateriaal met een datering in de 19e/vroege 20e eeuw. De top van het profiel bestaat uit de recente bouwvoor. Enkel in het meest zuidelijke deel van het plangebied richting de grens met de Noachschool wijkt de bodemopbouw af.

Hier bestaat de basis van het profiel uit een pakket grijsbruine, uiterst siltige klei (Ks4), wat naar beneden toe zandiger wordt. Het gelaagde zandpakket wordt geïnterpreteerd als beddingafzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel. De in het plangebied relatief smalle zone met klei in het zuiden die verder zuidelijk buiten het plangebied door zal lopen, wordt geïnterpreteerd als mogelijke restgeul of crevasse.

Afb. 6. Bodemopbouw langs de noordelijke plangrens met omgewerkte/opgebrachte lagen boven de natuurlijke beddingafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel.

3.2

Sporen en structuren

In het plangebied zijn verspreid over het terrein verschillende grondsporen aangetroffen, zoals kuilen, greppels, een waterput en een dierbegraving (afb. 7). Ook kwamen er verschillende verstoringen tevoorschijn die zijn ingemeten als S999. Een kleine zone met spitsporen is gedocumenteerd als S997. Op basis van het verzamelde vondstmateriaal kunnen de sporen in verschillende perioden worden gedateerd. Het oudste spoor werd ongeveer centraal in het plangebied aangetroffen en is geïnterpreteerd als een waterput (put 1 S5). Op het vlak was deze enigszins rond van vorm en ongeveer 2,70 m in diameter. Op basis van de vorm op het vlak, de ronde vorm tijdens het verdiepen en de vorm in de coupe met een relatief smalle rechte schacht naar beneden is dit spoor als waterput geïnterpreteerd, al is er van de houten putconstructie eigenlijk niks bewaard gebleven. Vanaf vlakniveau was de waterput nog ca. 1,50 m diep bewaard gebleven met de bodem op ongeveer -1,25 m NAP. Onderin de waterput is de complete bodem en een groot stuk wandscherf van een handgevormde, enigszins grof gemagerde, besmeten pot gevonden met een datering in de IJzertijd of Inheems-Romeinse periode. Andere sporen uit deze periode lijken te ontbreken, al oversnijdt dit spoor een greppel (put 1 S6) die mogelijk ook uit deze periode of nog ouder moet dateren.

De greppel zelf heeft geen vondsten of insluitsels opgeleverd, maar is ook niet terug te vinden als perceelsgrens op historische kaarten. De aangetroffen kuilen liggen te ver en te verspreid uit elkaar en zijn te gering in aantal om tot een structuur of erf te kunnen worden gerekend. Langs de noordelijke plangrens zijn in put 3 twee dicht naast elkaar gelegen kuilen gevonden met daarin laatmiddeleeuws grijsbakkend of roodbakkend spaarzaam geglazuurd aardewerk uit de 14e/15e eeuw. Deze kuilen waren nog ca. 14 cm diep bewaard gebleven. Mede gelet op de locatie van het plangebied op enige afstand van de bewoning en bebouwing aan de Dorpsstraat, zouden de laatmiddeleeuwse kuilen mogelijk tot het achtererf van bewoning aan de Dorpsstraat kunnen behoren. De kuilen S2 en S3 in put 1 dateren op basis van het hierin aangetroffen aardewerk en glas uit het begin van de 20e eeuw. Kuil S1 heeft geen dateerbaar materiaal opgeleverd, ligt tegen de zuidelijke putgrens aan en loopt buiten het opgravingsvlak door. In vorm en voorkomen lijkt kuil S1 op de kuilen S2 en S3 en zou dus mogelijk ook uit de vroege 20e eeuw kunnen stammen. Greppel S8 bevat ook laatmiddeleeuws materiaal, maar een grote hoeveelheid machinale bakstenen in dit spoor duidt waarschijnlijk op opspit van ouder materiaal.

