CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 26 september 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen i.v.m. planologische procedure tbv verbouwen en splitsen van woonboerderij Kortgerecht8.393 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transect-rapport 4635 Schoonrewoerd, Kortgerecht 52 Gemeente Vijfheerenlanden (UT) Archeologisch bureauonderzoek (BO)

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Auteur

M. Verboom-Jansen (KNA Prospector)

Versie

Versie 1.2.

Projectcode

23010014

Datum

05-04-2023

Opdrachtgever

Mooi Gebouw

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

5383044100

Bevoegde overheid

Gemeente Vijfheerenlanden

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

Status

Nog niet beoordeeld door Bevoegde Overheid

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

De omgeving van het plangebied op een historische kaart uit 1900. Bron: www.topotijdreis.nl.

Autorisatie Naam Drs. T. Nales (Senior KNA Prospector)

Datum 04-04-2023

Paraaf

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Samenvatting In opdracht van Mooi Gebouw heeft Transect b.v. in maart 2023 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Kortgerecht 52 te Schoonrewoerd (gemeente Vijfheerenlanden). Het plangebied is ongeveer 2600 m2. De aanleiding van het onderzoek is de herinrichting van het perceel, waarbij één schuur zal worden gesloopt en drie schuren zullen worden gebouwd. Ook zal het huidige hoofdgebouw intern worden verbouwd en zal een kleine boomgaard worden aangelegd. Het kader van het archeologisch onderzoek is de omgevingsvergunning die voor de werkzaamheden wordt aangevraagd. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). De vraagstelling van dit onderzoek richt zich op het vaststellen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. De archeologische verwachting is afhankelijk van de in de ondergrond aanwezige stroomgordel en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen: • Stroomgordel. De Kortenhoeven stroomgordel was actief vanaf het Laat-Mesolithicum. Op de Kortenhoeven stroomgordel kunnen in theorie dan ook archeologische waarden uit de periode Laat-Mesolithicum-Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn.

In de omgeving van het plangebied zijn op deze stroomgordel nog geen archeologische resten en/of sporen aangetroffen. Wel zijn in de omgeving oevers aangetroffen die bewoonbaar geweest kunnen zijn, maar ook oevers die te slap voor bewoning waren. De archeologische verwachting voor deze periode is daarom hoog. De top van de oeverafzettingen is in de omgeving aangetroffen tussen -0,05 en -0,6 m NAP (circa 0,35 à 1,7 m -Mv; afhankelijk van de dikte van de woonheuvel). • Ontginningslint en woonheuvel. Het gehele plangebied is gelegen in aan ontginningslint, dat vermoedelijk uit de 12e eeuw stamt. In het ontginningslint geldt dus een hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Tevens wordt in het zuiden van het plangebied een woonheuvel verwacht, die in ieder geval in 1832 bebouwd was. Ter plaatse van de woonheuvel geldt een zeer hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de Nieuwe Tijd en mogelijk ook uit de Middeleeuwen. Op een kaart uit 1741 is het plangebied echter niet bebouwd. Ophooglagen van de woonheuvel kunnen vermoedelijk vanaf het maaiveld/onder de bouwvoor aanwezig zijn. In de omgeving zijn ophooglagen vanaf +0,35 à +0,5 m NAP aangetroffen. In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem.

Ter plaatse van de bestaande funderingen van het woonhuis is de ondergrond tot 1,2 m -Mv aangetast. Ter plaatse van de schuur is dit vermoedelijk minder diep. In het noorden van het plangebied is een boomgaard gerooid, waarbij de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Advies In het plangebied worden een woonhuis omgebouwd, drie schuren gebouwd (circa 28, 28 en 102 m2 ) parkeerplaatsen aangelegd en een boomgaard aangelegd (480 m2). Ook zal de bestaande schuur worden gesloopt (158 m2). Aangezien archeologische resten en/of sporen vanaf onder de bouwvoor aanwezig kunnen zijn, en niet bekend is hoe dik de bouwvoor ter plaatse exact is, bestaat de kans dat met een deel de voorgenomen werkzaamheden archeologische resten en /of sporen worden verstoord. Het advies is als volgt:

4

•

•

•

Bouw schuren, aanleg boomgaard en parkeerplaatsen. Voor de vorstrand van de randfundering van de schuren wordt de bodem tot ongeveer 62 cm -peil ontgraven (circa 47 cm -Mv). Voor de plantgaten van de bomen wordt de bodem tot ongeveer 70 cm -Mv ontgraven. De ontgravingsdiepte van de parkeerplaatsen is 15 cm beneden het bestaande maaiveld. Eén van de drie schuren ligt op de vermoedelijke terp en twee liggen ernaast. Ook de geplande boomgaard ligt naast de terp. Wel ligt dit nog in het ontginningslint en ter plaatse van de verwachte oeverafzettingen. Met de graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten en/of sporen worden verstoord. Daarom wordt een vervolgonderzoek aanbevolen ter plaatste van schuur 1, 2, 3, de boomgaard en de parkeerplaatsen (circa 1200 m2 ). Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de opbouw van de ondergrond en de intactheid van de ondergrond in kaart te brengen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Sloop. De te slopen schuur ligt grotendeels op de verwachte terp, en ook ter plaatse van een schuur uit 1832. Met het slopen van de funderingen van de huidige schuur bestaat de kans dat archeologische resten en/of sporen worden verstoord, zoals de fundering van de historische schuur.

Het is echter nog niet bekend tot hoe diep de bestaande schuur gefundeerd is en hoe diep het archeologische niveau zich exact bevindt. Daarom wordt geadviseerd om tijdens het verkennende booronderzoek ook bij de schuur een veldinspectie uit te voeren. Mogelijk is in het veld informatie over de funderingswijze en -diepte te achterhalen. Samen met de resultaten van het verkennende booronderzoek kan dan worden beargumenteerd of nog nader onderzoek voor de ondergrondse sloop van de schuur noodzakelijk is of niet. Ombouwen woonhuis. Voor het ombouwen van het woonhuis vinden geen graafwerkzaamheden plaats. Hiervoor wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Bovenstaande is een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Vijfheerenlanden, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het rapport dient daarom ter toetsing te worden voorgelegd aan de gemeente.

