CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10. Evaluatierapport proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 17 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd8.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Evaluatierapport Proefsleuvenonderzoek Schoonrewoerd-Kerkweg 3a Anne van Bussel Reg.nr.: 48643688

1

Colofon Opdrachtgever: Gemeente Vijfheerenlanden Bevoegd gezag: gemeente Vijfheerenlanden Adviseur namens bevoegd gezag: Omgevingsdienst Regio Utrecht (mevr. L. Bruning) Project: Schoonrewoerd-Kerkweg 3a Gemeente: Vijfheerenlanden Provincie: Utrecht Plaats documentatie: VUhbs Archeologie, dependance Beesd Reg. Nr.: 5466094100 CIS-code: VL-KW-23 Coördinaten: 136.486/436.855 Status: conceptversie 1.0 Auteur: Anne van Bussel, KNA-Archeoloog MA (registratie nr. 48643688) Illustraties: Cassandra Mohney en Anne van Bussel Autorisatie: J. van Hemert, senior KNA-archeoloog (registratie nr. 79511995)

©VUhbs Amsterdam, oktober 2023 VUhbs Archeologie De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam

2

Inhoud 1 2 3 4 5 6 7 8

Inleiding Aardwetenschappelijk onderzoek Sporen Vondsten en monsters Voorlopige beantwoording onderzoeksvragen Voorlopige conclusie Planning, uitwerkingsvoorstel en begroting Literatuur Bijlage 1 Lijst van Archeologische Perioden Bijlage 2 Allesporenkaart Bijlage 3 Sporenlijst Bijlage 4 Vondstenlijst

3

1

Inleiding

Tabel 1.1 Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Administratieve gegevens.

Binnen het plangebied aan de Kerkweg 3a te Schoonrewoerd (gemeente Vijfheerenlanden) is een uitbreiding van de Noachschool gepland. Het huidige schoolgebouw staat ten zuiden van het plangebied en zal binnen het plangebied worden uitgebreid met een oppervlakte van circa 650 m2. De ligging van het plangebied is te zien in figuur 1.1. Een plantekening van de toekomstige ontwikkeling is opgenomen in figuur 1.2. Voor de aanleg van de uitbreiding van de school vinden bodemroerende werkzaamheden plaats die een bedreiging kunnen vormen voor archeologische resten in de ondergrond. De diepte en aard van de werkzaamheden is nog niet precies bekend. In een eerder stadium van de planontwikkeling is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd.1 Hieruit blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op erfgerelateerde sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Verder bestaat een middelhoge verwachting op archeologische resten uit het Laat-Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, met een zwaartepunt in de Midden-Bronstijd B. Tijdens een eerdere archeologische opgraving en archeologische begeleiding direct ten zuiden van het plangebied (voor de realisatie van de Noachschool) zijn afvalkuilen, sloten en greppels uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd aangetroffen.

Hier kwamen ook aardewerkfragmen-ten en een barnstenen kraal voor uit de Midden-Bronstijd B.2 Op basis van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek is geadviseerd om in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De bevoegde overheid van de gemeente Vijfheerenlanden heeft met dit advies ingestemd middels een selectiebesluit. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is geformuleerd in het vooronderzoek. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd op 10 oktober 2023 door Cassandra Mohney en Anne van Bussel (KNA Archeoloog MA) onder leiding van Senior KNA Archeoloog Jelle van Hemert. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen uit protocol 4003 ‘Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven’ (IVO-P) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Programma van Eisen (PvE).3 Er zijn twee proefsleuven van 15 x 4 m aangelegd. Hiermee is een oppervlakte van 120 m2 onderzocht, ofwel circa 1

Van Wilgen/Van den Bosch 2021. Benerink 2018. 3 Van Hemert 2023. 2

4

18.5% van het onderzoeksgebied. De westelijke proefsleuf (‘werkput 1’) is 1 m naar het noorden verschoven door de aanwezigheid van een heg en een hekwerk. Een allesporenkaart is verbeeld in bijlage 2. Enkele sfeerfoto’s zijn opgenomen in figuur 1.3. Binnen de proefsleuven zijn twee vlakken aangelegd (zie tabel 1.2). Het eerste vlak is aangelegd in de top van dijkdoorbraakafzettingen, die bovenop de afzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel liggen. Vlak 2 fungeert in beide werkputten als een ‘controlevlak’ in de beddingafzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel. In de tussenliggende niveaus zijn geen verdere archeologisch relevante niveaus aangetroffen. Hoewel deze werden verwacht, zijn in het plangebied geen archeologische resten gevonden uit de Bronstijd. In het plangebied is wel een vindplaats uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd aangetroffen. De eerste resultaten van het proefsleuvenonderzoek worden in het huidige rapport kort geëvalueerd. Eerst wordt ingegaan op de landschappelijke ligging en het aardwetenschappelijk onderzoek en vervolgens op de aangetroffen sporen en vondsten. Er is tevens een advies gegeven over de verdere omgang met de archeologische resten in het plangebied en de analyse, conservering en deponering van het materiaal. De laatste paragraaf heeft betrekking op de kosten en doorlooptijd van het project.

In een separate bijlage is een begroting voor de vervolgstappen opgenomen.

Fig. 1.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. De locatie van het plangebied ten opzichte van de omgeving met als inzet de ligging van Schoonrewoerd binnen Nederland. Bron: Kadaster. Schaal 1:25.000.

5

Fig. 1.2. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Het puttenplan geprojecteerd op de ontwerpschets van de uitbreiding van de school (bron: gemeente Vijfheerenlanden). Stippellijn: plangebied. Rood: proefsleuven. Schaal 1:600.

Fig. 1.3. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Enkele sfeerfoto’s tijdens de aanleg van werkput 1.

6

2

Aardwetenschappelijk onderzoek

De bodemopbouw in het plangebied is bestudeerd aan de hand van drie profielkolommen en een boring. In beide werkputten is in het zuiden een kijkgat aangelegd van circa 1.5 x 1.5 m. De kijkgaten zijn verdiept tot in de (dieper gelegen) beddingafzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel. Hier zijn profielkolommen P1.1 en P2.1 afgestoken en bestudeerd. In werkput 1 is verder in het noorden een tweede profielkolom afgestoken en bestudeerd. In het noorden van werkput 2 is in het vlak een boring gezet. Voor de beschrijving van de bodemopbouw zijn Senior KNA Archeoloog Jan van Renswoude en fysisch geograaf Koen Hebinck (beide van VUhbs) geraadpleegd. In figuur 2.1 is een opname van profielkolom P1.1 weergegeven. Tabel 2.1 geeft een beschrijving van de diepteligging van de aangelegde vlakken. Het eerste vlak is direct onder een tweetal antropogene ophogingslagen (van boven naar beneden S999 en S998) aangelegd. Hier bevinden zich dijkdoorbraakafzettingen (S1.5, S1.1 en S1.2 / S2.6, S2.7 en S2.8). Deze zijn aangetroffen vanaf 40 à 70 cm -Mv (circa 1 m NAP). In elk geval de bovenste laag dijkdoorbraakafzettingen (S1.5 / S2.6) zal zijn ontstaan vanuit het Wiel van Bassa, circa 1 km ten oosten van het plangebied.

