CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.1961.bpLMLakerveld133-VA01_5.Ecologi..Quickscan.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 20 april 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lakerveld 133-135, Lexmond7.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

broed

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELLING EN BEHEER B.V. T.a.v. dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Datum

6 mei 2021, 2e revisie 2 maart 2022

Kenmerk

BE/2021/105/r

Uw kenmerk

Email d.d. 26 januari 2021

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Revisie

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Lakerveld 133 & 135 te Lexmond Aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond is een perceel gesitueerd met een woonhuis en braakliggende grond. Dhr. Kool is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren. Er zullen twee nieuwe vrijstaande woningen met bijgebouwen en tuinen gerealiseerd worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer b.v. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour, weidevogelkerngebieden of ganzenrustgebieden. • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd?

• Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke? Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond (figuur 1). Het betreft een boerenerf met een woonhuis met kleine voortuin en een oprit met halfverharding. Er is een solitaire beuk aanwezig ten noorden van de woning en enkele perenbomen ten zuiden van de oprit. De overige bebouwing is reeds gesaneerd. Het omliggende terrein bestaat momenteel uit braakliggende grond en grasland. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en een zadeldak bedekt met dakpannen. Er is deels dakbeschot aanwezig aan de binnenzijde van het dak. Het perceel wordt aan de noord-, oost- en zuidzijde grotendeels omkaderd door watergangen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met weilanden, kavelsloten en boerenerven. De A27 ligt ten westen op circa 750 m. De grote Vliet ligt ten noorden op circa 120 m en het Merwedekanaal bezuiden de Lek ligt ten westen op circa 150 m. Reservaat Scharperswijk ligt ten noordoosten op ongeveer 1,5 km.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van het woonhuis en de realisatie twee woningen met bijgebouwen. De woningen worden op andere locaties gerealiseerd dan de huidige woning. Er worden tevens enkele parkeerplekken gerealiseerd. Daarnaast worden er diverse knotwilgen en twee solitaire (erf)bomen aangeplant. De huidige aanwezig solitaire beuk blijft behouden. De kleine naaldboom in de voortuin wordt mogelijk gekapt. De drie perenbomen ten zuiden van de oprit worden waarschijnlijk verplaatst naar elders op het terrein. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

3

saneren van woonhuis: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie twee woningen en twee bijgebouwen: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Bouwkundig teken- en adviesburo Korevaar en Den Breejen).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 3 mei 2021 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.

4

Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

Wezel Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour, weidevogelkerngebieden of ganzenrustgebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid vallen dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

5

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie is een grotendeels braakliggend perceel in agrarisch landschap. De bodem betreft een kalkloze drechtvaaggrond (PDOK viewer). Er zit derhalve veel klei in de bodem en er is sprake van periodieke hoge grondwaterstanden. Daarnaast is er mogelijk sprake van eutrofiëring, gezien de ligging in agrarisch gebied en de aanwezigheid van koeien op het naastliggende perceel.

Dit is geen geschikte groeiplaats voor het gros van de beschermde vaatplanten, welke over het algemeen specifieke eisen stellen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone beuk, grote brandnetel, kleefkruid, klimop, koolzaad, paardenbloem, paarse dovennetel, perenboom, raaigras en veldzuring. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, mol, ree, wezel en woelrat (NDFF 20112021). Voor enkel de bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

De bever komt voor in gebieden op de overgang van land naar water, zoals in uiterwaarden, moerassen en langs rivieren, beken en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Van dergelijk habitat is geen sprake op de planlocatie. Negatieve effecten op bevers zijn uitgesloten.

6

De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals egels, konijnen, mollen en veldmuizen. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

Op de planlocatie staan een beuk, een kleine naaldboom en enkele kleine perenbomen welke zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bast en/of scheuren welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats vleermuizen. Op de planlocatie zijn dergelijke structuren niet aangetroffen. Bovendien blijven de bomen behouden. De drie perenbomen worden verplaatst. Negatieve effecten op boom bewonende vleermuizen zijn uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De woning biedt geen geschikte mogelijkheden voor vleermuisverblijfplaatsen. Soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger hebben de voorkeur voor krappe ruimtes zoals een luchtspouw of dakruimte. In de bebouwing is er geen luchtspouw aanwezig.

