1. Toelichting BP Dorpskamer Schoonrewoerd.pdf
Tekst van het document
Pagina 24
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
4.5
Bodem
Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voor de locatie wijzigt de bestemming van Maatschappelijk naar Gemengd (waaronder maatschappelijk dorpskamer, wonen en horeca o.a. ten bate van een cateringbedrijf). Voor zowel de functiewijziging als voor het bouwen is een verkennend bodemonderzoek nodig. Om te bepalen of de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogd gebruik is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met OCB vanwege voormalige boomgaarden en voor diverse stoffen vanwege een aanwezige slootdemping.
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • Visueel is geen dempingsmateriaal aangetroffen, of een afwijkende bodemopbouw, die duidt op een aanwezige slootdemping. • In de zintuiglijk onverdachte zandige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM1 en MM2) zijn geen verontreinigingen aangetoond. • De zintuiglijk onverdachte kleiige ondergrond op de locatie (0,5 – 1,0 m-mv, MM3) is licht verontreinigd met koper vastgesteld. • De sterk baksteenhoudende klei (106.2-4, 0,8 – 1,0 m-mv) is licht verontreinigd met koper, kwik, lood en PAK. In deze bodemlaag is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. • In de oorspronkelijke toplaag zijn (na separate analyses) ten hoogste lichte verontreinigingen met enkele OCB aangetoond. • In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 106.2) is een licht verhoogde concentratie barium aangetoond. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege met name de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan OCB, zware metalen en PAK in de grond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. De licht verhoogde concentratie barium wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd.’
Gezien bovenstaande conclusies op basis van de onderzoeksrapporten vormt het aspect bodem geen belemmering voor voorliggend plan.
4.6
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 25
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Tabel 2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde
Advieswaarde (WHO)
40 µg / m³ 200 µg / m³
10 µg / m³
40 µg / m³ 50 µg / m³
15 µg / m³
25 µg / m³
5 µg / m³
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek De Wet Milieubeheer titel 5.2 schrijft voor dat bij het wijzigen van een planologische situatie, getoetst moet worden of de nieuwe situatie bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de wet wordt het begrip ‘niet in betekenis zijnde mate (NIBM)’ gehanteerd. Het NIBM hanteert normen wanneer een plan bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningbouw komt dit bijvoorbeeld neer op plannen van 1.500 woningen of meer. Het plan overschrijdt de normen niet, dus is nader onderzoek niet nodig. Daarnaast is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.
Pagina 26
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Figuur 8. Stikstofdioxide in 2018 en 2030, bron: Omgevingsdienst regio Utrecht.
Figuur 9. Fijn stof in 2018 en 2030, bron: Omgevingsdienst regio Utrecht.
Pagina 27
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Figuur 10. Zeer fijn stof in 2018 en 2030, bron: Omgevingsdienst regio Utrecht. Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2)
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg / m³
Advieswaarde Vastgestelde (WHO) waarde 2018 10 µg / m³ 16-18 µg / m³
Vastgestelde waarde 2030 12-14 µg / m³
200 µg / m³
40 µg / m³
15 µg / m³
19-20 µg / m³
17-18 µg / m³
50 µg / m³
25 µg / m³
5 µg / m³
13 – 13,5 µg / m³ 10 – 10,5 µg / m³
De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) van 10 microgram per kuub, fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub, en 5 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste en aan de voorkeursgrenswaarde. In zowel de huidige als de toekomstige situatie wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Bij de voorkeursgrenswaarden liggen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) allen boven de beoogde waarde. De gemeten waarde voor stikstofdioxide betreft 12-14 µg / m³, terwijl maximaal 10 u\g/m3 is voorgeschreven. Voor fijn stof (PM10) betreft de gemeten waarde 17-18 µg / m³, terwijl maximaal 15 µg / m³ is voorgeschreven. Voor zeer fijn stof (PM10) betreft de gemeten waarde 10-10,5 µg / m³, terwijl maximaal 5 µg / m³ is voorgeschreven. Het betreft hier echter een beperkte overschrijding. Er zijn diverse landelijke maatregelen om stikstofdioxide en het fijnstof verder Pagina 28
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
te beperken, waaronder het elektrisch en of waterstof rijden. Het is dan ook aannemelijk dat in de toekomst de concentratie zeer fijnstof verder zal afnemen. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
4.7
Externe Veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit
Pagina 29
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.
Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Planspecifiek Om te bepalen wat de risico’s zijn ten aanzien van voorliggend plangebied is de Externe Veiligheidskaart van de provincie geraadpleegd. De kaart geeft aan dat er in de omgeving transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Om te bepalen of onderzoek nodig is, is derhalve een quickscan (bijlage 5) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek luiden: Transport over water en spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transport over het water en het spoor vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Transport over de weg Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 95 meter van de provinciale weg N484. Deze weg heeft geen PR 106 risicocontour of PAG. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (GF3). De risico’s als gevolg van transport over de weg (BLEVE scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van een buisleiding. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen leveren geen belemmeringen op voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichtingen
Pagina 30
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. De risico’s als gevolg van inrichtingen leveren geen belemmeringen op voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Uit de quickscan (bijlage 5) volgt dat de risico’s ten gevolge van het transport over de N484 in een beperkte verantwoording moeten worden meegenomen. Maatgevend scenario Op de provinciale weg N484 kan een incident plaatsvinden met gevaarlijke stoffen met een explosie scenario. Een dergelijk ongeval kan tot op grote afstand slachtoffers en schade in de omgeving veroorzaken. Koude BLEVE op N484: Een koude BLEVE1 wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de tank open. Propaan komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking . Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Een koude BLEVE kan tot 355 meter slachtoffers veroorzaken. Warme BLEVE op N484: Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de ketel. Het effect van een warme BLEVE is vergelijkbaar met een koude BLEVE.
Echter kent een warme BLEVE enige ontwikkeltijd, wat maakt dat het handelingsperspectief verschilt van dat van een koude BLEVE.
Rampenbestrijding Bij rampenbestrijding gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun hulpverlenende taken. Hierbij is het van belang dat bluswater en bereikbaarheid wordt geborgd in het bestemmingsplan.
Bluswatervoorziening Voor een adequate hulpverlening door de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij het incident met gevaarlijke stoffen. Op basis van de beschikbare gegevens is binnen 40 meter van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied een brandkraan aanwezig. Vanwege de nabijheid van water is de aanname dat voldoende secundaire bluswaterbronnen voorhanden is ten behoeve van koeling/blussing. De bluswatervoorziening wordt door de Veiligheidsregio voldoende geacht.
Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. Op basis van de beschikbare gegevens is de bereikbaarheid van het betreffende perceel en de incidentlocatie voldoende. Zelfredzaamheid Pagina 31
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Handelingsperspectief koude BLEVE: Een koude BLEVE is een snel scenario wat direct plaats vindt. Na de explosie voltrekt het scenario zich snel en duurt de vuurbal niet langer dan 20 seconden. Dan zijn direct of in korte tijd de effecten in het plangebied merkbaar. Vanwege de korte ontstekingstijd tijd zijn de maatregelen voor een koude BLEVE op korte afstand van de bron beperkt. Om die reden is het van belang om aandacht te schenken aan bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen. Om bij een optredende BLEVE het risico voor de bewoners te verkleinen is het minimaliseren van het hoeveelheid glas aan de bronzijde een maatregel. Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief binnenblijven. In dit geval kan via de Prins Bernhardstraat en Pr. Beatrixstraat goed van de N484 af gevlucht worden. De zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners wordt voldoende geacht om zich, eventueel met hulp van omwonenden, in veiligheid te kunnen brengen.