De greppel komt ook overeen met een perceelsloot die op een historische kaart uit 1937 en 1957 is terug te vinden. De meest oostelijke greppel met een lichte noordoost-zuidwest oriëntatie komt overeen met een perceel sloot of perceelsgrens die staat weergegeven op een historische kaart uit 1876. Dierbegraving S9 kwam net als kuil S4 in werkput 2, al direct vanuit de bouwvoor tevoorschijn in het westen van het plangebied. Het betreft een rechthoekige kuil met daarin het skelet van een rund. Gezien de jonge ouderdom van dit spoor ergens in de 20 e eeuw is het skelet niet verzameld.

Afb. 7. ASK (allesporenkaart) van de opgraving.

Afb. 8. ASK geprojecteerd op een historische kaart uit 1876.

Afb. 9. ASK geprojecteerd op een historische kaart uit 1957.

3.3

Vondstmateriaal

Tijdens het veldwerk zijn 21 vondstnummers uitgeschreven. Enkele vondsten zijn verzameld uit de bouwvoor (S1000). Het overgrote deel van de vondsten is afkomstig uit sporen op het archeologische vlak en de jongste ophogingslaag in het profiel (S1001). Het betreft voornamelijk aardewerk, glas, dierlijk bot en een enkele baksteen. Uit de waterput is een fragment hout verzameld en gedocumenteerd, maar een duidelijke vorm is hierin niet herkend. Uit de waterput S5 komen verschillende fragmenten handgevormd, enigszins grof gemagerd besmeten aardewerk, waaronder een complete platte bodem en een groot deel van de wand van een pot. De datering ligt in de IJzertijd of Romeinse tijd. Een groter aantal aardewerkscherven dateert uit de Late Middeleeuwen en bestaat vooral uit grijsbakkend aardewerk en een enkele scherf roodbakkend spaarzaam geglazuurd aardewerk. Het merendeel van het aardewerk is te dateren in de late 19e en vroege 20e eeuw, zoals witbakkend jugendstil met groen bloemmotief. Ook zijn er meerdere terra cotta bloempotten verzameld. In pijpaardewerk zijn verschillende pijpensteeltjes gevonden met een datering tussen de 17e en 19e eeuw. De glasvondsten dateren vrijwel allemaal uit het begin van de 20 e eeuw, zoals een geperste medicijnfles van na 1900 en een bierglas, ook geperst na 1900 en inktpotjes.

4

Conclusie 4.1

Algemeen

De archeologische opgraving in Schoonrewoerd aan de Kerkweg 3A heeft verschillende sporen uit meerdere perioden aan het licht gebracht. Landschappelijk gezien bevindt het plangebied zich op de Schoonrewoerdse stroomgordel. Deze was actief rond ca. 3250-2100 v.Chr. In het grootste deel van het onderzoeksgebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit een gelaagd zandpakket dat als beddingafzettingen van deze stroomgordel wordt geïnterpreteerd. Langs de zuidelijke plangrens is een smalle zone van uiterst siltige klei aanwezig die als mogelijke restgeul of crevasse zou kunnen worden geïnterpreteerd. Deze loopt verder in zuidelijke richting buiten het plangebied door. De natuurlijke ondergrond wordt afgedekt door omgewerkte en/of opgebrachte lagen. Waar de ophogingen niet recent geroerd zijn en intact lijken, is laatmiddeleeuws aardewerk in de vorm van scherfjes steengoed hierin aangetroffen met een datering in de 14e of 15e eeuw. Hierboven bevindt zich de recent geroerde bouwvoor. In de top van de beddingafzettingen zijn verschillende sporen aangetroffen. Het oudste spoor betreft een waterput met een datering in de IJzertijd of Inheems-Romeinse periode. Van de houten putconstructie was niets meer bewaard gebleven. Uit de Late Middeleeuwen dateren enkele kuilen, maar hierin is geen structuur herkend. Ook is het aantal te gering om van een erf te kunnen spreken.

Eerder lijkt het plangebied zich te bevinden op het achtererf van laatmiddeleeuwse bewoning in de omgeving, bijvoorbeeld aan de Dorpsstraat. Enkele greppels die evenwijdig aan de Dorpsstraat liggen, zijn terug te vinden op historische kaarten uit de 19e en 20e eeuw als perceelsgrens of sloot.

