Advies WVG ontvankelijk geanonimiseerd.pdf
Tekst van het document
Commissie bezwaarschriften Vijfheerenlanden
Bezoekadres Dokter Reilinghplein 1, 4141 DA Leerdam Postadres Postbus 11, 4140 AA Leerdam Telefoon 088 - 599 7000 E-mail bezwarencommissie@vijfheerenlanden.nl
Leerdam,
31 maart 2022 Behandeld door
Lon Maijen
Doorkiesnummer
088 - 599 7345
Gemeenteraad Vijfheerenlanden T.a.v. Gonnie v.d. Dungen
Uw kenmerk
Uw brief d.d. Ons kenmerk
353646, 357716, 371083 Bijlage(n)
-
Onderwerp
Advies commissie bezwaarschiften VHL Geachte gemeenteraad, In onze vergadering van 15 maart 2022 hebben wij de bezwaarschriften behandeld van: De heer en mevrouw Hazendonk, zaaknummer 353646; De heer en mevrouw Van Zanten, zaaknummer 357716; en Het college van Kerkrentmeesters van de Hervormde Gemeente Hagestein Hoef en Haag en de Diaconie van de Hervormde Gemeente Hagestein Hoef en Haag zaaknummer 371083. De bezwaarschriften zijn gericht tegen uw besluit van 14 december 2021 om meerdere percelen in Hagestein op grond van artikel 5 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) aan te wijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Wij adviseren u om de bezwaarschriften ontvankelijk en ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Hierna lichten wij dat toe. 1. Procedureverloop Op 12 oktober 2021 besluit het college om op grond van artikel 6 lid 1 van de Wvg gronden voorlopig aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Het gaat om meerdere percelen in Hagestein. Dit besluit is op grond van artikel 7 lid 1 van de Wvg op 14 oktober 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad, jaargang 2021, nummer 521. Het besluit is in werking getreden op de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt, te weten 15 oktober 2021.
Per brief van 22 november 2021 dienen de heer en mevrouw Hazendonk tegen dit besluit een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift is door het college ontvangen op 10 december 2021. Per brief van 6 december 2021 dienen de heer en mevrouw Van Zanten tegen dit besluit een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift is door het college ontvangen op 7 december 2021. In het Gemeenteblad, jaargang 2022, nummer 133, is op 5 januari 2022 op grond van artikel 7 lid 1 van de Wvg, door het college bekend gemaakt dat de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden op 14 december 2021 heeft besloten om op grond van artikel 5 van de Wvg meerdere percelen in Hagestein aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Het besluit treedt in werking op de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt, te weten 6 januari 2022. Per brief van 27 januari 2022 dienen de heer en mevrouw Hazendonk tegen dit besluit een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift is door de gemeenteraad ontvangen op 28 januari 2022. Per brief van 19 december 2021 dienen de heer en mevrouw Van Zanten tegen dit besluit een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift is door de gemeenteraad ontvangen op 25 januari 2022.
Per brief van 24 januari 2022 dienen de heer R. van de Water en de heer S.C. de Leeuw namens het college van Kerkrentmeesters van de Hervormde Gemeente Hagestein Hoef en Haag en de Diaconie van de Hervormde Gemeente Hagestein Hoef en Haag tegen dit besluit een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift is door de gemeenteraad ontvangen op 25 januari 2022. Bovenvermelde bezwaarmakers worden hierna in het advies gezamenlijk genoemd: bezwaarmakers. Deze bezwaarschriften zijn ter advisering in handen gesteld van de commissie bezwaarschriften VHL. Namens de gemeenteraad heeft mevrouw Van den Dungen een verweerschrift ingediend. Op 15 maart 2022 vindt er een hoorzitting plaats van de commissie bezwaarschriften VHL. 2. Ontvankelijkheid bezwaarschriften Het bestreden besluit is bekend gemaakt op basis van het bepaalde in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) alsmede op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Wvg. Op 5 januari 2022 is het besluit gepubliceerd in het Gemeenteblad, jaargang 2022, nummer 133. Het besluit is derhalve op 6 januari 2022 in werking getreden. Daarmee liep de bezwaartermijn tot uiterlijk 16 februari 2022. De bezwaarschriften zijn derhalve op tijd ingediend. Tevens stellen we vast dat is voldaan aan de andere eisen die de Awb stelt aan de ontvankelijkheid. 3.
