CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1961.BPOntwLeerbroek-VS02_8.Archeol..Onderzoek.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 13 december 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan ontwikkeling Leerbroek10.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a, Leerbroek rapport 4902

Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a te Leerbroek (gemeente Vijfheerenlanden) Een bureauonderzoek en invent ariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

I.S.J. Beckers

2

Colofon ADC Rapport 4902 Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a te Leerbroek (gemeente Vijf heerenlanden) Een bureauonderzoek en inventaris erend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteur: I.S.J. Beckers In opdracht van: Van den Heuvel Ontw ikkeling & Beheer B.V. © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 2 juni 2020 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag w orden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke w ijze dan ook zonder voorafgaande schrif telijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autoris atie: R.M. van der Zee

ISSN 1875-1067 ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E- mail info@archeologie.nl

3

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methodiek 2.3 Resultaten 2.4 Gespecificeerde verwachting en conclusie 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Plan van Aanpak 3.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.3 Conclusies 4 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlage 1 Boorgegevens

5 7 9 9 9 9 16 17 17 18 20 22 23 24 24 37

4

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Afkorting

Tijd in jaren

Nieuwe tijd:

NT

1500 - heden

Middeleeuwen:

XME

450 – 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen

LME

1050 - 1500 na Chr.

Vroege Middeleeuwen

VME

450 - 1050 na Chr.

Romeinse tijd:

ROM

Laat-Romeinse tijd

ROML

270 - 450 na Chr.

Midden-Romeinse tijd

ROMM

70 - 270 na Chr.

Vroeg-Romeinse tijd

ROMV

12 voor Chr. – 450 na Chr.

12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 – 12 voor Chr.

IJzertijd:

IJZ

Late IJzertijd

IJZL

250 - 12 voor Chr.

Midden-IJzertijd

IJZM

500 - 250 voor Chr.

Vroege IJzertijd

IJZV

Bronstijd:

BRONS

Late Bronstijd

BRONSL

1100 - 800 voor Chr.

Midden-Bronstijd

BRONSM

1800 - 1100 voor Chr.

Vroege Bronstijd

BRONSV

Neolithicum (Jonge Steentijd):

NEO

Laat-Neolithic um

NEOL

2850 - 2000 voor Chr.

Midden-Neolithicum

NEOM

4200 - 2850 voor Chr.

Vroeg-Neolithicum

NEOV

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

MESO

Laat-Mesolithicum

MESOL

6450 - 4900 voor Chr.

Midden-Mesolithicum

MESOM

7100 - 6450 voor Chr.

Vroeg-Mesolithic um

MESOV

800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr.

2000 - 1800 voor Chr. 5300 – 2000 voor Chr.

5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.

8800 - 7100 voor Chr.

Paleolithicum (Oude Steentijd):

PALEO

Laat-Paleolithicum

PALEOL

35.000 - 8800 voor Chr.

Midden-Paleolithicum

PALEOM

300.000 – 35.000 voor Chr.

Vroeg-Paleolithicum

PALEOV

tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

tot 8800 voor Chr.

5

Samenvatting In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer heeft ADC ArcheoProjecten in april 2019 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a te Leerbroek, gemeente Vijfheerenlanden. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging van ‘agrarisch’ en ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ ten behoeve van de aanleg van een woonwijk. Het zuidoostelijk deel van het plangebied (Recht van Ter Leede 40 en 40a) is in 2015 onderzocht middels een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Omdat de plannen zijn gewijzigd, zijn de resultaten van het destijds uitgevoerde onderzoek opgenomen in het voorliggende rapport. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit blijkt dat het diepst gelegen potentiële archeologische niveau de top van de oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum-Arkelse stroomgordel betreft. Op basis van het eerder uitgevoerd booronderzoek zijn deze op ca. 3 m –mv en dieper aan te treffen. In dit niveau kunnen archeologische waarden aanwezig zijn uit het Laat-Mesolithicum of het Neolithicum. Een vindplaats zal zich manifesteren als een archeologische laag: een humeuze en/of ontkalkte laag met kleine fragmenten houtskool en vuursteen.

In het Neolithicum raakten genoemde stroomgordelafzettingen overgroeid met veen en was het plangebied vanwege de natte omstandigheden niet aantrekkelijk voor bewoning. Uit deze periode worden daarom geen archeologische waarden verwacht. Dit veranderde omstreeks 3.200 v. Chr. toen 500 m ten noorden van het plangebied de Schoonrewoerdse stroomgordel actief werd. Vanuit deze stroomgordel werden crevasses gevormd die tot in het plangebied doordrongen. In de top van de crevasse-afzettingen, die op circa 90 cm –mv en dieper is aan te treffen, kunnen archeologische waarden vanaf het Laat-Neolithicum aanwezig zijn. Een vindplaats zal zich naar verwachting manifesteren als een humeuze en/of ontkalkte laag met daarin houtskool, fragmenten vuursteen en aardewerk. Door afdekking met een ca. 90 cm dik pakket komklei zal een eventuele vindplaats goed geconserveerd zijn. Het zuidelijk deel van het plangebied is onderdeel van het langs het Recht van Ter Leede aanwezige bewoningslint. Tijdens het in 2015 uitgevoerde verkennend booronderzoek werden in het zuidoostelijk deel van het plangebied, ter plaatse van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a, ophogingslagen gerelateerd aan een huisterp uit de Late Middeleeuwen aangetoond. Mogelijk strekken deze lagen zich uit tot het nog niet onderzochte deel van het plangebied (erf van Recht van Ter Leede 38a).

In de ophogingslagen moet rekening worden gehouden met resten van (bij)gebouwen, funderingen en beer- en waterputten. Verder worden concentraties aardewerk en bouwmateriaal verwacht. Teneinde bovengenoemde verwachting te toetsen en aan te vullen is in de nog niet onderzochte delen van het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond van het plangebied uit bedding- en oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum Arkelse stroomgordel en komafzettingen bestaat. De bedding- en oeverafzettingen van genoemde stroomgordel(s) zijn kalkrijk en bevatten geen sporen van bodemvorming. Ze worden daarom niet als een potentieel archeologisch niveau beschouwd. De rivierafzettingen worden afgedekt door een 70 tot 110 cm dik mineraalarm rietveenpakket. Het veenpakket wordt afgedekt door een pakket zandige en kleiige crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel, met in de top plaatselijk een laklaag, gevolgd door een laag komklei. In enkele boringen rusten de crevasse-afzettingen niet direct op het veen, maar worden zij van elkaar gescheiden door een dunne laag komklei. De top van de crevasse-afzettingen is gerijpt en wordt daarom als een potentieel archeologisch niveau vanaf het Laat-Neolithicum beschouwd.

In het centrale deel van het plangebied ligt de top van de crevasse-afzettingen direct onder de 40 tot 50 cm dikke bouwvoor en kan een archeologisch sporenniveau direct onder de bouwvoor verwacht worden.

