Bestemmingsplan toelichting - Overboeicop 44, Schoonrewoerd
Tekst van het document
28
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met: • • • •
Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m² en dieper dan 30 cm is en nieuwe tijd archeologisch onderzoek noodzakelijk (paars); Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is en nieuwe tijd archeologisch onderzoek noodzakelijk (roze); Hoge verwachting tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld (voor prehistorie tot middeleeuwen). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (bruin); Lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10000 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (geel).
Plangebied
Afbeelding 11: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
29
De bedrijfsloods wordt gerealiseerd op bestaand verhard bedrijfsterrein. Op deze locatie worden al jarenlang agrarische dan wel niet-agrarische bedrijfsactiviteiten uitgevoerd, waardoor de bodem reeds is geroerd en daarmee de kans tot het aantreffen van archeologische sporen nihil is. Aan de noordzijde van het plangebied wordt extra verharding aangebracht voor de buitenopslag van het bedrijf. Deze werkzaamheden vinden plaats op gronden met een lage archeologische verwachting. Op basis hiervan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en hieraan gerelateerde functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 1, 2, 4 en 6 overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
30
5.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en Bwaterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de AlblasserwaardVijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen de peilgebieden VHL417 en VHL420. Het peilgebied VHL417 heeft een zomerpeil van -0,30 meter NAP en een winterpeil van –0,35 meter NAP.
Het peilgebied VHL420 heeft een zomerpeil van -0,42 meter NAP en een winterpeil van – 0,55 meter NAP. De peilscheiding ligt op een vaste stuw in de C-watergang 056291 aan de oostzijde van het plangebied en op een dichte dam tussen de C-watergangen 059025 en 059026 aan de westzijde van het plangebied. Ter plaatse van de peilscheiding aan de oostzijde (op de vaste stuw in de C-watergang 056291) is in de huidige situatie reeds sprake van afwatering van het verharde terrein in twee peilgebieden. Dit blijft ongewijzigd.
31
Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Peilscheiding
Afbeelding 12: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering.
Afbeelding 13: Uitsnede Legger wateren
32
Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn één A-watergang 000354 en diverse Cwatergangen gelegen. Aan weerszijden van de A-watergang geldt een 5 meter brede beschermingszone, waarbinnen bepaalde werkzaamheden melding- of vergunningsplichtig zijn. Het plan voorziet niet in werkzaamheden in de beschermingszone van de A-watergang. Het bedrijfsperceel (incl. buitenopslag) wordt landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting (zie landschappelijk inpassingsplan in bijlage). Bij het aanplanten van beplanting langs kavelsloten wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid van het onderhoud van het talud en de watergang. Ter compensatie van de gewenste herinrichting van het bedrijfsperceel wordt op het naastgelegen weiland (kadastraal bekend als Leerdam, sectie F, nummer 559) een plasen drasgebied aangelegd (zie afbeelding 14). In overleg met het waterschap zal het plasen drasgebied worden gevoed met water middels een duikerverbinding worden of door het maaiveld af te graven. Vanuit ecologisch oogpunt is het wenselijk om het plas- en drasgebied zo ver mogelijk achterop het perceel te realiseren. Dit zal in het kader van de watervergunning nader worden uitgewerkt. Peilscheiding / dichte dam
Plas- en drasgebied
Peilscheiding / vaste stuw Afbeelding 14: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling 33
Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bedrijfswoning (nr. 44) Bedrijfsgebouwen Overkapping Terreinverharding/buitenopslag
Oppervlakte (m2) 130 m2 850 m2 45 m2 6.225 m2
Totaal bestaande situatie
7.250 m2
Nieuwe situatie Bedrijfswoning (nr. 44) Bedrijfsgebouwen Overkapping Terreinverharding/buitenopslag
130 m2 1.350 m2 45 m2 5.475 m2
Totaal nieuwe situatie
7.000 m2
Verschil
250 m2 afname
Het plan resulteert in een afname aan verharding (250 m2), waardoor het realiseren van watercompensatie niet noodzakelijk is.
Te verwijderen buitenopslagterrein (indicatief ingetekend)
Afbeelding 15: Bestaande situatie
34
Afbeelding 16: Nieuwe situatie
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het 35
oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwaterafvoer Hemelwater zal zoveel mogelijk op eigen terrein verwerkt worden (in de bodem infiltreren) of worden afgevoerd naar aangrenzende watergangen. Vuilwaterafvoer De nieuwe bedrijfsloods wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. De rioolaansluitingen dienen te worden aangevraagd via het digitale loket van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Wegbeheer Waterschap Rivierenland is in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden wegbeheerder van wegen buiten de bebouwde kom, waaronder de Overboeicop. Het bedrijfsperceel Overboeicop 44 wordt in de huidige situatie ontsloten via twee bruggen op de Overboeicop. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
36
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande werkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van het ecologisch onderzoek is toegevoegd in de bijlage. De conclusie uit dit onderzoek is: Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.
Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratieen voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
37
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een bedrijfsgebouw. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van ca. 10 meter ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1 km ligt de Groene contour. Weidevogelkerngebied is gelegen op een afstand van circa 500 meter van het plangebied. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Afbeelding 17: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Afbeelding 18: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
38
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieonderzoek (lees: Aerius-berekening) uitgevoerd. De berekening is toegevoegd in de bijlage. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.
