1. toelichting bestemmingsplan Broekseweg 94 Ameide.pdf
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 94’
Toelichting bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 94’
Identificatiecode: NL.IMRO.1961.BPAMDBroekseweg94-VA01 Datum: 08-09-2021 Status: Vastgesteld
1
Inhoudsopgave 1 INLEIDING .............................................................................................................2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................2 1.2 Ligging plangebied ..........................................................................................3 1.3 Vigerend bestemmingsplan .............................................................................3 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................4 2 BESTAANDE SITUATIE ........................................................................................5 2.1 Algemeen ........................................................................................................5 2.2 Ruimtelijke structuur ........................................................................................5 2.2.1 Historie......................................................................................................5 2.2.2 Stedenbouwkundige en bebouwingsstructuren .......................................5 2.2.3 Huidig gebruik ...........................................................................................6 3 PLANBESCHRIJVING ...........................................................................................7 3.1
Plan..................................................................................................................7 3.2 Verkeer en parkeren ........................................................................................8 3.3 Duurzaamheid .................................................................................................8 3.4 Beeldkwaliteit (landschappelijke inpassing) ....................................................9 4 BELEIDSKADER ................................................................................................ 10 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................... 10 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ..................................... 10 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................... 10 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) .......................................................... 11 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid ............................................................................ 11 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................... 12 4.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht ......................................................... 12 4.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht .................................
14 4.2.3 Conclusie provinciaal beleid .................................................................. 14 4.3 Regionaal Beleid .......................................................................................... 15 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ ........................ 15 4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden ....................... 15 4.3.3 Conclusie regionaal beleid .................................................................... 15 4.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................... 16 4.4.1 Woonvisie gemeente Vijfheerenlanden 2020-2025 .............................. 16 4.4.2 Conclusie gemeentelijk beleid ............................................................... 16 4.5 Conclusie ...................................................................................................... 16 5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING ................................................................. 17 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)...................................................... 17 5.2 Geluid ........................................................................................................... 18 5.3 Bedrijven en milieuhinder .............................................................................
20 5.4 Bodem .......................................................................................................... 21
5.5 Archeologie ................................................................................................... 23 5.6 Watertoets .................................................................................................... 25 5.7 Flora en fauna ............................................................................................... 30 5.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 32 5.9 Externe veiligheid ......................................................................................... 34 6 JURIDISCHE PLANOPZET ................................................................................ 35 6.1 Inleiding ........................................................................................................ 35 6.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 35 6.3 Bestemmingen .............................................................................................. 35 6.4 Aanduidingen ................................................................................................ 35 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................................................. 36 7.1 Exploitatie .....................................................................................................
36 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID................................................... 36 8.1 Vooroverleg .................................................................................................. 36 8.2 Ter inzage legging ontwerp-bestemmingsplan ............................................. 36 8.3 Participatie .................................................................................................... 36 Bijlage 1 2 3
4
Omschrijving Landschappelijk inpassingsplan Verkennend bodemen asbestonderzoek Aanvullend bodemonderzoek asbest en PFOA Akoestisch onderzoek
Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Linge Milieu B.V.
Referentie LTL201085
Datum 08-12-2020
17-2015
25-03-2017
Linge Milieu B.V.
17-2015A
13-11-2018
Voortman Ingenieurs
R-JVO/1267
22-02-2018
1
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Het perceel Broekseweg 92-94 te Ameide was in het verleden in gebruik door een melkveebedrijf. Inmiddels is al jaren op het perceel Broekseweg 92-94 een manege gevestigd. Het perceel Broekseweg 92-94 te Ameide is een aantal jaren geleden van eigenaar veranderd. Om de manege in stand te houden, exploitabel te maken, is een plan bedacht om de manegeactiviteiten toekomstbestendiger en duurzamer maken door deze te verbreden met recreatieve horeca en zorg. Een onderdeel hiervan was de splitsing van de karakteristieke boerderij (de Adriana’s Hoeve) in drie wooneenheden. Medio december 2017 heeft het college van de voormalige gemeente Zederik besloten om medewerking te verlenen aan dit plan, waarna een bestemmingsplanprocedure is opgestart. Het bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94’ (identificatie: NL.IMRO.0707.BPBroekseweg94AMD-VG01) is op 24 september 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Zederik. In de exploitatie van het totaalplan is altijd uitgegaan dat het overschot aan sloopmeters (agrarische bedrijfsgebouwen) te gelden kon worden gemaakt door deze elders als bouwmogelijkheid in te brengen (Ruimte-voor-Ruimte-regeling). Deze inkomsten zijn nodig om de investeringen op de locatie Broekseweg 92-94 te bekostigen. Dit is op grond van het vigerend bestemmingsplan niet mogelijk.
