CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

27. (WOS) NIBUD minima.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 22 april 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie I: schriftelijke mededelingen van college of griffie16.942 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage Avres 2018 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Minima-effectrapportage Hoeksche Waard/ 1

Minima-effectrapportage Avres 2018 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Voorwoord Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting. Het Nibud heeft tot doel particuliere huishoudens inzicht te lat en verkrijgen in hun inkomsten en uitgaven, en vaardigheden aan te leren om planmatig met geld om te gaan. Het Nibud probeert dit doel te bereiken door rechtstreeks voorlichting te geven, zowel via de massamedia als via eigen brochures over diverse budgeto nderwerpen, zoals kostgeld en alimentatie. Daarnaast wil het Nibud hetzelfde doel bereiken via professionals die zich bezighouden met vormen van financiële advisering en voorlichting. Dit zijn functionarissen uit zowel de maatschappelijke hulp- en dienstverlening als het financieel bedrijfsleven, en sectoren van het onderwijs. Het Nibud ondersteunt deze groepen met eigen publicaties (Budgethandboek, Prijzengids) en door deskundigheidsbevordering in de vorm van opleidingen en trainingen. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid.

Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten om met het geld bestemd voor minimabeleid, de doelgroep zo effectief mogelijk te ondersteunen. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van Avres. Avres voert de Participatiewet uit voor zes gemeenten in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, te weten Gorinchem, Giessenlanden, Molenwaard, Leerdam, Lingewaal en Zede rik. Deze gemeenten hebben vrijwel dezelfde regelingen ten aanzien van het minimabeleid. Alleen de gemeente Lingewaal wijkt af wat betreft de vergoeding voor sociale participatie. Daarnaast is de hoogte van de gemeentelijke heffingen niet in alle gemeenten gelijk. In de begrotingen wordt gerekend met een gemiddelde van de tarieven van de zes gemeenten. In bijlage 4 worden de saldi van de afzonderlijke gemeenten gepresenteerd, waarbij is uitgegaan van de daadwerkelijke tarieven per gemeente. Ook de afwijkende vergoedingen van Lingewaal zijn hierin meegenomen.

Utrecht, juni 2018 Minima-effectrapportage Avres/ 3

4 / Minima-effectrapportage Avres

Inhoud Voorwoord .................................................................................................................... 3 1. Inleiding .................................................................................................................... 7 1.1 Centrale vraag .......................................................................................................... 7 1.2 Kern minima-effectrapportage .................................................................................. 7 1.3 Uitgangspunten minima-effectrapportage ................................................................. 8 1.4 Leeswijzer .............................................................................................................. 10 2. Onderzoeksmethode: begrotingen ........................................................................ 11 2.1 Inleiding ................................................................................................................. 11 2.2 Basispakket & restpakket ....................................................................................... 11 2.3 Uitgavensoorten ..................................................................................................... 13 2.4 Inkomsten .............................................................................................................. 14 3.

Minimabeleid .......................................................................................................... 15 3.1 Landelijk minimabeleid ........................................................................................... 15 3.2 Lokaal minimabeleid ............................................................................................... 15 3.2.1

Kwijtscheldingsbeleid .................................................................................. 15

3.2.2

Collectieve (aanvullende) zorgverzekering .................................................. 16

3.2.3

Individuele inkomenstoeslag ........................................................................ 17

3.2.4

Regionaal declaratiefonds Sportieve, culturele of recreatieve activiteiten .... 17

3.2.5

Regelingen voor kinderen tot 18 jaar ........................................................... 18

3.2.6

Regeling gebruiksgoederen ......................................................................... 18

3.2.7

Kinderopvang en peuterspeelzaal ................................................................ 18

3.2.8

Individuele bijzondere bijstand ..................................................................... 19

4. Resultaten ............................................................................................................... 20 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven ................................................................................ 20 4.2 Resultaten per huishoudtype .................................................................................. 22 4.2.1

Na invulling van alleen het basispakket ....................................................... 22

4.2.2

Na invulling van zowel het basis- als het restpakket .................................... 22

4.3 Resultaten per inkomensniveau ............................................................................. 25 4.3.1

Na invulling van alleen het basispakket ....................................................... 25

4.3.2

Na invulling van zowel het basis- als het restpakket .................................... 25

4.4 Resultaten voor huishoudens met een langdurig laag inkomen .............................. 27

5 / Minima-effectrapportage Avres

5. Conclusies en aanbevelingen ................................................................................ 29 5.1 Algemeen ............................................................................................................... 29 5.2 Regelingen ............................................................................................................. 30 5.3 Huishoudtypen ....................................................................................................... 35 5.4 Armoedeval ............................................................................................................ 37 Bijlage 1: Begrotingen ............................................................................................... 39 Bijlage 2: Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven ............................................. 49 Bijlage 3: Verantwoording uitgaven .......................................................................... 51 Bijlage 4: Resultaten afzonderlijke Avres-gemeenten ............................................. 55

6 / Minima-effectrapportage Avres

1. Inleiding 1.1 Centrale vraag Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatre gelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensond ersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de Avres-gemeenten? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeenten goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen m inder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk. Het doel van een minima-effectrapportage is inzicht te geven in de koopkracht van de armste groepen in de gemeenten en in de effecten van landelijke en gemeentelijke maatregelen daarop. De resultaten van de effectrapportage kunnen als basis dienen voor de verdere ontwikkeling van het minimabeleid van Avres.

1.2 Kern minima-effectrapportage In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de koopkracht inzichtelijk gemaakt. In overleg met Avres is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een echtpaar zonder kinderen; f.

Een ouder echtpaar (AOW-gerechtigd);

g. Een echtpaar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Een echtpaar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar).

7 / Minima-effectrapportage Avres

De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de koopkracht van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. Voor elk van de acht huishoudens worden berekeningen gemaakt bij de volgende inkomens: •

netto minimuminkomen (norm Participatiewet of AOW);

•

110 procent van het netto minimuminkomen;

•

120 procent van het netto minimuminkomen;

•

130 procent van het netto minimuminkomen.