Handelingsperspectief warme BLEVE: De snelheid waarmee het scenario BLEVE zich voltrekt is afhankelijk van opwarmingstijd tot de explosie. Na de explosie voltrekt het scenario zich snel en duurt de vuurbal niet langer dan 20 seconden. Dan zijn direct of in korte tijd de effecten in het plangebied merkbaar. In het geval van een dreigende warme BLEVE is het advies zo snel mogelijk van de bron vandaan te vluchten. De verzamelplaats dient dan als een schuilplaats als mensen binnen in het gebouw niet meer voldoende beschermt zijn tegen het scenario. In dit geval kan via de Prins Bernhardstraat en Pr. Beatrixstraat goed van de N484 af gevlucht worden. De zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners wordt voldoende geacht om zich, eventueel met hulp van omwonenden, in veiligheid te kunnen brengen. Het aspect Externe Veiligheid vormt gelet op bovenstaande geen belemmering voor het plan.
4.8
Archeologie
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen, met als doel het beschermen en behouden van archeologische waarden. Het verdrag stelt dat de archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; • en de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Nederland heeft het Verdrag van Malta in 1998 geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007 en vervolgens overgegaan in de Erfgoedwet van juli 2016. In het kader van de ruimtelijke ordening wordt archeologie thans meegewogen zoals alle andere belangen die een rol spelen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Bij plannen voor grondverstorende activiteiten binnen een gebied met verwachte of bekende archeologische waarden dient de verstoorder de archeologische waarden in kaart te brengen, zodat het bevoegd gezag deze kan meewegen in haar besluitvorming. Planspecifiek
Pagina 32
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Bij voorliggend plan zal de ondergrond niet geroerd worden omdat niet dieper gebouwd zal worden dan de bestaande fundering. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
4.9
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Europese Kaderrichtlijn Water Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Met deze richtlijn wil Europa het oppervlakte- en grondwater kwalitatief en ecologisch beschermen en verbeteren en een duurzaam gebruik van water bevorderen. De Europese Kaderrichtlijn water stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater en het grondwater. Voor de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water binnen Nederland heeft de afgelopen jaren een intensieve samenwerking op het niveau van (deel)stroomgebieden en gebiedsprocessen plaatsgevonden. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
Uitgangspunten en principes van de Europese Kaderrichtlijn Water • De vervuiler betaalt • De gebruiker betaalt • Sinds 2000 geen achteruitgang van chemische en ecologische toestand • Resultaatverplichting in 2015 • Stroomgebiedbenadering (op Europees niveau) Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische Pagina 33
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschap Rivierenland Het Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor en werkt aan een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar ‘Rivierenland’. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is.
Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Naast het beheerplan beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Deze watervergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Kaderrichtlijn water (planperiode 2) In het eerste KRW Rivierenlandplan uit 2009 heeft Waterschap Rivierenland vastgesteld aan welke eisen de waterkwaliteit in het rivierengebied moet voldoen en welke maatregelen nodig zijn om deze doelen te bereiken. Het bevat een haalbaar en betaalbaar pakket aan maatregelen Op 26 september 2014 heeft het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland ingestemd met het ontwerp KRW-Rivierenlandplan 2 (2016-2021). In dit plan wordt de 1e uitvoeringsperiode (2010-2015) geëvalueerd, wordt een strategie voor de nieuwe uitvoeringsperiode beschreven en worden verdere maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit voorgesteld. Daarnaast wordt een prognose gegeven van de toestand van de KRW waterlichamen in 2021. Ook wordt ingegaan op onderzoek en monitoring, samenwerking met andere organisaties en de kosten van het maatregelpakket. Hoofdzakelijk wordt ingezet op inrichting- en beheermaatregelen en het beperken van de emissies van verontreinigende stoffen.