6

Uit het booronderzoek blijkt verder dat de reeds in het oostelijk deel van het plangebied (Recht van Ter Leede 40 en 40a) aangetoonde ophogingslagen zich niet uitstrekken tot de locatie van het erf van Recht van Ter Leede 38a. ADC ArcheoProjecten adviseert om in de delen van het plangebied met een hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het betreft hier het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. In het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) kan pas gestart worden met het proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het is niet uit te sluiten dat buiten het voor vervolgonderzoek geselecteerde gebied toch nog archeologische resten voorkomen.

Daarom merken wij op dat het aanbeveling verdient om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

7

1

Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer heeft ADC ArcheoProjecten in april 2019 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a te Leerbroek, gemeente Vijfheerenlanden (afb. 1 en 2). De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging van ‘agrarisch’ en ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ ten behoeve van de aanleg van een woonwijk. Het zuidoostelijk deel van het plangebied (Recht van Ter Leede 40 en 40a) is in 2015 onderzocht middels een bureau - en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek.1 Omdat de plannen zijn gewijzigd, zijn de resultaten van het destijds uitgevoerde onderzoek opgenomen in het voorliggende rapport. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en is de Monumentenwet 1988 komen te vervallen. De bepalingen van een deel van de Monumentenwet zijn opgenomen in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Op grond van de Erfgoedwet moeten archeologische (verwachtings)waarden gewaarborgd zijn in het bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ dat op 19 november 2018 door de voormalige gemeente Zederik is vastgesteld, rusten op het plangebied verschillende dubbelbestemmingen archeologie. In het zuidoosten van het plangebied is een ronde zone met dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’. Rondom deze zone en in het zuiden van het plangebied is een strook met dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’. Het noordelijke deel van het plangebied heeft dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’. Volgens de bestemmingsregels geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan respectievelijk 30 m 2, 100 m 2 en 250 m 2 en dieper dan 30 cm –mv.2 Omdat de archeologische vrijstellingsgrenzen worden overschreden dient de initiatiefnemer in het kader van een bestemmingsplanwijziging een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden.

In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1).3 Gemeenten kunnen hierop aanvullende uitvoeringskaders vaststellen. De gemeente Vijfheerenlanden heeft voor zo ver bekend geen aanvullende uitvoeringskaders vastgesteld voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek, noch zijn deze voor dit project afzonderlijk opgesteld. 4 Dit onderzoek is dus gebaseerd op de algemene criteria die in de KNA staan geformuleerd.

1

zaakidentif icatie 2473257100, Bouter 2018.

2

http://www.ruimtelijkeplan nen.nl.

3

SIKB 2016.

4

inf ormatie mev rouw A. v an Pelt (gemeente Vijf heerenlanden).

8

De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:

fasen AMZ-cyclus: aanleiding: locatie: plaats: gemeente: provincie: kadastrale gegevens: kaartblad: oppervlakte plangebied: coördinaten:

bevoegde overheid met contactgegevens:

deskundige namens de bevoegde overheid met contactgegevens:

goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archis-zaaknummer: ADC-projectcode: auteur: projectmedewerkers: autorisatie: periode van uitvoering: beheer en plaats documentatie: beheer en plaats digitale documentatie (e-depot):

Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. dhr. T. Versluis Lekdijk 44 2967 GB Langerak Tel.: 06-22568944 e-mail: trevor@vandenheuvelbv.eu bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Bestemmingsplanw ijziging ten behoeve van aanleg woonw ijk Recht van Ter Leede 38a, 40 en 40a Leerbroek Vijfheerenlanden Utrecht gemeente Leerbroek sectie A nummers 183 (gedeeltelijk), 187 (gedeeltelijk) en 738 (gedeeltelijk) 38H (1:25.000) ca. 2,46 ha 131.950 / 435.530 132.040 / 435.400 132.150 / 435.570 132.080 / 435.670 Gemeente Vijfheerenlanden mevr. A. van Pelt Postbus 11 4140 AA Leerdam tel.: 088-5997000 e-mail: a.van.pelt@vijfheerenlanden.nl Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) Postbus 13101 3507 LC Utrecht tel.: 088 – 022 50 00 e-mail: info@odru.nl verondersteld, geadvis eerde w ijz igingen zijn doorgevoerd 4698474100 4200456 I.S.J. Beckers niet van toepassing R.M. van der Zee april en mei 2019 en november 2019 ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort https://doi.org/10.17026/dans-z4q-f5f8

9

2

Bureauonderzoek 2.1

Doelstelling en vraagstelling

Het bureauonderzoek vormt de eerste stap in het vaststellen van de archeologische waarde van het gebied. Het doel van bureauonderzoek is het aan de hand van schriftelijke bronnen verwerven van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in het plangebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangeb ied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?

2.2

Methodiek

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek. Tijdens het bureauonderzoek worden diverse bronnen geraadpleegd, wat leidt tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. De gespecificeerde verwachting kan worden beschouwd als een belangrijke conclusie van het bureauonderzoek, omdat hierin wordt aangegeven of archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. Als dit het geval is, zal zo mogelijk de aard, de omvang, de diepteligging en de datering van deze waarden worden beschreven. Indien relevant zal de omvang worden weergegeven op een kaart.

2.3

Resultaten

2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied, beschrijving huidig gebruik en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik Het plangebied is gelegen in de gemeente Vijfheerenlanden, in het zuiden van de dorpskern van Leerbroek. Het bevindt zich globaal tussen de Kerkweg in het westen en de Recht van Ter Leede in het zuiden. De oostelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de perce elsgrens van de Recht van Ter Leede 40 en 40a. In het noorden wordt het plangebied niet fysiek begrensd. Het zuidelijke deel van het plangebied bestaat uit de erven van de Recht van Ter Leede 40 en 40a en het zuidelijke deel van het erf van de Recht van Ter Leede 38a. Het noordelijke deel van het plangebied bestaat uit enkele percelen grasland ten oosten van de Kerkweg en achter het erf van de Recht van ter Leede 40 en 40a. Tussen deze percelen is een schuin op de Recht van Ter Leede georiënteerde sloot aanwezig. Het zuidelijke deel van het erf van de Recht van Ter Leede 38a bestaat uit een garagebedrij f met ten zuiden en ten oosten daarvan een parkeerterrein met asfaltverharding. Het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a bestaat uit een T-vormige woning en een stal in het zuiden, omringd door een tuin. Langs de oostzijde van het erf loopt een betonpad. Centraal op het erf bevinden zich enkele noordoost-zuidwest georiënteerde schuren en stallen.