Dit wiel is ontstaan tijdens overstromingen in de periode 15711573.4 Het archeologisch sporenniveau is onder de bovenste dijkdoorbraakafzettingen aangetroffen in een oudere laag overslagafzettingen (S1.1 / S2.7). Deze is gevormd na de aanleg van de Diefdijk in 1284. Dit wordt ook bevestigd door het aangetroffen vondstmateriaal. De dijkdoorbraakafzettingen liggen licht erosief op de oeverafzettingen van de Schoonrewoerd stroomrug. Binnen de oeverafzettingen is sprake van een typische fining upwards sequentie. Daarbij is het bovenste deel kleiig (S1.3 en S1.4 / S2.9 en S2.10) en het onderste deel meer zandig (S1.6 en S1.7 / S2.1, S2.11 en S2.12). De Schoonrewoerd stroomgordel was actief in de periode Midden-Neolithicum tot en met de VroegeBronstijd (circa 3350 tot 1970 v.Chr.). Hoewel tijdens het onderzoek ten zuiden van het plangebied binnen de oeverafzettingen een vegetatieniveau is waargenomen, is deze tijdens onderhavig onderzoek niet aangetroffen. Onder de oeverafzettingen liggen beddingafzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel (S1.8 en S1.9 / S2.13). In dit niveau is een controlevlak (vlak 2) aangelegd. De beddingafzettingen zijn aangetroffen vanaf circa 0.20 m NAP in het zuiden (130 cm -Mv) en 0.80 m NAP in het noorden (90 cm -Mv). In het noorden van werkput 2 komen alleen nog beddingafzettingen voor (S2.13). Hier zijn geen oeverafzettingen meer aangetroffen.

Gezien hier ook sprake is van grootschalige verstoringen (S2.3), is hier in plaats van een profiel een controleboring gezet. In de controleboring is de fining upwards sequentie van het beddingzand waargenomen (figuur 2.2).

Tabel 2.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. De oppervlakte en diepte van de vlakken.

4

RCE kaart ‘Leven met Water’, www.rce.webgispublisher.nl

7

Fig. 4.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Profiel 1.1 in het zuidoosten van werkput 1. De antropogene toplaag wordt gevormd door S999 en S998. Daaronder ligt de geploegde top van het pakket dijkdoorbraakafzettingen (S5), met daaronder dijkdoorbraak- of overslagafzettingen (S1 en S2). Deze liggen licht erosief op kleiige (S3 en S4) en zandige oeverafzettingen (S5, S6, S7). Onderin het profiel zijn beddingafzettingen aangetroffen (S8 en S9).

Fig. 4.2. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. In een boring in het noorden van werkput 2 is het textuurverloop in de beddingafzettingen te zien. De boringen zijn uitgelegd in stroken van vijf boorkernen, en in volgorde van boven naar beneden, met de diepste boorpunt naar boven.

8

3

Sporen

In totaal zijn 37 spoornummers uitgedeeld. Tabel 3.1 geeft een overzicht van het aantal spoornummers per categorie. Van alle spoornummers zijn er 24 toebedeeld aan een laag, twee aan recente verstoringen, twee aan natuurlijke sporen en negen aan (mogelijke) archeologische sporen. De archeologische sporen bestaan uit twee paalkuilen, vier greppels en drie kuilsporen. In bijlage 2 zijn alle-sporenkaarten opgenomen. Een sporenlijst is opgenomen in bijlage 3. Nagenoeg alle sporen zijn goed geconserveerd te noemen. De sporen hebben scherpe spoorcontouren en donkere vullingen, en waren daardoor goed in het vlak (en het profiel) herkenbaar. Wel maakte de grote vlekkerigheid van de natuurlijke ondergrond het soms lastig om de sporen te zien. Hiervoor is het gehele vlak steeds handmatig opgeschaafd. Eén van de (oorspronkelijke) kuilsporen (S2.15) en één van de paalkuilen (S1.12) zijn verder komen te vervallen. Kuil S2.15 is in het zuidelijk profiel in werkput 2 aangetroffen in een dieper niveau binnen de oeverafzettingen. Het ‘spoor’ is sterk uitgeloogd en heeft onduidelijke contouren. Het is nauwelijks te onderscheiden van de natuurlijke ondergrond. Vermoedelijk gaat het hier om een oude dier- of wortelgang. Op hetzelfde niveau binnen de oeverafzettingen zijn in het vlak geen sporen (meer) aangetroffen.

Paalkuil S1.12 bleek na couperen niet onder het vlak zichtbaar en is daarmee ook afgeschreven.

Tabel 3.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Overzicht van het aantal sporen per spoordefinitie.

De twee paalkuilen zijn aangetroffen in het profiel in het zuidoosten van werkput 1. Ze zijn ingegraven in de dijkdoorbraakafzettingen waarin ook het vlak is aangelegd. Beide hebben een diepte van 18 cm. Het couperen van de sporen leverde geen vondsten op. In werkput 1 kwamen verder twee forse kuilsporen voor, met een diameter van respectievelijk 245 en 295 cm. De diepte bedraagt 50 en meer dan 100 cm. Kuil S1.16 loopt vermoedelijk verder door richting het oosten, maar in welke mate is niet bekend (figuur 3.1). Kuil S1.15 is op basis van de vulling geïnterpreteerd als mestkuil (figuur 3.2). Binnen het spoor kwamen meerdere gebande, humeuze lagen en fosfaatlagen voor. Verder lag binnen het spoor ook een houtskoolrijke laag, die bemonsterd (laag 3, V9). In het spoor zijn een groot stuk van een kloostermop, Siegburgs steengoed en grijsbakkend aardewerk aangetroffen, op basis waarvan deze gedateerd wordt in de late 13de of de 14de eeuw. Greppels S1.10 en S2.4 zijn waarschijnlijk als moestuinbed te interpreteren (gezien de geringe diepte en homogene vulling). Voor greppels S1.13 en S2.5 geldt wel dat hier sprake is geweest van watervoerende greppels. Beide liggen op de werkputgrenzen en parallel aan de Diefdijk/de middeleeuwse ontginningskade. Door de ligging op de werkputrand, is de maximale breedte en diepte van de greppels nog niet precies vastgesteld.

Greppel S1.13 was waarschijnlijk meer dan 2 m breed en 90 cm diep (figuur 3.3). Deze greppel had in proefsleuf 1 een lengte van 11.1 m. Voor greppel S2.5 geldt dat de breedte waarschijnlijk meer dan 1.8 m en de diepte meer dan 50 cm moet zijn geweest. Deze greppel had in proefsleuf 2 een lengte van 7.1 m. In beide greppels is niet-machinaal baksteenpuin gevonden. Op basis van het aardewerk uit greppel S1.13 (Maaslands wit) is de oudste opvulling hiervan in dezelfde periode gedateerd als mestkuil S1.15. De jongste demping zal wat later dateren, vermoedelijk in de 15de of 16de eeuw – vlak voordat de dorpsterp van Schoonrewoerd is ontstaan. 9

Fig. 3.1 Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Doorsnede (coupe) van kuilspoor/greppel S1.16. Opnamerichting: zuiden.

Fig. 3.2 Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Doorsnede (coupe) van mestkuil S1.15 in werkput 1. Opnamerichting: zuidwesten.

10

Fig. 3.3 Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Doorsnede (coupe) van greppel S1.13. Opnamerichting: zuiden.