4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het onderzoek. Algemeen 1. In hoeverre is er sprake van een (deel van een) middeleeuws erf? En is er sprake van één erf of meerdere erven? Op basis van de aangetroffen resten in combinatie met de ligging van het plangebied lijken de laatmiddeleeuwse sporen tot het achtererf van bewoning, waarschijnlijk de Dorpsstraat, te behoren. 2.

Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de opgraving binnen de bouwput van de huidige Noachschool? Tijdens het onderzoek van de Noachschool zijn er aanwijzingen voor activiteiten tijdens de Bronstijd/IJzertijd, 11e/12e eeuw en 14e/15e eeuw gevonden. Deze aanwijzingen zijn ook teruggevonden tijdens het huidige onderzoek. De waterput bevatte besmeten aardewerk daterend uit de IJzertijd of Romeinse tijd. Ook zijn er enkele kuilen aangetroffen met aardewerk daterend uit de periode 1250-1500. Spoor 8 bestond uit een greppel met aardewerk daterend uit de periode 1250-1500, maar hierin is ook een grote hoeveelheid machinale bakstenen gevonden. Het is mogelijk dat deze greppel hoort bij de verkavelingsgreppel van het achtererf die gevonden is tijdens het onderzoek bij de Noachschool.

3.

Indien het onderzoek geen aanvullende of beperkte aanvullende archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert t.o.v. de sporen uit het proefsleuvenonderzoek, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Er zijn sporen en vondsten uit meerdere perioden aangetroffen.

4.

Zijn er verstoringen van de vindplaats waar te nemen en wat is de aard en omvang daarvan? Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende recente verstoringen aangetroffen, maar deze lijken slechts beperkt oudere sporen verstoord te hebben.

Perioden en vindplaatsen 5. Wat is de begrenzing of de ruimtelijke spreiding van de vindplaats(en)? Is hier slechts het achterdeel van het erf te vinden of ook de bewoningsresten (boerderij/huis) zelf? Behalve de waterput zijn er verder geen sporen uit de IJzertijd of Romeinse tijd in het plangebied aangetroffen, behalve mogelijk een greppel die door de waterput oversneden wordt. Mogelijk bevindt zich in de omgeving van het plangebied de bewoning die bij deze waterput hoort. De laatmiddeleeuwse kuilen lijken tot het achtererf van nabij gelegen bewoning te horen, bijvoorbeeld aan de Dorpsstraat, en sporen hiervsn zullen ook buiten het plangebied doorlopen. 6.

Zijn er aanwijzingen voor structuren/gebouwen (opslagstructuren, waterputten, ovens, etc.) op het erf? En zo ja, wat is hiervan de aard, functie en datering? Er zijn geen aanwijzingen voor gebouwplattegronden, maar er is wel een waterput aangetroffen uit de IJzertijd/Romeinse tijd.

7.

Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype/functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typochronologische classificatie De archeologische sporen bestonden vooral uit kuilen en greppels, maar er is ook een waterput aangetroffen. De vondst van deze waterput is bijzonder want op basis van handgevormd besmeten aardewerk dateert deze uit de IJzertijd of Inheems-Romeinse periode. Andere sporen uit deze periode lijken te ontbreken al oversnijdt de waterput wel een greppel die mogelijk uit dezelfde periode of vroeger dateert. Uit de Late Middeleeuwen dateren enkele kuilen, maar te gering in aantal en zonder zicht op een structuur om van een erf te kunnen spreken. Het kleine aantal sporen en de afwezigheid van structuren duidt wellicht eerder op een achtererf van bewoning in de omgeving. Gezien de locatie van het plangebied zou het kunnen gaan om een achtererf van bewoning aan de Dorpsstraat. Twee greppels met een lichte noordoost-zuidwest oriëntatie komen overeen met perceelsgrenzen of sloten die op historische kaarten uit de late 19 e en 20e eeuw zijn terug te vinden.