Onder alle stallen zijn mestkelders aanwezig. De bebouwing is vermoedelijk gefundeerd met onderheide funderingsbalken. Het noordelijke deel van het erf is in gebruik als opstelplaats voor machines. Hier zijn enkele sleufsilo’s en een jeugdhonk aanwezig. Op basis van de opgevraagde gegevens met betrekking tot de milieuhygiënische situatie in het plangebied kan worden geconcludeerd dat op het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a drie slootdempingen aanwezig zijn, langs de oost- en westzijde van het erf en een schuin op het erf georiënteerde slootdemping in het noorden van het erf. Ter plaatse van het erf is een lokale

10

olieverontreiniging aangetoond en met en zijn enkele met zware metalen verontreinigde locaties aanwezig.5 In het kader van het onderzoek zijn gegevens met betrekking tot de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen opgevraagd bij het KLIC. Uit de hierop ontvangen gegevens blijkt dat op het voorerf van de Recht van Ter Leede 38a een rioolleiding aanwezig is. Verder kunnen in het gebied huisaansluitingen verwacht worden.6 Van het plangebied zelf zijn onvoldoende archeologische en aardkundige gegevens beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over de archeologische verwachting. Daarom zijn tevens gegevens betrokken uit de directe omgeving, waarmee het onderzoeksgebied kan worden gedefinieerd als het gebied binnen een straal van circa 1000 m rondom het plangebied. De begrenzing van deze zone is gebaseerd op het gegeven dat hierbinnen sprake is van voldoende informatie om een uitspraak te doen over de archeologische verwachting die representatief is voor het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van de (agrarische) bebouwing op het perceel van de Recht van Ter Leede 40 en 40a. Daarna worden twee ontsluitingswegen aangelegd, op het perceel van de Recht van Ter Leede 40 en 40a en in het verlengde van de Hoogstraat (afb. 3). In het gedeelte ten zuiden en ten westen van de nieuwe wegen zal een basisschool gebouwd worden.

Ten noorden en ten oosten van de nieuwe wegen worden woningen aangelegd. Dit zijn rijtjeswoningen, twee-onder-één-kap-woningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen. In totaal zijn er 31 woningen gepland. De nieuwbouw zal gefundeerd worden met onderheide funderingsbalken. Ter plaatse van de funderingsbalken zal de bodem tot ongeveer 80 cm –mv gegraven worden. De maximale verstoringsdiepte bij de aanleg van nieuwe nutsvoorzieningen zal ongeveer 1,5 m –mv bedragen. Op het perceel van de Recht van Ter Leede 38a zal de loods van het garagebedrijf gesloopt worden en zal een vrijstaande woning gebouwd worden. De consequentie van de uitvoering van de voorgenomen plannen kan zijn dat eventuele aanwezige waardevolle archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. 2.3.2 Beschrijving van de aardwetenschappelijke waarden De volgende aardwetenschappelijke informatie is bekend van het plangebied: Bron

Informatie

Geologische kaart van Nederland 1:50.0007

Afzettingen van Gorkum8 afwisselend gelaagd met Hollandveen;9 aan de oppervlakte oeverafzettingen van de Afzettingen van Gorkum,10 de vertande Afzettingen van Gorkum11 rustend op geulafzettingen12 van de Afzettingen van Gorkum13 (kaartcode: E1g) rivierkom/oeverwalachtige vlakte (kaartcode: 2M22)

Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie)14 Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie)15

kalkloze poldervaaggronden, zware zavel en lichte klei, profielverloop 5 (kaartcode: Rn95C)

5

Bakker 2019.

6

KLIC-Oriëntatiev erzoek 19O032376.

7

Stichting v oor Bodemkartering 1981.

8

Verouderde terminolo gie, in de huidige terminologie ( TNO 2013) Formatie v an Echteld.

9

Idem, Formatie v an Nieuwkoop, Hollandv een Laagpakket.

10

Idem, Formatie v an Echteld

11

Idem, Formatie v an Echteld.

12

Idem, beddingaf zettingen.

13

Idem, Formatie v an Echteld.

14

Alterra 2008.

11

Bron

Informatie

Meandergordelkaart16

het plangebied ligt ter hoogte van de Nieuw landse17 en de Gorkum-Arkel18 stroomgordel, in het noorden van het plangebied is een crevasse van de Schoonrewoerdse19 stroomgordel gekarteerd zuidelijke deel van het plangebied: ca. 1 m +NAP noordelijke deel van het plangebied: variërend van 0,3 tot 0,6 m +NAP

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 20

Het plangebied bevindt zich in het centrale Nederlandse rivierengebied. In het Holoceen, de relatief warme periode die omstreeks 9.700 v. Chr. aanving, heeft in dit deel voornamelijk riviersedimentatie en veenvorming plaatsgehad (respectievelijk Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop).21 Op basis van de digitale paleomeandergordelkaart zijn in de ondergrond verschillende fossiele stroomgordels te verwachten. Het plangebied bevindt zich op de locatie van de Nieuwlandse en de Gorkum-Arkelse stroomgordel en in het noorden van het plangebied zijn crevasses van de Schoonrewoerdse stroomgordel gekarteerd (afb. 4).22 De Nieuwlandse stroomgordel was actief tussen ca. 6.200 en 5.250 v. Chr. (cal.) en was waarschijnlijk een anastomoserend riviersysteem. Een anastomoserend rivierensysteem bestaat uit een stabiel patroon van meerdere, onderling verbonden riviergeulen, die worden gekenmerkt door een hoge sedimentatiesnelheid en een lage kronkelfactor. Deze geulen overstroomden regelmatig, waarbij in het tussengelegen gebied oeverafzettingen werden afgezet (siltige en zandige klei). Verder van de rivier af werden komafzettingen afgezet, zwak tot matig siltige klei. In de gebieden zonder rivieractiviteit kon veen gevormd worden. De top van het beddingzand van de Nieuwlandse stroomgordel bevindt zich op een diepte variërend van ca. 2,1 tot 5,4 m –NAP.

23 De Gorkum-Arkelse stroomgordel is een avulsie (rivierverlegging) van de Nieuwlandse stroomgordel en wordt ook als een anastomoserend rivierensysteem beschreven. Deze stroomgordel is tussen ca. 5.500 en 4.250 v. Chr. actief geweest. De top van het beddingzand van de Gorkum-Arkelse stroomgordel bevindt zich op een diepte variërend van ca. 3,4 tot 5,9 m – NAP. 24 Volgens een geologische boring die in het westen van het plangebied is uitgevoerd, bevindt het beddingzand zich op ca. 3,7 m –mv.25 In een eerder in het plangebied uitgevoerd archeologisch booronderzoek op het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a werden vanaf 3,0 tot 3,6 m –mv oeverafzettingen van de Nieuwlandse stroomgordel aangetroffen. Het zou hier ook kunnen gaan om oeverafzettingen van de later actief geworden Gorkum -Arkelse stroomgordel.26 Nadat de Gorkum-Arkel stroomgordel inactief was geworden, ontstonden in dit deel van de Vijfheerenlanden zeer gunstige omstandigheden voor de vorming van veen. Dit veen wordt gerekend tot het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop.27 In een geologische 15

Alterra 2014.

16

Cohen et al. 2012.

17

actief tussen ca. 6.200 en 5.000 v . Chr. (cal.), de top v an het beddingza nd bev indt zich op ca. 2,1 tot 5,4 m –NAP.

