CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting v2026-05-05

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck20.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3 alinea's met “ysselsteyn”: 204 208 213

Uit ar�kel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentra�e NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentra�es. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blij�: 23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

1.

2.

Mo�veren dat het project binnen de getalsma�ge grenzen van een aangewezen categorie blij�. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform ar�kel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalita�eve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn loca�es met hogere concentra�es s�kstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10 ). De aandachtsgebieden staan in ar�kel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel s�kstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomera�es vallen staan in ar�kel 2.38 (aanwijzing agglomera�es richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situa�es moet de luchtkwaliteit al�jd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende ac�viteit • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het ini�a�ef Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 50052969_15985706. In de tabel hieronder zijn de totale concentra�es van s�kstofdioxide, fijnstof en de fijnere frac�e van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentra�es ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig ini�a�ef.

Gemeten totale concentra�e jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentra�e (µg/m3)

NO2 (s�kstofdioxide) 15,4 µg/m3

PM10 (fijnstof) 16,5 µg/m3

PM2,5 (fijnere frac�e van fijnstof) 9,0 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

De concentra�es s�kstofdioxide en (zeer) fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig ini�a�ef. Bijdrage ini�a�ef Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het ini�a�ef (toevoegen twee burgerwoningen en omze�ng van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten afname aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project (de verkeersbewegingen van het glastuinbouwbedrijf komen te vervallen, daar staat de komst van één extra woning tegenover) is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het plangebied ligt binnen een van de genoemde aandachtsgebieden (ar�kel 5.51 Bkl) voor fijnstof. Dit hee� te maken met de concentra�e veehouderijen in de gemeente Venray. Het ini�a�ef hee� geen betrekking op het toevoegen van een veehouderij en hee� daarmee geen significante invloed op de hoeveelheid fijnstof. Omdat de gehele gemeente Venray binnen dit aandachtsgebied ligt, wordt de situa�e met betrekking tot luchtkwaliteit als aanvaardbaar beschouwd.

4.5

Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een ac�viteit op een geurgevoelig gebouw (ar�kel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (ar�kel 5.92, tweede lid, Bkl). In ar�kel 5.91 van het Bkl is de defini�e van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

24

onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfunc�es en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumula�e van geur door meerdere ac�viteiten. De ac�viteiten dienen te voldoen aan de regels die in het �jdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing hee� plaatsgevonden van het �jdelijk omgevingsplan en sprake is van een ac�viteit/inrich�ng die/dat voorheen onder het Ac�viteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door andere agrarische ac�viteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke frac�e en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instruc�eregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instruc�eregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden.

In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blij�. Geurgevoelig gebouw Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentra�egebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentra�egebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentra�egebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentra�egebied

Standaardwaarde 2,0 ouE/m3

Grenswaarde 8,0 ouE/m3

3,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

35,0 ouE/m3

Tabel met standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percen�el) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentra�egebieden en niet-concentra�egebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentra�egebieden en niet-concentra�egebieden valt terug te voeren op een verschil in de rela�e tussen geurbelas�ng en geurhinder. Het RIVM gee� aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelas�ng of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsma�ge keuze. Geurverordening gemeente Venray. De gemeenteraad van de gemeente Venray en de gemeenteraad van de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum hebben een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Nadien hee� de gemeente Venray haar verordening nog aangepast in die zin dat voor een viertal loca�es de geurnorm gewijzigd is. In deze verordeningen (inclusief de wijziging van de gemeente Venray) wordt afgeweken van de wetelijke normen uit de Wgv. Beide geurverordeningen zijn inmiddels samengevoegd tot één verordening waarbij de uitgangspunten ongewijzigd zijn gebleven.

