CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

8 bijlagen BP samengevoegd

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 21 maart 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Bergstraat 27 te Leerdam22.228 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Leerdam, Bergstraat 27

Gemeente Vijfheerenlanden

Datum: 10 augustus 2023 Projectnummer: 190266

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 4 6

2

Kenmerken van het project

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving project Omvang van het project Overige kenmerken van het project

7 7 8 9

3

Plaats van het project

10

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

10 10 11

4

Kenmerken van het potentiële effect

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

15 16 18 18 19

5

Conclusie

20

Gebruikte onderzoeken/bronnen

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In de oksel van de Bergstraat, Schavet en de Nieuwstraat in het centrum van Leerdam zijn woonpercelen gesitueerd. Het betreft de adressen Bergstraat 27, 27a, 27b, 27c, 27z (transformatorhuisje), alsmede Nieuwstraat 46, 46a en 48 en 50. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen (met uitzondering van het trafohuisje) en hiervoor in de plaats een appartementengebouw te realiseren, bestaande uit maximaal 11 appartementen. Dit voornemen is echter niet mogelijk op grond van de ter plaatse geldende juridischplanologische kaders. Daarom dient een planologische procedure doorlopen te worden, waarin aangetoond wordt dat de voorgenomen ontwikkeling haalbaar is en sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Globale ligging plangebied (rode arcering) bron: pdokviewer.pdok.nl

In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag

SAB

3

neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit project.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebon-

SAB

4

den. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig project (de realisatie van maximaal 11 nieuwe appartementen in het centrum van Leerdam aan de Bergstraat) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De locatie van onderhavig project is in totaal circa 800 m2. Zoals gesteld betreft het project de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van maximaal 11 nieuwe appartementen. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ruim onder de drempelwaarde en zou een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd zijn. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan.

SAB

5

Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

SAB

6

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving project

2.2.1

Planbeschrijving Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing van het plangebied te slopen (met uitzondering van het transformatorhuisje) en hiervoor in de plaats een appartementengebouw te realiseren, bestaande uit 11 appartementen. Het gebouw zal worden voorzien van verschillende bouwhoogtes en kleurschakeringen, in overeenstemming met de verscheidenheid in de bebouwing in de omgeving. Het gebouw kent twee lagen met (grotendeels) een kap en kent maximale bouwhoogtes van 12,5 meter, 11,5 meter en 11 meter. Het gebouw krijgt twee entrees aan de oostzijde van het plangebied (Schavet). Alle appartementen, alsmede de parkeerkelder zijn via deze onderling verbonden entrees te bereiken. Aan de noordzijde is een lift beoogd. De ontwikkeling kent daarmee een levensloopbestendig karakter, waarmee gesteld kan worden dat de ontwikkeling mede geschikt is voor de ouderendoelgroep. Daarnaast is er aandacht voor een verdere verbijzondering van het gebouw. Zo kennen de appartementen balkons en wordt het dak voorzien van zonnepanelen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt zo voorzien in een toekomstbestendige en representatieve invulling van een centrumlocatie in Leerdam, welke ruimtelijk en functioneel gezien past binnen de kenmerken en karakteristieken zoals die in het plangebied en haar omgeving voorkomen.

Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de te realiseren woningen en de inrichting van het perceel.

SAB

7

Impressie beoogde woningen, met daarbij aangegeven welke gevel wordt getoond (bron: Bouwplanmakers)

2.3

Omvang van het project De oppervlakte van het totale projectgebied bedraagt circa 800 m2. De huidige bebouwing van het plangebied zal worden gesloopt (met uitzondering van het transformatorhuisje). Het te realiseren gebouw is als volgt opgebouwd: − Kelder: De kelder zal een inrit krijgen aan de Bergstraat, de uiterst noordwestelijke hoek van het plangebied, en zal ruimte bieden aan een parkeerkelder bestaande uit negen parkeerplaatsen, tien bergingen en overige voorzieningen, zoals een meterkast, trap en lift; − Begane grond: Hier is ruimte voor vier appartementen, variërend in grootte tussen de ca. 70 en 80 m2, en het trappenhuis/lift. Tevens wordt het bestaande transformatorhuisje ommuurd, waarmee het aan het zicht onttrokken wordt; − 1e verdieping: Hier is eveneens ruimte voor vier appartementen, variërend in grootte tussen de ca. 70 en 145 m2, alsmede een gezamenlijk trappenhuis/lift; − 2e verdieping: Hier is ruimte voor twee appartementen, met een oppervlakte van respectievelijk ca. 140 en 200 m2, en een gezamenlijk trappenhuis/lift.

