Woningbouw Vlakwater II Bijlagen bij toelichting Bijlage 16 Toelichting Ringweg 8A 10
Tekst van het document
4.3. Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In een aanvullende notitie op de geurverordening (vastgesteld november 2011) is bepaald dat voor nieuwe geurgevoelige objecten sprake dient te zijn van een maximale achtergrondbelasting van 20 Oue/m3 (leefklimaat matig) en een maximale voorgrondbelasting van 14 Oue/m3 (leefklimaat tamelijk slecht) om het te kunnen typeren als “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat”.
Toetsing Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van de geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Op de kaart bij de verordening is het plangebied aangeduid als buitengebied. In de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij, is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14 Oue/m3 (voorgrondbelasting). In de bijlage van de gemeentelijke Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij zijn de indicatieve geurcontouren van alle agrarische bedrijven opgenomen (deze zijn in 2018 geactualiseerd). Doordat het plangebied is aangemerkt in de gebiedsvisie als buitengebied mag de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object maximaal 14 Oue/m3 bedragen. Blijkens de meest actuele kaart blijkt dat de planlocatie nabij de bestaande woning Ringweg 8a is gelegen binnen de 14 Oue/m3 contour (blauwe lijn) van het intensieve veehouderijbedrijf Timmermansweg 41, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt. De twee overige blauwe contourenlijn die over de planlocatie liggen zijn afkomstig van de varkenshouderij die bij de planlocatie aan de Ringweg 8a en 10 hoort.
Deze milieubelasting komt echter als gevolg van deelname aan de Saneringsregeling (SRVH) te vervallen, omdat de omgevingsvergunning milieu / melding in het kader van het Activiteitenbesluit op dit deel van de planlocatie wordt
25
ingetrokken. Door deze intrekking is er al zondermeer sprake van een verbetering van de geurbelasting.
Afbeelding 7. gemeentelijke Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij, kaart indicatieve geurcontouren.
Op basis van de bijlage van de gemeentelijke Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij met geactualiseerde kaart van 2018 kan de geurbelasting ter plaatse van alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting) worden beoordeeld als extreem slecht (zoals uit onderstaande uitsnede blijkt).
26
Afbeelding 8. gemeentelijke Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij, kaart achtergrondbelasting.
Echter uit berekeningen van de achtergrondbelasting o.b.v. de meest recente vergunningsinformatie van de omliggende veehouderijbedrijven, blijkt dat deze situatie is gewijzigd vanwege de eigen deelname aan de SRVH. Bovendien heeft de deelname aan de SRVH van meerdere varkenshouderijen in de omgeving geleid tot een cumulatieve afname van de geurbelasting aan de zuidzijde van Ysselsteyn. Normering geurverordening: In een aanvullende notitie op de geurverordening (vastgesteld november 2011) is bepaald dat voor nieuwe geurgevoelige objecten sprake dient te zijn van een maximale achtergrondbelasting van 20 Oue/m3 (leefklimaat matig) en een maximale voorgrondbelasting van 14 Oue/m3 (leefklimaat tamelijk slecht) om het te kunnen typeren als “een aanvaardbaar woon- en leefklimaat”. Tevens is in deze aanvulling een hardheidsclausule opgenomen. Deze clausule is als volgt geformuleerd: Indien, met uitzondering van de geurbelasting, de beoordeling van de overige milieu- en planologische aspecten wel positief uitvalt, kan overwogen worden om gemotiveerd van de waarden in de tabel af te wijken. Daarbij zal niet voorbij worden gegaan aan de belangen van de veehouderij(en) die in de nabijheid van de ruimtelijke plannen gelegen is/zijn. Een nadere motivering en besluitvorming is nodig om van de waarden uit de tabel af te wijken.
Toetsing aan de norm: Aan de norm voor de voorgrondbelasting wordt in de onderhavige situatie voldaan op alle huidige en toekomstige geurgevoelige objecten binnen de ontwikkeling. Deze belasting bedraagt ter plaatse van de ontwikkeling aan de Ringweg 8a en 10 (Ringweg Receptor 1 t/m 6) maximaal 5,3 Oue/m3. Aan de achtergrondbelasting van 20 Oue/m3 wordt met een berekende belasting van 19.08 Oue/m3 eveneens voldaan.