5

Inhoud 1. Aanleiding

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5. Beleidskader

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem

7

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken

10

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

15

9. Gespecificeerde archeologische verwachting

21

10.

Conclusie en Advies

24

11.

Geraadpleegde bronnen

26

Bijlage 1: Luchtfoto

28

Bijlage 2: Bestaande situatie

29

Bijlage 3: Toekomstige perceelinrichting en plattegronden

30

Bijlage 4: Archeologische beleidskaart van de gemeente

33

Bijlage 5: Stroomgordels

35

Bijlage 6: Geologie

36

Bijlage 7: Geomorfologie

38

Bijlage 8: Hoogtekaart

41

Bijlage 9: Bodemkaart

43

Bijlage 10: Archeologische informatie

44

Bijlage 11: Historische elementen

45

Bijlage 12: Bouwtekeningen bestaande bebouwing

47

Bijlage 13: Gespecificeerde archeologische verwachting

49

1

1. Aanleiding In opdracht van Mooi Gebouw heeft Transect b.v.1 in maart 2023 een archeologisch bureauonderzoek (BO) uitgevoerd in een plangebied aan de Kortgerecht 52 te Schoonrewoerd (gemeente Vijfheerenlanden). Het plangebied is ongeveer 2600 m2. De aanleiding van het onderzoek is de herinrichting van het perceel, waarbij één schuur zal worden gesloopt en drie schuren zullen worden gebouwd. Ook zal het huidige hoofdgebouw intern worden verbouwd en zal een kleine boomgaard worden aangelegd. Het kader van het archeologisch onderzoek is de omgevingsvergunning die voor de werkzaamheden wordt aangevraagd. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). De vraagstelling van dit onderzoek richt zich op het vaststellen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied.

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Om de archeologische waarde van het plangebied te kunnen bepalen is een bureauonderzoek (BO) uitgevoerd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het resultaat van het archeologisch bureauonderzoek is een rapport met een conclusie voor wat betreft het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Aan de hand hiervan wordt een advies voor eventuele vervolgstappen geformuleerd. Met het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de vergunningverlening. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, diepteligging, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

In dit kader is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Ook de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart zijn geraadpleegd (Boshoven et al., 2009; bijlage 4). Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit diverse voorhanden historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Amateurs en het bouwarchief zijn niet geraadpleegd. Een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 11.

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Provincie

Utrecht

Gemeente

Vijfheerenlanden

Plaats

Schoonrewoerd

Toponiem

Kortgerecht 52

Kaartblad

38F

Centrumcoördinaat

137.061/437.930

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Kortgerecht 52 te Schoonrewoerd (gemeente Vijfheerenlanden). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 1 en 2. Kadastraal gezien omvat het plangebied de percelen LDM00, sectie G nummer 912 en 921 (bron: www.kadastralekaart.com). De begrenzing van het plangebied is gebaseerd op de begrenzing van de voorgenomen ingrepen. Het plangebied beslaat ongeveer 2600 m2. In het plangebied zijn een woonhuis van ongeveer 316 m2 en een schuur van ongeveer 158 m2 aanwezig. Rondom de gebouwen is een erf aanwezig. Ten noorden van het erf het is het plangebied in gebruik als weiland. De eigenaar en toekomstig gebruiker van het plangebied is de familie de Ridder.

3

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron topografische kaart: www.pdok.nl.

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Aanvraag omgevingsvergunning

Oppervlakte plangebied

Circa 2600 m2

Planvorming

Sloop bestaande schuur, nieuwbouw drie schuren, aanleg boomgaard Te slopen schuur: ongeveer 158 m2

Omvang verstoringen

Nieuwe schuren: circa 28, 28 en 102 m2 Boomgaard: circa 480 m2 Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Schuren: 62 cm -peil Boomgaard: 70 cm -Mv Parkeerplaatsen: 15 cm -Mv Slopen: diepte onbekend

In het plangebied zijn verschillende werkzaamheden gepland. De toekomstige perceelinrichting, plattegronden en dwarsdoorsnedes zijn opgenomen in bijlage 3. De geplande werkzaamheden zijn hieronder nader beschreven: • In het bestaande hoofdgebouw zullen twee extra wooneenheden worden gecreëerd. Hiervoor zijn geen graafwerkzaamheden voorzien. • Het bestaande bijgebouw (circa 158 m2) zal worden gesloopt. • Er zullen drie schuren worden gebouwd. De schuren beslaan respectievelijk ongeveer 28, 28 en 102 m2. De nieuwe schuren worden gefundeerd op een betonnen plaat met een vorstrand. Dit is conform de aanbevelingen in de ‘handreiking voor Archeologie-vriendelijk bouwen.’ De betonnen vloeren komen 15 cm boven het bestaande maaiveld te liggen (in tegenstelling tot de tekeningen in bijlage 3 die nog uitgaan van een ontgraving van 15 cm -Mv hiervoor). Voor de vorstrand wordt de bodem tot 62 cm -peil ontgraven. Gezien het peil van 15 cm boven het maaiveld, zal dit tot 47 cm -Mv zijn. De breedte van de ontgraving voor de vorstrand is 70 cm (bijlage 3). De gedeeltes die dieper dan 30 cm -Mv worden ontgraven voor schuur 2 en 3 beslaan 13,86 m2 per stuk en voor schuur 1 is dit 28,35 m2. • De kabels en leidingen van de nieuwe schuren zullen worden aangesloten op de bestaande kabels en leidingen van de woning. De ontgravingsdieptes- en breedtes hiervan zijn nog niet bekend.

