Beantwoording Vragen CU inzake Strategienota 2021-2025 'Samen voor een afvalvrije en schone gemeente Vijfheerenlanden.docx
Tekst van het document
Vraag 1: De nieuwe strategie kent drie stappen: 1. Basis verbeteren; 2. Restafval reguleren (pasjes systeem) en 3. Scheiden belonen (DifTar). In de voetnoot wordt dan het invoeren van DifTar gekoppeld aan het behalen van de landelijke taakstelling Restafval, “omdat alle vier gemeenten die de taakstelling behalen, hebben DifTar”. Vraag 1. Dit is toch een omgekeerde bewijsvoering? 48 % van de gemeenten hanteren DifTar, dus waarom behalen die anderen die taakstelling dan niet? Antwoord vraag 1: De voetnoot beschrijft dat tot nu toe 44 gemeenten in Nederland de Rijksdoelstelling van < 100 kg restafval hebben bereikt. Al deze 44 gemeenten hebben een vorm van tariefdifferentiatie (variabel tarief restafval) ingevoerd. De gemiddelde hoeveelheid restafval van diftar-gemeenten bedraagt 106 kilo, en is daarmee 45% lager dan het gemiddelde restafvalaanbod van de niet-diftar-gemeenten in Nederland. Het klopt dat er diftar-gemeenten zijn die iets boven de 100 kilogram uitkomen. Dit komt omdat ze nog niet op service zijn geoptimaliseerd. De belangrijkste reden voor het verschil tussen ‘diftar-gemeenten’ en ‘niet-diftar-gemeenten’ is dat het scheidingspercentage bij gemeenten met een vorm van tariefdifferentiatie gemiddeld hoger ligt dan gemeenten zonder een diftar systeem. In gemeenten met een diftar systeem worden dus meer grondstoffen aan de bron gescheiden.
De CBS Statline data tonen aan dat de gemiddelde grondstoffenscheiding in gemeenten met diftar 78% is en in gemeenten zonder diftar 61%. Van de gemeenten die in 2019 al de VANG-doelstelling van 75% afvalscheiding in 2020 hebben behaald is ruim 90% een diftar gemeente. Vraag 2: Bij de kostenbesparing wordt aangegeven dat stap 1 en 2 het ingrijpendst zijn, maar dat de besparing pas aantoonbaar wordt bij de invoering van stap 3. Hoe kun je weten wat het effect is van de te nemen stappen afzonderlijk? Met name het afvaltoerisme lijkt toch een behoorlijke rol te spelen. Om daar achter te komen, is een evaluatie na stap 2 toch noodzakelijk? Antwoord vraag 2: De effecten zijn bepaald op basis van ervaringscijfers. Het afsluiten van containers en het registeren van minicontainers leidt tot 10 tot 20% restafvalreductie, zo is de ervaring bij andere gemeenten. Uiteraard is het effect uiteindelijk afhankelijk van de plaatselijke situatie (veel of weinig bedrijven?, hebben buurgemeenten diftar ja of nee?). Onze analyse heeft uitgewezen dat de Waardlanden-gemeenten relatief veel last hebben van afvaltoerisme (zie analyserapport). Toch zijn we voorzichtigheidshalve uitgegaan van 10% restafvalreductie, om tegenvallers achteraf te voorkomen. De ‘voorzichtige’ aannames gelden overigens niet alleen voor stap 2 maar voor de gehele doorrekening van het stappenplan.
In het meest gunstige geval wordt er een restafvalreductie van 20% gerealiseerd met de invoering van stap 2. Gemiddeld wordt er in het Waardlanden-gebied 230kg restafval per huishouden aangeboden. Een reductie van 20% betekent dat dit aanbod daalt tot circa 180-185 kg restafval per huishouden. Logischerwijs kan een evaluatie helpen bij het monitoren en beoordelen van behaalde resultaten. In dit geval lijkt stap 3 echter noodzakelijk om dichterbij de doelstelling van <100kg restafval per huishouden te komen. Er bestaat dus een spanningsveld tussen de vertraging in het proces en de onzekerheid van behaalde resultaten in stap 1 en 2. Vraag 3: De kostenbesparing wordt exact berekend op grond van de referentie: als je niets doet. Er zijn volgens het jaarlijkse rapport van Rijkswaterstaat over de afvalstoffenheffing acht verschillende vormen en combinaties van DifTar. Met name de meest succesvolle gemeenten qua restafval taakstelling, hebben het systeem met de zg. ‘Dure zak’. Op welke methode van DifTar is deze besparing berekend en waar op is dat gebaseerd?
Antwoord vraag 3: Voor de vier Waardlanden-gemeenten wordt het zogeheten volume en frequentie systeem voorgesteld. Dit is het meest toegepaste diftar-systeem in Nederland dat vrij gemakkelijk implementeerbaar is en tot goede resultaten leidt. De dure zak leidt inderdaad tot meer restafvalreductie, zoals blijkt uit de Rijkswaterstaat-rapportage, maar heeft weer andere nadelen, waaronder de hoge arbeidsbelasting voor het inzamelpersoneel en meer kans op ongedierte en zwerfafval. Vraag 4: De gemiddelde kosten per huishouden bedraagt bij DifTar tussen 199 Euro en 277 Euro per jaar, afhankelijk van het DifTar systeem. En, nogmaals, de kosten van het grofvuil zijn hierin niet meegenomen. Ook wordt opgemerkt dat de kosten per gemeente binnen een zelfde DifTar systeem sterk variëren. Hoe zeker zijn de genoemde uitkomsten (die zelfs als enigszins conservatief worden benoemd) in het licht van de aangetroffen uitkomsten binnen dit rapport van Rijkswaterstaat? Antwoord vraag 4: Niets is zeker. En zoals in het rapport ook is aangegeven: de kosten zijn beter in te schatten dan de baten. De baten zijn namelijk afhankelijk van het gewijzigde scheidingsgedrag. Indien de inwoners ongevoelig blijken voor het pasjessysteem en de variabele heffing, en hetzelfde aanbiedgedrag blijven vertonen als ze nu doen, zal de strategienota niet meer kostenneutraal zijn.
