CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

03_QS Wnb Burg. jhr. Hoeufftlaan Vianen_Viridis_24 feb 2022

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 2 november 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Burg. Jhr. Hoefftlaan 8-12, Vianen11.653 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Februari 2022

Quickscan Wet natuurbescherming

Burgermeester Hoeufftlaan 8-12

In opdracht van: LEKSTEDEWonen Projectnummer: 2022-000

© 2022 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst, veldonderzoek & foto’s: S. (Susan) Zwerver Projectnummer: Wijze van citeren:

2021S. (Susan) Zwerver. Quickscan Burgermeester Hoeufftlaan 8 t/m 12 Vianen. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2022000

In opdracht van: Contactpersoon:

LEKSTEDE Wonen J. (Jacco) Labrijn

Status: Datum: Ondertekening: Paraaf:

Concept 24-2-2022 J.J. (Jort) de Bosch Kemper

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.

Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

Inhoud

1.

2.

3.

4.

5.

Aanleiding ..................................................... 3

6.

Mitigatie soortbescherming .......................... 15

1.1.

Situatie ....................................................... 3

6.1.

Algemene maatregelen ........................... 15

1.2.

Beschrijving van het plangebied ................ 3

6.2.

Zorgplicht................................................. 15

1.3.

Probleemstelling ........................................ 4

6.3.

Algemene broedvogels ............................ 15

1.4.

Geldigheid onderzoek ................................ 4

7.

Onderzoeksmethode ...................................... 6

Conclusie en advies ...................................... 16 7.1.

Beantwoording onderzoeksvragen ......... 16

2.1.

Literatuuronderzoek .................................. 6

7.2.

Conclusie ................................................. 17

2.2.

Veldonderzoek ........................................... 6

7.3.

Kansen voor natuur ................................. 17

2.3.

Effectenanalyse .......................................... 6

Gebiedsbescherming ...................................... 7

8.

Literatuurlijst ............................................... 19 8.1.

Literatuur ................................................. 19

3.1.

Natura 2000 gebieden ............................... 7

8.2.

Websites .................................................. 20

3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN).............. 7

Bijlage A.

Wettelijk kader ................................. 21

Soortbescherming .......................................... 9

Wet Natuurbescherming...................................... 21

4.1.

Vaatplanten ............................................... 9

Zorgplicht ............................................................. 21

4.2.

Grondgebonden zoogdieren ...................... 9

Natura 2000-gebieden ......................................... 21

4.3.

Vleermuizen ............................................. 10

Soortbescherming ................................................ 22

4.4.

Vogels....................................................... 11

Beschermde houtopstanden ................................ 24

4.5.

Vissen ....................................................... 12

Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 25

4.6.

Amfibieën en reptielen ............................ 12

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 25

4.7.

Ongewervelden........................................ 12

Bijlage B.

Overzicht algemene vrijstellingen ...... 29

Houtopstanden ............................................ 14

Bijlage C.

Nederlandse vleermuissoorten.......... 30

Bijlage D.

Ecologisch deskundige ...................... 31

5.1.

Conclusie houtopstanden ........................ 14

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

1

Samenvatting Wegens de voorgenomen sloop van een aantal panden aan de Burgermeester Jonkheer Van Hoeufftlaanlaan in Vianen heeft LEKSTEDEWonen aan Bureau Viridis gevraagd een Quickscan voor de Wet Natuurbescherming uit te voeren. Op basis van deze Quickscan is te concluderen dat binnen het plangebied verblijfplaatsen van beschermde gebouwbewonende vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw niet uit te sluiten zijn. Werkzaamheden aan het pand kunnen leiden tot overtreding van de Wnb artikel 3.5. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten. Zie ook onderstaande tabel 1, 2 en 3. Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied

Bescherming

Afstand

Effecten?

Vervolgstappen?