18

actief tussen 5.500 en 4.200 v . Chr. (cal.) , de top v an het beddingzand bev indt zich op een diepte v an ca. 3,4 tot 5,9 m –

NAP. 19

actief van ca. 3.200 tot 2.100 v. Chr (cal.), de top v an het beddingza nd bev indt zich op een diepte v an 1,8 m –NAP tot 0,8 m

+NAP. 20

ahn.arcgisonline.nl/ahnv iewer.

21

De Mulder et al. 2003.

22

Cohen et al. 2012.

23

Cohen et al. 2012.

24

Cohen et al. 2012.

25

http://www.dino loket.nl/ondergrond gegev ens, boring B38H2041.

26

Bouter 2018.

27

De Mulder et al. 2003.

12

boring die in het westen van het plangebied is uitgevoerd, bevindt de top van het veen zich op 2,4 m –mv.28 In het eerder uitgevoerde booronderzoek is de top van het veen op een diepte variërend van 2 tot 2,7 m –mv aangetroffen.29 Vanaf ongeveer 3.200 v. Chr. werd de Schoonrewoerdse stroomgordel ten noorden van het plangebied actief.30 Deze rivier had een meanderend patroon. Een meanderend systeem bestaat uit één hoofdgeul die zich door verschillen in stroomsnelheid tussen de binnen - en buitenbochten zijdelings verplaatst. Langs de rivier ontstaan relatief hoge oeverwallen. Aan weerszijden van de oeverwallen werden tijdens overstromingen komafzettingen afgezet. Als een doorbraak van de oeverwallen plaatsvond, werden in een relatief korte periode grote hoeveelheden zand en klei in het achterland afgezet. Dergelijke doorbraken worden crevasses genoemd .31 In de geologische boring die in het westen van het plangebied is uitgevoerd, bestaat de bovenste 2,7 m van het boorprofiel uit zandige klei en zand. 32 Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, afb.

5) maakt het noordelijke deel van het plangebied deel uit van een langgerekte, oostwest georiënteerde verhoging, waarschijnlijk een fossiele crevasse van de Schoonrewoerdse stroomgordel.33 In het noordelijke en zuidelijke deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a is de crevasse middels archeologische boringen aangetoond. In de top van de crevasseafzettingen, op 90 en 140 cm –mv, werd een mogelijk bewoningsniveau aangetroffen in de vorm van twee laklagen met daarin houtskoolfragmenten.34 De Schoonrewoerdse stroomgordel met bijbehorende crevasses wordt als een archeologisch relevante landschappelijke eenheid beschouwd, aangezien hierop in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden een aantal archeologische vindplaatsen uit de periode van het Neolithicum tot en met de IJzertijd is aangetroffen.35 De crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel hadden een relatief hoge ligging in het landschap en zijn daarom waarschijnlijk niet met veen overgroeid. In het zuiden van het plangebied zijn ophogingspakketten met houtskool- en baksteenfragmenten gevonden. Het betreft hier een mogelijke huisterp uit de Late Middeleeuwen. 36 Op het AHN heeft het zuidelijke deel van het plangebied, tezamen met de kern van Leerbroek, een relatief hoog maaiveldniveau (ca. 1 m +NAP; afb. 5).

37 Op de digitale Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, is het plangebied gelegen in een zone met kalkloze poldervaaggronden, ontwikkeld in zware zavel en lichte klei.38 Alle minerale gronden zonder podzolvorming, briklaag, of minerale eerdlaag worden tot de vaaggronden gerekend. Poldervaaggronden bestaan uit kleigronden met een grotendeels gerijpte bovengrond en komen veelvuldig voor in het rivierengebied.39 In de omgeving van Leerbroek komt het bodemtype voor op relatief hoog liggende stroomruggronden. In dit bodemtype is een zwak humeuze bovengrond ontwikkeld van 10 tot 30 cm dik.40

28

http://www.dino loket.nl/ondergrond gegev ens, boring B38H2041.

29

Bouter 2018.

30

Cohen et al. 2012.

31

De Mulder et al. 2003.

32

http://www.dino loket.nl/ondergrond gegev ens, boring B38H2041.

33

http://ahn.arcgisonline.nl/ahnv iewer/.

34

Bouter 2018.

35

Cohen et al. 2012.

36

Bouter 2018.

37

http://ahn.arcgisonline.nl/ahnv iewer/

38

Alterra 2014.

39

De Bakker & Schelling 1966.

40

Harbers 1981.

13

2.3.3 Beschrijving van bekende archeologische waarden Op de archeologische verwachtings - en waardenkaart van de voormalige gemeente Zederik is in het zuidelijke deel van het plangebied een ronde zone met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangegeven (afb. 6). 41 De zeer hoge verwachtingswaarde is gebaseerd op de aanwezigheid van een huisterp . Het overige deel van het zuidelijke deel van het plangebied heeft een middelmatige archeologische verwachtingswaarde, omdat dit deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een bewoningslint; het bewoningslint langs de Recht van Ter Leede. Hier kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd voorkomen. De dichtheid van archeologische resten is echter minder groot dan ter plaatse van de huisterpen en deze gebieden zijn naar verwachting ook minder langdurig bewoond geweest. Het noordelijke deel van het plangebied gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting aan of nabij het oppervlak. Deze verwachting is gekoppeld aan de veronderstelde aanwezigheid van stroomgordelafzettingen van de Nieuwlandse stroomgordel. Het plangebied maakte tot 2019 deel uit van de voormalige gemeente Zederik, een gemeente in de provincie Zuid-Holland. Dientengevolge is het plangebied nog niet op een cultuurhistorische kaart van de provincie Utrecht afgebeeld.

Het plangebied is echter wel op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) 42 van Zuid-Holland aangegeven. In de CHS is een provinciedekkende indeling van de aanwezige bodemafzettingen opgenomen. Hierbij worden vier verschillende diepteklassen onderscheiden. Voor het plangebied geldt de volgende indeling: Diepteklasse

Archeologische verwachtingswaarde

Type afzetting

0-3 m –mv

geen of laag

komafzettingen met veen

3-5 m –mv

hoog

stroomgordels en geulafzettingen

dieper dan 5 m –mv

hoog

stroomgordels en geulafzettingen

ruim dieper dan 5 m –mv (basis Holoceen)

geen of laag

komafzettingen met veen

Met de stroomgordels en geulafzettingen in de diepteklasses 3 tot 5 m –mv en dieper dan 5 m –mv worden waarschijnlijk stroomgordel- of crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel bedoeld. Het oostelijk deel van het plangebied (erf van het Recht van Ter Leede 40 en 40a) is in 2015 onderzocht door middel van een bureauonderzoek gevolgd door de uitvoering van een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. De aanleiding werd destijds gevormd door de voorgenomen nieuwbouw van acht woningen. Deze plannen zijn echter nooit gerealiseerd. Op basis van het bureauonderzoek werden vanwege de verwachte aanwezigheid van crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel archeologische waarden vanaf het Laat-Neolithicum verwacht. In het zuiden van het gebied werd een huisterp uit de Late Middeleeuwen verwacht. Tijdens het verkennende booronderzoek bleek dat in het zuiden van het gebied ophogingspakketten van een huisterp uit de Late Middeleeuwen aanwezig zijn. In het zuiden en noorden van het gebied werden crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel gevonden. In de crevasse-afzettingen werden op 90 en 140 cm –mv laklagen aangetroffen met daarin houtskoolfragmenten. Het betreft hier mogelijke bewoningsniveaus.