27
Afbeelding 9 receptorpunten plangebied.
Voorgrondbelasting
Afbeelding 10. Overzicht geurbelasting uit bijlage V-stacks vergunning (voorgrondbelasting).
28
Achtergrondbelasting
Afbeelding 11. Overzicht geurbelasting uit bijlage V-stacks gebied (achtergrondbelasting).
In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is de ontwikkeling van geurgevoelige objecten slechts toelaatbaar als daardoor de milieuruimte van de omliggende bedrijven niet onevenredig wordt geschaad. In de onderhavige situatie is hiervan geen sprake omdat er sprake is van 2 bestaande woningen Ringweg 8a en 10, welke op of na 19 maart 2000 deel uitmaakte van een andere veehouderij en waarvoor een vaste afstand van 50 m geldt tussen het dichtstbij gelegen emissiepunt van de veehouderij en de gevel van de betreffende woning. Aan deze afstand wordt voldaan. Ook voor de 2 nieuwe woningen geldt Artikel 14, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij. Beide woningen worden immers gebouwd op of na 19 maart 2000. op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, a. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en b. in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. c. Ook hiervoor geldt een vaste afstand van 50 m geldt tussen het dichtstbij gelegen emissiepunt van de veehouderij en de gevel van de betreffende woning. Aan deze afstand wordt voldaan. Daarnaast zijn andere bestaande woningen in de directe omgeving gelegen, welke worden aangemerkt als woningen binnen de bebouwde kom.
Vanwege een zwaarder beschermingsniveau voor deze woningen (maximale geurbelasting 3 of 8 Oue/m3) zijn deze reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijlocatie Timmermansweg 41 of andere (verder weg gelegen) intensieve veehouderijlocaties. De ontwikkeling levert dan ook geen belemmering op voor de ontwikkelingsruimte van de nabijgelegen intensieve veehouderijbedrijven. Conclusie De geurbelasting ter plaatse voldoet aan de gestelde normen in de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray. Er vindt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat plaats door de onderhavige bestemmingswijziging. Uit het voorgaande blijkt dat het onderdeel geur, aan de milieu- en planologische voorwaarden voldoet volgens de geurverordening van de gemeente Venray. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 29
4.4. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm).
Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Door het beeindigen van de intensieve veehoudeij op de locatie waarbij de agrarrische bedrijvigheid en vervoersbewegingen verdwijnen heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2017) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 18 μg/m³ en de PM2,5 op 9 μg/m³, zie afbeelding 11 en 12 Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12 μg/m³, zie afbeelding 13 In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
30
Afbeelding 12. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10) (bron: atlasleefomgeving.nl).
Afbeelding 13. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5) (bron: atlasleefomgeving.nl).
Afbeelding 14. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx) (bron: atlasleefomgeving.nl).
31
4.5. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Op de locatie worden 2 nieuwe woningen gerealiseerd welke gelegen zijn tussen de reeds aanwezige voormalige bedrijfswoningen. Door H.M.B. B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 1. Uit het onderzoek volgt dat voor alle omliggende wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde, dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen en dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen gewaarborgd is.
Hiermee vormt het onderdeel geluid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.6. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg is de locatie niet gelegen binnen het invloedgebied van een risicobron. Evenmin vormt de locatie een risicobron voor kwetsbare bestemmingen.
