CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1961.BPSWoverboeicop26-VA01_7Quicksca..eneVersie.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 september 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Overboeicop 26 Schoonrewoerd6.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. T. Versluis Lekdijk 44 2767 GB Langerak

Datum

4 december 2019, 1e revisie 2 oktober 2020

Kenmerk

BE/2019/677/r

Uw kenmerk

Email d.d. 29 oktober 2019

Auteur(s)

M.A. Brinkbäumer

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Revisie

M.A. Brinkbäumer

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Overboeicop 26 te Schoonrewoerd Aan de Overboeicop 26 te Schoonrewoerd is een landelijk perceel met woning en schuur aangrenzend aan weideland gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van een nieuwe woning met bijgebouw. Het bestemmingsplan voorziet niet (volledig) in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Beheer & Ontwikkeling begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland. • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Overboeicop 26 te Schoonrewoerd (figuur 1). De planlocatie betreft een woonperceel met aangrenzend weidegebied voor melkvee. Op het woondeel van het perceel bevindt zich een woning met schuur. De woning is opgetrokken uit stenen muren zonder spouw met een zadeldak met dakpannen. De schuur is opgetrokken uit houten muren met een metalen golfplaten dak. Het woonperceel wordt gescheiden van de weg en naastgelegen weidepercelen door kavelsloten en door een hek aan de noordelijke zijde. De tuin van de woning is beplant met gedomesticeerde vaatplanten en bevat tevens een boomgaard bestaande uit appels en peren. Het perceel bevat geen verharding ander dan de (kiezel) oprit en een pad rondom de woning. Het onderhoudsbeeld van de planlocatie is erg laag en een deel van de tuin is overwoekerd door klimop. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt de boomgaard gekapt en een bomenlaan aan de oostelijke zijde van de planlocatie (westelijke zijde van de kavelsloot). De dichtstbijzijnde waterpartij ligt binnen de kadastrale begrenzing in de vorm van een poeltje. Dit poeltje blijft behouden in de beoogde ontwikkelingen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

De planlocatie is gelegen in typerend landelijk gebied met verre doorzichten over graslandweiden, bomenlanen, landelijke woningen en boerderijen. Gezien de landelijke ligging zijn er in de directe omgeving verschillende natuurpercelen welke onder de het Natuurnetwerk Nederland vallen. De dichtstbijzijnde barrière is de N484 op ca. 700 m afstand ten oosten van de planlocatie.

Figuur 1

2

De planlocatie gelegen aan de Overboeicop 26 te Schoonrewoerd bestaande uit woning en schuur (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de huidige bebouwing (woning en schuur) en de realisatie van een nieuwe woning met bijgebouw. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling dienen verschillende bomen en struiken gekapt te worden. Ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen dient deels een functieverandering plaats te vinden van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

3

kappen van bomen en struiken: kap- en snoeiwerkzaamheden; saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

4

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Bikker Architektenburo).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 november 2019 en is uitgevoerd door ir. S. Schuuring en M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker Gewone pad Ree Bosmuis Haas Rosse woelmuis Bruine kikker Hermelijn Tweekleurige bosspitsmuis Bunzing Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Kleine watersalamander Vos Dwergspitsmuis Konijn Wezel Egel Meerkikker Woelrat

5

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: grote brandnetel, klimop, rododendron en rozen. Op de muren van de woning is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie staan verschillende bomen en struiken: appel, gewone es, haagbeuk, knotwilg, peren, plataan, walnoot en zomereik. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een voedselrijke grond met naastgelegen melkvee weide. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Voor de boommarter, das en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de boommarter is geen functioneel leefgebied (bosrijke omgeving) aanwezig en is de soort derhalve uitgesloten van de planlocatie. Das en steenmarter hebben een voorkeurshabitat dat bestaat uit kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden.

De das heeft verder ook een voorkeur voor (licht) hoogte verschil. Door de aanwezigheid van omringende sloten is het gebied is slecht toegankelijk voor

6

beide soorten. Gezien de landelijke ligging van de planlocatie en het ontbreken van groenstructuren of schuilgelegenheden en het scheiden van de percelen door sloten worden de soorten niet verwacht op de planlocatie. Derhalve is het niet aannemelijk dat de soort voorkomt op de planlocatie en zijn negatieve effecten ten aanzien van de soorten uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.

Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 20092019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. De planlocatie bevat verschillende bomen, langs de oostelijke watergang staan verschillende eikenbomen, verder staat er een enkele walnootboom en is er een fruitboomgaard aanwezig. De walnootboom heeft verschillende holtes welke mogelijk verblijfplaatsen kunnen bieden voor boombewonende vleermuizen (figuur 4). De fruitboomgaard betreft enkel dunne bomen waar geen holtes voor vleermuizen in mogelijk zijn en de eiken langs de watergang blijven volledig behouden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient de fruitboomgaard en de walnootboom gekapt te worden. Derhalve dient vastgesteld te worden of de walnootboom een functie heeft voor vleermuizen in de vorm van vaste rust- en/of verblijfplaats.

Middels een technische inspectie (c.q. endoscoop) kan vastgesteld worden of de openingen voldoende ingerot zijn en dusdanig geschikt voor boombewonende soorten. Indien de opening(en) voldoende ingerot zijn, dient er middels aanvullend onderzoek onderzocht te worden of er sprake is van vaste rust- en verblijfplaats van boombewonende soorten.

Figuur 4

7

Potentiële openingen voor boombewonende vleermuizen.

De te saneren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De woning is opgemaakt uit stenen muren zonder spouw met een zadeldak met pannen. Wegens het ontbreken van spouw is er geen mogelijkheid tot verblijfplaats in de muren. Het dak van de woning bestaat uit nauw sluitende dakpannen. Enkel de kantpannen aan de noordzijde kieren iets, echter is gezien de aanwezigheid van de walnootboom geen sprake van vrije invliegmogelijkheden. De kantpannen aan de zuidelijke zijde steken niet over. Derhalve is het niet aannemelijk dat er sprake is van een vaste rust- en/of verblijfplaats in de woning. De schuur bestaat uit houten wanden en een golfplaten dak. Het dak sluit goed aan op de muren en er is geen ruimte tussen dakrand en wand. Derhalve wordt niet verwacht dat er vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn op de planlocatie. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

Negatieve effecten t.a.v. gebouwbewonende soorten zijn uitgesloten. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Door de aanwezigheid van soortgelijke structuren in de directe omgeving, kan worden uitgesloten dat het essentieel foerageergebied betreft. Doordat de bomenlaan niet volledig doorloopt van en naar vaste rust- en verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden, kan de aanwezigheid van een essentiële vliegroute uitgesloten worden. Tijdens de werkzaamheden kunnen echter negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Bij de beoogde ontwikkelingen wordt de woning meer ten midden van het perceel geplaatst. Mocht er gebruik gemaakt worden van de kavelsloten door vleermuizen voor verspreiding wordt er in de toekomst minder lichtuitstraling verwacht. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

Amfibieën Ten tijden van het veldbezoek zijn er geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is gelegen tussen twee kavelsloten en noordelijk buiten de ontwikkelgrens is een natuurlijke poel gelegen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en de rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor de heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Ten noorden van de planlocatie is een natuurlijke poel gelegen binnen de kadastrale grens. Deze poel blijft behouden en ligt buiten de invloedsfeer van de beoogde ontwikkelingen. De poel is gelegen ten midden van een koeienweide en is derhalve zeer voedselrijk. Voor de heikikker, poelkikker en rugstreeppad is het niet uit te sluiten dat de poel mogelijk (beperkt) functie heeft als voortplantingswater. Voor de kamsalamander voldoet de poel niet aan de eisen van voortplantingswater.

Voor de kamsalamander ontbreekt namelijk geschikt onderwatervegetatie voor het afzetten van eitjes. Binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkelingen is geen oppervlaktewater aanwezig, derhalve zijn negatieve effecten op mogelijk voortplantingswater uitgesloten. Voor eventuele overwinteringslocaties geldt dat deze vaak binnen enkele meters van het oppervlaktewater aanwezig is of zelfs in het water zelf (bij milde winters). Ook nabij gelegen ruigtes en bossen kunnen dergelijke functies waarborgen. In de boomgaard zijn tevens enkele muizenholen geconstateerd. Alhoewel de kans klein is, kan deze potentie niet volledig uitgesloten worden. Volledigheidshalve wordt, om negatieve effecten op vorengenoemde soorten uit te sluiten, geadviseerd om het kappen en rooien van een deel van deze boomgaard, buiten de winterperiode