In de ondergrond van het gebied werden ook deels ontkalkte oeverafzettingen van de Nieuwlandse stroomg ordel gevonden, maar het booronderzoek leverde te weinig gegevens op om een uitspraak te doen over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden op dit niveau. 43 Omdat in het zuiden van het plangebied huisterpophogingen zijn aangetroffen en in het zuide n en noorden van het gebied

41

Boshov en et al. 2009.

42

http://pzh.b3p.nl/v iewer/app/Cultuur_historische_atlas

43

Mogelijk betref t het hier oev eraf zettingen v an de Gorkum -Arkel stroomgordel, die v olgens de digitale

paleomeand ergord elkaart als av ulsie v an de Nieuwlandse stroomgordel is gev ormd.

14

intacte crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel, werd voor deze delen van het onderzochte gebied vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterend booronderzoek. 44 In het onderzoeksgebied (straal van 1000 m rond het plangebied, afb. 7) zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Booronderzoeken in het onderzoeksgebied (zie onderstaande tabel) tonen aan dat plaatselijk intacte oeverafzettingen van de Nieuwlandse stroomgordel of crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel aanwezig kunnen zijn. In de onderzoeken zijn nog geen potentieel archeologische niveaus vastgesteld. Op enkele locaties werden archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht in ophogingspakketten, maar vooralsnog zijn nog geen archeologische vindplaatsen uit deze perioden aangetoond (zie bijvoorbeeld zaakidentificatie 2333207100). Zaakidentifi catienr

Soort onderzoek

2113187100

verkennend booronderzoek

2135746100

verkennend booronderzoek

2254184100

karterend booronderzoek

2232451100

verkennend booronderzoek

2333207100

verkennend booronderzoek

2405054100

verkennend booronderzoek

4566735100

verkennend booronderzoek verkennend booronderzoek

4576252100

44

Bouter 2018.

Resultaat In crevasse-afzettingen (met daaronder veen en afzettingen van de Nieuw landse stroomgordel) is houtskool aangetroffen dat duidt op een archeologische vindplaats De bodem is tot op een diepte van 70 cm -mv verstoord door landbouwactiv iteiten. Onderliggende lagen (waaronder klei, verspoeld veen) geven geen aanw ijz ingen voor een vindplaats. Onder een verstoorde laag is beddingzand van een oude geul aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De Nieuw landse stroomgordel die w erd verwacht op basis van bureauonderzoek is niet aangetroffen. Archeologische indicatoren of lagen zijn niet aangetroffen. Oeverafzettingen van de Nieuw landse stroomgordel zijn aangetroffen vanaf 1,95 m – mv. Er is geen ophoogpakket van een woonheuvel aangetroffen In het plangebied komt komklei en veen voor en vanaf ca. 350 m –mv beddingafzettingen van de Nieuw landse stroomgordel. Oeverafzettingen of antropogene ophogingspakketten zijn afwezig. niet bekend, onderzoek is nog niet afgemeld. niet bekend, onderzoek is nog niet afgemeld.

Advies karterend booronderzoek met als doel vindplaatsen uit de Steentijd op te sporen vrijgave van het terrein

vrijgave van het terrein

vrijgave van het terrein

Bij bodemingrepen dieper dan 1,95 m –mv is karterend booronderzoek aanbevolen om evt. vuursteensites op te sporen vrijgave van het terrein

niet bekend niet bekend

15

2.3.4 Beschrijving van de historische situatie, mogelijke verstoringen en bouwhistorische waarden De historische situatie is op verschillende kaarten als volgt: Bron

Jaartal

Nieuw e kaart van de Vyf Heeren Landen gelegen tussen de Dief en Zouwen Dijck, gebr. Ottens (afb. 7)45

1741

Kadastrale minuut (afb. 8)46 Topografis che kaart47 Bonnekaart (afb. 9)48 Topografis che kaart49

Historische situatie

boerderij langs de Recht van Ter Leede, Kerkw eg aangeduid, het plangebied wordt doorsneden door een noord-zuid lopende sloot met een naastgelegen weg. 1811-1832 Boerderij met bijgebouw en op de Recht van Ter Leede 40, bouwland 1847-1848 Boerderij met bijgebouw en op de Recht van Ter Leede 40, bouwland 1874, 1879, boerderij in het zuiden van de Recht van Ter 1892, 1913, 1928 Leede 40, weiland 1936, 1953, boerderijerf van de Recht van Ter Leede 40 is 1958, 1969, in noordelijke richting uitgebreid, sloot is naar 1981, 1989 het noordoosten verplaatst

Bewoningsgeschiedenis Het dorp Leerbroek is gesticht rond 1025 bij een doorwaadbare plaats aan de oude waterloop de Leede. Het woord ‘broek’ in de naam kan worden gerelateerd aan een laag gelegen veenland.50 In het rivierengebied concentreerde de bewoning zich op de relatief hoog gelegen delen van het landschap, de stroomruggen, crevasses en donken (rivierduinen die boven de klei- en veengronden uitsteken). Na de Romeinse tijd raakte het gebied ontvolkt en pas in de Late Middeleeuwen nam de bevolking weer toe toen men het gebied op grote schaal ging ontginnen. In het gebied werden systematisch ontginningsblokken uitgezet, meestal met als ontginningsbasis veenriviertjes zoals de Leede. Vervolgens werden achter- en zijkades aangelegd en werd het veengebied ingericht als akkerland. Na verloop van tijd kon door klink van het veenpakket geen akkerbouw meer bedreven worden en schakelde men over op veeteelt. De Recht van Ter Leede heeft als ontginningsbasis gefungeerd en sinds de Late Middeleeuwen is hier een bewoningslint ontstaan. De straat is genoemd naar het kasteel van de heren van der Leede, dat tussen Leerbroek en Leerdam heeft gestaan. In de beginfase van de ontginningen, de e e 12 tot en met de 14 eeuw n. Chr., was het vanwege een slechte waterhuishouding noodzakelijk de huisplaatsen op te hogen.

Vanaf de 15 e eeuw verbeterde, ondermeer door de aanleg van dijken, de waterhuishouding sterk en was het niet meer nodig om huisplaatsen op te hogen. Wel werden de laatmiddeleeuwse huisterpen nog veel gebruikt als woongrond. Oude kaarten Op de kaart van de Vijfheerenlanden, gemaakt door de gebroeders Ottens in 1741, is in het zuiden van het plangebied, op de huidige locatie van de boerderij van de Recht van Ter Leede 40, een boerderij afgebeeld (afb. 8). In het noordelijke deel van het plangebied is op deze kaart een noord zuid georienteerde sloot afgebeeld die van de Recht van Ter Leede naar de Kerkweg liep. Het westelijke deel van deze sloot is nog aanwezig. Langs de zuidelijke zijde van de sloot is een weg afgebeeld.