SAB

8

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De nieuwe woningen hebben een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

SAB

9

3 3.1

Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt in het historisch centrumgebied van Leerdam. Voor het historische centrumgebied zijn de Fonteinstraat, Markt en Kerkstraat de belangrijkste hoofdstructuren. Aan deze hoofdstructuren bevinden zich voornamelijk winkelfuncties waar op de verdieping gewoond wordt. In de directe omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. Het plangebied zelf bestaat voornamelijk uit bebouwing, waarbij sprake is van verschillende goot- en bouwhoogtes, zoals dat veelvuldig voorkomt in de omgeving. De eigenheid van de afzonderlijke gebouwen binnen het plangebied wordt verder versterkt door variatie in kleurgebruik, kapvorm en architectuur. De woningen kennen geen voortuin en zijn direct gesitueerd aan de omliggende wegen, waarmee een kleine binnenplaats ontstaat. Ten slotte valt op dat het meest noordwestelijke gebouw binnen het plangebied een transformatorhuisje betreft (Bergstraat 27z). De overige gebouwen betreffen woningen, al dan niet in combinatie met een beroep c.q. bedrijf aan huis. Op de navolgende afbeeldingen zijn achtereenvolgens impressies weergegeven van het plangebied bezien vanaf de Bergstraat, Nieuwstraat en vanaf het Schavet.

Bebouwing van het plangebied aan de Bergstraat (bron: Bouwplanmakers)

SAB

10

Bebouwing van het plangebied evenwijdig aan het Schavet (bron: Google Maps)

Bebouwing van het plangebied op de hoek Nieuwstraat-Schavet (bron: Google Maps)

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

SAB

11

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het projectgebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het projectgebied is niet gelegen in een berggebied of bosgebied.

3.3.2.1

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het projectgebied ligt niet in een

•

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

•

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van de EHS.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het project-

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen

gebied liggen Natura 2000-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

gebieden (zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het projectgebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar basis van commu-

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

nautaire wetgeving reeds nor-

kwaliteit reeds worden

men worden overschreden.

overschreden Gebieden met hoge bevol-

Het projectgebied is niet gele-

kingsdichtheid

gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

•

Verdrag van Valletta

Op circa 380 meter afstand van

•

historisch belang

•

Monumentenwet

het plangebied bevindt zich mo-

•

cultureel belang

•

Gemeentelijk landschaps-

len Ter Leede (zie verder onder

ontwikkelingsplan

2). Het projectgebied heeft een

o

beschermd stads- en dorpsgezicht

•

archeologische

archeologisch belang

verwachtingswaarde (zie verder onder 3).

1. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden zijn ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ op circa 300 meter afstand. Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling, gezien de ligging van