Onder netto minimuminkomen verstaan we het toepasselijk minimuminkomen voor een specifiek type huishouden. Voor een alleenstaande onder de AOW -leeftijd is dit gelijk aan 70 procent van het wettelijk minimumloon. Voor een alleenstaande vanaf de AOW leeftijd is dit gelijk aan de hoogte van de AOW. Bij 110 tot en met 130 procent van het netto minimuminkomen vermenigvuldigen we de toepasselijke bijstandsnorm met respectievelijk 1,1, 1,2 en 1,3. Het kan vóórkomen dat een huishouden met een inkomen op 110 procent van het minimum hiervan minder overhoudt dan een huishouden op 100 procent van het minimum, omdat de eerste groep huishoudens buiten de regelingen voor financiële ondersteuning valt. Tegelijkertijd kunnen de uitgaven toenemen (bijvoorbeeld door werkgerelateerde kosten als iemand vanuit de bijstand uitstroomt naar werk). Dit rapport maakt dit effect, de armoedeval, inzichtelijk. Bij huishoudens boven de AOW -leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat zij gewoonlijk niet uitstromen van een uitkering naar betaald werk. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmog elijkheid bij een hoger inkomen. Voor het gemak wordt dit ook als armoedeval aangemerkt. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. In dit onderzoek wordt gerekend met een gemiddelde huur van 537 euro.

Deze huur is in overleg met de grootste woningbouwcorporatie uit de regio vastgesteld.

1.3 Uitgangspunten minima-effectrapportage In deze rapportage wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn wellicht niet altijd realistisch, maar voor de vergelijkbaarheid van groepen huishoudens is dit wel noodzakelijk. Dit neemt niet weg dat de begroting van individuele huishoudens er anders uit kan zien dan in deze rapportage weergegeven.

8 / Minima-effectrapportage Avres

•

Uitgangspunt in een minima-effect onderzoek is het totaal besteedbaar maandinkomen. Voor de berekening van het totaal besteedbaar inkomen wordt uitgegaan van het netto inkomen (uitkering of salaris) plus inkomsten als vakantietoeslag, zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag.

•

De bedragen in de begrotingen zijn zoveel mogelijk toegespitst op de lokale situatie. Zo wordt onder meer uitgegaan van veel voorkomende huren in de betreffende gemeenten, van de gemeentelijke tarieven voor afvalstoffenheffing, rioolheffing en hondenbelasting en van de belastingen van het waterschap. Ook de kwijtschelding voor gemeentelijke heffingen en heffingen van het waterschap worden in het basispakket verwerkt.

•

In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. In werkelijkheid kunnen huishoudens, al dan niet vrijwillig, meer uitgeven aan de diverse posten in de begrotingen. Zij hebben bijvoorbeeld een hogere huur, of zij willen meer uitgeven aan kleding. Dergelijke individuele situaties zijn niet in dit onderzoek meegenomen. Door de begrotingen sober te houden, wordt in beeld gebracht hoe de financiële situatie eruit ziet in het gunstigste geval (als alle kosten laag gehouden kunnen worden). Heeft een huishouden hogere kosten, dan zullen de saldi lager zijn.

•

Met name bij de hogere inkomensniveaus zal het bestedingspatroon er anders uit kunnen zien. Zo geven huishoudens met een hoger inkomen in de regel meer uit aan zaken als huur, kleding, voeding, etc. Om het effect van mogelijke (landelijke en gemeentelijke) inkomensondersteunende regelingen goed met elkaar te kunnen vergelijken, gaan we in deze rapportage bij alle inkomensniveaus uit van hetzelfde (minimale) bestedingspatroon.

•

Bij een inkomensniveau van 100 procent, gaan we ervan uit d at het betreffende huishouden een bijstandsuitkering ontvangt, bij de hogere inkomensniveaus wordt ervan uitgegaan dat sprake is van werk (en worden kosten voor woon werkverkeer in de begrotingen opgenomen). Deze keuze is gemaakt omdat gemeenten vaak inzichtelijk willen hebben in hoeverre ‘werken loont’. Uiteraard is het mogelijk dat een huishouden met een inkomen boven 100 procent van de bijstandsnorm geen werk heeft, maar leeft van een ander soort uitkering, zoals een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

9 / Minima-effectrapportage Avres

•

In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit, omdat dit per huishouden kan verschillen.

•

Ook gaan we er in dit onderzoek niet van uit dat huishoudens schulden hebben (die afgelost moeten worden), omdat dit per individueel geval kan verschillen.

•

We gaan ervan uit dat huishoudens optimaal gebruik maken van landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende regelingen. Het is niet mogelijk om willekeurig een aantal regelingen weg te laten. Hiermee wordt waarschijnlijk een te gunstig beeld geschetst omdat in praktijk niet alle regelingen worden aangevraagd. De saldi zoals in deze rapportage gepresenteerd zullen dus eerder te hoog dan te laag zijn.

1.4 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 gaat in op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de lokale inkomensondersteunende regelingen die worden doorberekend in deze effectrapportage. Vervolgens geeft hoofdstuk 4 de onderzoeksresultaten. In hoofdstuk 5 staan de conclusies en aanb evelingen. De begrotingen met toelichting staan in een aantal bijlagen. Ook wordt in de bijlagen meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

10 / Minima-effectrapportage Avres

2. Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor acht verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning leven. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder mensen met lage inkomens. Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoor beeld jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag.

Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven. De uitgavenkant vullen we in volgens de methode van het basispakket en het restpakket.

2.2 Basispakket & restpakket ➢

Het basispakket: alle uitgaven die als noodzakelijk kunnen worden beschouwd.

➢

Het restpakket: het bedrag dat overblijft nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan is bestemd voor de meer vrije bestedingen. De uitgaven in het restpakket worden in twee delen gesplitst: de uitgaven voor sociale participatie en de overige uitgaven.

11 / Minima-effectrapportage Avres

In bijlage 3 staan de uitgangspunten en de samenstelling van het basis- en het restpakket beschreven. Het basispakket en het restpakket zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De kosten van het restpakket nemen toe, naarmate het inkomen stijgt. In de eerste plaats komt dit door hogere reiskosten. Iemand met een inkomen (net) boven het sociaal minimum zal een laagbetaalde baan hebben en kosten voor woon -werkverkeer maken. Soms worden deze kosten door de werkgever vergoed, maar in deze rapportage wordt daar niet van uitgegaan. Bovendien worden de kosten voor participatie verminderd met het bedrag dat de Avresgemeenten hiervoor beschikbaar stellen. Deze vergoedingen worden verstrekt tot een inkomensniveau van 120 procent. Boven dit inkomensniveau vervallen de bijdragen, waardoor de kosten van participatie hoger uitvallen en het restpakket dus duurder wordt. Naast de uitgaven zoals gespecificeerd in het pakket aan sociale participatie kunnen nog allerlei overige uitgaven als voorbeeld in het restpakket worden opgenomen.