45

Ottens 1741.

46

Kadaster 1832.

47

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990.

48

Bureau Militaire Ve rkenninge n 1874-1 928.

49

Topograf ische Dienst Nederland 1936-19 89.

50

http://www.zederik.nl

16

Op het kadastrale minuutplan (met de bijbehorende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafelen (OAT)) uit 1811-1832 is in het zuiden van het plangebied een huis, schuur, erf en tuin aangegeven op dezelfde plek als de huidige boerderij van de Recht van Ter Leede 40 (afb. 9). In de zuidwesthoek achter het huis lag een boomgaard met ernaast bebouwing, een bijgebouw of schuur (afmetingen ca. 5 bij 8 m) die momenteel niet meer aanwezig is. Het overige en grootste deel van het plangebied was in gebruik als bouwland. In het midden van het bouwland is ook bebouwing aangegeven, aan de afmetingen te zien mogelijk een schuur. Uit kaartmateriaal uit het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20 e eeuw blijkt dat genoemde percelen nog altijd als bouwland in gebruik zijn (afb. 10). In de eerste helft van de 20e eeuw worden twee schuren bijgebouwd vlak tegen het huis aan (west- en noordzijde). In de jaren tachtig wordt het bouwland omgezet in weiland en aan de noordzijde van het huis wordt een grotere schuur/hooistal gebouwd. Uit de gegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) blijkt dat in 2013 het huidige bedrijfspand op het erf van de Recht van Ter Leede 38a is gebouwd.51

2.4

Gespecificeerde verwachting en conclusie

De eerste, voor het bureauonderzoek opgestelde onderzoeksvraag “Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting? ” kan als volgt worden beantwoord: Het zuidelijke deel van het plangebied, het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a, is reeds onderzocht middels een verkennend booronderzoek. Hierbij zijn drie archeologisch interessante niveaus aangetroffen, die gezien de vergelijkbare landschappelijke en historische situatie ook in (delen van) het nog niet onderzochte deel van het plangebied zijn te verwachten. Het diepst gelegen potentiële archeologische niveau betreft de top van de oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum-Arkelse stroomgordel. Op basis van het eerder uitgevoerd booronderzoek zijn deze op ca. 3 m –mv en dieper aan te treffen. In dit niveau kunnen archeologische waarden uit het Laat-Mesolithicum of het Neolithicum aanwezig zijn. Een vindplaats zal zich manifesteren als een archeologische laag: een humeuze en/of ontkalkte laag met kleine fragmenten houtskool en vuursteen. In het Neolithicum raakten genoemde stroomgordelafzettingen overgroeid met veen en was het plangebied vanwege de natte omstandigheden niet aantrekkelijk voor bewoning. Uit deze periode worden daarom geen archeologische waarden verwacht. Dit veranderde omstreeks 3.200 v. Chr.

toen 500 m ten noorden van het plangebied de Schoonrewoerdse stroomgordel actief werd. Vanuit deze stroomgordel werden crevasses gevormd die tot in het plangebied doordrongen. In de top van de crevasse-afzettingen, die op circa 90 cm –mv en dieper is aan te treffen, kunnen archeologische waarden vanaf het Laat-Neolithicum aanwezig zijn. Een vindplaats zal zich naar verwachting manifesteren als een humeuze en/of ontkalkte laag met daarin houtskool, fragmenten vuursteen en aardewerk. Door afdekking met een ca. 90 cm dik pakket komklei zal een eventuele vindplaats goed geconserveerd zijn. Het zuidelijk deel van het plangebied is onderdeel van het langs het Recht van Ter Leede aanwezige bewoningslint. Tijdens het in 2015 uitgevoerde verkennend booronderzoek werden in het zuidoostelijk deel van het plangebied, ter plaatse van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a, ophogingslagen gerelateerd aan een huisterp uit de Late Middeleeuwen aangetoond. Mogelijk strekken deze lagen zich uit tot het nog niet onderzochte deel van het plangebied (erf van Recht van Ter Leede 38a). In de ophogingslagen moet rekening worden gehouden met resten van (bij)gebouwen, funderingen en beer- en waterputten. Verder worden concentraties aardewerk en bouwmateriaal verwacht.

51

http://bagv iewer.kadaster.nl.

17

De beantwoording van de overige onderzoeksvragen is als volgt:  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Om de kans op de aanwezigheid van archeologische resten te bepalen is vooral het verwerven van inzicht in de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan van belang. Geadviseerd wordt daarom in de nog niet onderzochte delen van het plangebied een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie hoofdstuk 3).

3

Inventariserend Veldonderzoek 3.1

Plan van Aanpak

3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting (par. 2.4) in de nog niet onderzochte delen van het plangebied. Het inventariserend veldonderzoek zal bestaan uit een verkennend booronderzoek. De werkwijze is gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw en het vaststellen van (grootschalige) verstoringen, waarbij tevens rekening is gehouden met aard en diepte van de geplande ingrepen. Op 17 april 2019 is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek is vastgelegd.

Het verkennende booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen:  Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en b odemkundige opbouw van het plangebied?  Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring?  Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied?  Zo ja, op welke diepte ten opzichte van m aaiveld en NAP?  Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja:  Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen?  Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren?  Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren?  In welk opzicht kan op b asis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden b ijgesteld?  In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling?  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? 3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par.

3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: aantal boringen: boorgrid: diepte boringen: boormethode: bemonstering:

tien evenredig verspreid over het nog niet eerder onderzochte deel van het plangebied tw ee boringen tot 4 m –mv, overige boringen tot 2 m -mv Edelmanboor met diameter 7 cm en gutsboor met diameter 3 cm (handmatig) versnijden en/of verbrokkelen

18

De bodemtextuur en archeologische indicatoren zijn beschreven volgens SBB 5.1 van het NITGTNO waarin ondermeer de standaardclassificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 is gehanteerd.52 De X- en Y-coördinaten zijn ingemeten met een GPS met een nauwkeurigheid van 3 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHNbeelden. Tijdens het veldwerk was nabij boorlocatie 15 een kudde koeien en een stier aanwezig. Uit veiligheidsoverwegingen is daarom boring 15 niet verricht. Hoewel een verkennend booronderzoek niet als primair doel het opsporen van archeologische vindplaatsen en indicatoren heeft, was wel gepland om eventuele archeologische vondsten wel te verzamelen en (indien mogelijk) gedetermineerd te worden.