SAB

12

onderhavig plangebied, op deze afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 2. Cultuurhistorische waarden Op circa 380 meter afstand van het plangebied is de molen Ter Leede gesitueerd. Om de molen met een vrije windvang te laten functioneren geldt dat binnen een straal van 400 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Dit heet de zogenoemde molenbiotoop. In de regels van het geldend bestemmingsplan is een regeling opgenomen, conform de Provinciale Omgevingsverordening, waarin het volgende wordt gesteld: voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. 1/30ste van 380 meter is circa 12,7 meter. Het hoogteverschil tussen het plangebied en de molenlocatie daarbij in acht genomen maakt een maximale bouwhoogte ter plaatse van het plangebied van 31,7 meter.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling maximaal 12,5 meter hoog wordt levert dit geen belemmering op voor de bescherming van de windvang van Molen Ter Leede. Het plangebied ligt verder niet in de directe omgeving ligt van rijksmonumenten. Daarnaast wordt de stedenbouwkundige structuur rondom het plangebied niet gewijzigd door toedoen van het beoogde plan. Er wordt daarentegen gezorgd voor een toekomstbestendige invulling van het plangebied, welke aansluit bij de ruimtelijke en functionele structuren zoals deze voorkomen in de omgeving. Gezien voorgaande zijn op voorhand negatieve milieueffecten op het gebied van cultuurhistorie uit te sluiten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht. 3. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek 1 uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat er in het plangebied archeologische waarden worden verwacht uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Door de sloop van de huidige bebouwing onder het huidige maaiveld kunnen archeologische waarden worden verstoord. Daarmee wordt op basis van het bureauonderzoek geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren zodra de huidige bebouwing gesloopt is. Met een 1

Bureau voor Archeologie (2020). Bergstraat 27, Leerdam: een bureauonderzoek. Projectnummer: 2020030501. 7 april 2020.

SAB

13

dergelijk onderzoek kan bepaald worden of in het plangebied intacte archeologische waarden aanwezig zijn. De eventuele aanwezige archeologische waarden in het plangebied zullen in het bestemmingsplan middels een archeologische dubbelbestemming worden beschermd. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen werkzaamheden die dieper reiken dan 30 centimeter onder maaiveld worden uitgevoerd. Wat betreft archeologie is hierdoor op voorhand geen sprake van een negatief milieueffect. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het projectgebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het projectgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het projectgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het projectgebied is niet gelegen

Provinciale verordening

in een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

SAB

14

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van maximaal 11 nieuwe appartementen in het centrum van Leerdam betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het projectgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het projectgebied bevindt zich een Natura 2000-gebied. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: Het project kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: Aangezien de voorgenomen ontwikkeling maximaal 12,5 meter hoog wordt levert dit geen belemmering op voor de bescherming van de windvang van Molen Ter Leede en is er geen sprake van negatieve effecten voor cultuurhistorische waarden door onderhavig project.

− archeologie: Een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd zodra de huidige bebouwing gesloopt is. Met een dergelijk onderzoek kan bepaald worden

SAB

15

of in het plangebied intacte archeologische waarden aanwezig zijn. De eventuele aanwezige archeologische waarden in het plangebied zullen in het bestemmingsplan middels een archeologische dubbelbestemming worden beschermd. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen werkzaamheden die dieper reiken dan 30 centimeter onder maaiveld worden uitgevoerd. Wat betreft archeologie is hierdoor op voorhand geen sprake van een negatieve milieueffecten. − water: Er is met het project geen sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. In het plan is daarnaast voldoende onverharde ruimte voor het hemelwater om te infiltreren in de bodem. De gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand zeer beperkt tot niet bestaand. − bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. − geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Leerdam (gemeente Vijfheerenlanden, provincie Utrecht). De omgeving van Leerdam kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van de rivier de Linge en een stuk naar het Noorden stroomt de rivier de Lek. In de nabijheid liggen natuurgebieden als de Zouweboezem, de uiterwaarde van de Lek, het Lingegebied en Diefdijk-Zuid. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. In het noorden bevinden zich woonwijken met daarachter het station. In het zuiden bevinden zich ook woonwijken, maar daarachter stroomt de Linge. Achter de Linge bestaat de omgeving voornamelijk uit agrarisch gebied.

4.2.2

Effecten ontwikkeling SAB heeft met een quick scan natuur 2 onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scan uiteengezet.