8

plaats te laten vinden. Door de werkzaamheden in de periode van voortplanting van de soorten plaats te laten vinden, zullen geen individuen gedood worden. Tijdens de ontwikkelingen dienen preventieve maatregelen genomen te worden om te voorkomen dat er functioneel leefgebied (c.q. vergraafbare grond en tijdelijke poelen) ontstaat voor de rugstreeppad. Indien vorengenoemde maatregelen worden getroffen, is een ecologisch werkprotocol niet noodzakelijk. Verder is het mogelijk dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn (mits er gewerkt wordt aan het op te stellen ecologische protocol) uitgesloten. Reptielen Reptielen worden in het algemeen aangetroffen in structuurrijke omgevingen met voldoende beschutting echter zijn er in de directe omgeving van de planlocatie muurhagedis en ringslang waargenomen (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). De muurhagedis komt van nature enkel voor in Maastricht, echter zijn er verschillende subpopulaties van exoten/uitgezette exemplaren. Ten aanzien van de waarneming van de muurhagedis in Schoonrewoerd is bekend dat deze via Deij Transport meegelift is (Spikmans & Oudborg, 2015).

Gezien er geen geschikt leefgebied aanwezig is, zijn negatieve effecten ten aanzien van de muurhagedis uitgesloten. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitatten. Meestal betreffen dit overgangen van droge zandgrond naar natte veen- of kleigronden. Lage, natte gebieden worden gemeden vanwege de slechte overwinteringsmogelijkheden. Hun jachtgebied bestaat uit kleinschalige gebieden met veel variatie en vooral een ruim aanbod van water. Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruim aanbod van wateren in nabijheid van hoge gronden zijn belangrijke randvoorwaarden. (Creemers & Van Delft, 2009). In de directe omgeving van de planlocatie zijn veel waarnemingen bekend van de ringslang (dichtstbijzijnde <100 m). Derhalve is er sprake van een subpopulatie van de soort in de omgeving. De directe omgeving van de planlocatie is mogelijk geschikt als jachtgebied (vochtige weilanden en sloten). Echter ontbreken er geschikte overwinteringsplaatsen. Ten tijden van het veldbezoek was er organisch materiaal uit de kavelsloten op de oever geplaatst. Uit een workshop van Ravon op de Biodiversiteit dag van de Provincie Gelderland is gebleken dat dit mogelijk geschikte eiafzetplaatsen zouden zijn voor de ringslang (J. van Delft, persoonlijke communicatie, 15 november 2019). Het voorkomen van de ringslang wordt vooral veracht in en langs de overs van de kavelsloten.

Gezien deze behouden blijven in de beoogde ontwikkelingen worden er geen negatieve effecten ten aanzien van de ringslang voorzien in het kader van de ontwikkeling. Vissen De planlocatie wordt aan de oost-, west- en zuidelijke zijde omkaderd door kavelsloten. Deze kavelsloten blijven behouden bij de beoogde ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling voorzien een verbreding van de huidige oprit (brug). Deze ontwikkeling voorzien geen ingrepen in de sloot en hebben derhalve geen invloed op het water. Op enige afstand (ca. 2 km) zijn waarnemingen bekend van de grote modderkruiper. Op de planlocatie wordt deze niet verwacht aangezien de watergangen steile oevers zonder vegetatie hebben. Derhalve zijn negatieve effecten op (beschermde) vissen uitgesloten .

Insecten, libellen en andere ongewervelden Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. De platte schijfhoren is op enige afstand van de planlocatie waargenomen (>1 km). De kavelsloten op de planlocatie zijn erg geëutrofieerd en bevatten geen waardplanten van de soort (gele plomp of waterlelie). Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, koolmees, meerkoet, spreeuw en vink.

9

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. De walnootboom heeft enkele holen groot genoeg voor steenuilen, tijdens veldbezoek zijn er echter geen sporen of nestmateriaal van steenuilen gevonden. Verder zijn er geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Wegens de aanwezigheid van de boomgaard op de planlocatie is te verwachten dat roofvogels en/of uilen sporadisch foerageren op en/of rondom de planlocatie. Gezien er geen nesten en/of sporen van roofvogels of uilen zijn waargenomen op de planlocatie is frequent gebruik van de planlocatie uitgesloten. Derhalve is geen sprake van essentieel leefgebied en zijn negatieve effecten op roofvogels en uilensoorten uitgesloten. De bebouwing op de planlocatie is opgetrokken uit stenenmuren zonder spouw met een dakpannen zadeldak. Het pannendak van de woning is nauwsluitend, enkele pannen zijn gebroken echter biedt dit geen mogelijkheid tot invliegen.