Hoorplicht Bezwaarmakers zijn uitgenodigd om het bezwaarschrift toe te lichten tijdens een hoorzitting van de commissie bezwaarschriften VHL. In verband met de geldende Corona-maatregelen heeft de hoorzitting digitaal, via Microsoft Teams, plaatsgevonden. Daarmee is voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb. Tevens is een vertegenwoordiger van de gemeente uitgenodigd om aan de digitale hoorzitting deel te nemen. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022. De heer van Zanten, mevrouw Hazendonk, de heer Van de Water en de heer De Leeuw, bezwaarmakers, hebben aan de digitale hoorzitting deelgenomen. Namens de gemeente heeft mevrouw Van den Dungen aan de digitale hoorzitting deelgenomen. Van de hoorzitting is een (zakelijk) verslag gemaakt. Het verslag maakt deel uit van ons advies. 4. Samenvatting bezwaarschriften De naar voren gebrachte bezwaren vat de commissie als volgt samen: 1. Artikel 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg zijn niet van toepassing op de percelen. Artikel 6 van de Wvg is geen geldige grondslag voor het aanwijzingsbesluit; 2. Met het aanwijzingsbesluit wordt voor bezwaarmakers een toekomst ontnomen om op deze locatie te blijven wonen en hun bedrijf te kunnen blijven uitoefenen. Het past niet om in deze tijd van woningnood woningen te slopen.
Naast bezwaarmakers zal ook een inwonende ouder moeten verhuizen; in totaal zullen 6 personen moeten verhuizen. Plannen, waaronder die voor asbestsanering, kunnen door bezwaarmakers niet tot uitvoering worden gebracht omdat de komende jaren onzeker is wat er gaat gebeuren. Dit brengt risico’s met zich mee en bezwaarmakers willen graag tegemoet gekomen worden in die risico’s; 3. Met het aanwijzingsbesluit gaat een stukje Nederlands erfgoed (hoogstam fruitbomen en zeldzaam geworden huisdieren) en een educatieve functie voor schoolgaande kinderen verloren. Ook de identiteit van Hagestein gaat verloren. De aangewezen percelen liggen aan de rand van het gebied en vormen een natuurlijk element in het landschap van Hagestein. Om historisch natuurlijke elementen in stand te houden dient er rondom hoogstam fruitbomen minimaal 150 meter afstand gehouden te worden om voldoende licht te waarborgen en daarmee ziektes in de bomen te voorkomen; 4. Er wordt onvoldoende duidelijkheid gegeven hoe de onderzoeks- en ontwerpfase gaat verlopen. Bezwaarmakers eisen ieder kwartaal informatie over de voortgang; 5. Er bestaan plannen om de polder richting het dorp voor bedrijventerrein te bestemmen. Daarmee komt de industrie erg dicht op de woningen te staan. Het aangewezen gebied is vanwege de natuurlijke omstandigheden ongeschikt om te bebouwen.
Er komt nog meer zwaar bouwverkeer voorbij dan nu al het geval is; 6. De omvang van het te realiseren bedrijventerrein is buitenproportioneel en er zijn andere locaties waar een bedrijventerrein beter zou passen;
2
7. Bezwaarmakers hebben zeer veel overlast van de straatraces op Gaasperwaard 1 en vrezen dat dit ook gaat gebeuren op het terrein van Gaasperwaard 3; 8. Beloften om Hagestein landelijk en leefbaar te houden worden niet nagekomen; 9. Voor bezwaarmakers zijn de gronden in het bestreden besluit een bron van inkomsten die wegvalt als de gronden worden ontwikkeld voor bedrijventerrein. 5.
Beoordeling bezwaarschriften
5.1 Juridisch kader Voor de beoordeling van de bezwaarschriften is de volgende wet- en regelgeving relevant: Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) Artikel 2 De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 3 1. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. 2. Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de onroerende zaken waarop het betrekking heeft: a) de kadastrale aanduiding; b) de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c) de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en d) de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen. 3. Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten. Artikel 5 1.
In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een nietagrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2. Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing. Artikel 7 1. Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt. 2. Van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders mededeling gedaan aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden. Artikel 25 1.