2

SAB (2020). Quick scan natuur. Leerdam, Nieuwstraat. Projectnummer: 190266. 6 april 2020

SAB

16

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Lingegebied en Diefdijk-Zuid, ligt op 300 meter afstand. Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt van maximaal 11 nieuwe appartementen. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling, gezien de ligging van onderhavig plangebied in het centrum van Leerdam, op deze afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofonderzoek3 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op basis van de resultaten uit de Aerius-berekeningen voor zowel de gebruiks- als de realisatiefase significant negatieve gevolgen als gevolg van stikstofdepositie op voorhand kunnen worden uitgesloten. Gezien bovenstaande zijn negatieve milieueffecten op het gebied van gebiedsbescherming niet aan de orde. Beschermde soorten In de door SAB opgestelde quick scan natuur is ook ingegaan op soortenbescherming. In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Mogelijk zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd4. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied geen essentiële elementen zijn aangetroffen. Wel werden enkele zomerverblijfplaatsen in de omgeving gevonden. Met de werkzaamheden gaan echter geen verblijfplaatsen of andere essentiële elementen voor vleermuizen verloren. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan ook niet nodig voor de ontwikkeling. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Ervan uitgaande dat de voornoemde werkwijzen worden gevolgd kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

3

Versluis Advies. AERIUS berekening stikstofdepositie t.b.v. project appartementen Nieuwstraat in Leerdam. Kenmerk: B5324/2_v2, d.d. 3 juni 2023

4

SAB (2021). Nader onderzoek vleermuizen. Leerdam, Nieuwstraat. Projectnummer: 190266

SAB

17

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie reeds bebouwd met woningen waardoor er momenteel als sprake zal zijn van een bestaande verkeersaantrekkende werking.

4.3.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met maximaal 11 nieuwe appartementen. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 5 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van 11 appartementen. Gelet op het feit dat het plangebied in het centrum van Leerdam ligt wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘centrum’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Vijfheerenlanden wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’ gebied. Voor de ontwikkeling van 11 appartementen volgt uit de kencijfers dat er maximaal 84 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabel verkeerstoename, zeker gezien het feit dat er in de huidige situatie als sprake is van een bestaande verkeersaantrekkende werking die zal verdwijnen na de sloop. De capaciteit van de omliggende wegen Bergstraat en Nieuwstraat is voldoende om deze (extra) verkeersbewegingen af te wikkelen.

Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk (centrum)gebied, waar verwacht kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een merkbaar geluidsniveau.

4.4.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met maximaal 11 nieuwe appartementen. Het verkeer vanuit het plangebied zal aansluiten op de Bergstraat en Nieuwstraat. Hier bevinden zich reeds bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting dus kunnen toenemen als gevolg van de realisatie van het plan. Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op circa maximaal 84 extra motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is evenwel te

5

CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen.

SAB

18

verwachten dat de verkeerstoename op de betreffende wegen lager zal zijn dan 40%. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de huidige etmaalintensiteit in iedergeval minimaal 190 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Zeker gezien het feit dat het plangebied zich in een omgeving bevindt met reeds hogere achtergrondconcentraties dan van in een rustige woonwijk. Gezien voorgaande is sprake van een beperkt negatief milieueffect op het gebied van geluid. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig milieueffect.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende kaarten brengen de achtergrondconcentraties in beeld. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie 20 - 25 µg/m3 20 - 21 µg/m3 12 - 13 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Uit bovenstaande tabel blijkt dat sprake is van relatief hoge achtergrondconcentraties voor wat betreft stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissieconcentraties 40 µg/m 3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. In alle gevallen blijven de achtergrondwaarden beneden deze grenswaarden. 4.5.2

Effecten ontwikkeling Onderliggend plan voorziet in de realisatie van 11 appartementen. Gezien deze omvang is het project ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig project onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

SAB

19

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 11 nieuwe appartementen in de oksel van de Bergstraat, Schavet en de Nieuwstraat in het centrum van Leerdam belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De huidige bebouwing (met uitzondering van het trafohuisje) zal hierbij worden gesloopt. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Lucht

SAB

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofonderzoek toont aan dat geen negatieve effecten op het nabij gelegen Natura-2000 gebied aan de orde zijn. Het aspect natuur (gebiedsbescherming) vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig project. Het uitgevoerde natuuronderzoek heeft uitgewezen dat mogelijk verblijfsplaatsen van vleermuizen in de omgeving liggen. Nader onderzoek heeft aangetoond dat er zich geen essentiële elementen voor vleermuizen op de locatie bevinden. Ervan uitgaande dat de zorgplicht in acht genomen wordt zijn hiermee de negatieve effecten op zijn hoogst beperkt. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De nieuwe woonontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeersaantrekkende werking en deze kan zonder afwikkelingsproblemen worden aangesloten op de bestaande infrastructuur. Zeker gezien het feit dat in de huidige situatie reeds sprake is van een bestaande verkeersaantrekkende werking die zal verdwijnen. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de nieuwe woonontwikeling zal er sprake zijn van een beperkte verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen.