Natura 2000

Km

Nee

geen

Tabel 2 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep. *Mitigerende maatregelen moeten nageleefd worden om te voorkomen dat binnen het plangebied wél mogelijkheid ontstaat voor algemene broedvogels om tot broeden te komen. Soortgroep

Effecten

Vervolgstappen

Vaatplanten

Nee

Geen

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Geen

Vleermuizen

Mogelijk overtreding artikel 3.5

Aanvullend onderzoek

Vogels met jaarrond beschermd nest

Mogelijk overtreding artikel 3.1

Aanvullend onderzoek

Algemene vogels*

Nee

Geen

Vissen

Nee

Geen

Amfibieën

Nee

Geen

Reptielen

Nee

Geen

Ongewervelden

Nee

Geen

Tabel 3 | Samenvatting beschermde houtopstanden met vervolgstappen Houtopstanden

Aanwezig?

Bescherming

Vervolgstappen?

Houtopstanden

Nee

-

geen

Om aanwezigheid van deze soorten uit te sluiten of aan te tonen is aanvullend onderzoek nodig. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek dient plaats te vinden in specifieke periodes. Indien het noodzakelijk is aanvullend onderzoek uit te voeren dient er rekening gehouden met een onderzoeksperiode volgens onderstaande tabel. Tabel 4 | Onderzoeksperiodes. Per onderzoek is aangegeven in welke periodes onderzoek plaats kan vinden (NGB, 2017). Let op dat voor dit onderzoek geldt dat de periode en de inspanning per functie verschillend zijn. Type

Minimaal aantal onderzoeken

Tussenperiode (dagen)

Vleermuis – zomer

3 bezoeken

20

Vleermuis – najaar

2 bezoeken

20

Huismus

2-4 bezoeken

10

Gierzwaluw

3 bezoeken

10

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

1 1 1 1 1 1 1 1

1

1

1

1

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

2

1. Aanleiding

1.1.

Situatie

LEKSTEDEWonen is voornemens een voormalig winkelpand aan de Burgemeester Jonkheer Hoeufftlaan 8, 10 en 12 te slopen. De specifieke locatie van de werkzaamheden zijn weergegeven in Figuur 1.1. Deze ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De Wet natuurbescherming heeft drie beschermingsregimes: • gebiedsbescherming; • soortenbescherming; • beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving.

Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of er door het uitvoeren van de werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming of andere wet- en regelgeving (NNN) is te verwachten. En zo ja, wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving uit te voeren? In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2.

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bestaat uit een voormalig winkelpand van twee bouwlagen met een pannendak met een achtergelegen opslagruimte van één bouwlaag met een plat dak. Het pand staat als blok nagenoeg los van andere bebouwing; enkel aan de noordzijde is het gebouw met een muur verbonden aan het noordelijk gelegen pand. In Figuur 1.1, 1.2 en Afbeelding 1.1 t/m 1.X is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.

1

Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

3

1.3.

Probleemstelling

Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of een vergunning of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000 gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? • Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren?

Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?

1.4.

Geldigheid onderzoek

Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

4

Figuur 1.1 | Overzicht plangebied.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

5

2. Onderzoeksmethode

Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en wordt gekeken of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op beschermde natuurgebieden of beschermde houtopstanden. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

2.1.

mogelijke voorkomen van deze soorten. Voor literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwde kom voor de betreffende gemeente.

2.2.

Veldonderzoek

Bureau Viridis heeft in februari 2022 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Structuurvisie van de betreffende provincie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het

2.3.

Effectenanalyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

6

3. Gebiedsbescherming

De wetgeving met betrekking tot beschermde gebieden betreft Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Bescherming van Natura 2000 gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Vanuit de Provinciale Structuurvisie zijn een aantal gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en daarmee provinciaal beschermd. Naast de gebiedsbescherming geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle Natura 2000gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Ook de niet-beschermde gebieden vallen hier dus onder. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.

3.1.

Natura 2000 gebieden

Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer het mogelijk is dat er effecten kunnen zijn dan dient er doormiddel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een vergunningsplicht en moet een “Verslechteringstoets” of “Passende beoordeling” uitgevoerd worden. Dit is afhankelijk van of de plannen significant negatieve invloed hebben of niet. In beide toetsingen worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde

voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Lek” ligt op een afstand van 8.8 kilometer. Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000 gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden. Echter, gelet op de kleine schaal van de werkzaamheden en de grote afstand tot het dichtstbijzijnde gebied is het uitgesloten dat deze uitstoot enige significante bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie of tijdelijk leidt tot een overschrijding van grenswaarden voor een Natura 2000gebied. Conclusie Natura 2000 Het is niet noodzakelijk om een Voortoets t.b.v. een Habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren.