• Rondom de schuren zullen parkeerplaatsen worden aangelegd van basaltgrind. Hiervoor wordt de bodem tot 15 cm beneden het bestaande maaiveld ontgraven. Daarna komt er een puinlaag van 20 cm bovenop, met 4 cm egalisatiezand en 6 cm grind. • In het noorden van het plangebied zal een hoogstamboomgaard worden gerealiseerd. De plantgaten van de bomen beslaan ongeveer 60 à 70 cm. • Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Aanvraag omgevingsvergunning

Beleidskader

Bestemmingsplan Geconsolideerde versie Buitengebied en herzieningen (2014) Specifieke vorm van waarde-1: > groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm -Mv Specifieke vorm van waarde-2: > groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv

Onderzoeksgrens

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het archeologiebeleid inzake het plangebied is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Geconsolideerde versie Buitengebied en herzieningen 2014’ (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Hierop is een zonering in dubbelbestemmingen archeologie opgenomen. Deze waarden zijn gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart van Vijfheerenlanden (Boshoven et al., 2009; bijlage 4).

In het plangebied gelden twee archeologische dubbelbestemmingen archeologie: • Dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1: Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 30 m2 en dieper dan 30 cm -Mv reiken is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2: Bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv reiken is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De onderzoeksgrenzen hebben zowel betrekking op de realisatie van bouwwerken als op andere grondwerkzaamheden, waaronder het afgraven van de bodem ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen, het aanleggen of rooien van bos of boomgaarden, de aanleg of verharding van wegen of parkeergelegenheden en het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Gezien de grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt. 6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Utrechts-Gelders rivierengebied

Geomorfologie

Rivierkomvlakte

Maaiveld

+0,3 tot +1,1 m NAP

Bodem

Kalkloze poldervaaggronden

Grondwater

III

Landschapsgenese Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Maas en de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheye (De Mulder et al., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water. Volgens de Top PleistoceenKaart van Cohen et al. (2012) ligt de top van het Pleistoceen in het plangebied thans tussen -6 en- 4 m NAP. In de omgeving van het plangebied is de top van de Formatie van Kreftenheye rond 6,6 m -Mv (-6,35 m NAP) aangetroffen (boring B38F0832; www.dinoloket.nl; coördinaat 137.158/ 438.239 aan het Kortgerecht). Op andere momenten in het Weichselien (Jonge Dryas; circa 11000 tot 10000 jaar geleden) lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam.

Daar konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003; Berendsen en Stouthamer, 2001). Volgens Vos (2015) en de geologische kaart van Verbraeck (1966) komen dergelijke rivierduinen ongeveer 2,2 km ten zuidwesten van het plangebied voor. Rivierduinen vormen aantrekkelijke vestigingsplaatsen in een natte omgeving en waren in principe allemaal bewoond in het Mesolithicum en Neolithicum. Vanaf 15000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, circa 13000 tot 12000 jaar geleden en 11500 tot 11000 jaar geleden). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een ‘getrapt’ rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd ‘Hochflutlehm’ afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder et al., 2003).

Pas vanaf circa 9700 voor Chr., in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen (Stouthamer et al., 2015). De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel 7

van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Volgens Berendsen en Stouthamer (2001) heeft de terrassenkruising rond 5800 voor Chr. (circa 7000 14C jaar geleden) in de omgeving van Schoonrewoerd gelegen (Laat-Mesolithicum). Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon veenvorming optreden op de plekken die verder verwijderd van een rivier lagen. Uiteindelijk raakte het volledige laat-pleistocene dal opgevuld met holoceen sediment en konden rivieren buiten het oude rivierdal treden. Stroomgordels De omgeving van het plangebied heeft vanaf het passeren van de terrassenkruising onder directe invloed gestaan van de Kortenhoeven stroomgordel (Cohen et al., 2012; bijlage 5).

De Kortenhoeven stroomgordel was actief tussen ongeveer 5750 voor Chr. en 5000 voor Chr. (Laat-Mesolithicum-VroegNeolithicum). Archeologisch gezien vormen de oeverwallen van een rivier een aantrekkelijke vestigingsplaats voor (pre-)historische samenlevingen. Dit heeft te maken met de relatief hogere ligging in het landschap en de nabijheid van transportmogelijkheden en vis- en vers drinkwater. Ook op het moment dat een rivier inactief geworden is, blijft deze als hoger gelegen ruggen in het landschap achter. Dit biedt eveneens mogelijkheden voor bewoning in het over het algemeen vochtig en laag gelegen rivierenlandschap. Geologie en lithologie Volgens de geologische kaart van Verbraeck (1966) valt het plangebied in een zone waarin een afwisselende gelaagdheid van het Hollandveen met de Formatie van Echteld aanwezig is, die rusten op geulafzettingen van de Formatie van Echteld (kaartcode A1k; bijlage 6). In de omgeving van het plangebied is ook de Schoonrewoerd stroomgordel aanwezig (bijlage 6). Van deze stroomgordel is bekend dat hij zich heeft ingesneden tot in het pleistoceen (kaartcode E0g in bijlage 6), maar gezien de ouderdom van de Korthoeven stroomgordel en de diepte van de beddingafzettingen (tussen -2,3 en 5,5 m NAP; Cohen et al., 2012) zal dit ook voor de Kortenhoeven stroomgordel kunnen gelden.