Eén dierbegraving kwam direct vanuit de bouwvoor tevoorschijn en moet op basis daarvan als 20e-eeuws worden beschouwd.

8.

Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzing van het erf / de erven? En over de inrichting van het erf / de erven en de ontwikkelingen daarin? Laatmiddeleeuwse sporen zullen ook buiten het huidige plangebied doorlopen. Over de inrichting van een erf is weinig bekend. De twee aangetroffen greppels met een lichte NOZW oriëntatie komen overeen met perceelsgrenzen of sloten die op historische kaarten uit de tweede helft van de 19e eeuw en 20e eeuw zijn terug te vinden.

9.

Welke uitspraken kunnen worden gedaan over de activiteiten die op het erf / de erven plaatsvonden en de ontwikkeling daarin? Is er sprake van ambachten? Zo ja, welke? Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor ambachtelijke activiteiten.

10. In welke mate verhoudt de terpenlaag zich tot de Middeleeuwse vindplaats? Is hier aanvullende informatie over verkregen t.o.v. het proefsleuvenonderzoek? Kunnen in de terpophogingen verschillende lagen worden herkend? En zo ja, wat is daarvan de aard en datering? De natuurlijke afzettingen worden afgedekt door een opgebrachte of omgewerkte laag met daarin enkele laatmiddeleeuwse scherven. In de aard en opbouw van dit pakket is an sich geen terp of terpophoging herkenbaar. 11. In hoeverre kan er een goed onderscheid gemaakt worden tussen de (recente) bouwvoor en de (jongste) terplaag? Het onderscheid tussen de bouwvoor en de ophogingslagen daaronder is goed waarneembaar, maar de ophogingslagen duiden an sich niet op een terp of terpophoging. 12. In hoeverre zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaaleconomische situatie van de gebruikers? Op basis van de resultaten van het onderzoek kan hierop geen antwoord worden gegeven. 13. Bij het aantreffen van bouwkeramiek en natuursteen uit relevante context: wat kan er gezegd worden over de herkomst van het materiaal, hoe is het bouwmateriaal toegepast en zijn deze te reconstrueren met tijdens het onderzoek aangetroffen gebouwen? Het bouwmateriaal betreft vooral baksteenresten, maar aanwijzingen voor stenen bebouwing ontbreken. 14.

Is er een verwachting dat buiten het nu onderzochte gebied nog resten van de aangetroffen site(s) aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Tijdens het onderzoek van de Noachschool zijn er aanwijzingen voor activiteit tijdens de Bronstijd/IJzertijd, 11e/12e eeuw en 14e/15e eeuw gevonden. Deze aanwijzingen zijn ook teruggevonden tijdens het huidige onderzoek. Sporen uit de IJzertijd/Romeinse tijd en Late Middeleeuwen kunnen ook buiten het huidige plangebied worden verwacht. 15. Welk advies kan op basis van de resultaten worden gegeven voor onderzoek in de directe omgeving buiten het plangebied? (methoden en technieken, onderzoeksvragen, aandachtspunten) Is er sprake van een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Zo ja, omschrijf deze. De waterput uit de IJzertijd of Romeinse tijd duidt erop dat sporen van bewoning uit deze periode zich in de (directe) omgeving van het plangebied kunnen bevinden. Hetzelfde geldt voor de laatmiddeleeuwse kuilen die lijken te wijzen op een achtererf, mogelijk van bewoning aan de Dorpsstraat. De sporen en vondsten geven aan dat er direct buiten het huidige plangebied rekening moet worden gehouden met vindplaatsen uit deze periode. Er is onder andere een ensemblewaarde met de vindplaats onder de huidige Noachschool. 16.

Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen sporen en vondsten worden gedaan over voedselbronnen en voedselproductie?