32
Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart (bronrisicokaart.nl)
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Nabij de planlocatie bevinden zich geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde buisleiding op circa 580 m van het plangebied. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Conclusie Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
4.7. Cultuurhistorie en Archeologie 4.7.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
33
4.7.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • •
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. De locatie is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie -2’. Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende bestemming worden gebouwd, mits de verstoring van de bodem maximaal 500 m2 bedraagt en niet dieper dan 50 cm, danwel nadat de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeente erkende archeologisch deskundige heeft overgelegd waaruit blijkt dat de in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemmingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Binnen het plangebied wordt geen oppervlak groter dan 500 m2 en niet dieper dan 50 cm verstoord. Hiermee vormt cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8. Flora en Fauna 4.8.1. Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Per 1 juli 2021 geldt een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten (aanlegfase) waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Hierdoor is een berekening met AERIUS CALCULATOR 2022 voor de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op de Natura2000-gebieden voor de bouw- aanleg- en sloopactiviteiten met betrekking tot onderhavig plan niet van toepassing. Het plangebied is gelegen nabij de Natura200 gebieden Deurnsche Peel & Mariapeel – 3,2 km en Boschhuizerbergen – 9,6 km. Gezien de beoogde ontwikkeling, beëindigen varkenshouderij, kan gesteld worden dat er ondanks de realisatie van 2 woningen sprake is van een forse afname van ammoniakemissie en derhalve ook van de ammoniak-
34
depositie. Dit in combinatie met de afstand tot het gebied, zijn negatieve effecten op het Natura 2000- gebied uit te sluiten.
4.8.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.
Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Voor zowel de locatie Ringweg 8A als Ringweg 10 is ten behoeve van de sloop van de varkensstallen een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd door BNL Advies. Deze zijn als bijlage 2 en 3 toegevoegd. Op basis van de uitgevoerde Quickscans blijkt dat geen aanleiding is om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
4.9. Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.
35
4.9.1. Provinciaal waterplan Limburg Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water.
Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
4.9.2. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. 36
4.9.3. Hemelwaterinfiltratie De totale bebouwing binnen het plangebied neemt af door de sloop van de op de locaties aanwezige stallen. Hierdoor is er in de beoogde situatie binnen het plangebied een kleiner verhard oppervlak aanwezig dan in de huidige situatie. Door de afname van verhard oppervlak ontstaan louter positieve gevolgen voor de afwatering van het hemelwater. Voor het hemelwater dat op de nieuw te realiseren woningen en verhardingen valt, dient op eigen terrein te worden voorzien in hemelwaterbergende voorzieningen, conform de gemeentelijke eisen. Nabij de te realiseren woningen is meer dan genoeg ruimte en mogelijkheid om het hemelwater van de nieuw te realiseren woningen en bijbehorende verhardingen te infiltreren in de bodem ter plaatse.
4.9.4.Afvalwater De nieuw te realiseren woningen worden ter zijner tijd aangesloten op de reeds aanwezige rioolsystemen op de locatie. Langs de Ringweg ligt drukriolering. De twee woningen kunnen waarschijnlijk op het bestaande drukrioolstelsel worden aangesloten.
4.10.
Mobiliteit en parkeren
De locatie is gelegen aan de Ringweg, van waaruit, via de N277, zowel de N270 als de A73 goed bereikbaar zijn. Op basis van de gemeentelijke Beleidsnota Parkeernormen Venray dienen voldoende parkeervoorzieningen op eigen grond ten behoeve van de woningen gerealiseerd te worden. Per vrijstaande woning dienen, in het buitengebied, tenminste 2 parkeerplaatsen, met een afmeting van 2,5 * 5 m per parkeerplaats, aanwezig te zijn. Op het erf bij iedere woning, zowel de bestaande als de nieuw te realiseren woningen, is voldoende ruimte aanwezig om aan deze norm te voldoen. Ten opzichte van de huidige verkeersbewegingen vindt er een afname van verkeersbewegingen plaats, door de beëindiging van de intensieve varkenshouderijen.
37
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1. Economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Overleg heeft plaats gevonden met de betrokken rijks- en provinciale diensten in combinatie met het plan Vlakwater II.
5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Nabij de nieuw te realiseren woningen aan de ringweg 8a en 10 zijn slechts de woningen van initiatiefnemers gelegen. Onderhavig planvoornemen maakt zijdelings deel uit van het plan Vlakwater II hierbinnen heeft een omgevingsdialoog met de omwonenden plaatsgevonden
5.3. Procedure Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.4. Vooroverleg en inzage Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere
38
diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
39
6. Juridische planopzet 6.1. Inleiding Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3. Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied Venray 2010. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:
40
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
41