De normen uit deze samengevoegde verordeningen zijn: Gebied: Zoekgebieden woningbouw Vakan�epark de Wite Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij Bedrijfsterreinen Plangebied Burgemeester Ponjéestraat in Wanssum Voor de bestaande woongebieden in Wanssum Voor de bestaande woongebieden van Venray, Leunen, Smakt, Vredepeel, Ysselsteyn, Oostrum Merselo, Castenray, Oirlo, Veulen, Bliterswijck (waaronder Roekenbosch) en Geijsteren. Buitengebied

25

Maximaal toegestane geurbelas�ng (odourunits per m3 lucht) 8,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 7,0 ouE/m3 2,5 ouE/m3 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

Timmermannsweg 13 Ysselsteyn, Ringweg 33a Ysselsteyn, Pater Tulpstraat 24 Ysselsteyn, Horsterweg 70/70a/70b Castenray

8,0 ouE/m3

Tabel met normen voorgrondbelas�ng Verordening geurhinder en veehouderij

Op de 'Kaart behorende bij Aanpassing verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray september 2009 (herziening 2011)’ is per deelgebied ingetekend wat de normstelling is. Onderstaande figuur bevat de uitsnede van die kaart. Uit de kaart blijkt dat binnen het plangebied deels binnen het buitengebied (wit) en deels binnen het woongebied Bliterswijck (rood) ligt. De begrenzing tussen buitengebied en woongebied Bliterswijck is een beetje onlogisch, de grens gaat dwars door de woningen aan de noordoostzijde van de Antoniusstraat heen.

Uitsnede ‘Kaart behorende bij Aanpassing verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray september 2009 (herziening 2011)’ (bron: kaartenbak Venray)

In de gebiedsvisie behorende bij de geurverordening is geen specifieke defini�e of uitwerking opgenomen van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Wél is aangegeven dat de afwijkende normering uit de geurverordening niet mag leiden tot een verslechtering van het woon- en lee�limaat. Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray. In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ (16 juni 2011) hee� de gemeente Venray vastgelegd wat wordt verstaan onder een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Bij het opstellen van deze aanvulling op de gebiedsvisie en het vastleggen van de normen voor een aanvaardbaar woon- en lee�limaat hee� de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij (Infomil 2007) als basis gediend. In onderstaande tabel is de maximale waarde van de voor- en achtergrondbelas�ng weergegeven waarbij volgens de gemeente Venray nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Gebied: Bestaande woongebieden Venray, Oostrum, Smakt, Geijsteren, Bliterswijck (inclusief Roekenbosch) en Wanssum Bestaande woongebieden Ysselsteyn, Veulen, Castenray, Oirlo, Leunen, Heide en Merselo Zoekgebied woningbouw Wanssum Overige zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen Vakan�epark de Wite Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij’ TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

Maximale belas�ng (odourunits per m3 lucht) Achtergrond: Voorgrond: 3 13,0 ouE/m 6,5 ouE/m3 20,0 ouE/m3

6,5 ouE/m3

13,0 ouE/m3 20,0 ouE/m3 20,0 ouE/m3

7,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3

26

Buitengebied

Tabel met maximale waarde voor- en achtergrondbelas�ng

20,0 ouE/m3

14,0 ouE/m3

In de aanvulling op de gebiedsvisie is een hardheidsclausule opgenomen. Indien, met uitzondering van de geurbelas�ng, de beoordeling van de overige milieu- en planologische aspecten wel posi�ef uitvalt, kan overwogen worden om gemo�veerd van de waarden in de tabel af te wijken. Daarbij zal niet voorbij worden gegaan aan de belangen van de veehouderij(en) die in de nabijheid van de ruimtelijke plannen gelegen is/zijn. Een nadere mo�vering en besluitvorming is nodig om van de waarden uit de tabel af te wijken. Planspecifiek Met onderhavig ini�a�ef wordt geurgevoelige bebouwing (toe te voegen vrijstaande woning en te splitsen woning) aan het plangebied toegevoegd. Om de situa�e met betrekking tot geur te beoordelen is daarom een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Voorgrondbelas�ng: Voor wat betre� de voorgrondbelas�ng van een veehouderij is gekeken naar de veehouderij die op het plangebied het meest van invloed is. De gemeente Venray hee� een kaart (situa�e 2022) gemaakt met de indica�eve geurhindercontouren 3 ouE/m3, 8 ouE/m3 en 14 ouE/m3 van alle veehouderijbedrijven in Venray. Ook zijn de vaste afstand contouren van 50m en 100m weergegeven voor bedrijven met 'vaste afstandsdieren'. Navolgende a�eelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede kaart ‘Indica�eve geurhindercontouren 3 ou, 8 ou en 14 ou, situa�e december 2022’