Verder is van belang dat volgens Verbraeck (1966) geen rivierduinen en geen overslagen binnen het plangebied aanwezig zijn. Geomorfologie en maaiveldhoogte Op de geomorfologische kaart van Maas et al. (2020) valt het plangebied in een rivierkomvlakte (kaartcode 1M46; bijlage 7). Door differentiële klink zijn de stroomgordels uit de omgeving nu nog op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 4) herkenbaar door hun hogere ligging van het maaiveld ter plaatse (bijlage 8; bron: www.ahn.nl). Ter plaatse van het beddingzand is bodem namelijk minder ingeklonken dan ernaast, waardoor de stroomgordels als hogere ruggen in het landschap zichtbaar blijven. Ter plaatse van de Schoonrewoerd is de maaiveldhoogte +0,9 à +1,2 m NAP, terwijl die ernaast ongeveer +0,2 m NAP is. Ter plaatse van de Kortenhoeven stroomgordel is de maaiveldhoogte ongeveer +0,2 m NAP en ernaast ongeveer +0,1 m NAP.

8

Binnen het plangebied is rondom het woonhuis een verhoging van het maaiveld zichtbaar. Hier neemt de maaiveldhoogte toe naar ongeveer +1,1 m NAP. Vermoedelijk is hier sprake van een woonterp. Naast de verhoging is de maaiveldhoogte in het plangebied ongeveer +0,3 m NAP. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart komen in het plangebied kalkloze poldervaaggronden voor (kaartcode Rn44Cw-III in bijlage 9; bron: www.pdok.nl). In het plangebied bestaan deze uit zware klei. Poldervaaggronden omvatten alle kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Daarbij worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond (De Bakker, 1966). In een poldervaaggrond kunnen begraven bodemniveaus aanwezig zijn, zogenaamde vegetatiehorizonten, die een indicatie vormen voor oudere bodemvorming. Een dergelijk niveau heeft zich in het rivierengebied kunnen vormen op het moment dat er sprake was van een verminderde afvoer en door een afgenomen opslibbing van sediment. Hierdoor trad begroeiing op en kon zich een humeus niveau vormen. Op het moment dat er sprake was van een toename in rivierafvoer, raakte dit niveau begraven. Een vegetatieniveau kenmerkt zich door een zwak tot matig humeuze kleilaag in de bodem. De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem.

Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele onverbrande organische vondsten (zoals hout, leer en bot). Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand treden namelijk schommelingen in de grondwaterstand op, waardoor oxidatie en dus degradatie van onverbrande organische vondsten kan optreden. Binnen het plangebied wordt een grondwatertrap van III verwacht. Dit betekent dat onverbrande organische vondsten boven 80 à 120 cm -Mv vermoedelijk al zijn geoxideerd en dus gedegradeerd. Anorganische vondsten zoals (vuur)steen, aardewerk en metaal kunnen ongeacht de grondwaterstand bewaard zijn gebleven.

9

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Zeer hoog tot middelhoge verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd Geen vondsten in plangebied

Archeologische waarden en/of informatie

Geen vondsten in omgeving

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 10). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart kent het plangebied een zeer hoge en een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd (bijlage 4). De zeer hoge verwachting is gebaseerd op de verwachte aanwezigheid van een huisterp. De middelhoge archeologische verwachting is gebaseerd op de ligging aan een ontginningslint. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan (bijlage 10). Wel maakt het plangebied deel uit van een eerder uitgevoerd bureauonderzoek, dat is uitgevoerd in het kader van het onderhoud aan de N484 (onderzoeksmelding 4923897100; VerboomJansen, 2022). Op basis van het bureauonderzoek is een archeologische verwachting opgesteld. Daaruit blijkt dat ter plaatse van het onderhavig plangebied sprake is van een woonheuvel met bebouwing in 1832. Ook ligt het onderhavig plangebied aan een ontginningsas en op een stroomgordel (Verboom-Jansen, 2022).

Ook onderzoeksmelding 5274042100 valt binnen het plangebied volgens Archis3 (bron: https://archis.cultureelerfgoed.nl). De boringen van dit verkennende/karterende onderzoek zijn echter buiten het onderhavig plangebied gezet (Jansen of Lorkeers, 2023). De resultaten van dit onderzoek zijn daarom besproken in tabel 1. In het onderzoeksgebied zijn ook geen vondstmeldingen en geen AMK-terreinen bekend (bijlage 10). Wel zijn enkele veldonderzoeken uitgevoerd in het onderzoeksgebied. De meest relevante hiervan zijn besproken in tabel 1. De relevantie is bepaald aan de hand van de nabijheid en vergelijkbare geomorfologische ondergrond. Bureauonderzoeken uit de omgeving zijn niet besproken omdat deze geen feitelijke informatie over de ondergrond leveren, en de uitgevoerde veldonderzoeken hier wel inzicht in kunnen verschaffen. Informatie uit overige bronnen Er is geen aanvullende informatie uit overige bronnen verkregen. Conclusie bekende waarden • In de omgeving van het plangebied zijn op de Kortenhoeven stroomgordel vooralsnog geen archeologische resten en/of sporen bekend. Onderzoeken in de omgeving laten zien dat de 10

•

oeverafzettingen plaatselijk te slap voor bewoning zijn geweest, maar ook dat ze wel bewoonbaar geweest kunnen zijn. De top van de oeverafzettingen is in de omgeving aangetroffen tussen -0,05 en -0,6 m NAP (afhankelijk van de dikte van een ophoogpakket daarboven was dat bij de N484 ongeveer 1,3 à 1,9 m -Mv). Verder blijkt dat in de omgeving sprake is van een ophogingspakket uit de Late-MiddeleeuwenNieuwe Tijd, dat samenhangt met een ontginningslint. Dit kenmerkt zich door matig humeuze donkergrijze klei met spikkels rood baksteen en mogelijk puin. De top van dit ophogingspakket is vanaf 110-130 cm -Mv (tussen +0,35 en +0,5 m NAP) aangetroffen.