Op advies van regionale makelaars is besloten de derde woning te splitsen in twee kleinere wooneenheden. Met de splitsing van de boerderij wordt een financiële compensatie bewerkstelligt en wordt ingespeeld op de behoefte aan kleinere wooneenheden. Het splitsen van de boerderij in vier wooneenheden is echter in strijd met het bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94’ dat slechts drie woningen in de boerderij toestaat. Op 8 oktober 2019 heeft de gemeente Vijfheerenlanden besloten in principe medewerking te verlenen aan de splitsing van de boerderij in vier wooneenheden, onder de voorwaarde dat het erf rondom de karakteristieke boerderij op een goede wijze wordt ingericht. Voor de splitsing van de boerderij wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
2
1.2 Ligging plangebied Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door een watergang met het naastgelegen weiland. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Broekseweg. Aan de overige zijden wordt het plangebied begrensd door het grondgebied van de manege.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
1.3 Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94 Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Zederik is vastgesteld op 24 september 2018. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Wonen; • Tuin. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3 • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’.
3
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94’
1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: - Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; - Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; - Hoofdstuk 4: Beleidskaders; - Hoofdstuk 5: Onderzoek/verantwoording; - Hoofdstuk 6: Juridische planopzet; - Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; - Hoofdstuk 8: Maatschappelijke uitvoerbaarheid.
4
2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen Ameide is één van de kernen van de gemeente Vijfheerenlanden. Het stadje Ameide telt ongeveer 3500 inwoners.
2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Historie Omstreeks het jaar 866 wordt Ameide in de bisschoppelijke geschriften voor het eerst genoemd. In de middeleeuwen, rond 1200, is men gestart met de ontginning van het gebied rondom Ameide. In 1277 verleende Floris V de nederzetting Ameide voorrechten. In 1300 werden deze voorrechten omgezet in stadsrechten. Vanwege de strategische ligging langs de rivier de Lek werd er tussen de Graaf van Holland en de Bisschop van Utrecht gestreden om het eigendom van de stad. Als gevolg hiervan werden de stadsrechten verschillende keren ontnomen en weer teruggegeven (de Hoekse en Kabeljauwse twisten). Ondanks de stadsrechten is Ameide echter nooit uitgegroeid tot een volwaardige stad. De rivier de Lek heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van Ameide. Enerzijds hebben de dijkdoorbraken in de 18de eeuw ervoor gezorgd dat het dorp Ameide meerdere keren onder water heeft gestaan. En anderzijds zorgde de rivier de Lek voor economische activiteiten in Ameide. Ameide was in de Gouden Eeuw een belangrijke overslaghaven. De bestaande patriciërswoningen aan de Voorstraat, het stadhuisje op de Dam en de Prinsengracht refereren terug naar deze periode van welvaart. De historische kern Ameide kenmerkt zich door aaneengesloten bebouwing. Daarnaast is langs de Lek een dijklint ontstaan dat zich uitstrekt tot de buurtschappen Tienhoven en Sluis.
In de 20ste eeuw is Ameide uitgebreid met enkele woonwijken. 2.2.2 Stedenbouwkundige en bebouwingsstructuren Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Broekseweg te Ameide. Ter plaatse van het plangebied komen de Broekseweg en de Reigersdreef samen. Het plangebied is gelegen in de ‘oksel’ van deze polderwegen. De lintbebouwing langs de Broekseweg kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) klassieke boerderijen en vervangende nieuwbouwwoningen. Hier en daar hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De Boerderij, de Adriana’s Hoeve, is ook volledig in gebruik als woonboerderij. De boerderijen zijn hoofdzakelijk parallel aan het slagenlandschap gepositioneerd. Zowel de boerderijen als de vrijstaande woningen zijn vrijwel altijd in de eerste bebouwingslijn ten opzichte van de Broekseweg gelegen. De bedrijfsgebouwen en bijgebouwen zijn achter de boerderij en/of de woning gelegen en zijn zowel haaks als parallel aan het slagenlandschap gepositioneerd.