In dit onderzoek zijn dat: ➢ de kosten voor woon-werkverkeer; ➢ zakgeld voor de kinderen; ➢ de kosten voor een huisdier.

Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is individuele bijzondere bijstand mogelijk. Individuele bijzondere bijstand is het vangnet door dergelijke kostenposten, maar is niet in de begrotingen opgenomen, omdat dit afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

12 / Minima-effectrapportage Avres

2.3 Uitgavensoorten In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven:

VASTE LASTEN ➢

Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven.

RESERVERINGSUITGAVEN ➢

Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen.

HUISHOUDELIJKE UITGAVEN ➢

Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt.

De kaders hieronder geven weer welke uitgavenposten onder elk van de categorieën (vaste lasten, reserveringsuitgaven, huishoudelijke uitgaven) vallen.

Vaste lasten Huur Energie Gas Elektriciteit Water Gemeentelijke heffingen Waterschapsheffingen Telefoon, televisie, internet Verzekeringen Zorgverzekering: basis Zorgverzekering: aanvullend Overige verzekeringen Onderwijs Kinderopvang Bankkosten Vervoer

13 / Minima-effectrapportage Avres

Reserveringsuitgaven Kleding en schoenen Inventaris Onderhoud huis en tuin Eigen risico Eigen bijdragen Zelfzorgmedicijnen

Huishoudelijke uitgaven Voeding Was- en schoonmaakmiddelen Persoonlijke verzorging Huishoudelijke dienstverlening

In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal.

2.4 Inkomsten In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW -uitkering), 110, 120 en 130 procent van het netto minimuminkomen. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen , kortingen op de belasting, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag en kindgebonden budget. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle regelingen die op hen van toepassing zijn.

Inkomensgrens alleenstaande ouders Vanaf 1 januari 2015 is de toeslag voor alleenstaande ouders in de bijstand van 20 procent komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is een alleenstaande -ouderkop aan het kindgebonden budget toegevoegd van maximaal 3.101 euro per jaar (2018).

Dit heeft gevolgen voor de inkomensgrens van 110 procent. Als wordt uitgegaan van de bijstandsnorm vermenigvuldigd met 1,1, wordt de doelgroep van het minimabeleid veel kleiner dan in periode vóór 2015. De Avres-gemeenten kijken daarom bij het bepalen van de inkomensgrens naar de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders en tel len daar de maximale alleenstaande-ouderkop bij op.

Voor de vergelijkbaarheid is in de begrotingen de uitkomst van deze berekening opgenomen bij het netto inkomen. Het kindgebonden budget is voor deze huishoudens verlaagd met de alleenstaande-ouderkop, omdat het anders tot een dubbeltelling zou leiden.

14 / Minima-effectrapportage Avres

3. Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod. Per regeling wordt een korte beschrijving gegeven van de belangrijkste kenmerken en voorwaarden.

3.1 Landelijk minimabeleid Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingsko rtingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en de [alleenstaande] ouderenkorting), landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) en de kinderbijslag in de berekeninge n opgenomen.

3.2 Lokaal minimabeleid Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen hebben de Avresgemeenten voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de berekeningen komen in de vol gende paragrafen aan bod.

3.2.1

Kwijtscheldingsbeleid

In de Avres-gemeenten kan kwijtschelding worden aangevraagd voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De meeste gemeenten hanteren een vast tarief voor eenpersoonshuishoudens en voor meerpersoonshuishoudens. Lingewaal hanteert voor de afvalstoffenheffing een basisbedrag en een bedrag per lediging. De gemeenten Giessenlanden, Molenwaard en Zederik werken bij rioolheffing met een tarief dat afhankelijk is van de hoeveelheid verbruikt water. In de begrotingen wordt gerekend met een gemiddelde van de tarieven van de ze s gemeenten. In bijlage 4 worden de saldi van de afzonderlijke gemeenten gepresenteerd, waarbij is uitgegaan van de daadwerkelijke tarieven per gemeente . De gemeenten toetsen bij het vaststellen van de kwijtschelding aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit 15 / Minima-effectrapportage Avres

berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. Vanaf 2012 kunnen gemeenten bij de berekening van de kwijtschelding ook rekening houden met de kosten van kinderopvang. De Avres-gemeenten maken van deze mogelijkheid gebruik. Van de betalingscapaciteit dient 80 procent te worden aangewend voor de betaling van de gemeentelijke heffingen. Bij het waterschap Rivierenland is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing. Het waterschap legt daarnaast een aparte aanslag wegenheffing op. Deze heffing is bedoeld ter bestrijding van de kosten die de waterschappen maken in verband met het beheer en onderhoud van circa 7.500 km fietspaden en wegen buiten de bebouwde kom. De wegenheffing moet worden betaald ongeacht of van de waterschapswegen gebruik wordt gemaakt en ongeacht of men een auto in bezit heeft. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeenten, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend.

3.2.2

Collectieve (aanvullende) zorgverzekering

Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom biedt Avres inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan bij zorgverzekeraar VGZ. Deelnemers kunnen kiezen voor een pakket met of zonder herverzekerd eigen risico. In deze rapportage wordt gerekend met de premie van het pakket inclusief herverzekerd eigen risico. De premie van dit GemeentePakket Compleet bedraagt 142,60 euro (na aftrek van de gemeentelijke bijdrage en de korting van de verzekeraar). Ook de tandartsverzekering is in deze verzekering opgenomen. Om voor deelname aan de collectieve zorgverzekering in aanmerking te komen, hanteert Avres een inkomensgrens van 120 procent van de toepasselijke norm. Er is een vermogensgrens van 42.660 euro. De kosten voor de zorgverzekering zijn opgenomen onder de post “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 16 / Minima-effectrapportage Avres

Voor huishoudens die van de collectieve zorgverzekering gebruik kunnen maken is de post “eigen risico” op nul gezet. Voor de huishoudens met een inkomen boven de 120 procent is wel een bedrag voor het eigen risico opgenomen onder de reserverings uitgaven. We gaan ervan uit dat huishoudens met een laag inkomen voor deze kosten reserveren, omdat zij dit bedrag (mocht dit onverwachts nodig zijn), niet ‘op de plank zullen hebben liggen’. Naast de collectieve zorgverzekering kent Avres ook een regeling voor chronisch zieken en mensen met een beperking. Inwoners kunnen hier alleen gebrui k van maken als ze aan kunnen tonen dat zij tot de doelgroep horen. Daarom is deze regeling niet meegenomen in dit onderzoek.