Uit de kaart blijkt dat de veehouderij aan de Antoniusstraat 24 te Bliterswijck van invloed is op het plangebied. Omdat de kaart indica�ef is, en om daadwerkelijk vast te stellen of ten aanzien van deze veehouderij wel sprake is van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat is daarom een berekening (zie bijlage 3) uitgevoerd van de voorgrondgeurbelas�ng met het programma V-stacks vergunning. Uit de berekening blijkt dat voor het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’, dat in de zone ‘buitengebied’ ligt, de hoogste geurbelas�ng (rekenpunt 04) 10,146 ouE/m3 bedraagt. Daarmee is er voor wat betre� de voorgrondbelas�ng in de zone ‘buitengebied’ (waar ook de toe te voegen vrijstaande woning ligt) sprake van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Uit de berekening blijkt dat voor het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’, dat in de zone ‘woongebied Bliterswijck’ ligt, de hoogste geurbelas�ng (rekenpunt 13) 9,7 ouE/m3 bedraagt. Op het hoekpunt van de woning Antoniusstraat 32 (rekenpunt 12) is dat 9,3 ouE/m3. Op het hoekpunt van de woning Antoniusstraat 34 (rekenpunt 10) is dat 7,9 ouE/m3. Daarmee wordt voor deze woningen net niet voldaan aan de norm van 6,5 ouE/m3 voor een aanvaardbaar woon- en lee�limaat.

Zoals eerder aangegeven is de begrenzing tussen buitengebied en woongebied Bliterswijck een beetje onlogisch, de grens gaat dwars door de woningen/woonpercelen aan de noordoostzijde van de Antoniusstraat heen. Verblijf je aan de straatzijde in een woning, dan is er volgens de norm géén sprake van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Verblijf je achterin de woning (dichterbij de veehouderij) dan is er wél sprake van een aanvaardbaar 27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

woon- en lee�limaat. Op basis van de hardheidsclausule uit de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ is het voorstelbaar dat desondanks ac�ef medewerking verleend kan worden omdat alle andere milieu- en planologische aspecten wél posi�ef uitvallen. Ook is de ontwikkeling posi�ef omdat een glastuinbouwbedrijf aan de rand van de bebouwde kom wordt wegbestemd. Dit hee� planologisch / milieutechnisch gezien een flinke meerwaarde met onder andere een posi�ef effect ten aanzien van licht, geluid en verkeersbewegingen. Qua geurbelas�ng op de bestaande woningen verandert er effec�ef niets, van geurhinder of geurbeleving is bij de woningen Antoniusstraat 32 en 34 (en ook 32A) nooit sprake geweest, en ter plaatse van de toe te voegen vrijstaande woning aan de noordwestzijde van Antoniusstraat 34 wordt voldaan aan de norm voor ‘buitengebied’. Vanwege de eerder genoemde onlogische grens dwars door de woningen/woonpercelen voldoet een deel van de woningen/woonpercelen aan de Antoniusstraat 34 en de te splitsen woning Antoniusstraat 32-32A wel aan de norm voor ‘buitengebied’ maar net niet aan de norm voor ‘woongebied Bliterswijck’. Achtergrondbelas�ng. Voor wat betre� de achtergrondbelas�ng door veehouderijen is gekeken naar de veehouderij die op het plangebied het meest van invloed is.

De gemeente Venray hee� een kaart (situa�e 2022) gemaakt met de indica�eve achtergrondbelas�ng, veroorzaakt door alle veehouderijbedrijven. Navolgende a�eelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede kaart ‘Beoordeling lee�limaat op basis van de indica�eve achtergrondbelas�ng ten aanzien van geurhinder, situa�e december 2022’