Het gaat hierbij vooral om aanleg en reconstructie van natuurvriendelijke oevers, verbreden/verdiepen van watergangen en het vispasseerbaar maken van stuwen en overige kunstwerken. Maar ook om optimalisatie van beheer en onderhoud, natuurvriendelijk beheer, baggeren,
Pagina 34
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
nieuwe onderzoeksmaatregelen en het beperken van emissies uit de landbouw. Eveneens worden enkele rioolwaterzuiveringsinstallaties aangepast. Planspecifiek Bestaand watersysteem Uit de watertoets blijkt dat de watergang aan de noordwestelijke zijde van het plangebied een Awatergang is met gedeeld onderhoud. Dit betekent dat de watergang geheel onderhouden wordt door het waterschap. De eigenaren van de aangrenzende percelen zijn onderhoudsplichtig voor de oevers en de begroeiing vanaf het aangrenzende perceel. Aangrenzende percelen zijn onderhoudsplichtig voor de beschermingszone bij A-watergangen. Er vindt geen verandering plaats wat betreft de onderhoudsverplichting voor de eigenaar van het perceel. De woningen zijn echter bestemd voor senioren. De onderhoudsplicht voor de beschermingszone zal daarom zo mogelijk worden overgedragen aan de gemeente Vijfheerenlanden. De toegankelijkheid van de watergang verbetert, omdat de nieuwbouw verder van de waterkant af komt te liggen ten opzichte van de bestaande uitbouw in de noordwestelijke hoek van het perceel. Verhard oppervlak De bestaande situatie is volledig verhard. De toekomstige situatie is vergelijkbaar met de bestaande situatie, uitgezonderd dat er vier achtertuinen worden gerealiseerd. Het plangebied is in de oude situatie en in de nieuwe situatie 1450 m2 groot.
Voor het plan is de verharding in de toekomstige situatie zo goed mogelijk ingeschat. De oude situatie beslaat voor 775 m2 aan bebouwingsoppervlak. Het verharde oppervlak beslaat 675 m2 en bestaat uit betonnen tegels. Er is geen onverhard oppervlak. Het plangebied bestaat in de nieuwe situatie uit 695 m2 uit bebouwing. De parkeerplaatsen beslaan 160 m2. De parkeerplekken worden voor zover mogelijk met grasbetontegels uitgevoerd, waardoor ongeveer 80 m2 uit onverhard oppervlak zal bestaan. Het onverharde oppervlak beslaat inclusief achtertuinen 140 m2 en de tuinverharding beslaat 455 m2. Het waterbeleid van het waterschap Rivierenland schrijft een watercompensatie in stedelijk gebied voor wanneer verhard oppervlakte toeneemt. In voorliggend plan zal het verharde oppervlak afnemen met 220 m2 (inclusief de grasbetontegels). Gezien de (beperkte) afname van de verharding is het niet nodig om watercompensatie uit te voeren. Hemelwater Het hemelwater wordt in de huidige situatie afgevoerd op het onderliggende maaiveld. In de nieuwe situatie wordt het hemelwater in de bodem geïnfiltreerd dan wel vertraagd afgevoerd naar het nabijgelegen oppervlaktewater. De exacte uitwerking wordt vormgegeven in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Vuilwater Het vuilwater zal aangesloten worden op het bestaande riool.
In de toekomstige situatie zal dit bestaande riool de toevoer van vuilwater uit de woningen aan kunnen. Materialen Bij het de nieuwbouw van de woningen zal het gebruik van uitloogbare materialen zo veel mogelijk worden beperkt. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
Pagina 35
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
4.10 Verkeer en Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Het planvoornemen valt onder het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ van de gemeente Vijfheerenlanden. Dit Paraplubestemmingsplan wordt gehanteerd voor de bepaling van de parkeernorm. De gemeenteraad heeft bijbehorende ‘Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022-2030’ als raadsvoorstel besproken op 09-06-2022. De belangrijkste verschillen met het huidige beleid in het paraplubestemmingsplan zijn: • in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de normen van de oude functie niet meer verrekend met de normen van de nieuwe functie; dat was in het paraplubestemmingsplan wel het geval; • in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden in de binnensteden van Leerdam en Vianen de minimum CROW-normen gehanteerd; in het paraplubestemmingsplan werden in alle gevallen de gemiddelde normen gehanteerd; • in de voorgestelde beleidsnota Parkeernormen worden voor de centrumgebieden langere loopafstanden gehanteerd dan door het CROW voor de functie wonen.
Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt om parkeren buiten de centra op te lossen; • om andere mobiliteitsvormen te stimuleren kan in de voorgestelde Beleidsnota Parkeernormen een correctie worden toegepast op het aantal te ontwikkelen parkeerplaatsen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van deelauto’s. De verschillen die in bovenstaande lijst zijn weergegeven hebben geen invloed op de parkeerbehoefte van het planvoornemen, omdat het plan niet in een centrumgebied of in een binnenstad van Leerdam of Vianen ligt. Buiten de bebouwde kom binnen de gemeente Vijfheerenlanden is het Waterschap Rivierenland de wegbeheerder. Op basis van de nota is het plangebied aangewezen als ‘rest bebouwde kom’. Om de parkeerbehoefte, parkeercapaciteit en parkeerdruk te bepalen voor onderhavig plan is een parkeeronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. De conclusie van het onderzoek luidt: Onderhavig plan betreft de realisatie van een dorpskamer en 12 appartementen. De parkeerbehoefte dient in eerste instantie op eigen terrein te worden opgelost. De resterende parkeereis mag in de openbare ruimte worden opgevangen mits middels onderzoek aangetoond wordt dat hiervoor voldoende parkeercapaciteit aanwezig is. Parkeereis en voorzieningen De parkeereis vanuit de maatschappelijke functie (dorpskamer) kan worden opgelost op het naastgelegen parkeerterrein voor de kerk.
Het parkeerterrein is bedoeld voor de maatschappelijke functies van kerk en dorpskamer. Tijdens kerkdiensten staat de parkeergelegenheid ter beschikking van de kerk en op doordeweekse dagen voor de dorpskamer. De parkeereis van de dorpskamer is hiermee voldoende opgelost. Verder bedraagt de parkeereis van de twaalf appartementen 23 parkeerplaatsen. Deze parkeervraag wordt opgelost op eigen terrein (12 pp), het naastgelegen parkeerhofje (5 pp) en binnen een 100m zone in omliggende straten (6 pp). Om te onderzoeken of de resterende parkeereis in de openbare ruimte opgevangen kan worden, is een parkeerdrukmeting uitgevoerd. Parkeerdrukmeting In overleg is bepaald dat een parkeerdrukmeting uitgevoerd moet worden op drie dagen met elk twee tot drie telmomenten. De tellingen zijn dinsdag 21 januari, donderdag 23 januari en zondag 26 januari 2020 uitgevoerd. Pagina 36
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
De hoogste bezettingsgraad is ’s avonds gemeten tussen 20.00 en 21.30 op zowel dinsdag als zondag en bedroeg 67%, waarbij 59 van de 88 parkeerplaatsen bezet waren. Dit houdt in dat in het zoekgebied binnen de 100 meter een restcapaciteit van 29 parkeerplaatsen is in de nieuwe situatie. Dit is ruim voldoende om de resterende parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Op zondag tijdens de kerkdienst is geconstateerd dat er één extra auto in het onderzoeksgebied geparkeerd werd. Tijdens de twee getelde diensten waren er 60 respectievelijk 58 auto’s geparkeerd in het onderzoeksgebied. Dit betekent dat de ‘normale’ bezettingsgraad van 67% naar 68% gaat tijdens de kerkdiensten. Dit valt binnen de grenzen van redelijkheid en is eventueel ook terug te leiden op het regenachtige weer. Tijdens de kerkdiensten was een lichte stijging van de bezettingsgraad te zien in de ‘groene’ onderzoekzone (die ligt rond de fietsbrug die aansluit op het kerkplein) ten opzichte van de bezettingsgraad buiten de kerkdiensten om op zondag. Deze toename valt echter binnen de parkeercapaciteit van de ‘groene zone’. Daarnaast stijgt de algehele bezettingsgraad niet significant en blijft er een restcapaciteit van 28 plaatsen over in het gehele onderzoekgebied.