Op basis van de aangetroffen sporen en vondsten kan geen uitspraak gedaan worden over voedselbronnen en voedselproductie. 17. Hoe gingen de gebruikers van het erf om met afval? Op basis van de aangetroffen sporen en vondsten kan geen uitspraak gedaan worden over de omgang van de gebruikers met afval. 18. Wat kan worden gezegd over de gebruiksduur en gebruikscontinuïteit van het erf / de erven? Het onderzoek heeft sporen en vondsten opgeleverd die uit meerdere ogenschijnlijk kortstondige periodes stammen. 19. Zijn er resten van infrastructuur (incl. bijv. karresporen, perceleringsgreppels, enz.)? Binnen het plangebied zijn een aantal mogelijke percelingsgreppels aangetroffen. Deze lijken vooral uit de 19e en 20e eeuw te dateren. 20. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen sporen en vondsten worden gedaan over de ontwikkeling van het dorp Schoonrewoerd en de plaats van de vindplaats daarin? Binnen dit relatief kleine plangebied zijn de resultaten te beperkt om tot grote nieuwe inzichten te leiden over de ontwikkeling van het dorp Schoonrewoerd. Duidelijk is wel dat het plangebied zich op het achtererf bevindt van laatmiddeleeuwse bewoning in de 14e/15e eeuw, vermoedelijk langs de Dorpsstraat. 21.

Kunnen aangetroffen sporen worden gerelateerd aan historische kaarten? Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende greppels te relateren aan perceelsgrenzen die staan weergegeven op historische kaarten uit de 19 e en 20e eeuw. 22. Zijn er ook sporen en vondsten uit eerdere perioden dan het erf / de erven aangetroffen? Wat is hiervan de aard, functie en datering? Binnen het onderzoeksgebied is een waterput aangetroffen met daarin aardewerk uit de IJzertijd of Romeinse tijd. 23. Zijn er ook sporen en vondsten uit latere perioden aangetroffen? Wat is hiervan de aard, functie en datering? Enkele kuilen en greppels zijn in de 19e en 20e eeuw te dateren. Landschappelijk 24. Hoe ziet de bodemopbouw eruit? In het grootste deel van het onderzoeksgebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit een gelaagd zandpakket dat als beddingafzettingen van deze stroomgordel wordt geïnterpreteerd. Langs de zuidelijke plangrens is een smalle zone van uiterst siltige klei aanwezig die als mogelijke restgeul of crevasse zou kunnen worden geïnterpreteerd. 25. Wat is de relatie tussen de vindplaats en het omringende landschap? De sporen en vondsten bevinden zich op de zandige beddingafzettingen van een oude stroomgordel. Deze zal als een verhoging in het landschap hebben gelegen in tegenstelling tot de lager gelegen klei-op-veengebieden buiten deze stroomgordel.

Literatuur Alma, X.J.F., 2023: Tussentijds verslag Oud Gastel – Dorpsstraat 32-42, Amersfoort. Engeldorp Gastelaars, H. van, 2023: Programma van Eisen Halderberge, Oud Gastel, Dorpsstraat 34 t/m 42. Protocol 4004 Opgraven Landbodems (variant Archeologische Begeleiding), Amersfoort (PvE 23-018). Zee, R.M. van der 2021: Dorpsstraat 34 t/m 42, Oud Gastel (gemeente Halderberge). Een bureauonderzoek, Amersfoort (ADC Rapport 5325).

Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 2. Locatie van het onderzoeksgebied op de topografische kaart (overgenomen uit PvE). Afb. 2. Bouwschets met de Noachschool en de geplande uitbreidingen. Het noorden is linksonder. In het blauw is de locatie van de infiltratiekratten aangegeven (overgenomen uit PvE). Afb. 3. In PvE voorgesteld puttenplan. Afb. 4. Overzicht van de aangelegde werkputten. Afb. 5. Oplevering van het terrein. Afb. 6. Bodemopbouw langs de noordelijke plangrens met omgewerkte/opgebrachte lagen boven de natuurlijke beddingafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel. Afb. 7. ASK (allesporenkaart) van de opgraving. Afb. 8. ASK geprojecteerd op een historische kaart uit 1876. Afb. 9. ASK geprojecteerd op een historische kaart uit 1957.

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.

Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.

CMA Centraal Monumenten Archief. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RCE geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen.

Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen. Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria.

Afkortingen in de database

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=6de307ed-8e39-41bc-b1f1-028cb21ba358