Uit de kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een ma�g tot redelijk goed lee�limaat. Omdat de kaart indica�ef is, en om daadwerkelijk vast te stellen of ten aanzien van deze veehouderij wel sprake is van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat is daarom een berekening (zie bijlage 3) uitgevoerd van de achtergrondgeurbelas�ng met het programma V-stacks gebied. Uit de berekening blijkt dat voor het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’, dat in de zone ‘buitengebied’ ligt, de hoogste geurbelas�ng (rekenpunt 04) 16,676 ouE/m3 bedraagt. Uit de berekening blijkt dat voor het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’, dat in de zone ‘woongebied Bliterswijck’ ligt, de hoogste geurbelas�ng (rekenpunt 11) 10,146 ouE/m3 bedraagt. De norm voor de zone ‘buitengebied’ is 20,0 ouE/m3. De norm voor de zone ‘woongebied Bliterswijck’ is 13,0 ouE/m3. Daarmee is er voor wat betre� de achtergrondbelas�ng sprake van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat. Vaste afstanden. De kortste afstand tussen een geurgevoelig object binnen het plangebied (de woning Antoniusstraat 32) en de gevel van de dichtstbijzijnde stal van de veehouderij aan de Antoniusstraat 24 bedraagt 69m. De kortste afstand tot een emissiepunt bedraagt 66m.

De kortste afstand tussen een geurgevoelig object binnen het plangebied (de woning Antoniusstraat 32) en de gevel van de dichtstbijzijnde stal van de het agrarische bedrijf Antoniusstraat 20 bedraagt 141m. Hiermee wordt voldaan aan de minimaal vereiste vaste afstanden van 25 m respec�evelijk 50 m tot de veehouderij aan de Antoniusstraat 24 en het agrarische bedrijf aan de Antoniusstraat 20.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

28

Omgekeerde werking: De huidige bedrijfswoningen Antoniusstraat 32 en 34 kwalificeren in de huidige situa�e al als een geurgevoelige object met een geurnorm van 3 ouE/m3. Aan deze norm van 3 ouE/m3 (let op, dit is een andere norm dan de norm van 6,5 ouE/m3 voor de bepaling van een aanvaardbaar woon- en lee�limaat) moet worden getoetst in het geval van een aanvraag omgevingsvergunning ‘ac�viteit milieu’ voor de veehouderij Antoniusstraat 24. Op basis van de vergunde situa�e voor de veehouderij Antoniusstraat 24 is met V-stacks vergunning (zie bijlage 3) berekend wat de huidige belas�ng is op de woningen Antoniusstraat 32 en 34. Voor Antoniusstraat 32 (rekenpunt 12) is dat 9,3 ouE/m3, voor Antoniusstraat 34 (rekenpunt 10) is dat 7,9 ouE/m3. Daarmee zit deze veehouderij al op ‘slot’ en is er geen scenario denkbaar waarbij de veehouderij aan de Antoniusstraat 24 uit kan breiden / ontwikkelen / verplaatsen in de rich�ng van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’. Het opschuiven van de stallen in de rich�ng van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ is ook niet mogelijk omdat daar geen ruimte voor is binnen het bouwvlak, de huidige stallen liggen aan deze zijde al precies op de rand van het bouwvlak. Ook voor wat betre� de vaste afstanden verandert er niets, er wordt voldaan aan de norm, en met dit plan wordt het niet mogelijk gemaakt om woningen dichter bij een veehouderij te bouwen.

In het kader van de omgekeerde werking zijn er vanwege dit plan geen belemmeringen voor de eventuele ontwikkeling van het veehouderijbedrijf Antoniusstraat 24.

4.6

Geluid

Veel func�es in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige func�es. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instruc�eregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige func�es en s�ltegebieden. Bij geluidgevoelige func�es gaat het om gebouwen ten behoeve van func�es zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (func�es) of loca�es bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwich�ge toedeling van func�es aan loca�es'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een ac�viteit op of in een geluidgevoelig func�e die op een loca�e is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanac�viteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie ar�kel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort Rijks- en provinciale wegen. In Lden. Gemeente- en waterschapswegen. In Lden. Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden. Industrieterrein Lden. Lnight

Standaardwaarde, in dB 50 53 55 50 40

Grenswaarde, in dB 60 70 65 55 45

Tabel met standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (ar�kel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het �jds�p van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (ar�kel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instruc�eregels (ar�kelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van ar�kel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw 2. op de loca�e waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw • op de begrenzing van de loca�e voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (ar�kel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2.

de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk hee� beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (ar�kel 5.78n, lid 1b Bkl); 29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

3. 4.