Bij de onderste rij dakpannen is dakbeschot in de vorm van een enkele multiplex plaat aanwezig. Dit reikt slechts enkele strekkende meters. De dakpannen zijn gelegen op aanwezige hele boomstammen en niet op de panlatten die normaliter aanwezig zijn. Door vorengenoemde is sprake van een tochtstroming tussen de dakpannen en de multiplex plaat. Daarbij zijn veel van de dakpannen scheefgelegen, waardoor veel lichtinval aanwezig is. Vleermuizen verdragen over het algemeen geen lichte plekken als verblijfplaats. In de ruimte zijn nergens donkere wegkruipplekken aanwezig (figuur 4). Er zijn tevens geen ongebruikte zolders of vlieringen aanwezig onder het dakbeschot. De dakgoten sluiten nauw aan, net als de regenpijpen (figuur 5). Hieronder en hierachter zijn dan ook geen mogelijkheden voor vleermuizen om een verblijfplaats te vinden. Er zijn geen openingen aanwezig tussen de muur en de kozijnen (figuur 6). Daarbij sluiten de loodslabben strak aan op de schoorsteen. Het is derhalve op voorhand uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door gebouw bewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

7

8

Figuur 4

De binnenzijde van het pand. Delen dakbeschot zijn niet meer aanwezig. Aan de onderzijde van het dak is één rij met beplating aanwezig, in de vorm van een enkelvoudig multiplex plaat (rechts zichtbaar).

Figuur 5

De loodslabben sluiten strak aan op de dakpannen. De regenpijpen bieden tevens geen wegkruipruimte (links). Onder de dakgoot is geen ruimte aanwezig (rechts).

Figuur 6

De ruimte tussen de kozijnen zijn afgedicht met specie.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan er sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie is geen essentiële vliegroute aanwezig voor vleermuizen, gezien de afwezigheid van rechtlijnige structuurrijke elementen zoals bomenlanen. Er is eveneens geen essentieel foerageergebied aanwezig, gezien er geen sprake is van open plek(ken) tussen bomen en andere groenstructuren in de buurt van groot oppervlaktewater. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast.

Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en kamsalamander. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De heikikker komt voor in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en (half-)natuurlijk grasland. Het voortplantingswater betreft ondiep, relatief zuur, zon beschenen en voedselarm water. De kamsalamander leeft met name in kleinschalige bosrijke gebieden met houtwallen en struweel. Het voortplantingswater heeft een goed ontwikkelde watervegetatie, is matig voedselrijk, niet zuur, onbeschaduwd tot beperkt beschaduwd en bij voorkeur zonder vissen of watervogels (Ravon, 2020; de Jong & Vos, 2009). De planlocatie is deels omkaderd met kavelsloten.

Deze sloten blijven behouden, waardoor er bij voorbaat geen sprake is van aantasting van potentieel voortplantingswater van (beschermde) amfibieën. Daarnaast betreft het geen geschikt voortplantingswater voor kamsalamanders, en slechts zeer beperkt geschikt water voor heikikkers. Momenteel is er eveneens geen sprake van potentieel essentieel foerageer- of overwinteringsgebied van de heikikker en de kamsalamander gezien de afwezigheid van schraal kruidenrijk (half)natuurlijk grasland, struweel en bosschage in de buurt van geschikt oppervlaktewater. Negatieve effecten of heikikkers en kamsalamanders ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zijn niet aan de orde. De rugstreeppad staat erom bekend dat deze bouwterreinen snel kan koloniseren zodra er geschikte omstandigheden ontstaan (bijlage 2). Juveniele rugstreeppadden kunnen tot wel 5 km afleggen op zoek naar geschikt leefgebied. De dichtstbijzijnde waarneming van een rugstreeppad is gedaan op circa 2,2 km. Er is derhalve kans op vestiging als er tijdens de werkzaamheden ondiepe wateren ontstaan in de periode april-september (voortplanting), of indien er hopen vergraafbaar zand of puinpedden met bouwmateriaal, houtafval of stenen blijven liggen in de periode september-november (overwintering).

Derhalve wordt aanbevolen om de planlocatie ongeschikt dan wel ontoegankelijk te houden voor rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden (zie Te treffen maatregelen). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.

9

Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: ringslang (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Ringslangen komen vaak voor in gebieden op de overgang van droge zandgrond naar natte veenof kleigronden. Voldoende ei afzetmogelijkheden en een ruim aanbod van wateren van goede kwaliteit (weinig eutrofiëring) in de nabijheid van hoge gronden en open, rustige plekken om te zonnen zijn belangrijke randvoorwaarden voor het voorkomen van de soort. Eieren worden afgezet op relatief vochtige plaatsen zoals in mesthopen, bladhopen, vermolmde boomstammen en opgeworpen broeihopen. Landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen van ringslangen worden verricht zijn heide- en veengebieden, bos, struweel en op en nabij infrastructuur (wegen en spoorwegen). De soort komt ook wel voor in agrarisch gebied met kavelsloten, mits er sprake is van de juiste omstandigheden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar niet alle stadia van haar levenscyclus kan doorlopen (Ravon, 2020, de Weijer et al, 2009).