Verwacht mag worden dat de toename van het verkeer op de Bergstraat en Nieuwstraat echter minder dan 40% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit zal bedragen. Gezien voorgaande zijn de negatieve effecten op zijn hoogst beperkt. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het

20

project draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

SAB

21

Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken − Quick scan natuur − Nader onderzoek natuur − Stikstof onderzoek − Archeologisch bureauonderzoek Bronnen − Risicokaart www.risicokaart.nl − Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken − Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/ − Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/ − CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/ − Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken − Interactieve kaarten provincie Overijssel http:// gisopenbaar.overijssel.nl/ − AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/ − Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

DE KLINKER MILIEU

VERKENNEND BODEMONDERZOEK volgens NEN 5740 Bergstraat 27 Leerdam

Datum:

11 mei 2020

Adviesbureau:

De Klinker Milieu Verlengde Ooyerhoekseweg 9 7207 BJ Zutphen 0575-517298

Rapportnummer:

K202541

Opdrachtgever:

SAB

Auteur: N. Looman

Paraaf

Gecontroleerd door W. Wilbrink

Paraaf

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................2 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................3 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie...................................................................................3 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging........................................................................3 2.3 Verwachte bodemkwaliteit .......................................................................................................4 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................4 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving .............................................................................................4 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? ...............................................................................................4 2.7 Hypothese en strategie .............................................................................................................5 3 ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................6 3.1

Onderzoeksopzet.......................................................................................................................6 3.2 Veldonderzoek...........................................................................................................................6 4 ONDERZOEKSRESULTATEN ...............................................................................................................8 4.1 Globale bodemopbouw .............................................................................................................8 4.2 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................8 4.3 Veldmetingen ..................................................................................................................................8 4.3 Toetsingskader ..........................................................................................................................8 4.3.1 Wet bodembescherming .................................................................................................. 9 4.3.2 Besluit bodemkwaliteit..................................................................................................... 9 4.4 Analyseresultaten grond en grondwater ...............................................................................

10 4.5 Toetsing hypothese ................................................................................................................ 11 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 12 5.1 Conclusies ............................................................................................................................... 12 5.2 Algemeen................................................................................................................................ 12 Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7:

Ligging onderzoekslocatie Boorstaten en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten Toetsingstabellen Situering monsterpunten Checklist vooronderzoek Vooronderzoek

Rapportnummer: K202541

1

1 INLEIDING In opdracht van SAB is door De Klinker Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Bergstraat 27 te Leerdam. Het perceel is kadastraal bekend als:  gemeente leerdam;  sectie B;  perceelnummer 906, 3071, 3530, 9282 en 9283. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 535 m2. In bijlage 1 is de regionale ligging opgenomen en bijlage 5 voor een overzicht van de onderzoekslocatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het door De Klinker Milieu gehanteerde kwaliteitssysteem en de toepassing daarvan voldoet aan NENEN-ISO 9001 (2008). Tussen De Klinker Milieu en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. In voorliggende rapportage wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. In hoofdstuk 2 worden de tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie, de globale bodemopbouw, de geohydrologische gegevens en de hypotheses weergegeven.

Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksopzet en de uitgevoerde werkzaamheden. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten weergegeven in hoofdstuk 4. Tot slot worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 5.

Rapportnummer: K202541

2

2

VOORONDERZOEK

Onderstaand wordt de informatie gepresenteerd die tijdens uitvoering van het vooronderzoek is verzameld. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Leerdam, sectie B, perceelnummers 906, 3071, 3530, 9282 en 9283 (bron: Kadaster). Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken. 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging De onderzoekslocatie betreft een grotendeels bebouwd terrein in het centrum van Leerdam met een oppervlakte van 535 m2 omgeven door woningen.