11

4

Vondsten en monsters

In totaal zijn 102 vondsten verzameld, verdeeld over 14 vondstnummers. Ongeveer de helft van de vondsten bestaat uit keramiek (N=44, 43.1%). Overige vondsten bestaan uit schelp (19.6%), dierlijk bot (9.8%), kleipijp (6.9%), bouwkeramiek (5.9%5) en kleine hoeveelheden glas, kalkmortel, metaal en natuursteen. Een overzicht van de aantallen, percentages en het gewicht per categorie is weergegeven in tabel 6.1. Voor het evaluatierapport is een quickscan van het vondstmateriaal uitgevoerd door de auteur. Het metaal is bekeken door metaalspecialist (en projectleider) Jelle van Hemert. Tijdens de uitwerking zal een nadere determinatie van het vondstmateriaal worden gedaan op onder meer vormkenmerken, decoraties en datering. Een selectie- en deselectievoorstel is opgenomen in bijlage 4. In deze bijlage is ook aangegeven welke vondsten in aanmerking komen voor analyse.

Tabel 4.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Overzicht van het aantal vondsten per materiaalsoort. 4.1 AARDEWERK

Er zijn 49 fragmenten keramiek aangetroffen. Het keramiek is te categoriseren binnen acht categorieën, te weten: Maaslands wit aardewerk, bijna-steengoed, grijs gedraaid aardewerk, roodbakkend (al dan niet geglazuurd) aardewerk, steengoed, baktegel, witbakkend geglazuurd aardewerk, industriële keramiek, porselein en faience. Een overzicht is weergegeven in tabel 6.2. Aan de hand van de hoeveelheid soorten is alvast te stellen dat de opkomst van de industriële aardewerkproductie uit het onderzoek duidelijk naar voren komt. Een groot deel van het aardewerk is dan ook afkomstig uit de terplagen en/of bouwvoor (S998 en S999) en uit recente verstoringen (S2.3). Maar een relatief klein deel van de vondsten komt uit de middeleeuwse sporen die onder de dorpsterp zijn aangetroffen (de vondsten uit greppel S1.13 en mestkuil S1.15). Op basis van het aardewerk heeft de onderste terplaat een postquem datering (‘datering na/vanaf’) het einde van de 16de of het begin van de 17de eeuw – dus net na de vorming van het Wiel van Bassa. De verstoringen die door de bovenste terplaag zijn heen gegraven in werkput 2 (S2.3) hebben een datering aan het einde van de 19de of het begin van de 20ste eeuw. De bovenste terplaag moet dus eerder dan het einde van de 19de eeuw gevormd zijn, en is daarna door bewerking in de bouwvoor opgenomen.

Gezien de hoge informatiewaarde van het aardewerk, wordt voorgesteld om al het aardewerk te analyseren en deponeren. Het aardewerk kan meer informatie opleveren over zowel de datering van de sporen als de datering van de terplagen. Verder kan het aardewerk mogelijk informatie opleveren over activiteiten die in het plangebied hebben plaatsgevonden.

5

6.9% inclusief witbakkende tegel.

12

1

21

1

24

1

18

4

16

5

44

1

5

1

11

2

560

6

90

1

12

1

114

2

24

1

44

2

8

1

6

4

83

5

117

1

3

1

2

1

84

1

177

1

21

Tabel 4.2. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Overzicht van het aangetroffen aardewerk.

Analyse: 144 Deponering: 44 Foto: 3 Tekening: 0 4.2 BOUWMATERIAAL

Er zijn zeven fragmenten bouwkeramiek aangetroffen, waaronder één witbakkende tegel. Dit materiaal komt voor een klein gedeelte uit ophogingslaag S998 in werkput 1 (N=1) en de verstoringen in werkput 2 (S2.3, N=1). Het gaat hier om het fragment witbakkende tegel met floraal decor (V4) en een deel van een bolle, roodoranje pan (breedte minimaal 17.5 cm; V12). In de verstoringen in werkput 2 is verder onder het glas ook bouwmateriaal herkend in de vorm van een glazen dakpan (V12). De dakpan is vlak en rechthoekig van vorm. In de pan is een nagelgat aanwezig. Bovenin kuilspoor S1.15 (laag 1) zijn een brokje (zachte, gelige) kalkmortel en een deel van een oranjegekleurde kloostermop gevonden (V8). De mop is grof gevormd en bevat grote brokken (geoxideerd) potgruis en zand- en natuursteendeeltjes. De afmetingen bedragen 20.5* x 13 x 7 cm.6 Op basis van de afmetingen is het baksteen vermoedelijk te plaatsen in de late 13de of vroege 14de eeuw. 6

De lengte is niet compleet. Dit is met een asterisk aangegeven.

13

Onderin kuilspoor S1.15 (laag 5) kwam verder een brokje grof gevormd, donker oranje baksteen voor (V11). Dit baksteen lijkt sterk op de kloostermop bovenin het spoor. Bovenin greppel S1.13 bevonden zich een brokje harde kalkmortel met een rest van hard gebakken, rode (niet-machinale) baksteen en een fragment bewerkte, vlak gevormde, lichtbruine, zachte kalksteen (V3). Waartoe het stuk kalksteen is gebruikt, is niet met zekerheid te stellen. Mogelijk maakte het deel uit van een decoratief deel van een gebouw of van bijvoorbeeld een kozijn. Voorgesteld wordt om al het bouwkeramiek (N=6), tegel (N=1), de glazen dakpan (N=1), het mortel (N=2) en het natuursteen (N=1) mee te nemen in de analyse voor het eindrapport. Verder wordt voorgesteld om het materiaal uit de verstoringen te deselecteren voor deponering. In praktijk betekent dit dat een dakpan uit vondstnummer 12 gedeselecteerd wordt (N=1) en het overige bouwmateriaal geselecteerd wordt voor deponering (N=10). Analyse: 11 Deponering: 10 Foto: 2 4.3 BOT

Dierlijk bot is aangetroffen in greppel S1.13 en in kuilspoor S1.15. Beide sporen liggen in werkput 1. Het bot uit greppel S1.13 is geïdentificeerd als een fragment radius van rund. Het is aangetroffen in de bovenste demping (laag 1, V3). Het bot in kuilspoor S1.15 bestaat onder meer uit een ribfragment en een kies van rund (V8, V11). In één van de recente verstoringen in werkput 2 is verder een (recente) benen borstel aangetroffen (V13). De borstelharen zijn afgebroken. Voorgesteld wordt om al het bot uit gesloten contexten te deponeren en het bot uit de recente verstoring te deselecteren voor deponering. Met betrekking tot analyse wordt in het huidige onderzoekstadium geadviseerd geen specialistisch onderzoek uit te voeren. Indien tijdens een vervolgonderzoek blijkt dat sprake is van een grotere hoeveelheid botmateriaal (en/of met een complexere samenstelling) kan dit advies worden heroverwogen. Een specialistisch onderzoek heeft bijvoorbeeld als voordeel dat hieruit een beeld vooruit zal komen over de opbouw van de veestapel (o.a. type dier, ouderdom) en de gezondheid ervan (o.a. slijtage, pathologie). Het botmateriaal zal wel meegenomen worden in de analyse van de sporen. Analyse: 9 Deponering: 9 Foto: 0 4.4 GLAS

Behalve de glazen pan zijn in de verstoringen in werkput 2 (S2.3) ook fragmenten van kleurloos flessenglas gevonden (V12). Geadviseerd wordt om deze fragmenten te deselecteren voor deponering (N=2). Een specialistisch onderzoek is tevens niet noodzakelijk. Analyse: 0 Deponering: 0 Foto: 0