5
2.2.3 Huidig gebruik Het perceel Broekseweg 94 te Ameide is in gebruik als woonperceel. De boerderij ‘de Adriana’s Hoeve’ is thans gesplitst in drie woningen.
Afbeelding 3: Vooraanzicht woonboerderij (de Adriana’s Hoeve)
Afbeelding 4: Zijaanzicht woonboerderij (de Adriana’s Hoeve)
6
3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Plan Het plan voorziet in de splitsing van de karakteristieke boerderij, de Adriana’s Hoeve, in vier wooneenheden (nu drie woningen). De vierde woning heeft een inhoud krijgen van 520 m3, een woonoppervlakte van 168 m2 en een perceelgrootte van 260 m2. De paardenstal en de jongveeschuur, met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 400 m2, worden gesloopt. In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen waarmee de sloop van de betreffende bedrijfsgebouwen (paardenstal en jongveeschuur), met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 400 m2, is gewaarborgd.
Afbeelding 5: Nieuwe situatie
7
3.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel Broekseweg 94 wordt thans ontsloten via de Broekseweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Om te komen tot een passende erfinrichting (tuin voor nieuwe woning en behoud bestaande bomen) wordt de woning ontsloten via een in- en uitrit aan de noordoostzijde (zie afbeelding 5). Ter plaatse van het plangebied is de Broekseweg in beheer van het Waterschap Rivierenland. Verkeer In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de verkeersgeneratie als gevolg van het plan. Middels dit plan wordt één woning toegevoegd. De verkeersgeneratie als gevolg van de toevoeging van één woning is dermate laag dat deze niet tot onevenredige verkeersproblemen zal leiden. Parkeren Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren Op 10 juni 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ vastgesteld. Middels dit paraplubestemmingsplan is het parkeerbeleid van de gemeente Vijfheerenlanden van toepassing op alle ruimtelijke plannen die plaatsvinden op het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Het gemeentelijk parkeerbeleid is gebaseerd op de parkeernormen van meest actuele CROW-beleid (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren (2018)). In bijlage 1 van het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ zijn de parkeernormen gebundeld in een schema.
Het plangebied is gelegen in de stedelijke zone ‘Rest bebouwde kom’. De woningen in het boerderijgebouw kunnen worden geschaard in de categorie ‘Koop, huis, tussen/hoek’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Rondom het boerderijgebouw worden voor iedere woning minimaal twee parkeerplaatsen gerealiseerd (zie afbeelding 5).
3.3 Duurzaamheid De gemeente Vijfheerenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door een karakteristieke boerderij te splitsen in vier woningen. De woningen worden geïsoleerd conform de huidige eisen. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit en wateropvang is een groene inrichting wenselijker dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het erf rondom de boerderij wordt groen ingericht.
8
3.4 Beeldkwaliteit (landschappelijke inpassing) Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden dan wel te versterken is het bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied wenselijk zorg te dragen voor een passende vormgeving van de bebouwing en inrichting van het plangebied (landschappelijke inpassing). De initiatiefnemers van het plan hechten veel waarde aan een passende landschappelijke inrichting van het erf rondom de karakteristieke boerderij ‘de Adriana’s Hoeve’ op het perceel Broekseweg 94 te Ameide. Daarom is Bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten uit Bergambacht benaderd om een landschappelijk inpassingsplan op te stellen. Het perceel Broekseweg 94 te Ameide krijgt een passende landelijke en groene uitstraling door middel van het aanbrengen van streekeigen erfbeplanting. Hierbij moet men denken aan het aanplanten van knotwilgenrijen, bosschages en hoogstam fruitbomen. Over het perceel is sprake van landschappelijke doorzichten naar het achterliggende landschap. Het landschappelijk inpassingsplan is uitvergroot toegevoegd in de bijlage.
Afbeelding 6: Landschappelijk inpassingsplan
9
4 BELEIDSKADER 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals een economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders.
Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. De karakteristieke boerderij betreft geen Rijksmonument. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen.
Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
10
4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471).’ ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In dit plan wordt één wooneenheid toegevoegd in een bestaand boerderijgebouw.
Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Vanwege het kleinschalige karakter van het plan worden geen rijksbelangen geschaad. Er is geen sprake van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ waarvoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijk is vereist.
11
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft op 10 maart 2021 de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn de provinciale integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd (inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit). De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. Het beleid van de provincie Utrecht is vertaald in zeven provinciale belangen: 1. Stad en land gezond; a. Bevorderen van een gezonde leefomgeving. b. Bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving. c. Versterken van onderlinge relatie tussen ‘stad’ en ‘land’. d. Zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt. e. Bevorderen van een inclusieve samenleving. 2. Klimaatbestendig en waterrobuust. a. Bevorderen van een klimaatbestendige leefomgeving. b. Ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem. c. Bevorderen van het afremmen van bodemdaling. 3. Duurzame energie; a. Bijdragen aan het verminderen van energiegebruik. b. Bevorderen van en voldoende ruimte bieden aan de realisatie van duurzame energiebronnen. 4. Vitale steden en dorpen; a.
Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling. b. Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen. c. Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale, circulaire en innovatieve regionale economie. d. Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur. 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; a. Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden aan goede, duurzame en veilige bereikbaarheid van woon-, werken vrijetijdslocaties. b. Zorgdragen voor instandhouding van de provinciale infrastructuur en een adequaat provinciaal OV-netwerk. 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur; a. Ontwikkelen van kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden. b. Beschermen en benutten van de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur. c. Beschermen en benutten van de Outstanding Universal Value van UNESCO Werelderfgoed. d. Zorgdragen voor een hoogwaardig aanbod cultuur en erfgoed. 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. a. Ontwikkelen en versterken van een robuust netwerk van natuur met hoge kwaliteit, en bevorderen van een betere beleefbaarheid. b. Behouden en versterken van de biodiversiteit. c. Beschermen en ontwikkelen van houtopstanden. d. Bevorderen van een duurzame en economisch rendabele landbouw.
12
Stad en land gezond In een gezonde en veilige samenleving bevordert de fysieke leefomgeving de gezondheid en veiligheid van de inwoners. Ook stimuleert de fysieke leefomgeving een plezierige samenleving waar iedereen volwaardig aan kan deelnemen. Met ons beleid voor milieu en gezondheid en voor recreatie en toerisme dragen wij hieraan bij. Klimaatbestendig en waterrobuust De provincie Utrecht zet zich in voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie samen met waterbeheerders, gemeenten en Rijk. De provincie draagt zorg voor aantrekkelijke en toekomstbestendige dijken en omgeving. De provincie benut het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug om regenwater vast te houden en te infiltreren. De provincie zorgt ervoor dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater voldoet aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de doelen voor het overig water. Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied richten we klimaatadaptief (groen en blauw) in. Duurzame energie De ambitie van de provincie is om in 2040 een energieneutrale provincie te zijn door energiebesparing te stimuleren. Nieuwe technieken voor duurzame energieopwekking faciliteert de provincie als ze minder impact hebben op de leefomgeving. Ook biedt Utrecht in grote delen van de provincie ruimte om op zoek te gaan naar geschikte locaties met draagvlak voor wind- en zonne-energie.
Vitale steden en dorpen De provincie Utrecht kiest er in algemene zin voor om de ruimtevraag voor wonen en werken op een duurzame wijze te accommoderen via binnenstedelijke en binnendorpse ontwikkeling. Binnenstedelijke ontwikkeling, dat wil zeggen binnen het stedelijk gebied van steden, dorpen en overige kernen, inclusief transformatie, herstructurering en de aanpak van leegstand, heeft bovengemeentelijke aspecten, omdat we te maken hebben met regionale markten voor woon- en werk- en kantoorlocaties. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar De ambitie van de provincie Utrecht is om in 2050 een CO2-neutrale provincie te zijn. Daartoe stimuleert de provincie allereerst energiebesparing. Elektriciteit en warmte haalt men uit duurzame energiebronnen als wind, zon, bodem, water en biomassa. Er zijn grote veranderingen nodig in verschillende sectoren: gebouwde omgeving, bedrijven, mobiliteit en landbouw. Het vraagt opschaling van de inzet van bewezen technologie, de ontwikkeling van innovaties en de toepassing van slimme ruimtelijke combinaties in al deze sectoren. Nieuwe technieken voor duurzame energieopwekking faciliteren wij als ze minder impact op onze leefomgeving hebben. Voor deze technieken bieden we ruimte voor experimenten, mits het gezond en veilig is.