Voor zover na de overdracht aan de gemeente van een onroerende zaak of van een beperkt recht waaraan zo’n zaak is onderworpen ingevolge de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 vanwege een besluit tot aanwijzing overeenkomstig artikel 2 in samenhang met artikel 3 of 4, zonder dat de in artikel 3, eerste lid, of 4, eerste lid, bedoelde andere bestemming is verwezenlijkt, bij een onherroepelijk bestemmingsplan een bestemming is aangewezen waarmee de totstandkoming van de aanwijzing zou zijn uitgesloten, kan de vervreemder vorderen dat de gemeente hem de schade zal vergoeden die hij als gevolg van die overdracht mocht hebben geleden. 2. Gelijke bevoegdheid heeft de vervreemder na de overdracht ingevolge de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 vanwege een besluit tot aanwijzing overeenkomstig artikel 2 in samenhang met 5, of een besluit tot voorlopige aanwijzing overeenkomstig artikel 6, voor zover de bij die overdracht betrokken onroerende zaak niet binnen de desbetreffende termijn, genoemd in
3
artikel 6 of 9 is opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 5, onderscheidenlijk in een bestemmingsplan of structuurvisie, waarbij de bij de aanwijzing of voorlopige aanwijzing aan de betrokken onroerende zaak toegedachte bestemming is gehandhaafd. 3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 9a, eerste of tweede lid, treedt voor de toepassing van het eerste of tweede lid de provincie onderscheidenlijk de Staat in de plaats van de gemeente. 5.2
Beoordeling van de bezwaarschriften Algemeen De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of u op goede gronden hebt kunnen komen tot het bestreden besluit van 14 december 2021 om meerdere percelen in Hagestein op grond van artikel 5 van de Wvg aan te wijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Getoetst zal worden of u bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit hebt kunnen komen.
Voordat de commissie hiertoe overgaat merkt de commissie het volgende op. Op grond van artikel 6 lid 3 van de Wvg wordt een bezwaarschrift dat is ingediend tegen het collegebesluit mede geacht te zijn gericht tegen het raadsbesluit. Alle ingediende bezwaarschriften zijn daarmee gericht tegen het raadsbesluit van 14 december 2021. De commissie brengt daarom alleen advies uit aan de gemeenteraad en niet aan het college. Gronden bezwaar Ad 1. Grondslag van het voorkeursrecht ontbreekt Op grond van artikel 6 lid 1 van de Wvg kan het college gronden voorlopig aanwijzen mits in het daartoe strekkende besluit aan de gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. De wetgever heeft met deze bepaling beoogd dat alleen gronden aangewezen kunnen worden indien het huidige gebruik afwijkt van het beoogde gebruik en het beoogde gebruik een niet-agrarische bestemming heeft. Uit de door u overgelegde stukken in het procesdossier blijkt dat het huidige gebruik van de percelen die in het bestreden besluit worden genoemd volgens het bestemmingsplan “Agrarisch met waarden – landschap” is en dat het college voornemens is te onderzoeken of de bestemming kan worden gewijzigd in de bestemming “bedrijven”.
De commissie is derhalve van oordeel dat artikel 6 van de Wvg de juiste wettelijke grondslag is op basis waarvan het bestreden besluit is genomen. Ingevolge artikel 6 lid 1 van de Wvg vervalt het aanwijzingsbesluit van het college van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad in werking treedt. Het besluit van het college van 12 oktober 2021 is op 14 oktober 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad, jaargang 2021, nummer 521. Het besluit van de gemeenteraad van 14 december 2021 treedt in werking één dag na publicatie in het Gemeenteblad van 5 januari 2022, te weten op 6 januari 2022. Gelet op de publicatie van het raadsbesluit op 5 januari 2022 is het collegebesluit van rechtswege komen te vervallen. Dit heeft niet tot gevolg dat het aanhangige raadsbesluit niet op juiste gronden tot stand is gekomen. De zelfstandige bevoegdheid van de gemeenteraad om gronden aan te wijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn volgt uit het bepaalde in artikel 2 jo. 5 van de Wvg. De commissie merkt op dat het besluit tot vestiging van een voorkeursrecht een discretionaire bevoegdheid betreft van de gemeenteraad. Dit houdt in dat de gemeenteraad een bepaalde mate van beleidsvrijheid heeft bij het nemen van een besluit.