11

Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Type onderzoek

Bevindingen

Bron

5274042100

N484, kruising Provinciale weg met Overboeicop

11 m ten westen

Verkennend en karterend booronderzoek

In het kader van werkzaamheden aan de N484 zijn op een aantal plaatsen langs de N484 boringen gezet. Één van deze deelgebieden ligt 11 m ten westen van het onderhavig plangebied (deelgebied Overboeicop). Deze is daarom het meest relevant voor het archeologische verwachtingsmodel van het onderhavig plangebied. Bij de geplande rotonde bij Overboeicop zijn oever- op beddingafzettingen aangetroffen van de Kortenhoeven stroomgordel. De top van de oeverafzettingen ligt op circa 165-190 cm -Mv (-0,05à -0,25 m NAP). De oeverafzettingen zijn afgedekt met veen en komklei. De komklei boven het veen bestaat uit matig humeuze donkergrijze klei met spikkels rood baksteen en betreft vermoedelijk een oude ophoging die te relateren is aan de ligging in een ontginningslint. Hierboven is grof, geel ophoogzand aanwezig (recent) ten behoeve van het huidige wegcunet. Het relevante niveau binnen dit deelgebied is de oude ophooglaag, die te relateren is aan de ligging in een historisch ontginningslint uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Deze is aanwezig vanaf 110-130 cm -Mv (tussen +0,35 en +0,5 m NAP). Verder zijn in deze zone geen archeologisch relevante niveaus aanwezig. De oeverafzettingen zijn slap, ongerijpt en naar verwachting niet bewoonbaar geweest. Gezien de aanwezigheid van een oude ophoging kan de verwachting voor de periode Late Middeleeuwen –Nieuwe Tijd wel gehandhaafd blijven.

Daarom is een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit is nog niet uitgevoerd.

Jansen of Lorkeers (2023)

12

2443432100

N484

11-25 m ten westen

Verkennend en karterend booronderzoek

4702847100

Weidepots ten oosten van de N484

310 m ten zudien

Verkennend booronderzoek

Er zijn twee deelgebieden onderzocht, waarvan deelgebied 2 het dichtst bij het huidig plangebied ligt. Het beslaat een stuk tracé van ongeveer 270 m. In dit deelgebied zijn 17 boringen geplaatst. Er zijn bedding- en oeverafzettingen aangetroffen. Gezien Cohen et al. (2012) behoren deze tot de Kortenhoeven en Achthoven stroomgordel. De top van de beddingafzettingen is tussen 2,3 en 3 m –Mv (-1,2 à -2,2 m NAP) aangetroffen en de top van de oeverafzettingen erboven op ongeveer 1,3 m –Mv (-0,3 tot -0,6 m NAP). Hierboven zijn komafzettingen en een verstoord/opgebracht pakket aanwezig. Het verstoorde/opgebrachte pakket is 0,3 tot 0,5 m dik. Tijdens het verkennende booronderzoek zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen, namelijk puinbrokjes. Deze kunnen door bemesting zijn aangevoerd, of duiden op een vindplaats ter plaatse. Vanwege de aangetroffen oeverafzettingen is een vervolgonderzoek aanbevolen. Dit is nog niet uitgevoerd. In verband met de aanleg van enkele depots zijn meerdere gebieden onderzocht, waarvan deelgebied 3 het dichtst bij onderhavig plangebied ligt. De archeologische verwachting is gekoppeld aan het voorkomen van twee stroomgordels. De hoogst gelegen stroomgordel is de Schoonrewoerd stroomgordel. Bij de oevers van de Schoonrewoerd stroomgordel zijn twee fases oeverafzettingen aanwezig (Neolithicum-IJzertijd).

De oeverafzettingen zijn tot aan het maaiveld aanwezig. In de oudere fase zijn geen sporen van bodemvorming aanwezig (lage verwachting). Ten oosten van de Schoonrewoerd zijn oeverafzettingen en beddingafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel aanwezig (verwachting Mesolithicum-Neolithicum). In de

Ras en Van den Bosch (2014)

Hebinck (2019)

13

oeverafzettingen zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming, waardoor de verwachting is bijgesteld naar laag.

14

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype2 Cultuurhistorische elementen

Hollandveenontginning, cope-ontginning 3

Ontginningslint, terp

Aard historisch landgebruik

Bebouwing, erf, weiland

Historische bebouwing aanwezig Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee, vanaf 1923-1937 4

Nee

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Voor wat betreft de cultuurhistorie van het plangebied zijn vooral de ontginningslinten van belang. Vanuit de ontginningslinten werd het achterland ontgonnen. Langs deze historische wegen en dijken vond bewoning plaats op terpen. Volgens de historische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden ligt het plangebied in een ontginningslint (bijlage 4 en 11). Ook wordt in het plangebied een woonheuvel verwacht (bijlage 11). Het ontginningslint stamt vermoedelijk uit de 12e eeuw, gezien de ouderdom van de woonheuvels die eraan liggen (Blijdenstijn, 2015).

De meeste woonheuvels zijn namelijk in de loop van de 12e eeuw opgeworpen. De woonheuvels ontstonden noodgedwongen, doordat het veen als gevolg van de ontwatering oxideerde en daardoor inklonk (Boshoven et al., 2009). Op de kaart van Reinier en Josua Ottens uit 1741 is het ontginningslint goed te zien (figuur 2). Ook staat het toponiem De Blau Byl ter hoogte van het plangebied aangegeven, maar in het plangebied is op deze kaart geen bebouwing aanwezig. Op de kaart Reinier en Josua Ottens uit 1741 zijn langs het ontginningslint in de omgeving van het plangebied alleen bomen aanwezig (figuur 2). Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is wel bebouwing in het plangebied aanwezig (figuur 3; bijlage 11). Deze lag volgens de historische waardenkaart op een terp. Volgens de Oorspronkelijk aanwijzende Tafelen waren een huis, schuren, een erf en een tuin aanwezig. Rond 1900 concentreerde de bewoning zich nog steeds langs de ontginningsas (figuur 4). De bebouwing die op het Kadastrale Minuutplan aanwezig was, is thans niet meer aanwezig. Tussen 1925 en 1955 is deze verdwenen volgens www.topotijdreis.nl (figuur 5-6). Volgens BAGviewer5 stamt de huidige bebouwing uit 1923 (schuur) en 1937 (woonhuis). Op de kaart uit 2015 is een boomgaard in noorden van het erf in het plangebied aanwezig (figuur 8). Deze boomgaard is thans niet meer aanwezig (bijlage 1).