5. 6.

bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelma�g zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (ar�kel 5.78n, lid 2 Bkl); besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (ar�kel 3.52 Bkl). De karakteris�eke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situa�es is de grenswaarde 41 dB (ar�kel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); het gecumuleerd geluid beoordeelt (ar�kel 5.78p Bkl); het gezamenlijk geluid bepaalt (ar�kel 5.78q Bkl).

In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige func�es gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is a�ankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek Met onderhavig ini�a�ef wordt geluidgevoelige bebouwing (woningen) toegevoegd aan het plangebied. Hierom is gekeken wat de effecten van wegverkeerslawaai ten aanzien van het ini�a�ef zijn middels een akoes�sch onderzoek (bijlage 2). Uit het onderzoek volgt dat voor omliggende wegen voldaan wordt aan de standaardwaarde. Omdat er sprake is van slechts één geluidbronsoort (gemeentewegen) wordt ook voldaan aan de eisen ten aanzien van gecumuleerd en gezamenlijk geluid. Ook zonder aanvullende maatregelen kan worden voldaan aan de eisen aangaande de binnenwaarde. Tevens leiden de nieuwe woonfunc�es niet tot inbreuk op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrich�ngen. Daarmee bestaan er vanuit akoes�sch oogpunt geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.

4.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrij� de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, produc�e, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare loca�es in verband met het externe veiligheidsrisico van een ac�viteit die op een loca�e is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanac�viteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare loca�es zijn opgenomen in ar�kel 5.6 tot en met ar�kel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare loca�es (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en loca�es wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, a�ankelijk van de ac�viteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle ac�viteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond ac�viteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. A�ankelijk van het type ac�viteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschri�engebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschri�engebied of een kleiner brand- of explosievoorschri�engebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het ini�a�ef ligt in een voorschri�engebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt al�jd een voorschri�engebied, en gelden er dus al�jd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschri�engebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

30

bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet op�oneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschri�) om de toelaatbaarheid van de situa�e te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de loca�e worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrich�ngen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Navolgend een screenshot van die website.

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op voorgaande a�eelding is te zien dat het plangebied gelegen is in de omgeving van een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water (Maas). Het plangebied is niet gelegen binnen een relevant aandachtsgebied voor deze transportroute. Ook ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied van een andere risicobron. Significante effecten vanuit het aspect omgevingsveiligheid ten aanzien van het plan zijn daarmee uit te sluiten. Een nadere verantwoording voor het groepsrisico is niet nodig. Advies Veiligheidsregio Vanuit de veiligheidsregio worden wel maatregelen geadviseerd om de zelfredzaamheid van personen te vergroten: • Aangezien een toxisch scenario zich kan ontwikkelen vanuit de Maas, wordt geadviseerd de mechanische ven�la�e binnen de woningen (indien aanwezig) centraal afsluitbaar uit te voeren door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar (bijvoorbeeld in de meterkast). Hierdoor kunnen de bewoners deze noodschakelaar in geval van een calamiteit bedienen en daardoor veiliger schuilen. Deze afsluitbare ven�la�e kan uiteraard ook van toegevoegde waarde zijn bij een brand in de nabijheid, waarbij het gebouw in de rook komt te liggen. (Afsluitbare ven�la�e is reeds verplicht gesteld in ar�kel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving).

Indien het bouwwerk geheel of gedeeltelijk wordt voorzien van natuurlijke ven�la�e, is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ven�la�e uitgezet kan worden; • Communiceer als overheid ac�ef over de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas met de bewoners van de woningen. Daarbij geldt als handelingsperspec�ef: schuil in het gebouw of vlucht indien de overheid dit aangee� (o.a. via NL-alert of WAS procedure) van het risico vandaan rekening houdend met de 31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

wind. Indien schuilen nodig is dan dienen ramen en deuren te worden gesloten en mechanische ven�la�e te worden uitgezet.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende ac�viteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende ac�viteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een ac�viteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instruc�eregels over trillingen door ac�viteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequen�e van 1 tot 80 Hz door een ac�viteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een loca�e is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanac�viteit. Er gelden maximale waarden voor con�nue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in ar�kel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen ac�viteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