Levend landschap, erfgoed en cultuur Utrecht beschermt en benut landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. In de landschappen ontwikkeld de provincie met de kernkwaliteiten van het landschap mee. De universele waarden van de Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes worden verzilverd. Toekomstbestendige natuur en landbouw De ambitie is om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden. Verder wordt de transitie naar een duurzame landbouw gestimuleerd. Het plangebied betreft een bestaand woonperceel in de lintbebouwing langs de Broekseweg te Ameide. Op het perceel is een karakteristieke woonboerderij
13
gelegen. De boerderij is thans gesplitst in drie woningen. Om in te spelen op de woningbehoefte en te voorzien in de benodigde financiële compensatie om de manege, dat een belangrijke maatschappelijke functie vervult in regio, in stand te houden/toekomstbestendig te maken, is besloten de derde woning te splitsen in twee kleinere wooneenheden. Middels de toevoeging van een vierde wooneenheid in de boerderij is instandhouding van het karakteristieke boerderijgebouw en de manege gewaarborgd. De woningen worden geïsoleerd conform de huidige eisen. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang is een groene inrichting sprake van een betere situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het erf rondom de boerderij wordt groen ingericht. 4.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Gelijktijdig met de ‘Omgevingsvisie provincie Utrecht’ heeft de provincie Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid in regels. Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. De interim omgevingsverordening is een tijdelijke verordening tot 1 juli 2022.
Dan treedt, als de Omgevingswet van kracht is, de omgevingsverordening inwerking. Voor dit plan zijn de volgende onderwerpen relevant: Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden Conform artikel 3.25 is het verboden in grondwaterbeschermingsgebied Langerak: a. Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 3 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone. Het plan betreft de toevoeging van een vierde wooneenheid in een bestaand boerderijgebouw. Er is geen sprake van graafwerkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het grondwaterbeschermingsgebied. Stedelijke functies in landelijk gebied Conform artikel 9.5 is verstedelijking in bebouwingslinten toegestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Gelijktijdig met de verstedelijking wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd; b. Bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en c. Belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Het plangebied betreft een bestaand woonperceel in de lintbebouwing langs de Broekseweg te Ameide. Het plan voorziet in de splitsing van een bestaand karakteristiek boerderijgebouw in het bebouwingslint. Met de toevoeging van een vierde wooneenheid in de boerderij is instandhouding van het karakteristieke boerderijgebouw en de manege gewaarborgd. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit, wateropvang wordt het plangebied groen ingericht. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 3.4. Het plan resulteert in een opwaardering van de ruimtelijke kwaliteit. De belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast (zie paragraaf 5.3). 4.2.3 Conclusie provinciaal beleid Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met het provinciaal beleid. 14
4.3 Regionaal Beleid 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels dit plan is de instandhouding van de karakteristieke boerderij en daarmee het authentieke karakter van de regio en het cultuurhistorische waardevolle landschap verzekerd. Middels dit plan kan tevens de manege, dat een belangrijke maatschappelijke functie vervult in regio, in stand worden gehouden. Het plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid.
4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.
Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. Er wordt niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s gestuurd. In plaats daarvan wordt een kwalitatieve leidraad gehanteerd, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Ameide is aangeduid als een voorzieningendorp. Ameide heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Uitbreiding van de woningvoorraad speelt in op de lokale vraag, maar ook de toestroom uit omliggende dorpen. In het plan is sprake van toevoeging van één wooneenheid. Het plan speelt in op de gemeentelijke behoefte naar kleinschaligere woningen. De woning wordt regionaal gemeld en meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030. 4.3.3 Conclusie regionaal beleid Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met het regionaal beleid.