2

Bron: HISTLAND 1980, https://archis.cultureelerfgoed.nl/zoekenenvinden/#/kaart

3 Bijlage 4 4 Bron: www.rijksmonumenten.nl 5 Bron: https://bagviewer.kadaster.nl/

15

Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig en geen gemeentelijke monumenten (www.rijksmonumenten.nl). Bovengrondse bouwhistorische waarden worden dan ook niet binnen het plangebied verwacht. Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied (bron: www.ikme.nl). Wel ligt het plangebied in inundatiegebied van de Oude Hollandse Waterlinie (1629-1787) 6. Militaire structuren worden niet verwacht. Huidig gebruik en bodemverstoringen In het plangebied zijn een woonhuis en een schuur aanwezig. Rondom de gebouwen is een erf aanwezig. Ten noorden van het erf het is het plangebied in gebruik als weiland (bijlage 1). In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Daarom zijn hier mogelijke en bekende bodemverstoringen besproken: • In het noorden van het plangebied heeft een boomgaard gestaan. De wortels hiervan zijn over het algemeen 70 cm diep. Met het rooien van de bomen zal de bodem plaatselijk dus tot ongeveer 70 cm -Mv geroerd zijn. • Van de huidige bebouwing zijn bouwtekeningen aangeleverd door de opdrachtgever. Hieruit blijkt dat tot 1,2 m -Mv funderingen aanwezig zijn (bijlage 12) ter plaatse van het hoofdgebouw. Hieronder zijn tot onbekende diepte heipalen aanwezig.

Van de wagenloods zijn ook tekeningen opgenomen en een dwarsdoorsnede, maar deze dwarsdoorsnede beslaat alleen het bovengrondse deel van de schuur. De funderingsdiepte is hieruit niet af te leiden (bijlage 12). De opdrachtgever vermoedt dat de schuur tot ongeveer 60 cm -Mv gefundeerd is. • Er zijn geen aanwijzingen voor saneringen in het plangebied (bron: www.bodemloket.nl).

6 Bron: https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart

16

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de Nieuwe Kaart van Vijf Heeren Landen gelegen tusschen den Dief en den Zouwen Dyk van Reinier en Josua Ottens uit 1741. Bron: https://uu.georeferencer.com

17

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1900. Bron: www.topotijdreis.nl. 18

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1925. Bron: www.topotijdreis.nl.

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1955. Bron: www.topotijdreis.nl. 19

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: www.topotijdreis.nl.

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 2015. Bron: www.topotijdreis.nl. 20

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische verwachting en periode De archeologische verwachting is afhankelijk van de in de ondergrond aanwezige stroomgordel en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen: • Stroomgordel. De Kortenhoeven stroomgordel was actief vanaf het Laat-Mesolithicum. Op de Kortenhoeven stroomgordel kunnen in theorie dan ook archeologische waarden uit de periode Laat-Mesolithicum-Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn op deze stroomgordel nog geen archeologische resten en/of sporen aangetroffen. Wel zijn oevers aangetroffen die bewoonbaar geweest kunnen zijn. De archeologische verwachting voor deze periode is daarom hoog. • Ontginningslint en woonheuvel. Het gehele plangebied is gelegen in aan ontginningslint, dat vermoedelijk uit de 12e eeuw stamt. In het ontginningslint geldt dus een hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Tevens wordt in het zuiden van het plangebied een woonheuvel verwacht, die in ieder geval in 1832 bebouwd was. Ter plaatse van de woonheuvel geldt een zeer hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de Nieuwe Tijd en mogelijk ook uit de Middeleeuwen. Op een kaart uit 1741 is het plangebied echter niet bebouwd. Bovenstaande archeologische verwachting is verbeeld in bijlage 13.

De locatie van de stroomgordel is daarbij gebaseerd op Cohen et al. (2012). De locatie van de ontginningsas is gebaseerd op de gemeentelijke historische waardenkaart en het Kadastrale Minuutplan. De locatie van de bebouwing uit 1832 is gebaseerd op het Kadastrale Minuutplan. De locatie van mogelijke woonheuvel is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtingskaarten en het Actueel Hoogtebestand in combinatie met historische kaarten. Het AHN is daarbij als leidend genomen. Stratigrafische positie en diepteligging • De archeologische resten en/of sporen die verband houden met de aanwezigheid van de stroomgordel worden in de top van de oeverafzettingen verwacht. De top van de oeverafzettingen is in de omgeving aangetroffen tussen -0,05 en -0,6 m NAP. Aangezien de maaiveldhoogte in het onderhavig plangebied varieert van +0,3 tot +1,1 m NAP, betekent dit dat de top van de oeverafzettingen vanaf 0,35 à 1,7 m -Mv aanwezig kan zijn. • Ophooglagen van de woonheuvel kunnen vermoedelijk vanaf het maaiveld aanwezig zijn. In de omgeving zijn ophooglagen vanaf +0,35 à +0,5 m NAP aangetroffen. Complextypen, omvang en prospectiekenmerken In het plangebied worden kampementen, nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en grafvelden verwacht. • Kampementen zijn seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven (Laat-Mesolithicum – Neolithicum).