3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het NNN vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

7

het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen.

Conclusie NNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.1).

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

8

4. Soortbescherming

Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.

In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.

4.1.

Vaatplanten

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde vaatplanten verwacht in het plangebied. Het volledige gebied is een betegeld terrein en binnen de invloedsfeer van de maatregelen is er voor planten geen mogelijkheid te groeien. De muren van het pand zijn jong en daardoor ongeschikt voor zeldzame varens, mossen, of andere gebouw-begroeiende planten als bijvoorbeeld muurbloem of schubvaren. Deze op muren groeiende planten stellen zeer specifieke eisen aan hun habitat. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Effectbeoordeling vaatplaten Ondanks dat het veldonderzoek is uitgevoerd in een minder geschikte periode voor het inventariseren van planten, is er op basis van het literatuur- en veldonderzoek niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn daarom uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is daarom niet noodzakelijk. Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.

4.2.

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van bekende verspreidingsgegevens en data van de NDFF is alleen het voorkomen bekend van algemene grondgebonden zoogdieren van bebouwde omgeving als egel, bruine rat, huismuis en huisspitsmuis die voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Deze soorten staan op een lijst met soorten die in de provincie Utrecht vrijgesteld zijn van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Bijlage B). Tijdens veldwerk zijn er geen aanwijzingen gevonden van aanwezigheid van grond-bewonende zoogdieren

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

9

Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde grondgebonden zoogdieren (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten zijn. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).

4.3.

Vleermuizen

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis

overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. In dit pand zijn enkel aan de westzijde enkele stootvoegen aangetroffen. Daarnaast zijn er openingen tussen de goot/ dakoverstekken en de muur aanwezig. Deze bovengenoemde openingen bieden mogelijk toegang tot de spouwmuur, waar verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. De openingen zijn klein, dus enkel gewone- en eventueel ruige dwergvleermuis zijn in het gebied te verwachten. Deze laatste soort bewoont minder vaak gebouwen (Bijlage C). Het pannendak zou eventueel toegang kunnen bieden tot verblijfplaatsen van laatvlieger. Boombewonende vleermuissoorten In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom in het plangebied niet te verwachten. Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen.

Vleermuizen moeten dan een alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. In het plangebied is geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

10

voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het is uitgesloten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied. In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de tuinen en het gemeentelijke groen rondom het plangebied. Effectbeoordeling vleermuizen Het gebouw heeft verschillende openingen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve effecten op vaste rust en/of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten door de werkzaamheden aan de noord- en westzijde van het pand, aangezien hier de spouwmuur aangetast zal worden en de oude winkelpui uit het gebouw gesloopt zal worden. Door deze werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen verloren gaan. Er is dan sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Om te voorkomen dat verbodsartikel 1,2 en 4 van Wnb artikel 3.5 overtreden worden dient nader onderzoek naar vleermuizen te worden gedaan (volgens het Vleermuisprotocol 2021) is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten in het plangebied vast te stellen. Mogelijk is het nodig een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Onderzoek naar boombewonende vleermuizen, essentiële vliegroutes of foerageergebieden zijn hier niet nodig. Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Het niet uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten niet kunnen worden uitgesloten.

• Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. • Het plangebied niet als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden, laat staan als essentieel foerageergebied.

4.4.

Vogels

Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn in openingen in de muren of onder dakbedekking. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft de gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus). Het gebouw leent zich voor nestplaatsen voor beide soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats.