3.2.3

Individuele inkomenstoeslag

De individuele inkomenstoeslag die Avres verstrekt, is bedoeld voor huishoudens tussen de 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende een periode van drie jaar over een inkomen beschikken dat niet hoger is dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Voorwaarden om voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen zijn dat men geen eigen vermogen heeft conform de normen in de Participatiewet en dat er geen zicht is op inkomensverbetering. Daarbij wordt rekening gehouden met de eigen krachten en bekwaamheden en met de eigen inspanningen om het inkomen te verbeteren. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt voor alleenstaanden 350 euro per jaar, voor alleenstaande ouders 450 euro per jaar en voor (echt)paren 500 euro per jaar. Bij de resultaten van deze rapportage wordt een vergelijking gemaakt tussen huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag en huishoudens die hier geen recht op hebben.

3.2.4

Regionaal declaratiefonds Sportieve, culturele of recreatieve activiteiten

De Avres-gemeenten kennen een regeling ter bevordering van deelname aan sociaalculturele, recreatieve en sportieve activiteiten. De regeling is bedoeld voor inwoners van de Avres-gemeenten van 18 jaar of ouder, met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Het vermogen mag niet meer bedragen dan het wettelijk vrij te laten vermogen zoals opgenomen in de Participatiewet. De hoogte van de bijdrage bedraagt maximaal 116 euro per persoon per jaar. In de gemeente Lingewaal is dit 250 euro. In de begrotingen wordt deze bijdrage verrekend met de post “v ergoeding restpakket”.

17 / Minima-effectrapportage Avres

3.2.5

Regelingen voor kinderen tot 18 jaar

Huishoudens met kinderen en met een inkomen tot 120 procent van de geldende bijstandsnorm kunnen in aanmerking komen voor diverse vergoedingen: •

In de Avres-gemeenten is een vergoeding mogelijk voor schoolkosten. Voor kinderen op het basisonderwijs bedraagt deze vergoeding 143 euro, voor kinderen op het voortgezet onderwijs kan 329 euro gedeclareerd worden. In de begrotingen zijn deze vergoedingen (rekening houdend met de leeftijd van de kinderen), verrekend met de post “onderwijs”.

•

Ook voor sportieve- en/ of sociaal-culturele activiteiten is een vergoeding mogelijk. Voor kinderen van 0 jaar tot en met de basisschoolleeftijd is deze vergoeding 175 euro per kind per jaar (en in Lingewaal 250 euro). Kinderen in het voortgezet onderwijs komen in aanmerking voor 220 euro (250 euro in Lingewaal). In de begrotingen worden deze vergoedingen verrekend met de post “vergoeding restpakket”.

3.2.6

Regeling gebruiksgoederen

Voor de vervanging of reparatie van duurzame gebruiksgoederen, zoals een koelkast, wasmachine, bed, matras en dergelijke, is een bijdrage mogelijk van maximaal 400 euro per vijf jaar. De bijdrage is alleen bedoeld voor gezinnen met kinderen met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De bijdrage voor gebruiksgoederen is niet in de begrotingen opgenomen, maar meegenomen bij de resultaten inclusief de individuele inkomenstoeslag. Dit is gedaan omdat alleen gezinnen die vijf jaar of langer moeten rondkomen van een inkomen op minimumniveau voor de vergoeding in aanmerking komen. Per maand rekenen we een bedrag van 400 euro gedeeld door 5 (jaar) gedeeld door 12 (maanden), wat neerkomt op 6,67 euro.

3.2.7

Kinderopvang en peuterspeelzaal

Kinderopvang Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met twaalf jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. In de Avres-gemeenten kan deze eigen bijdrage vergoed worden vanuit de Participatiewet, als sprake is van een traject naar werk vanuit de bijstand. Daar wordt in deze rapportage niet van uitgegaan.

18 / Minima-effectrapportage Avres

Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een hoger inkomen wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang.

Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering (die geen traject naar werk volgt) hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken, omdat deze ouder geen werk heeft en het kind dus zelf kan opvangen. Daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat gebruik wordt gemaakt van de peuterspeelzaal. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan een van beide partners werkt (met een inkomen vanaf 110 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuterspeelzaal. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. D it is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Deze huishoudens betalen voor de peuterspeelzaal een uurtarief dat per (Avres)gemeente verschillend is. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Indien er recht bestaat op kinderopvangtoeslag, dan is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.8

Individuele bijzondere bijstand

De Avres-gemeenten verstrekken voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Tot een inkomen van 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld. Daarboven geldt een draagkrachtpercentage van 30 procent. Voor woonkosten is dit percentage 100 procent. Het vermogen mag niet hoger zijn dan het wettelijk vrij te laten vermogen conform de Participatiewet. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

19 / Minima-effectrapportage Avres

4. Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Eerst komen de verschillen tussen de huishoudtypen in de Avres-gemeenten aan bod. Vervolgens worden de verschillende inkomensniveaus met elkaar vergeleken. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: •

alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan;

•

zowel de uitgaven uit het basispakket als het restpakket zijn gedaan;

•

alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT);

•

zowel de uitgaven uit het basispakket als het restpakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT).

Verder is de volgende codering weergegeven: •

Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven.

•

Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje.

•

Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval).

•

Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval).

Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 82 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven uit het restpakket zijn gedaan, dan is er een tekort van 17 euro. Hierbij is rekening gehouden met landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. In bijlage 1 worden de resultaten uitgebreider gepresenteerd.