Dergelijke plekken kenmerken zich door een concentratie van bekapte stukken vuursteen en (eventueel) haardkuilen met houtskool. • Nederzettingsterreinen in het rivierengebied kunnen zich kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenconcentratie (aardewerk, vuursteen, metalen voorwerpen), hetgeen met name te danken is aan de langdurigheid van bewoning op een bepaalde plek. In een vochtige omgeving als die van het rivierengebied was de bewegingsruimte voor nederzettingen namelijk niet al te groot, waardoor bewoning vaak geconcentreerd bleef op vaste plekken. De cultuurlaag verschilt van kleur met de oorspronkelijk aanwezige lagen. Ook kan er sprake zijn van ophooglagen. Deze hebben een scherpe grens met de ondergrond en kunnen archeologische indicatoren bevatten 21

•

zoals houtskool, aardewerk en bot. Verder kunnen bij nederzettingen ook waterputten en beerputten aanwezig zijn. Sporen van landgebruik (waaronder ook grafvelden) kenmerken zich door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel uitspraken gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. In de omgeving van het plangebied zijn nog geen graven aangetroffen, maar ze zouden wel aanwezig kunnen zijn.

De omvang van vindplaatsen kan variëren van enkele tientallen vierkante meters voor vindplaatsen die betrekking hebben op jagers en verzamelaars (Laat—Mesolithicum-Neolithicum), tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij (vanaf het Neolithicum). In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande funderingen van het woonhuis is de ondergrond tot 1,2 m -Mv aangetast. Ter plaatse van de schuur is dit vermoedelijk minder diep. In het noorden van het plangebied is een boomgaard gerooid, waarbij de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Bovenstaande archeologische verwachting is samengevat in tabel 2.

22

Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.

1

Archeologische verwachting Datering

2

Complextype

3

Omvang

4

Diepteligging

5 6 7

Gaafheid en conservering Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren)

8

Mogelijke verstoringen

Reden Laag Laat-Paleolithicum – Midden- Er worden geen rivierduinen in het plangebied Mesolithicum verwacht. Hoog Laat-Mesolithicum – Vroege Ter plaatse van bewoonbare oevers van Middeleeuwen stroomgordels is de verwachting hoog. Hoog tot Late Middeleeuwen – Nieuwe Ter plaatse van de ontginningsassen is de zeer hoog Tijd verwachting hoog, bij de verwachte woonheuvel zeer hoog. Kampementen, nederzettingscomplexen, huisplaatsen (waaronder een woonheuvel), sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden. 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen). De woonterp is gezien het AHN vermoedelijk maximaal 1600 m2. • Top van de oeverafzettingen: tussen -0,5 en -0,6 m NAP (circa 0,35 à 1,7 m -Mv) • Ophooglagen van de woonheuvel kunnen vermoedelijk vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Binnen 80 à 120 cm –Mv worden in principe geen onverbrande organische vondsten meer verwacht. Zie bijlage 13. Concentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtkool of een vondstlaag. Ophooglagen, baksteen, funderingspuin. Ter plaatse van het woonhuis zijn funderingen tot 1,2 m -Mv aanwezig. De funderingsdiepte van de schuur is niet bekend. In het noorden van het plangebied is een boomgaard gerooid, waarbij de ondergrond tot onbekende diepte aangetast.

23

10. Conclusie en Advies Conclusie De archeologische verwachting is afhankelijk van de in de ondergrond aanwezige stroomgordel en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen: • Stroomgordel. De Kortenhoeven stroomgordel was actief vanaf het Laat-Mesolithicum. Op de Kortenhoeven stroomgordel kunnen in theorie dan ook archeologische waarden uit de periode Laat-Mesolithicum-Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn op deze stroomgordel nog geen archeologische resten en/of sporen aangetroffen. Wel zijn in de omgeving oevers aangetroffen die bewoonbaar geweest kunnen zijn, maar ook oevers die te slap voor bewoning waren. De archeologische verwachting voor deze periode is daarom hoog. De top van de oeverafzettingen is in de omgeving aangetroffen tussen -0,05 en -0,6 m NAP (circa 0,35 à 1,7 m -Mv; afhankelijk van de dikte van de woonheuvel). • Ontginningslint en woonheuvel. Het gehele plangebied is gelegen in aan ontginningslint, dat vermoedelijk uit de 12e eeuw stamt. In het ontginningslint geldt dus een hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Tevens wordt in het zuiden van het plangebied een woonheuvel verwacht, die in ieder geval in 1832 bebouwd was.

Ter plaatse van de woonheuvel geldt een zeer hoge archeologische verwachting op resten en/of sporen uit de Nieuwe Tijd en mogelijk ook uit de Middeleeuwen. Op een kaart uit 1741 is het plangebied echter niet bebouwd. Ophooglagen van de woonheuvel kunnen vermoedelijk vanaf het maaiveld/onder de bouwvoor aanwezig zijn. In de omgeving zijn ophooglagen vanaf +0,35 à +0,5 m NAP aangetroffen. In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de bestaande funderingen van het woonhuis is de ondergrond tot 1,2 m -Mv aangetast. Ter plaatse van de schuur is dit vermoedelijk minder diep. In het noorden van het plangebied is een boomgaard gerooid, waarbij de ondergrond tot onbekende diepte aangetast. Advies In het plangebied worden een woonhuis omgebouwd, drie schuren gebouwd (circa 28, 28 en 102 m2 ) parkeerplaatsen aangelegd en een boomgaard aangelegd (480 m2). Ook zal de bestaande schuur worden gesloopt (158 m2). Aangezien archeologische resten en/of sporen vanaf onder de bouwvoor aanwezig kunnen zijn, en niet bekend is hoe dik de bouwvoor ter plaatse exact is, bestaat de kans dat met een deel de voorgenomen werkzaamheden archeologische resten en /of sporen worden verstoord. Het advies is als volgt: •