14

4.5 METAAL

Jelle van Hemert Er zijn in totaal acht metaalvondsten aangetroffen, waarvan er vier van ijzer zijn (V5 en V12-1) en vier van non-ferro metaalsoorten (V1, V6 en V12-2). Al het metaal komt uit ophogingslaag S998 (N=2) en de recente verstoringen in werkput 2 (S2.3, N=6). Een overzicht van het aangetroffen metaal is weergegeven in tabel 4.3.7 De non-ferro metaalvondsten bestaan uit een tinnen schijfje, twee (sub)recente plaatfragmenten van zink (V12.2) en een niet dateerbaar brokje lood (V6). De functie en datering van een tinnen schijfje (V1) uit ophogingslaag S998 is nog niet duidelijk. Het schijfje is op een zijde in het midden versierd met een bolle verdikking. De rand is waarschijnlijk deels omgeslagen geweest, maar omdat de rand wat afgeraffeld is, kan niet vastgesteld worden of dit over de hele rand geweest is. Mogelijk betreft het een stuk sierbeslag of een restant een (laat)middeleeuwse schijffibula of insigne. Voorgesteld wordt om het schijfje te reinigen en te selecteren voor analyse en conservering/deponering. Voor de overige non-ferro metaalvondsten wordt deselectie voor analyse en conservering/deponering en voorgesteld. Dit advies geldt ook voor de vier ferro metaalvondsten. Deze vondsten zijn alle afkomstig uit een recente verstoring en daarom niet van waarde voor het onderzoek.

Drie vondsten van ijzer behoren tot dezelfde grote scheplepel met een ovale, deels afgebroken lepelbak (V5). De andere vondst van ijzer is een recente pan van gewolkt geëmailleerd gietijzer (V12.1). Analyse: 1 Deponering: 1 Foto: 1

Tabel 4.3. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Overzicht van het aangetroffen metaal. 4.6 KLEIPIJPAARDEWERK

Verder zijn een zevental stukken kleipijp gevonden. Deze lagen in werkput 2 in de recente verstoringen (S2.3) en de bouwvoor (S999). Slechts één van de fragmenten bevat decoratie of een hielmerk, namelijk een ketel die in de bouwvoor is aangetroffen (V14). Op de ketel is een gekroond hielmerk ‘TM’ weergegeven. Er zijn twee varianten van het gekroonde hielmerk ‘TM’. Het hielmerk komt voor in Gouda tussen circa 1780 en 1880. Maar, er is ook een variant die in gebruik is tot 1960.8 Geadviseerd wordt om het ketelfragment te behouden voor deponering en de overige kleipijpfragmenten te deselecteren. Analyse wordt vanwege de vondstcontext niet zinvol geacht. 7 8

De metaalvondsten zijn determineerd door J. van Hemert. Duco 2003, 163 en www.claypipes.nl.

15

Analyse: 0 Deponering: 1 Foto: 0 4.7 SCHELP

Er is een onverwachts grote hoeveelheid schelpmateriaal gevonden. Het schelp is alle afkomstig uit de meest zuidelijke verstoring in werkput 2 (S2.3, V12). Een deel van de oesters komt daarbij uit de gietijzeren (oester?)pan die hier is aangetroffen. Geadviseerd wordt om, vanwege de recente datering, de oesterschelpen te deselecteren voor deponering. Een specialistisch onderzoek wordt niet aanbevolen. Analyse: 0 Deponering: 0 Foto: 0 4.8 MONSTERS

Tijdens het onderzoek is één grondmonster genomen. Dit monster is verzameld uit een sterk houtskoolhoudende laag die in mestkuil S1.15 werd aangetroffen (V9). Het betreft een houtskoolmonster dat luchtdicht is verpakt in een emmer met een inhoud van 5 L. Gezien de humositeit (en mogelijk verbrande toestand) van de vulling, zou deze goed geconserveerde plantaardige (en/of dierlijke) macroresten kunnen bevatten. Een analyse van deze resten zou aanvullende informatie kunnen opleveren met betrekking tot de vegetatie die rond de kuil heeft gestaan in de periode van gebruik. Tevens kan dit informatie opleveren over de eetgewoonten van omwonenden en vee in de periode dat de kuil in gebruik is geweest. Een botanisch macrorestenonderzoek kan dus waardevolle informatie opleveren. Geadviseerd wordt om het monster uit te zeven en te waarderen op geschiktheid voor macrobotanisch onderzoek. Indien het monster geschikt wordt bevonden, wordt geadviseerd dit dan ook te laten analyseren op macroresten, tenzij er op een korte termijn een vervolgonderzoek zal plaatsvinden. In dat geval wordt geadviseerd te wachten op de eerste resultaten van de opgraving, daar er een reëel kans bestaat dat tijdens dat onderzoek sporen aangetroffen die waardevollere bijdrage kunnen leveren aan het botanisch onderzoek.

Een (14C-)datering van het monster is niet noodzakelijk, omdat al uit het overige vondstmateriaal kan worden afgeleid wat de datering van de kuil is. Geadviseerd wordt om het monster na analyse verder te deselecteren voor deponering. Daarbij wordt het monster pas verwijderd wanneer hiervoor goedkeuring is verkregen van het depot. Waardering monster (botanie): 1

16

5

Voorlopige beantwoording onderzoeksvragen

5.1. ONDERZOEKSVRAGEN

1) Zijn er binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig? Zo nee, geef hier een verklaring voor. In het plangebied zijn archeologische sporen en vondsten aangetroffen die zijn toe te schrijven aan een deel van een middeleeuws erf of achtererf. De sporen en vondsten sluiten goed aan bij het eerder uitgevoerde onderzoek van Benerink direct ten zuiden van het plangebied, waarbij op hetzelfde niveau vooral in het noordelijk deel van het daar onderzochte gebied sporen uit dezelfde periode zijn gevonden.9 In principe kan de terp boven de vindplaats ook als een vindplaats worden gezien. Een waardering is gegeven in het volgende hoofdstuk.

2) Indien er behoudenswaardige resten aanwezig zijn, kunnen deze dan worden onderverdeeld in meerdere vindplaatsen? Beschrijf van deze vindplaats(en) de aard, omvang, samenstelling (grondsporen en mobilia), verspreiding, conservering, stratigrafie en datering(en). Zijn de begrenzingen van de vindplaats(en) voldoende vastgesteld? In principe is er sprake van twee vindplaatsen. De jongste vindplaats bestaat uit lagen van de dorpsterp. Deze vindplaats is direct vanaf het maaiveld aangetroffen: de bovenste terplaag ligt aan het maaiveld en is vermengd met de bouwvoor. De terplagen strekken zich over het gehele plangebied uit en reiken tot een diepte van 40 à 70 cm -Mv, ofwel circa 1 m NAP. In de terp zijn vondsten aangetroffen die er op wijzen dat deze waarschijnlijk net na grote overstromingen in het einde van de 16de eeuw is aangelegd. Vondsten bestaan uit aardewerk, een metalen muntje of knoopje, een fragment van een witbakkende tegel en kleipijpfragmenten. De vindplaats loopt buiten het plangebied verder door onder het centrum van Schoonrewoerd. In de terplagen zijn enkele recente verstoringen aangetroffen. De oudste (en behoudenswaardige) vindplaats dateert uit de Late Middeleeuwen B. Deze vindplaats ligt in de top van de dijkdoorbraakafzettingen die zich hebben gevormd vanuit de rivieren in de Betuwe na de aanleg van de Diefdijk (1 km ten oosten van het plangebied).