De commissie concludeert dat u bevoegd bent om het bestreden besluit te nemen op grond van artikel 2 jo. artikel 5 van de Wvg en dat de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn op de in het bestreden besluit genoemde percelen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel. Ad 2. Opgeven bedrijfsactiviteiten en gedwongen verhuizing, Ad 3. Het verlies van cultureel erfgoed en een educatieve functie, identiteit en belangen van Hagestein en Ad 5. De ontwikkeling van het bedrijventerrein De commissie constateert dat het bestreden besluit niet toeziet op de sloop van woningen, een gedwongen verhuizing of het opgeven van een bedrijf of andere activiteiten. Het bestreden besluit heeft eveneens geen betrekking op de wijze waarop het door de gemeente uit te voeren haalbaarheidsonderzoek naar een bestemmingsplanwijziging voor het gebied wordt uitgevoerd. Dit besluit ziet slechts toe op een recht van eerste koop door de gemeente. Het gevolg van het bestreden besluit is dat ingeval bezwaarmakers tot verkoop van de percelen zouden willen overgaan, zij eerst de gemeente in de gelegenheid moeten stellen om de gronden te kopen. Het initiatief voor verkoop van
4
de gronden ligt dus geheel bij bezwaarmakers. De commissie is dan ook met u van oordeel dat er voor bezwaarmakers met het bestreden besluit van 14 december 2021 niet het recht wordt ontnomen om op een bepaalde locatie te blijven wonen en hun bedrijf of andere activiteiten te kunnen blijven uitoefenen. Ook hebben bezwaarmakers nog steeds het recht om bepaalde investeringen te doen in hun woning of bedrijf. Een financiële tegemoetkoming in de risico’s acht de commissie daarom niet aan de orde. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat nog niet duidelijk is welk toekomstig gebruik aan de in het bestreden besluit genoemde percelen is toegedacht. Dit wordt pas duidelijk als de uitkomsten van het door de gemeente uit te voeren haalbaarheidsonderzoek naar een bestemmingsplanwijziging voor het gebied bekend zijn en deze uitkomsten zijn vastgelegd in een structuurvisie of bestemmingsplan. Tijdens de hoorzitting van 15 maart 2022 heeft uw vertegenwoordiger aangegeven dat u in uw vergadering van 14 december 2021 het college in een motie hebt opgeroepen om bij de uitwerking van de plannen de natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied zoveel mogelijk in stand te houden, rondom alle woningen in het plangebied een minimale afstand van 150 meter te hanteren en zoveel mogelijk in te zetten op een duurzame en groene inrichting, in ieder geval aan de buitenzijden van het gebied.
Deze motie zal het college betrekken bij de uitwerking van de plannen. Voorts volgt uit het door u opgestelde verweerschrift dat bij het door de gemeente uit te voeren haalbaarheidsonderzoek naar een bestemmingsplanwijziging voor het gebied een participatieproces wordt doorlopen waarbij de grondeigenaren en de bewoners van Hagestein hun belangen naar voren kunnen brengen. In dit haalbaarheidsonderzoek zullen tevens de aspecten bodemdaling en klimaatbestendig en waterrobuust bouwen worden meegenomen. De commissie is derhalve van oordeel dat bij de uitwerking van de plannen alle relevante belangen worden meegewogen. De commissie ziet dan ook geen reden om de gronden van bezwaar zoals vermeld onder ad 2, ad 3 en ad 5 te laten slagen. Ad 4. Tekortschietende communicatie en informatie Ingevolge artikel 7 lid 1 van de Wvg wordt het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing door het college bekendgemaakt in het gemeenteblad. Het tweede lid van artikel 7 van de Wvg bepaalt dat van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing door het college mededeling wordt gedaan aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en beperkt gerechtigden.
Uit de door u overgelegde stukken in het procesdossier leidt de commissie af dat het college op 15 oktober 2021 respectievelijk op 5 januari 2022 aan alle betrokken eigenaren en beperkt gerechtigden een (aangetekende) brief heeft verzonden met daarin een mededeling van het genomen aanwijzingsbesluit. De commissie stelt vast dat daarmee aan de wettelijke eisen voor het publiceren van een (voorlopig) aanwijzingsbesluit is voldaan. Daarbij merkt de commissie op dat voor een aanwijzingsbesluit dat is genomen op basis van artikel 6 jo. artikel 5 van de Wvg kenmerkend is dat er slechts een globaal beeld bestaat van de toegedachte bestemming en nog niet duidelijk is welke bestemming aan de desbetreffende percelen zal worden toegekend of hoe deze percelen in de ontwikkeling worden ingepast. Naar het oordeel van de commissie is het voor u daarom nog niet mogelijk om bezwaarmakers meer duidelijkheid te verschaffen over de invulling van het gebied. Voorts merkt de commissie op dat het bestreden besluit en het te doorlopen proces op 10 november 2021 nader zijn toegelicht in een gesprek tussen de betrokken wethouder en bezwaarmakers. Tijdens dit gesprek is door de wethouder de toezegging gedaan dat alle eigenaren en belanghebbenden gedurende dit proces gehoord zullen worden en hun wensen en ideeën naar voren kunnen brengen.