20 / Minima-effectrapportage Avres

Tabel 1: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven a. Alleenstaande

100% 110% 120% 130%

€ € € €

saldo na basispakket 82 172 237 272

saldo na basis- en restpakket € -17 € 7 € 69 € 94

saldo na basispakket 214 267 379 404

saldo na basis- en restpakket € 111 € 121 € 233 € 249

€ € € €

b. Alleenstaande oudere

100% 110% 120% 130%

€ € € €

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 100% € 397 € 244 110% € 590 € 371 120% € 619 € 397 130% € 687 € 426 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen 14 & 16 jaar saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 100% € 231 € 13 110% € 325 € 41 120% € 368 € 80 130% € 379 € 44

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket

€ € € €

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 441 € 288 634 € 415 664 € 441 687 € 426

€ € € €

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 275 € 57 369 € 85 412 € 124 379 € 44

€ € € €

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 165 € 21 265 € 51 325 € 110 251 € 17

e. Paar zonder kinderen

€ € € €

saldo na basispakket 117 217 276 251

saldo na basis- en restpakket € -27 € 2 € 62 € 17

€ € € €

saldo na basispakket 268 317 445 464

saldo na basis- en restpakket € 119 € 125 € 253 € 252

g. Paar met 2 jonge kinderen 3 & 5 jaar saldo na basispakket 100% € 262 110% € 363 120% € 409 130% € 361

saldo na basis- en restpakket € 63 € 94 € 140 € 44

h. Paar met 2 oudere kinderen 14 & 16 jaar saldo na basispakket 100% € 117 110% € 218 120% € 264 130% € 166

saldo na basis- en restpakket € -146 € -115 € -70 € -224

100% 110% 120% 130% f. Ouder paar

100% 110% 120% 130%

21 / Minima-effectrapportage Avres

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 111 € 13 201 € 36 266 € 98 272 € 94

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket

€ € € €

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 310 € 111 411 € 143 457 € 189 361 € 44

€ € € €

inclusief inkomenstoeslag saldo na saldo na basis- en basispakket restpakket 166 € -98 267 € -67 312 € -22 166 € -224

4.2 Resultaten per huishoudtype 4.2.1

Na invulling van alleen het basispakket

Uit tabel 1 (kolom “saldo na basispakket”) blijkt dat alle voorbeeldhuishoudens voldoende inkomen hebben om de uitgaven uit het basispakket te kunnen bekostigen.

4.2.2

Na invulling van zowel het basis- als het restpakket

Wanneer ook naar de bestedingen uit het restpakket wordt gekeken (kolom “saldo na basis- en restpakket”), dan krijgen een aantal voorbeeldhuishoudens te maken met een tekort op de maandbegroting. Dat komt voor bij alleenstaanden en bij paren zonder kinderen op bijstandsniveau en bij paren met oudere kinderen op alle onderzochte inkomensniveaus.

a.

Alleenstaande

Voor een alleenstaande jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau resteert een tekort van 17 euro. Wat betreft het gemeentelijk minimabeleid, komt de alleenstaande alleen in aanmerking voor een vergoeding vanuit het Regionaal declaratiefonds. Hiermee lukt het niet om naast het basispakket ook het restpakket te bekostigen. Bij een hoger inkomen zijn er geen tekorten meer.

b. Alleenstaande oudere

Bij een alleenstaande vanaf de pensioengerechtigde leeftijd met alleen een AOW-uitkering resteert, na invulling van zowel het basis- als het restpakket, 111 euro per maand. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstand waardoor dit huishouden meer bestedingsruimte heeft.

c.

Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar)

Een eenoudergezin met twee jongere kinderen van 3 en 5 jaar heeft bij alle onderzochte inkomensniveaus voldoende inkomen om alle uitgaven uit zowel het basis- en restpakket te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau resteert een saldo van 244 euro per maand. Op 110 procent resteert een saldo van 371 euro per maand en bij de hogere inkomensniveaus ligt het saldo rond de 400 euro per maand.

22 / Minima-effectrapportage Avres

Het netto besteedbare inkomen is hoog doordat eenoudergezinnen de alleenstaande ouderkop uit het kindgebonden budget ontvangen. Daarnaast rekenen we de kinderopvangtoeslag tot het inkomen. De hoge toeslagen vormen een risico bij inkomensschommelingen. Wanneer wijzigingen in het inkomen niet tijdig worden doorgegeven, bestaat het risico dat grote bedragen moeten worden terugbetaald. Dit huishouden profiteert met name van de kindregelingen in de Avres-gemeenten (de vergoeding voor studiekosten en voor sportieve en culturele activiteiten) . Maar ook zonder deze regelingen heeft dit huishouden voldoende inkomsten om alle uitgaven uit het basis- en het restpakket te kunnen betalen.

d.

Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar)

Ook een eenoudergezin met twee oudere kinderen heeft op bijstandsniveau voldoende inkomen om alle uitgaven uit zowel het basis als het restpakket te kunnen bekostigen. Het saldo bedraagt op 13 euro per maand. Bij hogere inkomensniveaus resteert een hoger saldo. In vergelijking met een eenoudergezin met twee jongere kinderen heeft dit voorbeeldhuishouden minder te besteden. Dat gezinnen met oudere kinderen minder bestedingsruimte hebben dan gezinnen met jongere kinderen, heeft te maken met het feit dat de kosten voor oudere kinderen over het algemeen hoger zijn dan voor jonge kinderen. Dit geldt bijvoorbeeld voor voeding, kleding, schoolkosten en zakgeld. De hogere kinderbijslag en het kindgebonden budget voor deze leeftijd kunnen dit verschil niet compenseren. Dit huishouden profiteert met name van de vergoedingen vanuit kindregelingen, die voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen. Zonder deze tegemoetkomingen, zou er op bijstandsniveau een aanzienlijk tekort ontstaan en ook op 110 en 120 procent zou dit huishouden de begroting niet rond kunnen krijgen. Anderzijds zou er zonder deze tegemoetkomingen geen armoedeval optreden bij een inkomen van 130 procent.

e.

Paar zonder kinderen

Het paar zonder kinderen heeft met een inkomen op bijstandsniveau te weinig inkomen om na alle uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven uit het restpakket te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau ontstaat na invulling van zowel het basis- als het restpakket een tekort van 27 euro. Bij een inkomen uit werk vanaf 110 procent is er 23 / Minima-effectrapportage Avres

voldoende bestedingsruimte om alle uitgaven uit het basis - en het restpakket te kunnen doen. In vergelijking met een alleenstaande heeft dit voorbeeldhuishouden minder bestedingsruimte. Het hogere inkomen kan de hogere uitgaven die een extra persoon met zich meebrengt niet volledig compenseren. Dit huishouden profiteert met name van de dubbele vergoeding vanuit het declaratiefonds. Die is echter onvoldoende om op bijstandsniveau alle uitgaven uit zowel het basis- als het restpakket te kunnen doen.

f.