De vindplaats is op basis van de stratigrafie niet ouder dan 1284. Aan de hand van het vondstmateriaal is deze waarschijnlijk in het einde van de 13de en de 14de eeuw te dateren. De vindplaats bestaat uit een drietal kuilen, twee paalkuilen en vier greppels. In de sporen is aardewerk, baksteen, natuursteen, kalkmortel en dierlijk bot aangetroffen. De vindplaats is goed geconserveerd. Sporen hebben duidelijke spoorcontouren en vullingen zijn donker en niet uitgeloogd. Verder geldt voor het vondstmateriaal dat dit weinig verweerd is en er nog voldoende karakteristieke kenmerken aanwezig zijn om iets te kunnen zegen over functie en datering.

3) Is sprake van een nederzettingsterrein of huisplaats? Zo ja, welke uitspraken kunnen worden gedaan over de begrenzingen, de inrichting en het gebruik van het terrein, en de ontwikkelingen daarin? Binnen het plangebied liggen sporen en vondsten die horen bij een huisplaats. De vondst- en sporendichtheid duidt erop dat er waarschijnlijk niet ver van de proefsleuven bewoning heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen. Of deze bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden of er net buiten, is aan de hand van de proefsleuven nog niet te zeggen. In de proefsleuven zelf zijn in elk geval geen (delen van) huisplattegronden aanwezig. De sporen kunnen worden toegeschreven aan het achtererf van de bewoning.

9

Benerink 2018.

17

4) Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de opgraving binnen de bouwput van de huidige Noachschool? De vindplaats met middeleeuwse sporen onder de Noachschool lijkt in het plangebied verder door te lopen. Ook wordt de sporendichtheid groter, waardoor het vermoeden bestaat dat dit deel van de vindplaats dichter bij het bebouwde deel van het erf lag. In onderhavig plangebied zijn, in tegenstelling tot onder de Noachschool, geen archeologische resten uit de Bronstijd aangetroffen.

5) Welke vondstcategorieën zijn aanwezig? Wat is de (te verwachten) vondstdichtheid en de vondstspreiding? Wat is de datering en conservering? Wat is de informatiewaarde van het vondstmateriaal? Er zijn twaalf vondstcategorieën verzameld, namelijk: aardewerk, baksteen/dakpan, bot, glas, kalkmortel, kleipijp, metaal non-ferro, metaal ferro, houtskoolmonster, natuursteen, schelp en witbakkende tegel. De vondstdichtheid nam richting het noorden van het terrein iets toe. De datering van de vondsten ligt in de periode van het einde van de 13de tot en met de 20ste eeuw – waarbij de vondsten ná 1550 in de terplagen en recente verstoringen zijn aangetroffen, en oudere vondsten in de sporen er onder. De vondsten hebben een hoge informatiewaarde. Uit de vondsten valt bijvoorbeeld af te leiden wat de datering van de sporen is en welk soort bebouwing er vermoedelijk in of nabij het plangebied heeft gestaan.

6) Bevinden zich tussen het vondstmateriaal opvallende vondsten die wijzen op sociale differentiatie, ambachtelijke activiteiten of rituele connotaties of op een specifieke functie van de vindplaats? De aangetroffen mestkuil vormt een indicatie dat in het plangebied mestopslag heeft plaatsgevonden.

7) Hoe is de bodemopbouw/stratigrafie binnen het onderzoeksgebied en wat is de relatie van de aangetroffen vindplaats(en) met de bodemopbouw? Er zijn terplagen op dijkdoorbraak- en overslagafzettingen op kleiige en zandige oeverafzettingen op beddingafzettingen aangetroffen. De middeleeuwse vindplaats ligt in de top van de dijkdoorbraakafzettingen.

8) Komt de bodemopbouw overeen met de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek? Hoe zijn eventuele verschillen te verklaren? De bodemopbouw komt overeen met de bodemopbouw in het vooronderzoek. De interpretatie is verschillend.

9) Is het mogelijk om binnen de terplaag van de dorpsterp van Schoonrewoerd meerdere lagen te onderscheiden? Zo ja, beschrijf de verschillende lagen en tracht hier een zo nauwkeurig mogelijke datering aan te koppelen. Binnen de terp zijn twee lagen te onderscheiden. De bovenste laag ligt nog altijd aan maaiveld. In de bovenste laag komen fragmenten van kleipijpen voor. In een verstoring door deze laag is een ketel aangetroffen die op grond van een hielmerk kan dateren tot 1960. Op basis hiervan is de bovenste laag gevormd vóór 1960. De onderste laag dateert aan de hand van een tingeglazuurd tegelfragment uit de late 16de of de 17de eeuw. Deze datering stemt overeen met reparaties die aan het einde van de 16de eeuw hebben plaatsgevonden aan de Diefdijk (ten oosten van het plangebied), nadat zich hier het Wiel van Bassa vormde. 18

10) Zijn er verstoringen aanwezig binnen het onderzoeksgebied? Zo ja, waar bevinden deze zich en tot hoe diep hebben deze de bodem verstoord? Ja, deze zijn aangetroffen in het noorden van werkput 2. De verstoringen reiken tot in de beddingafzettingen van de Schoonrewoerd stroomgordel.

11) Hoe sluiten de resultaten van het onderzoek aan op de gespecificeerde archeologische verwachting zoals die in het vooronderzoek voor het onderzoeksgebied is vastgesteld? Hoe zijn eventuele verschillen te verklaren? Volgens het vooronderzoek werd rekening gehouden met een vindplaats uit de Midden-Bronstijd-B. Deze is niet aangetroffen. Dit valt waarschijnlijk te verklaren doordat een vindplaats uit deze periode oorspronkelijk niet aanwezig is geweest.

12) Indien er geen vindplaats is vastgesteld, hoe is dit te verklaren (landschappelijk, verstoring of gewoon niet aanwezig)? Zie ook vraag 11.

13) Wat zeggen de resultaten uit het onderhavige onderzoek over de archeologische verwachting voor het direct aangrenzende gebied? In de directe omgeving van het plangebied en in het plangebied zelf zijn nog meer resten te verwachten die samenhangen met de middeleeuwse bewoning op deze plek. De bewoning op deze plek valt vanuit landschappelijk oogpunt ook goed te verklaren, namelijk door de hoge ligging op de Schoonrewoerd stroomrug. Verder ligt de locatie dicht bij de oudste kerk van Schoonrewoerd, waarvan de toren aan de Dorpsstraat 35 heeft gestaan. De kerk gaat volgens de Inventarisatie Kerkelijke Gemeenschappen Nederland terug tot de 12de eeuw.10

14) Wat is het landgebruik door de eeuwen heen in het plangebied? Zijn er aanwijzingen voor landgebruik in de zin van wegen, percelering of akkers? Vermoedelijk zijn in het plangebied twee moestuinbedden aangesneden. Dit kan duiden op tuinbouw. Verder is een mestkuil gevonden. Dit kan duiden op veeteelt. Directe aanwijzingen voor akkerbouw zijn in het plangebied niet aangetroffen. Ten tijde van het veldonderzoek bestond het plangebied verder uit een boomgaard.

15) Dient/dienen de vindplaats(en) in situ of ex situ behouden te worden? Wat is hiervoor de motivering? Indien in situ behoud wordt geadviseerd: welke maatregelen moeten worden genomen om het behoud in situ mogelijk te maken? De middeleeuwse vindplaats in het plangebied is als behoudenswaardig gewaardeerd. Dit houdt in dat, indien de vindplaats bedreigd wordt door bodemwerkzaamheden, deze ex situ zal moeten worden veiliggesteld middels een Archeologisch Definitief Onderzoek (DO; een opgraving). Gezien de vindplaats reeds vanaf 40 cm -Mv is aangetroffen, wordt geadviseerd een dergelijk onderzoek al bij bodemingrepen vanaf maaiveld uit te voeren.