3.2

Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

3.2.1 Lithologische beschrijving De locatie van de boringen is weergeven in afb. 11. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. Bij de nummering van de boringen is rekening gehouden met de in 2015 uitgevoerde boringen.53 De ondergrond van het plangebied bestaat uit verschillende klei - en zandpakketten. In het noordwesten van het plangebied is een pakket matig grof zand vastgesteld met een top op 300 cm –mv. In de top van het zandpakket is een houtfragment met wortelresten aangetroffen. Het zandpakket wordt afgedekt door een 20 cm dikke, sterk zandige kle ilaag. Deze kleilaag is bijna ongerijpt. In het zuidoosten van het plangebied bestaat de ondergrond van het plangebied uit een sterk siltige kleilaag met houtresten, afgedekt door een 40 cm dikke, matig siltige kleilaag. Het onderste laag is bijna ongerijpt en kalkrijk en de bovenste laag bijna gerijpt en kalkloos. De sterk siltige kleilaag is ook in het centrale deel van het plangebied aangetroffen.54 De klei- en zandpakketten gaan op een diepte variërend van 280 tot 360 cm –mv over in mineraalarm rietveen. Dit veenpakket is 70 tot 110 cm dik en heeft een top op een diepte variërend van 170 tot 280 cm –mv. Het veenpakket wordt afgedekt door een 10 tot 30 cm dikke matig tot sterk siltige, grijze kleilaag met zandlaagjes. Deze kleilaag gaat geleidelijk naar boven toe over in een pakket matig fijn zand.

Dit zandpakket is kalkrijk en grijs en bevat enkele roestvlekken. Het zandpakket heeft een top op een diepte variërend van 80 tot 95 cm –mv en gaat geleidelijk naar boven toe over in zandige klei en vervolgens in uiterst siltige klei. De zandige klei is half gerijpt en de uiterst siltige klei is gerijpt. In de meeste boringen is direct onder het maaiveld een 40 tot 50 cm dikke, matig humeuze, uiterst siltige kleilaag met baksteenfragmenten aanwezig. In boring 11 is van 45 tot 55 cm –mv een matig humeuze, gerijpte kleilaag aanwezig, afgedekt door een 10 cm dikke laag ma tig siltige klei en vervolgens een 35 cm dikke, matig humeuze en uiterst siltige kleilaag. In het zuidoostelijk deel van het plangebied (erf van de Recht van Ter Leede 38a) gaat het veenpakket over in een laag zandige klei en vervolgens in een laag uiterst siltige klei met een top op 100 cm –mv. Deze laag wordt afgedekt door een 80 cm dik pakket matig siltige klei, waarvan de bovenste 50 cm humeus is en kalkloos, en daarboven een 20 cm dikke laag asfalt en granulaat. In het zuiden van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a is direct onder het maaiveld een 110 tot 130 cm dikke, humeuze overwegend sterk siltige kleilaag aanwezig. In dit pakket komen baksteenfragmenten en houtskoolfragmenten voor. 55

52

Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.

53

Bouter 2018.

54

Bouter 2018.

55

Bouter 2018.

19

3.2.2 Archeologische indicatoren In twee boringen zijn in de top van de afzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum -Arkelse stroomgordel houtfragmenten gevonden. Het fragment in boring 11 is vanwege de nog aanwezige houtwortel natuurlijk (onbewerkt). Het fragment in boring 17 heeft geen schors en lijkt bekapt. Mogelijk betreft het hier een gebruiksvoorwerp uit de periode Laat-Mesolithicum-Neolithicum. In het oostelijk en centrale deel van het plangebied zijn in de top van de crevasse-afzettingen houtskool aangetroffen. Dit kan wijzen op voormalige bewoning op de Schoonrewoerdse stroomgordel (mogelijk reeds in de steentijd). Een natuurlijke herkomst (bosbrand) kan echter niet uitgesloten worden. In het oostelijk deel van het plangebied (erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) zijn in de terpophoging enkele houtskoolfragmenten of houtskoolspikkels aangetroffen. In boring 2 zijn enkele e fragmenten zacht baksteen (mogelijk van vóór de 19 eeuw) aangetroffen op een diepte van 110 cm –mv. In de boringen 1 en 4 zijn fragmenten harde baksteen aangetroffen (vermoedelijk recent). Tabel met archeologische indicatoren: Boring

materiaal

diepteligging in cm-mv

1 2

houtskool, fragment harde baksteen houtskool, enkele fragmenten zachte baksteen houtskool houtskool fragment hard baksteen, houtskool fragment hout, mogelijk bekapt

90-120 (humeuze bovenlaag) 90-120 (humeuze bovenlaag)

3 4 17

30-60 (humeuze bovenlaag) 140 (in crevasse-afzetting) 100-130 (humeuze bovenlaag) 140-150 (top C-horizont, crevasse-afzetting) 370 (oeverafzettingen Nieuw landse of GorkumArkelse stroomgordel)

Humeuze lagen (laklagen) in top van Schoonrewoerdse stroomgordel : Boring 3 4 11

diepteligging in cm-mv laklaag laklaag laklaag

90 140 45

3.2.3 Interpretatie In de ondergrond van het plangebied zijn op dieper dan 280 cm –mv enkele klei- en zandpakketten aangetroffen (afb. 12). Deze pakketten zijn waarschijnlijk door de Nieuwlandse en Gorkum -Arkelse stroomgordels gevormd. In het noordwesten van het plangebied zijn oever- op beddingafzettingen van deze stroomgordels aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied bestaat d e ondergrond van het plangebied uit oeverafzettingen en in het zuidoosten van het plangebied uit kom- op oeverafzettingen. De kern van de stroomgordels ligt dus waarschijnlijk in het noordwesten van het plangebied, alhoewel dit niet met zekerheid is vast te stellen omdat het hier waarschijnlijk anastomoserende rivierensystemen betreft met meerdere geulen. Hoewel de oeverafzettingen bijna gerijpt zijn, zijn ze niet ontkalkt. Ze worden daarom niet als een potentieel archeologisch niveau beschouwd. De rivierafzettingen worden afgedekt door een 70 tot 110 cm dik pakket rietveen. Dit wordt tot het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenpakket wordt afgedekt door lagen matig siltige en sterk siltige klei. De matig siltige kleilagen betreffen waarschijnlijk komafzettingen en de lagen sterk siltige klei met zandlaagjes worden geïnterpreteerd als crevasse-afzettingen, die verband houden met de Schoonrewoerdse stroomgordel.

Ook het bovenliggende zandpakket en de lagen zandige klei en uiterst siltige klei worden tot de crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel gerekend. De crevasse-afzettingen zijn in het hele plangebied aanwezig. Op een aantal locaties zijn laklagen in

20

de top van de crevasse-afzettingen aangetroffen met houtskoolfragmenten. De top van de crevasse-afzettingen is gerijpt. In het centrale deel van het plangebied lopen de crevasse-afzettingen door tot aan het maaiveld en is in de top van de crevasse-afzettingen een 40 tot 50 cm dikke bouwvoor gevormd. Een archeologische laag zal in dit deel van het plangebied zijn opgenomen in de bouwvoor. Mogelijk is direct onder de bouwvoor nog een sporenniveau uit de periode vanaf het Laat-Neolithicum aanwezig. In deze bouwvoor komen baksteenfragmenten voor, maar deze baksteenfragmenten zijn waarschijnlijk door bemesting in de bodem terecht gekomen en hebben derhalve geen archeologische betekenis . In het noordwesten van het plangebied is boven de crevasse-afzettingen een 10 cm dikke laag komafzettingen aangetroffen met daarboven een 35 cm dikke bouwvoor. In het oostelijk deel van het plangebied (delen van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) is boven de crevasse-afzettingen een 110 tot 130 cm dik humeus pakket met baksteen- en houtskoolfragmenten aanwezig. Het betreft hier waarschijnlijk een ophogingslaag die verband houdt met de aanwezige huisterp. In het zuidoostelijk deel van het plangebied (het erf van de Recht van Ter Leede 38a) is onder de 20 cm dikke asfaltverharding een 80 cm dik pakket van matig siltige klei aanwezig.