Ouder paar zonder kinderen

Het oudere paar heeft, net als de oudere alleenstaande, niet met tekorten op de begroting te maken. Op alle inkomensniveaus kunnen zowel de uitgaven uit het basispakket als uit het restpakket worden gedaan. De AOW-uitkering voor een paar is ruim 200 euro hoger dan een bijstandsuitkering voor een paar. Op de hogere inkomensniveaus is het verschil kleiner, omdat we vanaf 110 procent rekenen vanuit een bijstandsuitkering voor pensioengerechtigden. Maar ook dan ontvangt een ouder echtpaar ruim 100 euro per maand meer dan een paar in de bijstand. g.

Paar met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar)

Het paar met twee jongere kinderen kan alle uitgaven uit het basis - en het restpakket bekostigen. Op bijstandsniveau resteert een saldo van 63 euro per maand nadat alle uitgaven uit het basis- en het restpakket gedaan zijn. Echter, bij een inkomen van 130 procent is sprake van een flinke armoedeval. In de volgende paragraaf wordt hier dieper op ingegaan. Dit huishouden profiteert met name van de vergoedingen vanuit de kindregelingen. Ook zonder deze vergoedingen blijft het saldo op alle inkomensniveaus positief.

h.

Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar)

Het paar met twee oudere kinderen heeft minder bestedingsruimte dan het paar met jonge kinderen. Dat komt door de extra kosten die oudere kinderen met zich meebrengen. Na invulling van de uitgaven uit zowel het basis- als het restpakket ontstaat op bijstandsniveau een tekort van 146 euro per maand.

24 / Minima-effectrapportage Avres

Net als bij het paar met twee jongere kinderen, neemt het saldo toe bij een inkomen van 110 en 120 procent, maar het saldo blijft wel negatief. Bij 110 en 120 procent resteert een tekort van respectievelijk 115 en 70 euro. Bij een inkomen van 130 procent ontstaat een tekort dat fors groter is dan de tekorten op de andere inkomensniveaus (van 224 euro per maand). Daarom kijken we in de volgende paragraaf naar de oorzaken van deze lagere bestedingsmogelijkheden bij een hoger inkomensniveau. Dit huishouden profiteert het meeste van het minimabeleid. De vergoedingen vanuit de kindregelingen zijn voor oudere kinderen hoger dan voor jonge kinderen. Ook profiteren paren dubbel van de collectieve zorgverzekering en de herverzekering van het eigen risico. Desondanks is het onvoldoende om alle uitgaven uit zowel het basis - als het restpakket te kunnen doen.

4.3 Resultaten per inkomensniveau Bij het analyseren van de resultaten per inkomensniveau verwijzen we naast tabel 1 ook naar bijlage 1.

4.3.1

Na invulling van alleen het basispakket

Uitstroomval/Werkloosheidsval Als alleen wordt gekeken naar de uitgaven uit het basispakket, dan zien we dat er bij geen van de onderzochte voorbeeldhuishoudens een armoedeval optreedt ten opzichte van een inkomen op bijstandsniveau. Doorstroomval: Bij 130 procent t.o.v. 120 procent Bij een inkomen van 130 procent doet zich bij alle paren onder de AOW-gerechtigde leeftijd een armoedeval voor ten opzichte van een inkomen van 120 procent: •

e. paar zonder kinderen:

25 euro (276 - 251);

•

g. paar met 2 jongere kinderen:

48 euro (409 - 361);

•

h. paar met 2 oudere kinderen:

98 euro (264 - 166).

De belangrijkste oorzaak hiervan is dat er geen recht meer is op lokale tegemoetkomingen, terwijl de landelijke toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget) afnemen.

4.3.2

Na invulling van zowel het basis- als het restpakket

25 / Minima-effectrapportage Avres

Uitstroomval/Werkloosheidsval Als we naast de uitgaven uit het basispakket ook rekening houden met de uitgaven uit het restpakket, dan zien we bij de paren met kinderen een armoedeval bij 130 procent ten opzichte van een inkomen op bijstandsniveau. Paren met jonge kinderen hebben op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 63 euro, terwijl er bij 130 procent 44 euro resteert. Bij paren met oudere kinderen is er op 100 procent een tekort van 146 euro en op 130 procent is er een groter tekort van 224 euro per maand. In die zin is er dus sprake van een uitstroomval als bij uitstroom uit een bijstandsuitkering een inkomen rond 130 procent wordt verkregen. Tegelijkertijd is er ook sprake van een doorstroomval: het saldo op 130 proc ent is ook lager dan op 110 en 120 procent. Het netto besteedbare inkomen van een paar met twee jongere kinderen bijvoorbeeld, is bij 130 procent slechts 24 euro hoger dan bij 120 procent. Hoewel het netto inkomen 142 euro toeneemt, is de zorgtoeslag 35 euro lager, de huurtoeslag 66 euro lager en het kindgebonden budget 18 euro lager. Zie tabel 2. Tabel 2: Toename/afname landelijke en lokale inkomensondersteuning (bedragen per maand) f. Paar met 2 jongere kinderen

Bijstand

110%

120%

130%

Netto inkomen (incl. kortingen)

1417

1559

1701

1843

Zorgtoeslag

176

176

152

117

Huurtoeslag (bij een huur van 537)

270

270

232

166

Kinderbijslag

134

134

134

134

Inkomsten

Kindgebonden budget

177

177

165

147

TOTAAL INKOMSTEN

2174

2316

2383

2407

142

67

24

Verschil met voorgaande inkomensniveau

Vergoedingen vanuit de gemeenten (uitgavenpost) Kwijtschelding lokale lasten

62

22

0

0

Zorgverzekering

68

68

68

0

Bijdrage studiekosten

5

5

5

0

Bijdrage sportieve en culturele activiteiten

49

49

49

0

TOTAAL INKOMSTEN INCLUSIEF VERGOEDINGEN BASISPAKKET

2358

2460

2505

2407

102

45

-98

Verschil met voorgaande inkomensniveau

Naast de zeer beperkte toename van het netto besteedbare inkomen tussen 120 en 130 procent van slechts 24 euro per maand, neemt de lokale inkomensondersteuning juist 26 / Minima-effectrapportage Avres

af. Bij 120 procent is er nog recht op 122 euro aan vergoedingen en bij 130 procent niet meer. Doorstroomval bij 130 procent t.o.v. 120 procent Als we naast de uitgaven uit het basispakket ook rekening houden met de uitgaven uit het restpakket, dan zien we bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij het paar zonder kinderen een doorstroomval: het saldo op 130 procent is lager dan op 120 procent, maar hoger dan op bijstandsniveau. Het oudere paar houdt op 130 procent een euro minder over dan op 120 procent. Voor dit huishouden geldt dat als het aanvullend pensioen hoger wordt, zij daar minder aan overhouden door lagere landelijke toeslagen en door het wegvallen van gemeentelijke vergoedingen.