We hebben echter goede redenen (lees: goede referenties bij andere gemeenten) om aan te nemen dat dit niet zal gebeuren. De grote variatie van diftargemeenten in het Rijkswaterstaat-rapport kan ook liggen in het feit dat hier een vergelijking is gemaakt op de hoogte van de heffing, en niet op de afvalbeheerkosten. In de heffing zitten veelal ook de kosten opgenomen van het kwijtscheldingsbeleid, zwerfafval, btw-compensatie. Hier gaan gemeenten doorgaans zeer verschillend mee om (sommige gemeenten nemen hier wel bedragen voor op, andere niet), wat tot grote variatie kan leiden. Vraag 5: In de strategie nota en Programmabegroting Waardlanden wordt gesproken over een aantal verschillende kostenstijgingen. Te weten: 1 Reguliere Stijging Waardlanden voor 2022 € 16,71? (20,2 inclussief BTW) 2 eenmalige implementatiekosten (32,60/39,45 incl BTW) 3 meerkosten voor stap 1 en 2 ( 19,80/23,96) Graag willen wij een overzicht van de kosten/verhogingen die structureel blijven en welke kosten incidenteel (lees beperkt aantal jaar) worden afgewend op de inwoners? En als mogelijk is dit graag in overzicht voor komende 4 jaar? Antwoord vraag 5: De eenmalige implementatiekosten (2) zijn eenmalig, de meerkosten voor de stappen 1 en 2 (3) zijn structureel. De reguliere stijging Waardlanden is deels structureel.
Een overzicht voor de komende 4 jaar is vanwege de afhankelijkheid van besluitvorming, reguliere loon- en prijsontwikkelingen en de ontwikkeling op de verbrandings- en mogelijke CO2-belasting niet goed te geven. Op dit moment weten we in ieder geval dat - los van de complementaire kosten ten gevolge van het nieuwe beleid - de afvalstoffenheffing in 2022 met €16,71 exclusief btw zal moeten toenemen (punt 1 regulier stijging Waardlanden). Voor wat betreft de complementaire kosten weten we dat het nieuwe beleid om een tariefstijging €32,60 exclusief btw vraagt (punt 2 eenmalige implementatiekosten). Omdat 100% kostendekkend tarief het uitgangspunt is, zal de afvalstoffenheffing in 2022 met circa €49,31 exclusief btw moeten toenemen om de kosten van het afvalbeheer in 2022 te dekken.
Vanaf 2023 gaan de incidentele kosten uit 2022 daar in ieder geval weer vanaf. De daling die vanaf 2023 wordt ingezet is afhankelijk van de besluitvorming en de reguliere loonen prijsontwikkelingen. Met name de laatste zijn nu niet in te schatten. Over het eerste valt wel het e.e.a. te zeggen. Indien wordt besloten voor de implementatie van het gehele stappenplan zal de afvalstoffenheffing vanaf 2023 sterker dalen dan wanneer hier na evaluatie pas voor wordt besloten. We herhalen daarom de bedragen zoals opgenomen in het raadsvoorstel. Indien wordt besloten voor uitvoering van het gehele stappenplan, worden de volgende effecten op het tarief verwacht: • 2021: €4,40 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €5,32 per huishouden • 2022: €32,60 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €39,45 per huishouden • 2023: €2,70 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €3,28 per huishouden • 2024: €-0,80 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €-0,97 per huishouden • 2025 en de jaren er na: €-0,80 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €-0,97 per huishouden Indien alleen wordt besloten voor uitvoering van stappen 1 en 2, worden de volgende effecten op het tarief verwacht: • 2021: €4,40 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €5,32 per huishouden • 2022: €32,60 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €39,45 per huishouden • 2023: €23,40 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €28,31 per huishouden • 2024: €19,80 exclusief btw; Inclusief
21% btw: €26,96 per huishouden • 2025 en de jaren er na: €19,80 exclusief btw; Inclusief 21% btw: €26,96 per huishouden De €19,80 exclusief btw betreft de netto structurele meerkosten, bestaande uit de kapitaallasten, extra inzamelkosten, pasbeheer, communicatie, toezicht en eventuele opruimkosten. De uitgespaarde verwerkingskosten worden hierop in mindering gebracht. Omdat bij de invoering van stap 1 t/m 3 gezamenlijk de grootste restafvalreductie wordt voorspeld, worden daarmee de meeste verwerkingskosten bespaard. Hier ontstaat rendement uit waardoor met de invoering van het gehele stappenplan vanaf 2024 en daarna je de investering ‘terugverdient’. Bij de invoering van alleen stap 1 & 2, worden kosten gemaakt en (waarschijnlijk) een mindere restafvalreductie gerealiseerd. Daarom zullen de netto structurele meerkosten hoger blijven. Zoals nu voorspeld komt het rendement dan pas na besluitvorming voor stap 3. Bijvoorbeeld pas na 2024.