39
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m³
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Vanaf 2015
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in september 2021 de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 drastisch verlaagd naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2022 voor het jaar 2021 het volgende overzicht (rekenpunt 73547026_16065829): • Een stikstofconcentratie van 14,1 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,13 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 9,3 μg/m3 PM2,5; Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een stikstofconcentratie van 10,61 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 14,22 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 7,46 μg/m3 PM2,5 Geconcludeerd wordt dat niet wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekenende mate bijdragen vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte 40
gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan valt in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%). Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
41
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verder zijn er geen buisleidingen, vaar-, spoor- of overige wegen waardoor/waardoor structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor dit plan. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s te verwachten.
Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
42
5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
43
6. Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Overboeicop 44, Schoonrewoerd’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Overboeicop 44, Schoonrewoerd’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Overboeicop 44, Schoonrewoerd’ is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Leerdam’, vastgesteld op 30 september 2010, het bestemmingsplan ‘Buitengebied Leerdam, 1e Herziening’, vastgesteld op 17 december 2014, en het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’, vastgesteld op 10 juni 2021. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden Op het noordelijk deel van het plangebied blijft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gehandhaafd. Op deze gronden zijn buitenopslag en overige niet-agrarische bedrijfsactiviteiten niet toegestaan. Op de gronden mogen geen (bedrijfs)gebouwen worden gerealiseerd. Bedrijf Op het bedrijfsperceel blijft de bestemming ‘Bedrijf’ gehandhaafd. Een deel van de bedrijfsbestemming aan de voorzijde en de randen van het perceel wordt verplaatst naar de achterzijde (lees: noordzijde). Per saldo neemt de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ niet toe. De bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Groen De landschappelijke inpassing aan de oost- en westzijde het bedrijfsperceel wordt bestemd als ‘Groen’. Hiermee wordt tevens geborgd dat de bedrijfsgebouwen en/of buitenopslag uit de kant van de sloten worden gerealiseerd/plaatsvindt. Water De huidige bestemming ‘Water’ ter plaatse van de hoofdwatergang langs de Overboeicop wordt overgenomen. Ter plaatse van de bestemming ‘Water zijn o.a. bruggen, dammen met duikers en in- en uitritten toegestaan. Tuin De bestemming ‘Bedrijf’ aan de voorzijde van het plangebied wordt deels gewijzigd naar ‘Tuin’. Op gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden uitgesloten. 44
Waarde – Archeologie 1 Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden, is de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ overgenomen.
6.4 Aanduidingen • • • • • • • • •
Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – handel- en opslagbedrijf’; Functieaanduiding ‘specifiek vorm van bedrijf - voormalig agrarisch bedrijf; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 1; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 2; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 4; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 6; Gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied buitengebied gebonden functies’.
45
7. Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.
7.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van dit plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin zaken zoals planschade en financiële zekerheidstellingen zijn gewaarborgd.
7.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De initiatiefnemers gaan het plan zelf uitvoeren. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
46
8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een ontwikkeling te informeren. De initiatiefnemers hebben de directe omwonenden in een vroeg stadium geïnformeerd over het plan.
8.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners. Vooroverlegreactie Provincie Utrecht De Provincie Utrecht heeft medio september 2023 een schriftelijke reactie gegeven op het plan. Naar aanleiding hiervan heeft op 8 november 2023 een overleg plaatsgevonden over het plan. De provincie Utrecht heeft aangegeven akkoord te zijn met het plan op de voorwaarden dat de bedrijfsbestemming wordt ingekort er een scheidingslijn wordt gerealiseerd tussen de bedrijfsactiviteiten en het agrarisch gebied. Verder heeft de Provincie een aantal tekstuele aanvullingen gedaan op het hoofdstuk 4.2 Provinciaal beleid van de toelichting. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is het plan (lees: landschappelijk inpassingsplan) en de verbeelding van het bestemmingsplan gewijzigd. Verder is hoofdstuk 4.2 Provinciaal beleid van de toelichting aangevuld. Vooroverlegreactie Waterschap Rivierenland Het Waterschap Rivierenland heeft medio september 2023 een schriftelijke reactie gegeven op het plan. Het Waterschap heeft een aantal tekstuele opmerkingen gemaakt op hoofdstuk 5.6 Watertoets van de toelichting.
Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is hoofdstuk 5.6 Watertoets van de toelichting geactualiseerd. Mede door de wijziging van het plan is de verhardingsbalans aangepast. Vooroverleg Veiligheidsregio Utrecht (Vru) De Vru heeft medio september 2023 een schriftelijke reactie gegeven op het plan. De Vru heeft het plan beoordeeld en akkoord bevonden. Binnen het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig zijn waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Daarnaast is de bereikbaarheid goed en zijn de aanwezige bluswatervoorzieningen voldoende.
8.3 Zienswijzen Het college van de gemeente Vijfheerenlanden heeft op 28 december 2023 bekend gemaakt (Gemeenteblad nr. 562575) dat het ontwerpbestemmingsplan “Overboeicop 44, Schoonrewoerd” vanaf 29 december 2023 zes weken ter inzage ligt. Tijdens de terinzagelegging kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken. Tijdens de terinzagelegging is er 1 zienswijze ontvangen van de Provincie Utrecht. De zienswijze is binnen de daarvoor geldende termijn ingediend, en is ontvankelijk verklaard. 47
Medio juni 2024 heeft een overleg plaatsgevonden tussen Provincie Utrecht en de gemeente Vijfheerenlanden inzake de zienswijze. In de “Nota beantwoording van Zienswijzen”, welke is toegevoegd in de bijlage, is de ingediende zienswijze behandeld en van een antwoord voorzien. De zienswijze heeft geleid tot aanpassingen aan het bestemmingsplan. In de “Nota beantwoording van Zienswijze” staat beschreven welke aanpassingen dit betreft.
48