4.4 Resultaten voor huishoudens met een langdurig laag inkomen Huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen, kunnen in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag (IIT). In de Avres-gemeenten geldt dit voor huishoudens met een inkomen tot maximaal 120 procent van het wettelijk sociaal minimum. In tabel 1 staan in de laatste twee kolommen de saldi van de inkomsten min de uitgaven inclusief IIT en inclusief de vergoeding voor gebruiksgoederen (dit laatste alleen bij de gezinnen met kinder en). Uit de tabel valt af te lezen dat een alleenstaande onder de AOW -leeftijd die IIT ontvangt, maandelijks 111 euro overhoudt nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan en 13 euro overhoudt als ook alle uitgaven uit het restpakket zijn gedaan. Hiermee is het tekort dat een alleenstaande onder de AOW -leeftijd had zonder IIT (van 17 euro) omgeslagen in een positief saldo. Bij de alleenstaande en bij het eenoudergezin met jonge kinderen wordt nu een (beperkte) doorstroomval zichtbaar op 130 procent. Met andere woorden, als het inkomen van deze huishoudens toeneemt van 120 procent naar 130 procent van de geldende norm, dan wordt de bestedingsruimte kleiner vanwege het wegvallen van de IIT. Anderzijds is de IIT bedoeld voor mensen die geen zicht hebb en op inkomensverbetering, dus het is de vraag of deze situatie zich veel zal voordoen.

De doorstroomval die zich zonder IIT al voordeed bij het eenoudergezin met oudere kinderen en bij het paar zonder kinderen, wordt inclusief IIT ook een uitstroomval: na 27 / Minima-effectrapportage Avres

invulling van het restpakket is het saldo op 130 procent dan zelfs lager dan op bijstandsniveau. De armoedevallen bij de paren met kinderen zijn inclusief IIT groter dan zonder IIT. Ook voor deze gevallen geldt dat de kans klein is dat deze mensen (meer) werk vinden of beter betaald werk vinden, en dat armoedevallen bij deze huishoudens in de praktijk waarschijnlijk vrij weinig zullen voorkomen.

28 / Minima-effectrapportage Avres

5. Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige ho ofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende advie zen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van het minimabeleid van de Avres-gemeenten.

5.1 Algemeen De pakketten waarop de basisbedragen zijn gebaseerd zijn sober maar vol doende. De inhoud en de prijzen worden jaarlijks zorgvuldig aangepast door het Nibud 1 en zijn ook gevalideerd door panels van consumenten 2. Dit wil echter niet zeggen dat ieder huishouden hieraan voldoende heeft of dat ieder huishouden rond kan komen. Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van inventaris. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Het Nibud, en ook andere (lokale) organisaties, hebben hiervoor een uitgebreid aanbod. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dat is echter niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid 3. Gemeenten kunnen het gebruik van lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend.

Om het niet-gebruik te verminderen, kunnen de gemeenten ook het wijkteam inzetten. De wijkteams bestaan uit professionals met een verschillende achtergrond en expertise. In hun gesprekken met inwoners blijken wijkteams veel te maken te hebben met financiële problemen van burgers. Om de kwaliteit van de hulpverlening te waarborgen tijdens keukentafelgesprekken, is het wenselijk dat de professionals binnen het 1 Zie Nibud Budgethandboek en Prijzengids, jaarlijkse uitgaven. 2 Hoff, S. et. al. (2009). Genoeg om van te leven, Focusgroepen in discussie over de minimale kosten

van levensonderhoud. Den Haag: SCP/Nibud. Te downloaden op de websites van het Nibud of SCP. 3 Zie bijvoorbeeld Tempelman, C., Houkes, A. Prins, J. (2011). Niet-gebruik inkomensondersteunende maatregelen, Amsterdam: SEO. Te downloaden op www.overheid.nl. 29 / Minima-effectrapportage Avres

wijkteam op de hoogte zijn van alle inkomensondersteunende maatregelen die de Avres-gemeenten te bieden hebben. Daarbij is het belangrijk dat de wijkteams huishoudens bekend maken met de regelingen en ook aangeven op welke manier deze aan te vragen zijn. Daarnaast kan het wijkteam ook een signalerende functie hebben met betrekking tot de schuldensituatie van een huishouden. Hoe eerder financiële problemen kunnen worden aangepakt, hoe beter. Wij gaan er in dit onderzoek niet van uit dat huishoudens schulden hebben (die afgelost moeten worden). In de praktijk kunnen die echter wel aanwezig zijn. De huur is een relatief groot deel van de uitgaven op de begroting. In dit onderzoek is uitgegaan van een huur van 537 euro. Ook al wordt een deel van deze huur vergoed door de huurtoeslag, er blijft een aanzienlijk deel over dat de huishoudens zelf moeten betalen. Huishoudens die geconfronteerd worden met een hogere huur zullen duidelijk minder bestedingsruimte hebben dan uit de berekeningen uit dit rapport blijken. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid is het belangrijk dat huishoudens met een laag inkomen kunnen wonen met relatief lage woonlasten. Het is daarom raadzaam dat de gemeenten hierover afspraken maken met de woningcorporaties. Een andere belangrijke component binnen de woonlasten zijn de energielasten .

Het zullen vaak inwoners met een laag inkomen zijn, die in minder goed geïsoleerde woningen wonen. Juist voor de huishoudens in een energie-onzuinige woning kan een besparing op deze kosten positief bijdrage aan de bestedingsruimte. Het Nibud adviseert de gemeenten om met woningbouwcorporaties om tafel te gaan om te bekijken welke energiemaatregelen genomen kunnen worden. Daarnaast zouden huishoudens met een laag inkomen hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. Producten zoals zuinige lampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn, terwijl ze een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief.