Bouw schuren, aanleg boomgaard en parkeerplaatsen. Voor de vorstrand van de randfundering van de schuren wordt de bodem tot ongeveer 62 cm -peil ontgraven (circa 47 cm -Mv). Voor de plantgaten van de bomen wordt de bodem tot ongeveer 70 cm -Mv ontgraven. De ontgravingsdiepte van de parkeerplaatsen is 15 cm beneden het bestaande maaiveld. Eén van de drie schuren ligt op de vermoedelijke terp en twee liggen ernaast. Ook de geplande boomgaard ligt naast de terp. Wel ligt dit nog in het ontginningslint en ter plaatse van de verwachte oeverafzettingen. Met de graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten en/of sporen worden verstoord. Daarom wordt een vervolgonderzoek aanbevolen ter plaatste van schuur 1, 2, 3, de boomgaard en de parkeerplaatsen (circa 1200 m2 ). Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de opbouw van de ondergrond en de intactheid van de ondergrond in kaart te brengen. Op basis van de resultaten 24

•

•

van het booronderzoek kan het archeologische verwachtingsmodel worden getoetst en waar mogelijk worden bijgesteld. Sloop. De te slopen schuur ligt grotendeels op de verwachte terp, en ook ter plaatse van een schuur uit 1832. Met het slopen van de funderingen van de huidige schuur bestaat de kans dat archeologische resten en/of sporen worden verstoord, zoals de fundering van de historische schuur. Het is echter nog niet bekend tot hoe diep de bestaande schuur gefundeerd is en hoe diep het archeologische niveau zich exact bevindt. Daarom wordt geadviseerd om tijdens het verkennende booronderzoek ook bij de schuur een veldinspectie uit te voeren. Mogelijk is in het veld informatie over de funderingswijze en -diepte te achterhalen. Samen met de resultaten van het verkennende booronderzoek kan dan worden beargumenteerd of nog nader onderzoek voor de ondergrondse sloop van de schuur noodzakelijk is of niet. Ombouwen woonhuis. Voor het ombouwen van het woonhuis vinden geen graafwerkzaamheden plaats. Hiervoor wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Bovenstaande is een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Vijfheerenlanden, om op basis van de resultaten van dit rapport te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Het rapport dient daarom ter toetsing te worden voorgelegd aan de gemeente.

25

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016; https://archis.cultureelerfgoed.nl/ • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • www.ikme.nl • https://uu.georeferencer.com • https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart Lijst met afbeeldingen • Figuur 1 Ligging van het plangebied (bron: www.pdok.nl). • Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de Nieuwe Kaart van Vijf Heeren Landen gelegen tusschen den Dief en den Zouwen Dyk van Reinier en Josua Ottens uit 1741. • Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. • Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. • Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. • Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955. • Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1980. • Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 2015. Literatuur Bakker, H. de, 1966.

De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A./E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen. Blijdenstijn, R. 2015, Tastbare tijd V. 20, Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Uitgeverij Matrijs, Amsterdam.

26

Boshoven, E.H., A. Buesink, H.M.M. Geerts, J.S. Kirst, L.A. Tebbens, J.M.J. Willems, 2009. Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. BAAC-rapport V-08.0185. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn?Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. Hebinck, K., 2019. Archeologisch bureau- en booronderzoek voor zes weilanddepots te Hei- en Boeicop en Schoonrewoerd, gemeente Vijfheerenlanden. Zuidnederlandse Archeologische Notities 700. Huisman, D.J./J. Bouwmeester/G. de Lange/Th. van der Linden/G. Mauro/D. Ngan-Tillard/M. Groenendijk/T. de Ridder/C. van Rooijen/I. Roorda/D. Schmutzhart e/R. Stoevelaar, 2010. De invloed van bouwwerkzaamheden op archeologische vindplaatsen, Bouwen en Archeologie, Amersfoort (RCE). Jansen of Lorkeers, L., 2023. Zijderveld-Leerdam, N484. Gemeente Vijfheerenlanden (UT). Een inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase. Transect-rapport 4254. Maas, G. J., W.M. van der Meij, S. P. J. v. Delft, A. H. Heidema., 2020. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003.

De ondergrond van Nederland. Houten. Rensink, E/ H.J.T. Weerts/ M. Kosian/ H. Feiken/B.I. Smit, 2015. Archeologische Landschappenkaart van Nederland Methodiek en kaartbeeld. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Stouthamer, E., K.M. Cohen, W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht (Fysische geografie van Nederland). Achtste, geheel herziene druk. TNO, 2020. Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600 000 . Verbraeck, A., 1966. Geologische Kaart van Nederland, blad 38 Oost Gorinchem (Gorkum). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Verboom-Jansen, M., 2022. Leerdam-Zijderveld N484. Gemeente Vijfheerenlanden (UT). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Transect rapport 3060. Vos, P.C., 2015. Origin of the Dutch coastal landscape. Longterm landscape evolution of the Netherlands during the Holocene, described and visualized in national, regional and local palaeogeographical map series. PhD dissertation, Utrecht University, Barkhuis Groningen.

27

Bijlage 1: Luchtfoto

28

Bijlage 2: Bestaande situatie Bron: Mooi Gebouw.

29

Bijlage 3: Toekomstige perceelinrichting en plattegronden Bron: Mooi Gebouw.

30

31

32

Bijlage 4: Archeologische beleidskaart van de gemeente

33

34

Bijlage 5: Stroomgordels

35

Bijlage 6: Geologie

36

37

Bijlage 7: Geomorfologie

38

39

40

Bijlage 8: Hoogtekaart

41

42

Bijlage 9: Bodemkaart

43

Bijlage 10: Archeologische informatie

44

Bijlage 11: Historische elementen

45

46

Bijlage 12: Bouwtekeningen bestaande bebouwing Bouwtekening voor verbouwing van het woonhuis in 1937. Dwarsdoorsnede hoofdgebouw. Bron: opdrachtgever.

47

Links het hoofdgebouw en rechts de wagenloods.

48

Bijlage 13: Gespecificeerde archeologische verwachting

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=ede602c3-c6cc-4aed-8fb8-09d8cff9322d