Verder is ten tijden van het veldbezoek waargenomen dat er zeer veel organisch materiaal in de goot aanwezig was, wat indiceert dat er weinig tot niet in/uitgevlogen wordt. In de tuin van de planlocatie staan verschillende heggen, waarvan enkele jaarrond groen zijn. Verder is er klimop aanwezig in zowel de tuin als tegen de muren van de woning. Op de planlocatie waren geen plaatsen met zand waarin gebadderd kan worden. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen gehoord op het erf van een naastgelegen boerderij. Gezien er op de planlocatie geen nestgelegenheid aanwezig is, heeft het enkel mogelijk een functie als onderdeel van leef- en/of foerageergebied. Gezien de naastgelegen percelen vergelijkbare vegetatie bevatten en er voldoende alternatief leefgebied aanwezig is, wordt niet verwacht dat er sprake is van een essentieel leefgebied op de planlocatie. Derhalve zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De planlocatie is gelegen in landelijk gebied en bevat enkel lage bebouwing (<3 m).

Enkel de oostelijke zijde van de woning heeft een vrije invliegroute, hier zijn tijdens het veldbezoek geen krijtsporen waargenomen. Gezien bovengenoemde argumenten worden nestlocaties uitgesloten op de planlocatie. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 5). Op een afstand van circa 300 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5).

10

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van 1,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: argis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de het saneren van de huidige bebouwing ten behoeve van een nieuwe woning met bijgebouw. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen

11

en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Ondanks dat er sprake is van een geringe afstand (1,6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt, vanwege de afname van stikstof emissie en de beperkte omvang van de ingreep, op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven

per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. In het kader van de beoogde ontwikkelingen dienen verschillende bomen gekapt te worden. Deze bomen vallen echter onder categorie b. Derhalve is het kappen/verwijderen van de bomen op de planlocatie niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Mits de walnootboom op de planlocatie gekapt dient te worden, is aanvullend onderzoek naar boombewonende vleermuizen vereist. Indien de fruitboomgaard verwijderd wordt buiten de overwinteringsperiode van amfibieën, zijn er geen vervolgstappen vereist. Verder is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of van het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks geringe afstand tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & DievendijkZuid’ wordt gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling geen verhoging van stikstofdepositie verwacht. Derhalve kan een Aerius-calculatie achterwege blijven. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

+

-

-

+

-

-

n

n

n

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

1,6 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

300 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

j

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja) / m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden van de walnootboom dient aan de hand van een technische inspectie of middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of deze boom een verblijfsfunctie heeft voor boombewonende vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Indien de kapwerkzaamheden van de fruitboomgaard uitgevoerd worden buiten de overwinteringsperiode van amfibieën (novembermaart) zijn er geen vervolgstappen vereist ten aanzien van amfibieën. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

13

Conclusie Het saneren van de bebouwing ten behoeve van een nieuwe woning met bijgebouw is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Het kappen en rooien van een deel van de boomgaard, dienen uitgevoerd te worden in de voortplantingsperiode van de heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Dit betekent de kapwerkzaamheden uit te voeren buiten de overwinteringsperiode van de amfibieën november – maart. • Er wordt niet verwacht dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000-gebieden. Derhalve kan een AERIUS-calculatie achterwege blijven. • Bij kap walnootboom: De boomholten in de walnootboom op de planlocatie kunnen middels een technische inspectie bekeken worden met een endoscoop of deze voldoende zijn ingerot. Indien hier sprake van is, dient er met aanvullend onderzoek de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van boombewonende soorten aangetoond te worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient (indien de holtes voldoende zijn ingerot) aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997.

Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbäumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Overboeicop 26 te Schoonrewoerd en bestaat uit een woning met gemetselde muur zonder spouw met een zadeldak met dakpannen en een vrijstaande schuur.

Figuur 2

De schuur op de planlocatie opgetrokken uit houten wanden met een golfplaten zadeldak zonder dakbeschot.

18

Figuur 3

De natuurlijke poel gelegen in het noordelijk gelegen grasland voor melkvee.

Figuur 4

De kavelsloot langs de woning staat niet in directe verbinding met de kavelsloot langs de graslanden. Links is de sloot van de graslanden en rechts is de (geëutrofieerde) kavelsloot van het woonperceel.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

19

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

20

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

21

Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=fb61a343-422b-4e05-96b6-fe40324f9112