15
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Woonvisie gemeente Vijfheerenlanden 2020-2025 Het doel van de nieuwe Woonvisie voor Vijfheerenlanden is dat het voor iedereen goed wonen is in Vijfheerenlanden en de woonwensen en woningbehoefte van al onze inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Zo is Vijfheerenlanden samen sterk, met eigenheid en diversiteit in de verschillende kernen. De Woonvisie gaat uit van de volgende uitgangspunten: • Behoud en versterking van de vitaliteit heeft de prioriteit van de kleine kernen. • Bouwen voor de doorstroming binnen Vijfheerenlanden: voor ouderen en voor jongeren. • Aandacht voor lage inkomens en middeninkomens uit Vijfheerenlanden die in de knel komen. • Bouwen primair voor de eigen inwoners, ruimte voor kleine dorpsgerichte plannen, die aansluiten bij initiatieven van dorpsbewoners. • Ruimte bieden aan complementaire woningtypen: voorzien in de behoefte aan kleine woningen (tiny houses), mantelzorgwoningen, knarrenhofjes, en vrije kavels. • Focus op de verduurzaming van de bestaande voorraad, bij nieuwbouw zorgen voor energieneutraliteit. • Rekening houden met rode contour, en nieuwe regels zoals Omgevingswet, PAS en de POVI. • Aansluiting zoeken bij de strategische visie 2035. Het plan speelt specifieke in op de behoefte aan kleinere woningen.
Het betreft een zeer kleinschalige woningbouwontwikkeling, namelijk één woning in een bestaand boerderijgebouw. 4.4.2 Conclusie gemeentelijk beleid Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
4.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskader’ kan worden geconcludeerd dat: • • • •
Vanuit jurisprudentie is geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is; Het plan genereert de nodige financiële middelen om de manege, welke een belangrijke maatschappelijke functie heeft, in stand te houden/ toekomstbestendig te maken; Het plan speelt in op de specifieke behoefte aan kleinere woningen; Het plan past verder binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
16
5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een splitsing van een karakteristieke boerderij waarbij één wooneenheid wordt toegevoegd in het lint langs de Broekseweg te Ameide. Het plan betreft geen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ (paragraaf 4.1.3). Er is geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij de nieuwbouw van één woning, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht.
Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Middels het plan wordt het mogelijk gemaakt om een extra woning te realiseren in een karakteristieke boerderij. Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland gebied is gelegen op 447 meter van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000gebied is gelegen op 1,8 km van het plangebied. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van het plan zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan, slechts toevoeging van één wooneenheid, zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieueffecten. Conclusie Het plan betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in activiteit D 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan.
17
5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van een wooneenheid in een bestaande boerderij. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Het plangebied is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzones van de Broekseweg (60 km/h), de Reigersdreef (60 km/h) en de Bordenweg (60 km/h). Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerlawaai op de gesplitste boerderij in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
De conclusies uit dit onderzoek luiden: • ‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Broekseweg, Reigersdreef en Bordenweg ten hoogste respectievelijk 47 dB, 37 dB en 38 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 48 dB, excl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woningen beschikken alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’ Voor de woning hoeft geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet worden overschreden.
18
Voor de woning hoeft geen aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen.
19
5.3 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Dit plan voorziet in de toevoeging van één wooneenheid in een bestaande woonboerderij. Het plan betreft een inpandige verbouwing van de boerderij. De afstand van de woonboerderij (incl. het bouwvlak en bestemmingsvlak) tot omliggende bedrijven blijft gelijk. In het kader van bedrijven en milieuhinder is hiermee sprake van een gelijkblijvende situatie ten opzichte van de omliggende bedrijven, waardoor toetsing van het plan aan de richtafstanden uit het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) dan wel het uitvoeren van een onderzoek naar bedrijf- en milieuhinder niet noodzakelijk is. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
20
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu B.V. een verkennend en asbestbodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De bodem bestaat uit geroerde zand en klei, overgaand in veen op 0.8 á 1.0 mmv. In enkele boringen is licht puin waargenomen. Dit bestaat voornamelijk uit steenachtig materiaal. Asbestverdachte materialen zoals plaatjes zijn visueel nergens aangetroffen in de grond. Daar moet echter bij opgemerkt worden dat een goede inspectie van de bodem of de bovengrond niet overal mogelijk was in verband met de funderings- en verhardingslagen.