De aanwezigheid van de huismus kan niet worden uitgesloten omdat het pannendak zich leent voor het voorkomen van nesten van deze soort. Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies op daken van woningen en (vaak) oude gebouwen. Meest gebruikte nestlocaties zijn op daken onder scheefliggende of kapotte dakpannen, nokpannen, gaten en kieren onder de dakrand en dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. De gierzwaluw

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

11

heeft een vrije val nodig van enkele meters vanuit zijn verblijfplaats. De kopse kanten van het gebouw, waar de kampannen over de boeidelen komen, zijn geschikt als nestlocatie voor gierzwaluw.

Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.

Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk), in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). Deze elementen zijn niet in de plangebieden aanwezig en grote nesten zijn niet in de bomen aangetroffen. Nesten van deze vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten.

4.6.

Algemene broedvogels Rond het plangebied kunnen algemene broedvogels zoals merel (Turdus merula) en houtduif (Columba palumbus) tot broeden komen. Ook het dak van het gebouw leent zich voor nesten van algemene broedvogels. Effectbeoordeling vogels Het gebouw heeft geschikte openingen en een geschikt dak voor beschermde of algemene (gebouwbewonende) vogels. Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten niet zijn uitgesloten. • Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen.

4.5.

Vissen

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Beschermde vissen zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Effectbeoordeling vissen Wegens het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied is uitgesloten dat de ruimtelijke ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde vissen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen is daarom ook niet noodzakelijk.

Amfibieën en reptielen

Het plangebied bestaat uit voornamelijk uit bebouwing en is daarom ongeschikt als leefgebied voor beschermde amfibieën en reptielen. Wel kan een algemeen voorkomende soort als gewone pad (Bufo bufo) aanwezig zijn onder struiken die rondom het pand aanwezig zijn. Er moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Effectbeoordeling amfibieën en reptielen Er is in het plangebied géén leefgebied voor amfibieën en reptielen aanwezig en daarom zijn er geen negatieve effecten op amfibieën te verwachten. Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën en reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie amfibieën en reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde amfibieën aanwezig. → In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.

4.7.

Ongewervelden

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde ongewervelden verwacht in het plangebied. Beschermde ongewervelde diersoorten, zoals dagvlinders en libellen, stellen namelijk specifieke eisen aan hun waardplanten of biotoop. In het plangebied zijn behalve tuinbeplanting géén planten aanwezig en in bredere zin géén geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Zij worden daarom ook niet verwacht. Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is daarom ook niet noodzakelijk.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

12

Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

13

5. Houtopstanden

In de Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 4 de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantingsplicht. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan.

5.1.

Conclusie houtopstanden

Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig en derhalve geldt voor dit project geen meldings- of herplantingsplicht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

14

6. Mitigatie soortbescherming

Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau.

6.1. •

Algemene maatregelen

Mochten er zich gedurende de werkzaamheden ten aanzien van beschermde soorten onvoorziene omstandigheden voordoen, wordt direct contact opgenomen met de ecologisch deskundige.

6.2.

Zorgplicht

In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Draag er zorg voor dat de richting waarin eventuele dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is. De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel.

•

Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.

6.3.

Algemene broedvogels

Algemene broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Ze broeden ook in gebouwen, mits verstoring niet plaatsvindt. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten daarom in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Het is niet te verwachten dat in het plangebied algemene vogels tot broeden komen, vooraf aan de werkzaamheden. Mocht dit tóch gebeuren, dan dient dit nest met rust gelaten te worden en moet hier met een ruime boog omheen gewerkt worden. • Vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode.

Voor permanent verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om zodra tijdens de werkzaamheden een nest wordt aangetroffen, voor zover dat verder mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; • Het plangebied dient tot aan de start van de werkzaamheden ongeschikt gehouden te worden voor de vestiging van broedvogels door geen toegang te bieden tot de binnenzijde van het pand, en niet voor lange tijd de werkzaamheden aan de buitenmuren stil te leggen tijdens het broedseizoen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

15

7. Conclusie en advies

7.1.

