Bestemmingsplan toelichting Kerkweg 41b Everdingen
Tekst van het document
In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL404. Het peilgebied heeft een zomerpeil van 0,00 meter NAP en een winterpeil van –0,05 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
28
Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering.
Plangebied
Afbeelding 11: Uitsnede Legger waterkeringen
29
Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn A-watergang 000262 en C-watergang 056011 gelegen. Aan weerszijden van de A-watergang geldt een 5 meter brede beschermingszone, waarbinnen bepaalde werkzaamheden melding- of vergunningsplichtig zijn. Het plan voorziet echter niet in fysieke werkzaamheden, waardoor het doen van een melding of het aanvragen van een vergunning bij het waterschap voor wat betreft de watergangen niet nodig is.
Afbeelding 12: Uitsnede Legger wateren
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het plan voorziet uitsluitend in een functionele wijziging, er vinden geen werkzaamheden plaats zoals het aanleggen van verharding of het graven en dempen van water. Watercompensatie is daarmee niet aan de orde.
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande 30
gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwater en afvalwater wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden.
Nieuwe rioolaansluitingen dienen te worden aangevraagd via het digitale loket van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
31
5.7 Ecologie Beleidskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader waarin de bescherming van soorten en gebieden is verankerd. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000-gebieden en bossen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of dat er maatregelen genomen worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wnb. De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van de Wnb vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument. Op basis van de Wnb worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd.
Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Het plan voorziet niet in fysieke werkzaamheden. Uitsluitend wordt de bedrijfswoning gewijzigd naar een burgerwoning. Hiermee is er geen sprake van werkzaamheden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. Daarnaast zal als gevolg van het plan geen extra stikstofdepositie plaatsvinden als gevolg van het wijzigen van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Vanuit de Wnb geldt dat te allen tijde moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. Er dient te allen tijde te worden voldaan aan de algemene zorgplicht.
32
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m³
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Vanaf 2015
Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie advieswaarden voor stikstofconcentratie van 10 µg/m² en concentraties fijn stof van 15 µg/m3 PM10 en 5 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2022 voor het jaar 2020 het volgende overzicht (rekenpunt 16067040): • Een stikstofconcentratie van 22,0 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,2 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 9,9 μg/m3 PM2,5; Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde NSL-monitoring het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een fijnstofconcentratie van 15,4 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 8,0 μg/m3 PM2,5 Geconcludeerd wordt dat nog niet helemaal wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekenende mate bijdragen vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden:
33
• •
Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat nog niet helemaal wordt voldaan aan de advieswaarden voor het jaar 2030 van de WHO, maar wel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden en het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
34
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvind.
Plangebied
buisleiding ca. 170 m
wegtransport ca. 130 m
Afbeelding 13: Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving – veilige leefomgeving
35
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Op een afstand van circa 170 meter vanaf de woning is een leiding van Defensie Pijpleiding Organisatie gelegen met kenmerk 4364 - P11_2. De leiding heeft een PR10-6-risicocontour van 0 meter, een belemmeringsstrook van 5 meter aan weerszijde van de leiding en een 1%letaliteitszone van 30 meter aan weerzijde. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s vanwege de buisleiding te verwachten. Daarnaast wordt gesteld dat met wijzigen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning de situatie in het kader van externe veiligheid niet wijzigt. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Het betreft de rijksweg A2. De woning is gelegen op een afstand van circa 130 meter tot de rijksweg. De rijksweg heeft een GR-plafond van 82 meter en heeft geen plasbrandaandachtsgebied.
Wel is de bestaande woning gelegen binnen het invloedsgebied van verschillende stoffen die over de weg worden vervoerd. Hierdoor kan het plangebied effecten ondervinden van een ongeluk met gevaarlijke stoffen waardoor een brand, explosie en/of gifwolk ontstaat. Omdat het plan voorziet in een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, veranderd de populatiedichtheid niet. Gesteld dat met wijzigen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning de situatie in het kader van externe veiligheid niet wijzigt. Hierdoor zijn geen (extra) relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Een verdere verantwoording van het groepsrisico, de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is hierom niet nodig. Overigens kunnen bewoners van de woning bij een ramp van de calamiteit wegvluchten door via de Kerkweg naar het oosten of westen te vluchten. Hulpdiensten kunnen het plangebied en een eventuele calamiteit op de A2 goed bereiken en binnen een afstand van 40 meter van het plangebied is een bluswatervoorziening aanwezig. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
36
5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
37
6. Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Kerkweg 41b, Everdingen’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Kerkweg 41b, Everdingen’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Kerkweg 41b, Everdingen’ is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’, vastgesteld op 14 december 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Vianen en het vigerend bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’, vastgesteld op 10 juni 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Bedrijf Op het deel van het bedrijfsperceel waar de bestemming niet wordt gewijzigd, wordt de bedrijfsbestemming gehandhaafd. De bouw van een bedrijfswoning binnen deze bestemming is niet toegestaan. Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. In het moederplan is een verouderde Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2009 een nieuwe versie gepubliceerd. Deze nieuwe versie is opgenomen in de bijlage bij de regels van dit plan. Wonen Om de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning is de bedrijfsbestemming omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. Binnen het bouwvlak zijn hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn ook vrijstaande bijgebouwen, overkappingen, afscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Tuin Om voldoende afstand te bewaren tussen het naastgelegen bedrijf en het woonperceel, is een 10 meter brede tuinbestemming tussen het woonperceel en het bedrijfsterrein opgenomen. Daarmee is er in het kader van bedrijven en milieuzonering sprake van een goed woon- en leefklimaat op het woonperceel en wordt het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd.
38
Verkeer – 1 Op de bestaande bedrijfsontsluiting (welke versmald wordt) en de ontsluiting van het woonperceel is een verkeersbestemming opgenomen. Zodoende zijn de bestaande ontsluitingen juridisch-planologisch geborgd. Waarde – Archeologie – 2 Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden, is de archeologische dubbelbestemming overgenomen uit het moederplan.
6.4 Aanduidingen • • • • • •
Bouwvlak; Functieaanduiding: Bedrijfswoning uitgesloten; Functieaanduiding: specifieke vorm van tuin uitgesloten – vergunningsvrije bijgebouwen; Gebiedsaanduiding: geluidzone – weg; Maatvoeringsaanduiding: maximum aantal wooneenheden: 1; Maatvoeringsaanduiding: maximum goothoogte: 6 m, maximum bouwhoogte: 9 m.
39
7. Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.
7.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van dit plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin zaken zoals planschade en financiële zekerheidstellingen zijn gewaarborgd.
7.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het plan voorziet uitsluitend in een functionele wijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoningen. Hier zijn geen ontwikkelkosten mee gemoeid. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
40
8. Overleg en inspraak 8.1 Vooroverleg/inspraak Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan toegestuurd naar de Omgevingsdienst regio Utrecht, de Veiligheidsregio Utrecht, het Waterschap Rivierenland en de interne afdelingen binnen de gemeente Vijfheerenlanden.
8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 25 augustus 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2023, 369002), waarbij iedereen in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
41