5.2 Regelingen De diverse vormen van inkomensondersteuning van de Avres-gemeenten hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Hieronder volgt per regeling een beschrijving van dit effect.

30 / Minima-effectrapportage Avres

Collectieve zorgverzekering De Avres-gemeenten bieden inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan, waarbij de gemeenten een bijdrage in de premie verstrekken. Deelnemers kunnen kiezen uit een pakket met of zonder herverzekerd eigen risico. In deze rapportage wordt gerekend met de laatstgenoemde optie. In dit GemeentePakket Compleet is naast een basis- en aanvullende verzekering ook een tandartsverzekering opgenomen. Het Nibud adviseert de Avres-gemeenten om de collectieve zorgverzekering actief te promoten zodat iedereen die er recht op heeft van dit dek kingsvoordeel gebruik kan maken. Steeds vaker ontvangen belangengroeperingen signalen dat huishoudens zorg mij den, zodat zij hun eigen risico niet hoeven aan te spreken. Dit is een onwenselijke situatie. Het is daarom positief dat de Avres-gemeenten een pakket aanbieden, waarbij het eigen risico wordt meeverzekerd. Dit pakket is weliswaar duurder, maar huishoudens die het volledig eigen risico moeten aanspreken, zijn onder aan de streep goedkoper uit. Dit komt doordat de gemeentelijke bijdrage voor het pakket inclusief herverzekerd eigen risico fors hoger ligt dan voor de pakket dat niet het eigen risico herverzekert (36,57 euro in plaats van 21,57 euro).

Het Nibud adviseert het gebruik van de verschillende pakketten te evalueren: de gemeentelijke bijdrage zou niet zo hoog moeten worden, waardoor het voor (bijna) alle huishoudens aantrekkelijk wordt om het eigen ris ico mee te verzekeren, ongeacht de verwachting die men hierover heeft. Dit leidt tot onnodige hoge kosten voor de gemeenten. In de ideale situatie ontstaat een soort zelfregulerend systeem, waarbij juist de huishoudens die veel zorg (denken) nodig (te) hebben, zullen kiezen voor een pakket met afgekocht eigen risico en de overige huishoudens niet .

Regionaal declaratiefonds Sportieve, culturele of recreatieve activiteiten Met het Regionaal declaratiefonds voor volwassenen creëren de Avres-gemeenten extra ruimte op de begroting voor deelname aan sportieve en sociaal-culturele activiteiten. Dit heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen. Omdat de bijdrage wordt verstrekt per persoon en niet per huishouden, werkt dit ook gunstig door in de begroting van huishoudens met twee of meer volwassenen. Dit is een positief punt omdat uit deze rapportage blijkt dat juist echtparen in de onderzochte gemeenten het soms moeilijk hebben (echtparen zonder kinderen kunnen op bijstandsniveau het restpakket niet bekostigen, echtparen met

31 / Minima-effectrapportage Avres

oudere kinderen krijgen op geen van de onderzochte inkomensniveaus de begroting niet rond). Het Nibud raadt daarom aan de regeling in stand te houden. Wat wel opvalt is dat de vergoeding voor volwassenen lager ligt dan voor kinderen (zie hieronder), terwijl de kosten voor volwassenen vaak hoger liggen. Het Nibud adviseert de Avres-gemeenten te onderzoeken of het mogelijk is de bijdrage aan volwassenen te verhogen.

Regelingen voor kinderen tot 18 jaar De Avres-gemeenten kennen twee regelingen voor huishoudens met een laag inkomen (tot 120 procent van het sociaal minimum) en ten laste komende kinderen. Er is een vergoeding mogelijk voor schoolkosten en voor sportieve- en/of sociaal-culturele activiteiten. Dit heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met kinderen. Het Nibud beoordeelt het als positief dat de vergoedingen gedifferentieerd worden naar leeftijd, omdat de kosten in de praktijk meestal ook lager zijn voor jongere kinder en dan voor oudere kinderen. Omdat met name gezinnen met (oudere) kinderen te maken krijgen met hogere kosten, raadt het Nibud aan de ondersteuning van deze doelgroep op deze wijze te continueren. Ook adviseert het Nibud om de mogelijkheden van de betreffende regelingen goed onder de aandacht te brengen. Ten slotte zouden de Avres-gemeenten kunnen overwegen om te werken met één budget voor zowel schoolkosten als participatie. In het huidige beleid is al opgenomen dat in het belang van het kind er een hogere bijdrage kan worden verleend voor de indirecte studiekosten. In het verlengde hiervan wordt dan een lagere bijdrage voor activiteiten gericht op maatschappelijke participatie verleend of omgekeerd. De totale bijdrage is nooit hoger dan de som van de normbedragen van beide voorzieningen.

Het Nibud adviseert hierin een stap verder te gaan en niet te werken met normbedragen, maar huishoudens helemaal vrij te laten in de keuze in welke mate zij de tegemoetkoming willen besteden aan schoolkosten en in welke mate aan sport- en culturele activiteiten. Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het nietgebruik tegengaan. Teveel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van alle mogelijkheden die er zijn.

32 / Minima-effectrapportage Avres

Individuele inkomenstoeslag In de Avres-gemeenten kunnen huishoudens (onder de AOW -leeftijd) met een inkomen tot en met 120 procent van de geldende bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag (IIT). De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Bij de hoogte van de IIT wordt door de Avres-gemeenten rekening gehouden met de gezinssamenstelling: paren krijgen een hoger bedrag dan alleenstaande ouders en alleenstaande ouders ontvangen weer een hoger bedrag dan alleenstaanden . Er wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen paren met en zonder kindere n. Ook het aantal kinderen heeft geen invloed op de hoogte van de inkomenstoeslag. In sommige gemeenten is zelfs de leeftijd van kinderen bepalend voor het te verkrijgen bedrag, omdat de kosten van oudere kinderen hoger liggen dan die van jonge kinderen. Het Nibud beoordeelt het als positief wanneer een gemeente bij het vaststellen van de hoogte van de inkomenstoeslag rekening houdt met de verschillen in kosten die verschillende huishoudtypen hebben. Een systeem dat hier meer recht aan doet dan de huidige werkwijze, is uit te gaan van een basisbedrag dat vervolgens wordt verhoogd met een vast bedrag voor elk ten laste komend kind tot 18 jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=521e6fcc-e50e-41be-b194-4ab39f28c4fb