10

www.assets.vu.nl, IKGN.

19

16) Is vervolgonderzoek noodzakelijk, en zo ja, in welke vorm en voor welke delen van het plangebied/vindplaats(en)? Gezien in het plangebied bodemingrepen zullen plaatsvinden voor de oprichting van een aanbouw bij de Noachschool, wordt de archeologische vindplaats bedreigd. Hieruit volgt het advies om een veiligstellende opgraving uit te voeren. Bij deze opgraving dient in elk geval de archeologische vindplaats ter hoogte van de bouwkuip van de aanbouw te worden onderzocht (circa 680 m2). Bovenstaande vormt een advies. Het is aan de bevoegde overheid van de gemeente Vijfheerenlanden (de Omgevingsdienst Regio Utrecht) om een definitieve uitspraak te doen over de verdere omgang met archeologie in het plangebied. 5.2. RELATIE MET NOAA EN/OF ANDERE ONDERZOEKSKADERS

Indien sprake zou zijn van een archeologische behoudenswaardige vindplaats, diende een link te worden gelegd met de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA, versie 2.0). Tijdens de evaluatie is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een archeologisch behoudenswaardige vindplaats uit de middeleeuwen. Het archeologisch onderzoek kan mogelijk een bijdrage leveren aan de beantwoording van onderzoeksvragen uit de NOaA-thema’s: ‘5) Sociale en economische differentiatie’, ’19) De ontwikkeling van steden’, ’20) De relatie stad- platteland’, ’21) De dynamiek van het landgebruik’, ’22) Mens – materiële cultuurrelaties’ De onderzoeksvragen die naar verwachting te beantwoorden zijn op basis van het onderzoek zijn: 17) Welke veranderingen treden op in de samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? (NOaA 2.0, thema 5, vraag 104) 18) In hoeverre was de stedelijke ruimte onbebouwd en voor welk doel en op welke wijze werd de ruimte ingericht en benut? (NOaA 2.0, thema 19, vraag 88) 19) Welke invloed had de stad op het omringende platteland en omgekeerd? (NOaA 2.0, thema 20, vraag 87) 20) Op welke wijze werden bodemverbetering en herstructurering van landbouwgrond gerealiseerd? (NOaA 2.0, thema 21, vraag 107) 21) Hoe, binnen welke context en met welk doel werden ruimtes afgebakend en grenzen gemarkeerd? (NOaA 2.0, thema 21, vraag 106) 22) Welke invloed had de landbouwende

mens (akkerbouw en veeteelt) op vegetatie en fauna? (NOaA 2.0, thema 21, vraag 15) 23) Hoe werkt de opkomst van (pre)-industriële productie (massaproducten) door in de materiële cultuur? (NOaA 2.0, thema 22, vraag 100)

20

6

Voorlopige conclusie

Conclusie Tijdens het archeologisch onderzoek zijn twee proefsleuven aangelegd met een omvang van in totaal 120 m2, ofwel circa 18.5% van het bouwvlak van de aanbouw (het onderzoeksgebied).11 In de proefsleuven zijn resten van een middeleeuws erf aangetroffen. Het erf is aan de hand van de bodemstratigrafie en vondstmateriaal te dateren in de periode tussen circa 1284 en 1550. Het zwaartepunt lijkt aan het einde van de 13de en in de 14de eeuw te liggen. De in het plangebied aangetroffen resten bestaan uit onder meer een mestkuil en twee forse greppels of grachten. Verder zijn nog een aantal kleine greppeltjes (mogelijk moesbedden), twee paalkuilen en een kuil aangetroffen. In de sporen komt een vrij grote hoeveelheid vondsten voor, aan de hand waarvan het deel van het aangetroffen erf waarschijnlijk dicht bij de bebouwing heeft gelegen. De bebouwing stond mogelijk ten noorden van de proefsleuven, maar dit is niet met zekerheid te stellen. In elk geval lijkt de bebouwing niet ten zuiden te hebben gestaan: de vindplaats loopt door vanuit de vindplaats onder de Noachschool (ten zuiden van het plangebied), maar daar zijn geen gebouwresten gevonden.

Waardering van de vindplaats(en) De middeleeuwse vindplaats is op grond van de fysieke en inhoudelijke kwaliteit als behoudenswaardig gewaardeerd (zie tabel 6.1). De vindplaats is aangetroffen vanaf 40 cm -Mv. Hieruit volgt dat de vindplaats al bij bodemingrepen vanaf het maaiveld bedreigd kan worden. De vindplaats kan met name een bijdrage leveren aan de kennisvorming over de bewoning van Schoonrewoerd in de periode vóór de aanleg van de dorpsterp. Hier is in de omgeving nog weinig onderzoek naar gedaan.

Tabel 6.1. Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Scoretabel waardestelling middeleeuwse vindplaats.12

Voor wat betreft de belevingswaarde kan geen score aan de (middeleeuwse) vindplaats worden toebedeeld, gezien de vindplaats zich onder de grond bevindt en niet toegankelijk is voor publiek. Verder is geen herinneringswaarde aan de vindplaats verbonden. Voor wat betreft de fysieke kwaliteit scoort de vindplaats echter hoog: de gaafheid en conservering van de archeologische sporen en vondsten zijn goed (vijf uit zes punten). Waarschijnlijk zal een deel van het oorspronkelijke archeologische niveau zijn afgetopt, maar de aangetroffen sporen zijn goed herkenbaar en niet uitgeloogd. Verder bevatten ze diagnostische vondsten aan de hand waarvan een datering en gebruik goed is af te leiden. Uit de midden tot hoge fysieke kwaliteit volgt dat een waardering van de inhoudelijke criteria van de vindplaats moet plaatsvinden. De zeldzaamheid van de vindplaats is gemiddeld te noemen (twee uit drie punten): in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 m) zijn tijdens archeologische onderzoeken eerder al delen van middeleeuwse erven aangetroffen. Dergelijke vondsten zijn bijvoorbeeld gedaan door ADC aan de Koningin Wilhelminastraat, circa 200 m ten westen van het

11 12

En circa 4.4% van het totale plangebied. SIKB, KNA versie 4.1.

21

plangebied,13 en; een onderzoek van BAAC vlak bij de Rijksweg N484, circa 400 m ten westen van het plangebied.14 Tijdens deze onderzoeken zijn vergelijkbare sporen als in het plangebied aangetroffen met ongeveer een gelijke datering. De hier uitgevoerde onderzoeken bestonden uit een archeologische begeleiding en een archeologische opgraving. Bij het onderzoek van BAAC is mogelijk een deel van een vlas- of hennepakker aangesneden.15 Het is echter wel opvallend dat in de omgeving van het plangebied nog relatief weinig middeleeuwse vindplaatsen bekend zijn, gezien de ligging van Schoonrewoerd op een terp. Omdat er van de periode vóór de oprichting van de terp juist nog weinig bekend is, zou het onderzoek in het plangebied hier meer informatie over kunnen opleveren. Vanwege de zeldzaamheid binnen de directe omgeving is de informatiewaarde van de vindplaats dan ook hoog (drie uit drie punten). De ensemblewaarde van de vindplaats is vooralsnog middelhoog (twee uit drie punten). Duidelijk is dat sprake is van een deel van een erf, maar het is nog onduidelijk welke delen van het erf binnen het plangebied precies aanwezig waren (en bewaard zijn gebleven). Uit de fysieke en inhoudelijke waardering van de vindplaats volgt dat sprake is van een behoudenswaardige middeleeuwse vindplaats. De locatie van de vindplaats kan zich in principe over het gehele plangebied uitstrekken.