Beantwoording onderzoeksvragen

Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord. Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 200 gebieden te verwachten en is daardoor een Voortoets noodzakelijk? Nee, het is niet noodzakelijk om een Voortoets t.b.v. een habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren. Nee, het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een toetsing in dit kader is daarom niet nodig. Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, in het plangebied is niet uit te sluiten dat verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen als gewone of ruige dwergvleermuis en eventueel laatvlieger aanwezig zijn. Ja, in het plangebied is niet uit te sluiten dat jaarrond beschermde nesten van huismus of gierzwaluw aanwezig zijn. Eventueel kunnen algemene broedvogels met niet-jaarrond-beschermde nesten ook gebruik maken van het gebouw als broedplaats. Andere beschermde soorten zijn uitgesloten in het plangebied. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten veroorzaken op de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen.

•

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om passende mitigerende maatregelen te kunnen bepalen. Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van vleermuizen, huismus en gierzwaluw dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.

Vleermuizen Het nader onderzoek voor de vleermuizen plaats te vinden volgens het Vleermuisprotocol (2021) om vast te stellen of er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn in het gebouw. Hiervoor zijn 3 veldbezoeken nodig in de periode 15 mei-15 juli (met minimaal 30 dagen tussen de 2 avondbezoeken en 1 ochtendbezoek) voor het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen en 2 bezoeken in de periode 1 augustus-10 september (met minimaal 20 dagen tussen de bezoeken) voor het onderzoek naar paarverblijfplaatsen. Huismus Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens de richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (BIJ12, 2017). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

16

Gierzwaluw Het nader onderzoek naar gierzwaluwen dient plaats te vinden volgens de richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de gierzwaluw (BIJ12, 2017), Het onderzoek dient plaats te vinden tijdens drie gerichte avondbezoeken in de periode van 1 juni - 15 juli, waarvan 1 bezoek in de periode tussen 20 juni en 7 juli in verband met de aanwezigheid van jongen. Het meest geschikt is de periode tussen 21.00 uur en 22.30 uur. Voor de veldbezoeken geldt een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Nee, binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig en dus zal er geen houtopstand geveld worden. Er geldt vanzelfsprekend dus ook geen meldings- en herplantingsplicht.

7.2.

7.3.

Kansen voor natuur

Er liggen kansen om de nieuwe woningbouw geschikt te maken voor vleermuizen en broedvogels door natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Soms is wat ruimte achter het dakbeschot of onder de dakpannen al voldoende om verblijfplaatsen te creëren voor vogels en vleermuizen. Het gaat dus ook niet ten koste van het woongenot of de isolatie van het huis. Voor vleermuizen is het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Meer informatie is te vinden op: https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/.

Conclusie

Uiteindelijk is hiermee de uiteindelijke vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren? De voorgenomen werkzaamheden aan de begane grond van het onderzochte pand hebben geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Met inachtneming van de in hoofdstuk 6 beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten niet uitgesloten. Er is aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Zie tabel 7.1. Er is mogelijk sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen, huismus en gierzwaluw is noodzakelijk.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

17

Tabel 7.1 | Onderzoeksperiodes per soort(groep). Per soort(groep) aangegeven in welke periodes onderzoek plaats kan vinden (NGB, 2017). Voor sommige soorten geldt dat de periode en de inspanning per functie verschillend kan zijn. Type

Minimaal aantal onderzoeken

Tussenperiode (dagen)

Vleermuis – zomer

3 bezoeken

20

Vleermuis – najaar

2 bezoeken

20

Huismus

2-4 bezoeken

10

Gierzwaluw

3 bezoeken

10

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

1 1 1 1 1 1 1 1

1

1

1

1

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

18

8. Literatuurlijst

8.1.

Literatuur

Bat Habitat key, 2018. Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, Exeter. Broekhuizen, S., Klees, D. en Müskens G. 2010. De steenmarter. Zoogdiervereniging. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gjerde, L., 2004. Methods in surveying advertisement calling Vespertilio murinus L., 1758, and notes on its fall distribution in Europe.