De locatie bevindt zich in het oude gedeelte van Leerdam (hoge archeologische verwachting, laat middeleeuws; bron SOB research; 2014 plangebied Noordwal en Bergstraat) en is waarschijnlijk in het verleden opgehoogd. De locatie is grotendeels bebouwd en verhard. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden d.d. 26 maart 2020 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Het terrein is grotendeels bebouwd en verhard met tegels. Zie onderstaande foto’s.

Volgens informatie van de RUDUtecht (mail van R. Hellings) is op het onderzochte perceel geen bodeminformatie bekend. Uit het bodemloket is gebleken dat zich ten westen van nummer 27 een garagebedrijf heeft bevonden. Aldus bodemloket moet ter plaatse nog een nader onderzoek uitgevoerd worden. Aangenomen is dat het onderzoek inmiddels is uitgevoerd en afgerond. Er staan huizen. Ten oosten bevond zich een burgerlijk en utiliteitsbedrijf. De status van het oostelijk gelegen terrein is “voldoende onderzocht”. (bodemonderzoeken uitgevoerd door Tukkers milieu in 1999 (met projectnummer CD99/1271/40642) en UDM adviesbureau in 2005 (projectnummer UDM 05.02.0841)

Rapportnummer: K202541

3

Uit de voorinformatie is naar voren gekomen dat op de locatie behoudens de ophooglaag geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging zijn. 2.3 Verwachte bodemkwaliteit De locatie heeft als bodemfunctieklasse: industrie (bron bodemloket) 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B38H0046 van het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. De bodemopbouw laat zich globaal als volgt beschrijven:

De regionale grondwaterstroming is globaal West (bron: grondwatertools). 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving Uit het vooronderzoek is geen informatie naar voren gekomen die erop kan duiden dat eventuele verontreinigingen uit de omgeving een negatieve invloed kunnen uitoefenen op onderhavige locatie. 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend.

Rapportnummer: K202541

4

2.7 Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2.2: Geselecteerde deellocaties en hypothese Deellocatie

Oppervlakte Hypothese Verdachte stoffen en Strategie* (m²) bodemlaag Gehele terrein 535 Onverdacht** ONV-NL * ONV-NL = onverdachte, niet lijnvormige locatie ** de stoffen in een eventueel aanwezige ophooglaag worden geanalyseerd in de onverdachte analysepakketten.

Indien in de geanalyseerde monsters geen van de onderzochte stoffen aanwezig zijn in een concentratie boven de streefwaarde uit de “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en of de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop) wordt de hypothese onverdacht aangenomen.

Rapportnummer: K202541

5

3

ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1 Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 535 m2. Het aantal boringen per laag, het aantal peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In tabel 3.1 worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven. Tabel 3.1: Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Locatie

Veldwerk

Analyses

Gehele terrein

4 boringen tot 0,5 m-mv 1 boring tot 2,0 m-mv 1 peilbuis

1x standaardpakket grond (laag 0,0-0,5 m-mv) 1x standaardpakket grond (laag 0,5-2,0 m-mv) 1x standaardpakket grondwater

De opgeboorde grond wordt in trajecten van maximaal 50 cm bemonsterd, of anders afhankelijk van de veldwaarnemingen en bodemlagen. 3.2 Veldonderzoek In tabel 3.2 worden de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 3.2: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie

Aantal boringen (excl. peilbuizen)

Aantal peilbuizen

Gehele terrein

4 boringen tot 0,5 m-mv (3, 4, 5 en 6) 1 boring tot 2,0 m-mv (2)

1 peilbuis (PB1, filterstelling 1,3-2,3 m-mv)

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 26 maart 2020 (boorwerkzaamheden) door de heer D. van Konijnenburg en op 3 april 2020 (monsterneming grondwater) door de heer W. Lichtenberg. Zowel De Klinker Milieu als de heren Konijnenburg en Lichtenberg zijn erkend voor het uitvoeren van deze werkzaamheden (certificaat K25343/16). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olie-achtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2.