13

Onderzoekmeldingsnummer 2142071100; Eimermann 2007. Onderzoekmeldingsnummer 2301228100; Van der Mark et al. 2012. 15 Van der Mark et al. 2012. 14

22

7

Planning, uitwerkingsvoorstel en begroting

Na goedkeuring van het onderhavige evaluatierapport zal worden begonnen met de uitwerking en wordt uitgegaan van drie maanden voor het vervaardigen van het conceptrapport. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met een mogelijke uitloop vanwege de doorlooptijden van eventueel botanisch onderzoek. De kosten voor de uitwerking zijn opgenomen in een separate bijlage. Er zijn geen grote afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke offerte.

23

9

Literatuur

www.noaa.cultureelerfgoed.nl/search Benerink, G.M.H., 2018: Archeologische opgraving en archeologische begeleiding ‘Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam, Heinenoord (SOB Research). Eimermann, E., 2007: Schoonrewoerd, Kalverweg (gem. Leerdam), Amersfoort (ADC-rapport 963). Hemert, J. van, 2023: Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek Schoonrewoerd-Kerkweg 3a. Versie 1.0, Beesd (VUhbs). Mark, R. van der, W.A. Bergman en A.C. van de Venne, 2012: Schoonrewoerd. Overheicop. Archeologisch onderzoek naar een middeleeuwse woonheuvel en mogelijk vlasakker, ’sHertogenbosch (BAAC rapport A-10.0288). Wilgen, L.R. van/J.E. van den Bosch, 2021: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend

veldonderzoek door middel van grondboringen, plangebied Kerkweg 3a-Dorpsstraat 26, Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden, Heinenoord (SOB Research).

24

BIJLAGE 1

LIJST VAN ARCHEOLOGISCHE PERIODEN

25

BIJLAGE 2

ALLESPORENKAARTEN

VLAK 1

26

VLAK 2

27

BIJLAGE 3

SPORENLIJST

WP

SN

Spoordefinitie

Coupe?

P-NRS

LN

Laagsoort

Bijkleur

Hoofdkleur

Grondsoort

Bijmengsel

1

1

natuurlijke laag

Diepte

ja

1,5

1

overig

bruin

grijs

K

Z3

1

2

natuurlijke laag

ja

1,4,5

1

overig

bruin

grijs

K

Z2

ZMF

Overslagafzettingen

1

3

natuurlijke laag

ja

1,5

1

overig

bruin

grijs

K

Z3

ZMF

Oeverafzettingen, fining upwards

1

4

natuurlijke laag

ja

1,4,6

1

overig

bruin

grijs

K

Z2

ZMF

Oeverafzettingen

1

5

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

bruin

grijs

K

Z1

1

6

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

grijs

Z

KX

1

7

natuurlijke laag

ja

1,4,6

1

overig

donker

grijs

Z

S3

ZMF

Zandige oeverafzettingen

1

8

natuurlijke laag

ja

1,2,3,4,6

1

overig

donker

grijs

Z

S1

ZMF

Beddingafzettingen

1

9

natuurlijke laag

ja

1,2,3,4,6

1

overig

licht

grijs

bruin

Z

S2

ZMF

Beddingafzettingen, fining upwards

1

10

greppel

36

ja

5

1

vulling

donker

bruin

grijs

K

Z2

1

11

paalkuil

18

ja

1

vulling

donker

bruin

grijs

K

Z1

1

12

natuurlijk spoor

1

ja

1

vulling

bruin

grijs

K

Z1

1

13

greppel

90

ja

1

vulling

bruin

grijs

K

Z2

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9

1

13

greppel

90

ja

2

vulling

bruin

grijs

K

Z2

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9

1

13

greppel

90

ja

3

vulling

bruin

grijs

K

Z2

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9, alleen in het vlak

1

13

greppel

90

ja

4

vulling

grijs

K

Z1

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9

1

13

greppel

90

ja

5

vulling

grijs

K

Z1

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9

1

13

greppel

90

ja

6

vulling

donker

grijs

Z

KX

ZMF

Doorsnijdt lagen S8 en S9

1

14

paalkuil

18

ja

1

1

vulling

donker

grijs

K

Z1

1

15

kuil

50

ja

4

1

vulling

donker

bruin

grijs

K

Z3

ZMF

Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8

1

15

kuil

50

ja

4

2

vulling

donker

bruin

grijs

K

Z1

ZMF

Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8

1

15

kuil

50

ja

4

3

vulling

donker

bruin

grijs

Z

KX

ZMF

1

15

kuil

50

ja

4

4

vulling

donker

bruin

grijs

K

Z1

ZMF

1

15

kuil

50

ja

4

5

vulling

donker

bruin

K

Z3

ZMF

1

15

kuil

50

ja

4

6

vulling

geel

K

Z1

ZMF

1

16

kuil

100

ja

6

1

vulling

donker

grijs

Z

KX

ZMF

Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8; houtskoolrijk Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8; iets geel gevlekt Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8; met fosfaat aan de onderkant Mestvaalt, fosfaatband aan onderkant. In S2 en doorsnijdt lagen S4, S7 en S8; donkerbruin gevlekt, fosfaat, stevig Dieper dan 1 m vanaf vlak 1. Doorsnijdt lagen S4 en S7

1

16

kuil

100

ja

6

2

vulling

donker

grijs

K

Z1

ZMF

Dieper dan 1 m vanaf vlak 1. Doorsnijdt lagen S4 en S7; gevlekt

1

16

kuil

100

ja

6

3

vulling

grijs

K

Z1

ZMF

Dieper dan 1 m vanaf vlak 1. Doorsnijdt lagen S4 en S7

1

16

kuil

100

ja

6

4

vulling

grijs

K

S3

1

17

recente verstoring

nee

1

vulling

bruin

Z

S1

1

18

natuurlijke laag

ja

6

1

overig

grijs

K

S3

1

997

ophogingslaag

ja

2

1

overig

grijs

K

Z3

ZMF

Zandige oeverafzettingen, geploegd

1

998

ophogingslaag

ja

1,2

1

overig

bruin

Z

S2

ZMF

Vanaf ca 40 cm onder mv, aanlegvondsten oa Maaslands wit aardewerk (met glazuurresten); steviger dan S999

0

Tint

donker

donker

donker

groen

geel donker bruin donker

Mediaan

Opmerkingen Dijkdoorbraakafzettingen laag 2, gevlekt

Dijkdoorbraakafzettingen, geploegd, met humeuze fibers en plantbedden. Alleen zichtbaar in profielkolom 1 Zandige oeverafzettingen

In het vlak tegenover profielkolom 1. Is tevens gedocumenteerd in de zuidelijke werkputwand middels profiel 5. Onder S5 en in S1. Doorsnijdt ook S2, gevlekt ZMF

In profielkolom 1, onder S5 en in S1 gevlekt

In profielkolom 1. Maakt geen deel uit van hetzelfde spoor als S10. Ligt wel op hetzelfde niveau en heeft dezelfde kleur, dus lijkt uit dezelfde periode te dateren. Onder S5 en in S1

Dieper dan 1 m vanaf vlak 1. Doorsnijdt lagen S4 en S7; grijs donkergrijs gevlekt geulafzetting/verlanding

28

WP

SN

Spoordefinitie

Coupe?