Het betreft hier een pakket komafzettingen, waarvan in de bovenste 50 cm –mv een bouwvoor is gevormd. Terpophogingslagen of laklagen in de top van de crevasse-afzettingen zijn in dit deel van het plangebied niet aangetroffen. Archeologische waarden worden hier daarom niet verwacht.

3.3

Conclusie s

De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord:  Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en b odemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit een pakket matig grof zand, een pakket sterk siltige klei en een pakket matig siltige klei. Het betreft hier respectievelijk bedding - en oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum -Arkelse stroomgordel en komafzettingen. De rivierafzettingen worden afgedekt door een 70 tot 110 cm dik mineraalarm rietveenpakket. Boven het veenpakket is een dunne laag matig tot sterk siltige (kom- of crevasse-)klei aanwezig. Deze lagen gaan over in een pakket matig fijn zand, zandige klei en vervolgens in uiterst siltige, gerijpte klei. De siltige en zandige kleilagen en het zandpakket worden als crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel geïnterpreteerd. In drie boringen in het noordwesten en zuidoosten van het plangebied worden de crevasse-afzettingen afgedekt door een laag komklei. Het betreft hier komafzettingen. In het oostelijk deel van het plangebied (erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) is boven de crevasse-afzettingen een sterk siltig humeus kleipakket aanwezig. Het betreft hier waarschijnlijk een terpophoging. 

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In het centrale deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a is de bovengrond verstoord geraakt tot in de onderliggende crevasse-afzettingen. In het zuiden van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a is boven de crevasse-afzettingen een 110 tot 130 cm dikke terpophoging aanwezig. In de overige delen van het plangebied beperkt de bodemverstoring zich tot de 35 tot 50 cm dikke bouwvoor. De natuurlijke bodemopbouw is daar dus relatief goed bewaard gebleven.

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De top van de oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum -Arkelse stroomgordel is kalkrijk en bevat geen sporen van bodemvorming. De afzettingen worden daarom niet als archeologisch relevant beschouwd. In het oostelijk deel van het plangebied (erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) zijn in de top van de crevasse-afzettingen laklagen met houtskoolfragmenten aangetroffen. In het noordwesten van het plangebied is ook een

21

laklaag aanwezig op de overgang naar komafzettingen. In het centrale deel van het plangebied dagzomen de crevasse-afzettingen en zal de laklaag verwerkt zijn geraakt in de bouwvoor. Hier kan echter nog wel een archeologisch sporenniveau aanwezig zijn vanaf het Laat-Neolithicum. De top van de crevasse-afzettingen wordt dus als een archeologisch niveau beschouwd. In het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) is een terpophoging uit de Late Middeleeuwen aanwezig. Hier kunnen nog archeologische waarden uit de La te Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht worden. 

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De top van de crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel bevindt zich direct onder de 40 tot 50 cm dikke bouwvoor of onder een 90 tot 13 0 cm dik ophogingspakket in het zuiden van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a. De top van dit niveau ligt tussen 0,25 en 0 m -NAP. De terpophoging bevindt zich direct onder het maaiveld en reikt tot 90 à 130 cm -mv.

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In 2015 zijn in het oostelijk deel van het plangebied (erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) houtskool- en baksteenfragmenten gevonden. In de bouwvoor zijn baksteenfragmenten aangetroffen. Waarschijnlijk zijn deze fragmenten tijdens de bemesting opgebracht. In boring 17, op het erf van de Recht van Ter Leede 38a, is in de top van de oeverafzettingen van de Nieuwlandse of Gorkum -Arkelse stroomgordel een fragment hout (zonder schors , mogelijk bekapt) aangetroffen. Mogelijk betreft het hier een archeologische indicator uit het Laat-Mesolithicum of het Neolithicum. Zo ja:  Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Het fragment hout is op 370 cm –mv aangetroffen (3,25 m –NAP).  Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Slechts in één boring zijn op dit niveau een mogelijke archeologische indicator gevonden (fragment hout), dus over de horizontaal ruimtelijke spreiding kan geen uitspraak worden gedaan.  Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Hierover kunnen geen uitspraken worden gedaan.

In welk opzicht kan op b asis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden b ijgesteld? Voor het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) dient de zeer hoge archeologische verwachtingswaarde gehandhaafd blijven en kan de m iddelmatige verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde (afb. 12). Voor het zuidelijk deel van het plangebied (erf van de Recht van Ter Leede 38a) en het oostelijk deel deel van het plangebied (centrale deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) dient de middelmatige en hoge archeologische verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde. De hoge archeologische verwachtingswaarde in de overige delen van het plangebied kan gehandhaafd blijven.

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De bouw van de woonwijk zal gepaard gaan met een verstoring van het potentiële archeologische niveau in de top van de crevasse-afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel en de terpophoging in het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40a). De top van deze niveaus bevindt zich namelijk direct onder het maaiveld of op ca. 40-50 cm –mv.

22

4

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? In het plangebied zijn mogelijk meerdere potentiële archeologische niveaus aanwezig. Het betreft hier voornamelijk resten van archeologische sporenniveaus. In plaats van het karterend booronderzoek dat in 2015 voor het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a) is geadviseerd is daarom een inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek een betere methode om de mogelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden in kaart te brengen. Op het relatief diep verstoorde, centrale deel van het erf van de Recht van Ter Leede 40 en 40a en het perceel van de Recht van Ter Leede 38a kan hiervan worden afgezien, omdat hier geen archeologische waarden verwacht worden (afb. 13). Op het nu bebouwde deel van het perceel van de Recht van Ter Leede 40 en 40a zullen eerst de bovengrondse delen van huidige bebouwing gesloopt moeten worden alvorens een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd kan worden. In het kader van de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk.

Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om in de delen van het plangebied met een hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Het betreft hier het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) waar een terpophoging is aangetroffen, en het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar crevasse -afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn vastgesteld. In het oostelijk deel van het plangebied (zuidelijk deel van het erf van Recht van Ter Leede 40 en 40a) kan pas gestart worden met het proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het is niet uit te sluiten dat buiten het voor vervolgonderzoek geselecteerde gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Daarom merken wij op dat het aanbeveling verdient om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bi j de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=95dbc99c-f956-4fca-9c7c-6469f390146b