Le Rhinolophe 17:127132. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch

Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Korsten, E. & Brekelmans, F., 2014, Massaal in winterslaap, Stadswerk Magazine, 07/2014, pp. 40 - 42 Limpens, H.G.J.A. 2012. Slopen restaureren renoveren nieuwbouw na-isolatie: Vleermuisvriendelijk bouwen, Zoogdiervereniging. Limpens, H. G.J.A. & J. Regelink, 2017. Cursus vleermuizen en Planologie, Zoogdiervereniging. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Sendor, T., 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year-round use of hibernacula for life histories. Philipps-Universität, Marburg. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2018. Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

19

Šuba, J. & D. Vietniece & G. Pētersons, 2010. The particoloured bat Vespertilio murinus in Rīga (Latvia) during autumn and winter. Environmental and Experimental Biology 8:93-96 Voortman, T., & Bakker, G., 2020. Spatial and temporal variation in maternity roost site use of common pipistrelles Pipistrellus pipistrellus (Mammalia: Chiroptera) in Rotterdam. Deinsea 19:1-16 Zagmajster, M., 2003. Display song of parti-coloured bat Vespertilio murinus Linnaeus, 1758 (Chiroptera, Mammalia) in southern Slovenia and preliminary study of its variability. Natura Sloveniae 5(1):27-41.

8.2.

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/ Effecten op Natura2000 gebieden https://calculator.aerius.nl/calculator https://natura2000.nl/gebieden https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx Natuur Netwerk Nederland Data.overheid.nl/datasets Natuur Netwerk Utrecht https://nnn-wijzer.provincie-utrecht.nl/nnnkaart.html

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

20

Bijlage A. Wettelijk kader Wet Natuurbescherming

Natura 2000-gebieden

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO is het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk.

De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden.

Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.

Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Verslechteringstoets of Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden. Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld.

Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag wordt er

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

21

een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Verslechteringstoets Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een negatief effect, maar dat deze zeker niet significant is, dient er een Verslechteringstoets uitgevoerd te worden. In deze toetsing wordt er gekeken of de activiteit werkelijk een verslechtering van de natuurlijke habitats of habitats van soorten tot gevolg heeft. Het bevoegd gezag geeft aan welke gegevens verwacht worden en welke mate van gedetailleerdheid noodzakelijk is. Als uit de Verslechteringstoets blijkt dat er geen negatieve effecten optreden of dat de negatieve effecten aanvaardbaar zijn wordt de vergunning afgegeven, eventueel met voorwaarden of beperkingen. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet (Zie Kader 1, Mitigerende en compenserende maatregelen). Kader 1 | Mitigerende en compenserende maatregelen

Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, voorkomen of verminderen. Het doel van dergelijke maatregelen is het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Compenserende maatregelen zijn maatregelen die de aantasting (significante effecten) op de aangewezen habitats en -soorten in een natura 2000-gebied als gevolg van een project of plan compenseren. Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden. De Passende Beoordeling is vergelijkbaar met de Verslechteringstoets, maar is gedetailleerder en uitgebreider. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een vergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld

worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets. ADC-toets Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, kan het plan alleen vastgesteld en vergund worden indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (artikel 2.8-4) a. Er zijn geen Alternatieve oplossingen b. Het project wordt uitgevoerd onder Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard c. Er worden Compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Soortbescherming Het hoofdstuk 3 ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen (Zie kader 2, Opzettelijkheid en Kader 3, Verstoring en vernietiging door verstoring): opzettelijk doden en vangen van vogels; opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; eieren rapen en onder zich hebben; opzettelijk verstoren van vogels; het verbod onder 4 is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijk invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Burgermeester Jonkheer Hoeufftlaan Vianen

22

Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora en fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Kader 2 | Opzettelijkheid in de Wet Natuurbescherming

Opzettelijkheid Een situatie waarbij iemand een handeling verricht waarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt wordt dat deze gedraging leidt tot overtreding van een verbod, ook als een kwade intentie ontbreekt. Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen (Zie kader 2, Opzettelijkheid en Kader 3, Verstoring en vernietiging door verstoring): 1. opzettelijk doden en vangen; opzettelijk verstoren; opzettelijk vernielen of rapen eieren; opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantingsof rustplaatsen; opzettelijk plukken of vernielen planten. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=0cf7c10f-572d-4232-8970-5b61b5a6670d