P-NRS

LN

Laagsoort

Tint

Bijkleur

Hoofdkleur

Grondsoort

Bijmengsel

Mediaan

Opmerkingen

1

999

bouwvoor

Diepte

ja

1,2

1

overig

donker

grijs

bruin

Z

S2

ZMF

met plantlabels, bloempotscherven, plastic, piepschuim, etc

1

999

bouwvoor

ja

1,2

2

overig

donker

grijs

bruin

Z

S2

ZMF

meer vaste laag aan de onderkant van de bouwvoor in profielkolom 2

2

1

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

bruin

grijs

K

Z2

2

2

natuurlijke laag

nee

1

vulling

wit

geel

Z

S1

2

3

recente verstoring

nee

1

vulling

bruin

grijs

Z

S4

2

4

greppel

nee

1

vulling

bruin

grijs

Z

S4

2

5

greppel

grijs

Z

S3

ZMF

2

5

geel

K

Z3

ZMF

2

ZMF

50

donker donker

Zandige oeverafzettingen verschillende verstoringen in het vlak

ja

2,3

1

vulling

greppel

ja

2,3

2

vulling

5

greppel

ja

2,3

3

vulling

donker

grijs

Z

S1

2

5

greppel

ja

2,3

4

vulling

donker

grijs

K

S3

2

6

natuurlijke laag

ja

1

1

vulling

donker

grijs

K

Z3

ZMF

Wordt doorsneden door spoor S14. Ligt in S11 en doorsnijdt verder ook lagen S12 en S13 Wordt doorsneden door spoor S14. Ligt in S11 en doorsnijdt verder ook lagen S12 en S13 Wordt doorsneden door spoor S14. Ligt in S11 en doorsnijdt verder ook lagen S12 en S13 Wordt doorsneden door spoor S14. Ligt in S11 en doorsnijdt verder ook lagen S12 en S13 Dijkdoorbraakafzettingen; gevlekt

2

7

natuurlijke laag

ja

1

1

vulling

licht

grijs

K

Z3

ZMF

Dijkdoorbraakafzettingen laag 2; gevlekt

2

8

natuurlijke laag

ja

1

1

vulling

donker

grijs

K

Z3

ZMF

Overslagafzettingen; gevlekt

2

9

natuurlijke laag

ja

1

1

vulling

licht

grijs

Z

KX

ZMF

Oeverafzettingen; grijs gevlekt

2

10

natuurlijke laag

ja

1

1

vulling

donker

grijs

K

Z2

ZMF

Oeverafzettingen

2

11

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

grijs

bruin

Z

S3

ZMF

Zandige oeverafzettingen

2

12

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

bruin

grijs

Z

S2

ZMF

Zandige oeverafzettingen

2

13

natuurlijke laag

ja

1

1

overig

wit

geel

Z

S1

ZZF

Beddingafzettingen, top

2

14

kuil

18

ja

3

1

vulling

donker

grijs

K

Z3

2

15

natuurlijk spoor

22

ja

1

1

vulling

donker

grijs

bruin

Z

S3

ZMF

2

999

bouwvoor

ja

1

1

overig

donker

grijs

bruin

Z

S2

ZMF

grijs

doorsnijdt greppel S5, loopt in westelijke putwand Onder S1 en in laag S11. Doorsnijdt laag S12

29

BIJLAGE 4

VONDSTENLIJST

VN

WP

SN

SPOORDEFINITIE

LN

VERZAMELWIJZE

INHOUD

AANTAL

GEWICHT (G)

1

1

998

ophogingslaag

1

aanleg

aardewerk

2

OPMERKINGEN VONDSTEN

DEPONEREN?

ANALYSE?

FOTO?

44

mwi bodem, rbo rand

ja

nee

nee

muntje of knooje, 1.6 cm doorsnede

1

1

998

ophogingslaag

1

aanleg

metaal non-ferro

1

1

2

1

13

greppel

1

aanleg

aardewerk

1

18

3

1

13

greppel

1

aanleg

aardewerk

9

60

3

1

13

greppel

1

aanleg

bot

1

119

3

1

13

greppel

1

aanleg

kalkmortel

1

21

3

1

13

greppel

1

aanleg

natuursteen

1

124

1

18

OPMERKINGEN CONTEXT

ja

ja

ja

bstn, bodemfragment stn, raeren en keulen, ook onb met engobe, wanden fragment rund

ja

ja

ja

ja

ja (1x) ja (1x met al het steengoed)

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

ja

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

ja (1x)

ja

ja

nee

4

1

998

ophogingslaag

1

aanleg

witbakkende tegel

5

2

3

recente verstoring

1

aanleg

metaal ferro

3

493

7

1

13

greppel

1

couperen

aardewerk

1

5

hard, met splinter rode baksteen zachte kalksteen, lichtbruin, vlak ca 2 cm tinglazuur, blauwe verfversiering floraal 2x fragmentjes beslag, 1x fragment werktuig mwi, wand/hals kan

8

1

15

kuil

1

aanleg

aardewerk

2

11

stn & grb

8

1

15

kuil

1

aanleg

baksteen/dakpan

3

3062

20.5* x 13 x 7 cm en 2x spikkel

ja

nee

ja (1x van halve mop)

8

1

15

kuil

1

aanleg

bot

6

106

ja

nee

nee

8

1

15

kuil

1

aanleg

kalkmortel

1

67

ja

nee

nee

1

9

1

15

kuil

3

afwerken

monster houtskool

deselecteren na analyse

n.t.b.

nee

10

1

15

kuil

1

afwerken

aardewerk

1

1

stn met engobe

ja

ja

nee

11

1

15

kuil

5

afwerken

aardewerk

1

11

stn rw, engobe, kan

ja

ja

nee

11

1

15

kuil

5

afwerken

baksteen/dakpan

2

98

brok, grof en onregelmatig, donkeroranje

ja

nee

nee

11

1

15

kuil

5

afwerken

bot

2

15

fragmenten, rib en kies rund

ja

nee

nee

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

aardewerk

30

1064

rbg fragment uit pan separaat

ja

nee

nee

nee

nee

nee

ja

nee

ja (1x van glazen pan)

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

nee

nee

nee

nee

nee

alleen ketel

nee

ja (1x van ketel)

uit verstoring

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

metaal ferro

1

981

uit verstoring

bolle pan, roodoranje, 17.5* cm breed fragment glazen dakpan met nagelgat, 2x flessenglas ketel fragment, dik, uit pan separaat, geen decoraties of merken gietijzeren oesterpan

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

metaal non-ferro

1

18

uit verstoring

fragment tinlood of zink

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

schelp

20

470

oesters, uit pan 16x separaat

13

2

3

recente verstoring

1

aanleg

aardewerk

2

261

13

2

3

recente verstoring

1

aanleg

bot

1

22

uit verstoring middelste verstoring middelste verstoring

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

baksteen/dakpan

1

294

uit verstoring

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

glas

3

50

uit verstoring

12

2

3

recente verstoring

1

aanleg

kleipijp

4

49

uit verstoring

14

2

999

bouwvoor

1

aanleg

kleipijp

3

51

ind, zeefje en zalfpotje met inhoud benen borsteltje 2x steel, 1x ketel met hielmerk 'TM' (ca 1780-1880)

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=831ee725-7ab8-4930-8692-27901341ccc7