Rapportnummer: K202541

6

3.3 Chemisch onderzoek De geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling staan weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling Deellocatie

Monster

Samenstelling

Traject (m-mv)

Analyse

Gehele terrein

BG1

G

1-1, 2-1, 4-1, 5-1

0,0-0,5

Standaardpakket grond

OG1

G

1-2, 1-3, 1-4, 2-2 en 2-3

0,5-2,0

Standaardpakket grond

1-1-1

W

1-1-1

1,3–2,3

Standaardpakket grondwater

G=grond W=grondwater

Het samenstellen van de mengmonsters en de grond- en grondwateranalyses is uitgevoerd door Eurofins Analytico Milieu te Barneveld (Raad voor de Accreditatie (RvA)- erkend laboratorium (NEN-ENISO/IEC 17025). Tevens is Eurofins Analytico Milieu ISO 14001 (2004) gecertificeerd en AS 3000 erkend. In de onderstaande tabel worden de samenstelling van de standaard analysepakketten weergegeven. Tabel 3.4: Samenstelling standaard analysepakketten. Grond

Grondwater

metalen: Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK (10 van VROM))

*

PCB (7)

*

minerale olie

*

vluchtige aromaten, incl. naftaleen en styreen

* *

vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride, chloorpropanen en bromoform)

*

geleidbaarheid, pH en troebelheid

*

Rapportnummer: K202541

7

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1 Globale bodemopbouw Een globale beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 4.1: Lokale bodemopbouw Diepte [m-mv] 0,0 – 0,5 0,5 – ca 1,5 Ca 1,5 – 2,3

Bodemsamenstelling Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, Klei zwak zandig Veen

Opmerkingen -

Globaal is de bodem tot een diepte van 0,5 m –mv opgebouwd uit zand, plaatselijk matig kleihoudend met daaronder tot een diepte van circa 1,5 m –mv. zwak zandige klei. Tot einddiepte van de boringen is veen aangetroffen. Gedurende het veldwerk bevond het grondwater zich op een diepte van circa 0,7 m -mv 4.2 Zintuiglijke waarnemingen De tijdens de veldwerkzaamheden waargenomen zintuiglijke afwijkingen in de bodem zijn weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2: Zintuiglijke afwijkingen Boring 1 2 4 5

Traject (m-mv)

Zintuiglijke afwijking

0,05 – 0,5 0,05 – 0,5 0,05 - 0,5 0,05 – 0,5

Matig baksteenhoudend Matig baksteenhoudend Zwak beksteenhoudend Zwak baksteenhoudend

Uit de zintuiglijke waarnemingen is naar voren gekomen dat ter plaatse van de monsterpunten 1, 2, 3 en 5 in de bovengrond een bijmenging is aangetroffen van baksteen. 4.3 Veldmetingen Bij bemonstering van het grondwater uit de peilbuizen is de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De meetresultaten zijn opgenomen in tabel 4.3. Tabel 4.3: Grondwaterstand, zuurgraad, geleidbaarheid en de troebelheid grondwater Peilbuis

Plaatsingsdatum

Bemonsteringsdatum

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

Zuurgraad pH

Geleidbaarheid EGV (µS/cm)

Troebelheid (ntu)

1

26-03-2020

3-04-2020

1,3-2,3

0,70

6,7

1280

34,9

De troebelheid van het grondwater is hoger dan 10 NTU. Een hoge troebelheid kan invloed hebben op de analyseresultaten. Geen van de overige gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. 4.3 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa).

Rapportnummer: K202541

8

4.3.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde1 tussenwaarde2

= =

interventiewaarde

=

referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek

De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde

= = = =

niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd

De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 4.3.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren.

Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota.

1

Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.

2 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.

Rapportnummer: K202541

9

Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie

(a)

(b)

= = =

Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie

De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X

2

7

16

27

37

Y

1

2

3

4

5

De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d3d2e237-4bcb-4e78-be00-590e248b26be