Grond en grondwater Er zijn elf mengmonster van de boven- en ondergrond samengesteld. De bovenen ondergrond kunnen met één uitzondering als schoon worden beschouwd. De uitzondering is olie in de grond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank. Het grondwater van de drie peilbuizen is maximaal licht verontreinigd. Geconcludeerd kan worden dat de grond ter plaatse van de gedempte sloten niet boven de tussenwaarde is verontreinigd. Asbest Zowel visueel als analytisch is er geen asbest aangetoond in de twee verdachte gootlijnen langs de twee verdacht stallen. De aanwezigheid van de asbestdaken heeft dus niet geleid tot verontreiniging met asbest van de onverharde stroken onder de dakrand.’ Aanvullend bodemonderzoek PFOA en asbest In aanvullend hierop is door Linge Milieu B.V. een asbestbodemonderzoek en onderzoek naar PFOA uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: A. PFOA De bovengrond bevat 0.39 μg/kg PFOA. De locatie aan de Broekseweg ligt in zone 2 op de PFOA-kaart van Omgevingsdienst ZHZ. Verwachte gehaltes in de bovengrond van deze zone zijn 0 tot 10 μg/kg. B. Asbest kleiner dan 20 mm Analytisch is door het lab geen asbest kleiner dan 20 mm aangetoond in de mengmonsters van de geroerde grond van de twee ontwikkelingslocaties. C. Asbest groter dan 20 mm Visueel is nergens asbest waargenomen.
21
D. Conclusie In de geroerde en/of puinhoudende bovengrond van het terrein aan de Broekseweg is asbest zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar. Bij de ontwikkeling van het terrein, de voorgenomen ontwikkeling, hoeft dus geen rekening gehouden te worden met eventueel asbest in grond of puin.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
22
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: • Het plangebied deels is gelegen op gronden met een middelmatige verwachting voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (donkergeel). • Het plangebied deels is gelegen op gronden met een lage verwachting voor alle perioden. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (geel).
Afbeelding 7: Uitsnede archeologisch beleids- en advieskaart
23
Onderzoek Het plan betreft een inpandige wijziging (toevoeging wooneenheid in een boerderijgebouw). Er is geen sprake van bouw-, sloop- en/of graafwerkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem. Op basis hiervan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen.
24
5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen (afbeelding 8). Het voornemen is om de C-watergang 042464 aan de noordzijde van het perceel door te trekken. Voor het doortrekken van de C-watergang wordt een watervergunning aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
25
Afbeelding 8: Uitsnede Legger wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW001. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -1,44 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Afbeelding 9: Uitsnede Peilgebiedenkaart
26
Waterberging en compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m 3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m 2. Dit plan maakt onderdeel uit van het totaalplan voor de locatie Broekseweg 92-94 Ameide waarvoor reeds een bestemmingsplanprocedure is doorlopen (vastgesteld bestemmingsplan ‘Ameide, Broekseweg 92-94 op 24 september 2018).
Het totaalplan voorziet in een forse afname aan verharding (zie tabel 2). Dit bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid tot splitsing van de derde woning in de boerderij in twee kleinere wooneenheden. Er is uitsluitend sprake van een inpandige wijziging in een bestaand boerderijgebouw (het boerderijgebouw wordt niet uitgebreid). Voor de inrichting van het erf betekent dat er drie in- en uitritten aanwezig zullen zijn, een extra bijgebouw (max. 75 m2) kan worden gerealiseerd en twee extra parkeerplaatsen nodig zijn. In de bestaande situatie is het erf behorende bij de extra wooneenheid volledig verhard (zie afbeelding 10). De schuur links op de foto, welke gesloopt zal worden, staat grotendeels in de tuin van de toegevoegde woning. Per saldo is nog altijd sprake van een forse afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk.
Afbeelding 10: Verharding bestaande situatie
27
Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding totaalplan (incl. dit plan) Bestaande situatie Oppervlakte (m2) Manegestal 2.090 m2 Hooiopslag 200 m2 Jongveestal 420 m2 Ligboxenstal 580 m2 Paardenstal 200 m2 Jongveeschuur 355 m2 Veestal 65 m2 Woonboerderij 430 m2 Bijgebouw 50 m2 Terreinverharding 9.405 m2 Totaal bestaande situatie
13.795 m2
Nieuwe situatie Manege + uitbreiding + hooiopslag Vrijstaande schuurwoning (incl. aan-, uit- en bijgebouwen) Woonboerderij (vier eenheden, incl. bijgebouwen) Terreinverharding (incl. erfverharding/parkeerplaatsen bij woonboerderij)