De commissie is derhalve van oordeel dat u op die momenten met bezwaarmakers communiceert over de ontwikkeling van het gebied indien dit voor u mogelijk is. Deze bezwaargrond slaagt dan ook niet. Ad 6. Omvang te realiseren bedrijventerrein is buitenproportioneel en mogelijke alternatieve locaties Uit de door u overgelegde stukken en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de hoorzitting van 15 maart 2022 is voor de commissie duidelijk geworden dat er bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein ook rekening moet worden gehouden met zaken als landschappelijke inpassing, watercompensatie, en klimaatadaptief en hittestressbestendig bouwen. De bruto/netto-verhouding ligt doorgaans op ongeveer 50%. Dat betekent dat er uiteindelijk 20 tot 25% ha netto bedrijventerrein wordt toegevoegd. Het door de gemeente uit te voeren haalbaarheidsonderzoek naar een bestemmingsplanwijziging voor het gebied moet uitwijzen hoeveel grond er daadwerkelijk wordt uitgegeven voor de ontwikkeling van bedrijven. De commissie volgt bezwaarmakers dan ook niet in hun standpunt dat de omvang van het te realiseren bedrijventerrein buitenproportioneel is. Ten aanzien van de door bezwaarmakers naar voren gebrachte alternatieve locaties voor het realiseren van een bedrijventerrein merkt de commissie het volgende op. Uit het door u opgestelde
5
verweerschrift en hetgeen naar voren is gebracht tijdens de hoorzitting van 15 maart 2022 is voor de commissie duidelijk geworden dat er binnen de regio een groot tekort bestaat aan bedrijventerreinen. Binnen de regio moet ongeveer 60 ha netto aan regionale bedrijventerreinen gerealiseerd worden. Volgens uw vertegenwoordiger biedt Gaasperwaard op de middellange termijn de meeste kansen voor ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein en kan Gaasperwaard een wezenlijke bijdrage leveren aan het huidige urgente tekort aan regionale bedrijventerreinen in de regio. Naar het oordeel van de commissie is hiermee voldoende toegelicht waarom de locatie Gaasperwaard het meest passend is voor het ontwikkelen van een regionaal bedrijventerrein. Deze bezwaargrond treft derhalve geen doel. Ad 7. Overlast van straatraces op Gaasperwaard 1 en vrees voor overlast straatraces op Gaasperwaard 3 en Ad 8. Beloften om Hagestein landelijk en leefbaar te houden worden niet nagekomen Zoals reeds aangegeven bij de bespreking van de bezwaargronden onder ad 2, 3 en 5 ziet het bestreden besluit enkel toe op een recht van eerste koop, waarbij bezwaarmakers hun percelen allereerst moeten aanbieden aan de gemeente als zij deze willen verkopen. In deze bezwaarprocedure dient de commissie te beoordelen of het bestreden besluit op de juiste gronden tot stand is gekomen.
De door bezwaarmakers ervaren overlast van straatraces op Gaasperwaard 1 en de vrees voor overlast van straatraces op het terrein van Gaasperwaard 3 valt – hoezeer de commissie deze door bezwaarmakers ervaren overlast ook betreurt – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure. Dit geldt eveneens voor het formuleren van een oordeel over de wijze waarop invulling wordt of zou kunnen worden gegeven aan de belofte om het gebied landelijk en leefbaar te houden. In het door u opgestelde verweerschrift geeft u aan dat dit in het door de gemeente uit te voeren haalbaarheidsonderzoek naar een bestemmingsplanwijziging voor het gebied wordt aangegeven. Deze bezwaargronden treffen geen doel. Ad 9. Bron van inkomsten valt weg als gronden worden gebruikt voor ontwikkeling bedrijventerrein Zoals eerder in dit advies al is aangegeven ziet het bestreden besluit alleen toe op het recht van eerste koop door de gemeente. Het initiatief om de gronden te verkopen ligt daarmee bij bezwaarmakers. Zolang bezwaarmakers niet besluiten om hun percelen te verkopen blijven zij de eigenaar van deze gronden en blijft de bron van inkomsten bestaan. De commissie volgt bezwaarmakers dan ook niet in hun standpunt dat de gronden in het bestreden besluit voor bezwaarmakers een bron van inkomsten vormen die wegvalt als deze gronden worden ontwikkeld voor bedrijventerrein. Deze bezwaargrond slaagt niet.
Samenvattend komt de commissie tot de conclusie dat het bestreden besluit van 14 december 2021 om meerdere percelen in Hagestein op grond van artikel 5 van de Wvg aan te wijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn op de juiste gronden tot stand is gekomen. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Wvg en de Awb. Ook de formele eisen zijn correct gevolgd. De door bezwaarmakers naar voren gebrachte gronden van bezwaar treffen geen doel. Het bestreden besluit kan derhalve in stand worden gelaten. 6 Advies Gelet op het vorenstaande adviseert de commissie bezwaarschriften VHL u de bezwaarschriften ontvankelijk en ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Hoogachtend, de commissie bezwaarschriften VHL,
N.A. de Groot, voorzitter
Lon Maijen secretaris
Bijlage(n): verslag hoorzitting
6