Op de planlocatie zijn deze niet voldoende aanwezig: er is sprake van vlak laaggelegen gebied zonder hogere delen; er is geen struweel aanwezig; de sloten zijn geëutrofieerd getuige de aanwezigheid van algen in het water en koeien op naastliggende weides; er zijn geen rustige, open plekken in de buurt van bedekking aanwezig. De planlocatie zal derhalve geen essentiële functie vervullen voor de ringslang. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van aantasting van oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn derhalve bij voorbaat uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: platte schijfhoren (NDFF 2011-2021). De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie (Anemoon platte schijfhoren, 2020).

Binnen de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van oppervlaktewater. Negatieve effecten op de soort zijn derhalve bij voorbaat uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, koolmees. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De woning heeft een pannendak met dakbeschot aan de onderzijde van het dak.

De dakpannen zijn toegankelijk voor huismussen. Tijdens het veldbezoek zijn ook diverse huismussen aangetroffen die onder de dakpannen

10

kropen, wat duidt op de aanwezigheid van nesten. Er zijn derhalve huismusnesten aanwezig op de planlocatie. Om te kunnen beoordelen hoeveel nesten er precies aanwezig zijn en of er sprake is van aantasting van essentieel functioneel leefgebied dient er aanvullend onderzoek naar huismussen plaats te vinden middels 2 veldbezoeken in de periode 15 maart t/m 15 mei (zie Vervolgstappen). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). In de bebouwing zijn geen geschikte invliegopeningen voor gierzwaluwen aangetroffen. De landelijke ligging van de planlocatie is eveneens niet geschikt voor gierzwaluwen, welke in Nederland vooral in stedelijk gebied voorkomen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.

Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen of roofvogels, gezien het voornamelijk braakliggend terrein betreft, en er in de omgeving veel geschikt(er) leefgebied aanwezig is. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

11

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000 gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contour. Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (figuur 7). Op een afstand van circa 1,0 km ligt het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van circa 3,1 km ligt de Groene Contour (figuur 8). De planlocatie is geen onderdeel van een ganzenrustgebied. De planlocatie ligt in een weidevogelkerngebied.

3,1 km

1,0 km

Figuur 7

1,0 km

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (bron: Arcgis.com).

Zouweboezem

1,2 km

Figuur 8

12

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,0 km tot het Natuurnetwerk Nederland en op een afstand van circa 3,1 km tot de Groene Contour (bron: Arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is en de schaal van de ontwikkeling voldoende klein is om negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en de ganzenrustgebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Met betrekking tot de ligging in een weidevogelkerngebied geldt dat er binnen de beoogde ontwikkeling geen windturbines of zonnevelden worden gerealiseerd. Tevens is de ontwikkeling van relatief kleine omvang en worden de belangrijke functies die het weidevogelkerngebied vervult voor weidevogels niet significant aangetast ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Derhalve is er geen sprake van een negatieve invloed van de ontwikkeling op het weidevogelkerngebied. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.

In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen en twee bijgebouwen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een relatief geringe afstand (1,2 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Er wordt enkel mogelijk een kleine naaldboom gekapt. Daarnaast worden er 3 perenbomen verplaatst naar elders op de planlocatie. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

13

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soort: huismussen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour of een ganzenrustgebied. De planlocatie ligt in een weidevogelkerngebied. De beoogde ontwikkeling resulteert echter niet in significante negatieve effecten op de functies die dit gebied vervult voor weidevogels. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten omtrent stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren

Nee Nee

Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus

Nee Nee Nee Nee Nee

Tabel 5

Ja

Nestlocaties/foerageergebied

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

1,2 km

Stikstof

AERIUS

Natuurnetwerk Nederland

1,0 km

Geen

N.v.t.

Groene Contour

3,1 km

Geen

N.v.t.

Tabel 6

14

Artikel 3.1

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Ja

N.v.t.

Bomen

Ja

Mogelijk

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de Algemene Zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsveranderingaan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden.

Gezien voornoemde is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

15

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad wordt geadviseerd het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

16

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. De Jong & Vos, 2009. Nederlandse Fauna 9, hoofdstuk 8, heikikker Rana arvalis, pagina 199-208 De Weijer et al., 2009. Nederlandse Fauna 9, hoofdstuk 8, ringslang Natrix natrix, pagina 301-312 Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011.

Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

17

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

18

Bijlage 1 Fotografische impressie

19

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond en bestaat uit een woonhuis en braaklliggende grond.

Figuur 2

De planlocatie.

20

Figuur 3

Het bouwvlak van één van de nieuwe woningen.

Figuur 4

Eén van de watergangen naast de planlocatie.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

21

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

22

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

23

Bijlage 3 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

24

Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.

Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (aprilseptember) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaarsen zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

Figuur 2

25

Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

26

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=9eada3cf-bcbb-4074-b5bc-8298def95f4a