Vanuit bovengenoemde parkeerdrukmeting blijkt dat er in de omgeving voldoende parkeercapaciteit is om deze parkeerdruk in de openbare ruimte op te vangen. Geconcludeerd kan worden dat er voldoende parkeergelegenheid is planontwikkeling op eigen terrein en de openbare ruimte in de nabije omgeving.
voor
voorgenomen
5 Juridische planbeschrijving 5.1
Plansystematiek
Het bestemmingsplan ‘Dorpshuis Schoonrewoerd’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Schoonrewoerd Dorp’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 – Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels Pagina 37
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
De bestemmingen
In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Gemengd De bestemming gemengd volgt de regels zoals die opgenomen is in het voorgaande bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp. De bestemming is aangepast om de functies beoogd in dit plan specifiek mogelijk te maken. Artikel 4 Verkeer – Verblijfsgebied De bestemming Verkeer – Verblijfsgebied geeft aan wat planologisch toegestaan is in de openbare ruimte en op het parkeerterreintje. De regels komen overeen met de regels zoals die opgenomen zijn in het voorgaande bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp. Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 De dubbelbestemming Waarde – archeologie 1 is opgesteld om de eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische waarden te beschermen. Er mogen geen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden zonder dat vooraf is beoordeeld of die waarden verstoord kunnen worden. De regels zijn overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp. Artikel 6 Waterstaat – Obstakelvrije zone De dubbelbestemming Waarde – Obstakelvrije zone is opgesteld om te waarborgen dat het onderhoud van de nabijgelegen watergang mogelijk blijft. Er mogen geen bouwwerken gebouwd worden anders dan ten behoeve van de naastgelegen watergang. De regels zijn overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp.
Pagina 38
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast het toetsen aan diverse aspecten op het gebied van beleid en milieu, die ook dienen als toets of een ruimtelijk plan uitvoerbaar is, dient een plan ook te worden getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd, De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inzage Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan. Inspraak Vooruitlopend op de formele procedure heeft er overleg met de omwonenden plaatsgevonden op 1506-2022. Het verslag van het overleg is als bijlage 7 toegevoegd. In het verslag zijn enkele toezeggingen gedaan door de initiatiefnemers. Deze toezeggingen hebben geen aanpassingen van het bestemmingsplan als gevolg. Pagina 39
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
Pagina 40
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd
7 Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Koningin Julianastraat te Schoonrewoerd, Weel geluidsadvies; Referentie: PLA 19.12, 10 juni 2022. 2. Quickscan Flora en Fauna Koningin Julianastraat 22-24 Schoonrewoerd, Watersnip Advies; Referentie: 20A001, juni 2022. 3. Aeriusberekening Nieuwbouw Dorpskamer Schoonrewoerd, Plannenmakers; Referentie: PM19051, 22 december 2022. 4. Verkennend bodemonderzoek Koningin Julianastraat 22 Schoonrewoerd, Inventerra; Referentie: 19-2411-R01AvH, 13 februari 2020. 5. Quickscan Externe Veiligheid, Koningin Julianastraat Schoonrewoerd, Kragten; Referentie: PLA002-0001, 19 december 2019). 6. Verkeersonderzoek Dorpskamer Schoonrewoerd, Plannenmakers; Referentie: PM19051, 23 oktober 2020. 7. Verslaglegging van de gehouden buurtparticipatie dd. 15-06-22
Pagina 41
Toelichting Dorpskamer Schoonrewoerd