4.9

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In ar�kel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in ar�kel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Beoordeling of een M.e.r. procedure of beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplich�ge ac�viteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'. b.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-merbeoordelingsplicht'. Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanac�viteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit ar�kel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is in categorie J11 vermeld dat voor een stedelijk ontwikkelingstraject mogelijk een mer-(beoordelings)plicht geldt. Het begrip stedelijk ontwikkelingstraject is echter nergens gedefinieerd of gekwan�ficeerd. Planspecifiek Het onderhavige ini�a�ef behelst het planologisch toevoegen van twee burgerwoningen en het omzeten van twee bedrijfswoningen in burgerwoningen. Gelet op de aard en de omvang kan dit niet als een stedelijk ontwikkelingsproject worden aangemerkt. Het opstellen van een mer-beoordelingsno��e is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

4.10

Explosieven

Op vele loca�es in Nederland bevinden zich nog conven�onele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplo�e vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)muni�e. Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

32

gehele grondgebied van de gemeente Venray hee� in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detec�eonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen �jden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.11

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bloembollen, bomen en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk dri� (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Deze op teeltgronden toegepaste gewasbeschermingsmiddelen kunnen gezondheidsschade opleveren voor omwonenden en hun kinderen. Er staan in het Besluit ac�viteiten leefomgeving al regels voor het niet mogen belasten van oppervlaktewater in de vorm bufferstroken langs oppervlaktewater. De bufferstrook bestaat uit landbouwgrond en begint vanaf de insteek van een waterloop (met uitzondering van een flauw talud). In de bufferstroken mogen geen mest, chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt. De breedte van de aan te houden bufferstrook is vermeld in onderstaande tabel. Hoofdregel Ecologisch kwetsbare waterlopen KRW waterlopen groter dan 10m breed

5 meter 5 meter

1e berekening groter dan 4% blij� 5 meter 3 meter

KRW waterlopen kleiner dan of gelijk aan 10 meter breed Kort- of niet-droogvallende waterlopen Droge sloten

5 meter

3 meter

2e berekening groter dan 4% blij� 5 meter geen verdere versmalling toegestaan 1 meter

3 meter 0 meter

1 meter -

0,5 meter Blij� 1 meter

Tabel met breedte bufferstroken (bron: Bal)

Zijn de bufferstroken volgens de hoofdregel meer dan 4% van de oppervlakte van het topografische perceel? Dan kunnen de bufferstroken in bepaalde gevallen smaller worden. Dit staat in de kolom ‘1e berekening >4%’. Zijn de bufferstroken samen daarna nog steeds meer dan 4% van het perceelsoppervlakte? Dan geldt de kolom ‘2e berekening >4%’. Er zijn in Nederland nog geen wetelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstand tussen teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de prak�jk wordt daarom een afstand van 50 meter aangehouden tussen de teeltgronden en een gevoelige bestemming. Onder een gevoelige bestemming wordt verstaan het langdurig menselijk verblijf. De afstand van 50 meter is een in de prak�jk gegroeide indica�eve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemo�veerd) van deze indica�eve afstand af te wijken. Op 18 mei 2024 (uitspraak ‘Sevenum’; ECLI:NL:RBLIM:2024:2330) hee� de rechter op basis van het voorzorgsbeginsel een verbod toegewezen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van woningen, meer specifiek het intensief toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de bloembollenteelt (lelies). De rechter hee� geoordeeld dat een bufferstrook van 50 meter niet voldoende is om te voorkomen dat bestrijdingsmiddelen bij omwonenden terecht komen.

Planspecifiek In navolgend kaartje is het gebruik van de diverse percelen binnen 50m van het plangebied weergegeven. Zuidwestzijde: Aan de zuidwestzijde liggen burgerwoningen (bebouwde kom van Bliterswijck) een groenstrook en een nutsvoorziening (bestemming ‘Bedrijf- Nutsvoorziening). Hier worden (anders dan hobbyma�g) geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

Kaart met spuitzonering (bron: Michels Advies b.v.)

Zuidoostzijde: Aan deze zijde liggen de burgerwoningen Antoniusstraat 26 en 28 met bij die woningen horende tuinen. Percelen 51 en 2370 en delen van perceel 52 en 53 worden al �entallen jaren gebruikt als tuin bij die burgerwoningen (bron: luch�oto’s 2002-2025, kaartenbak Venray), hier worden (anders dan hobbyma�g) geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, maar hebben wel een agrarische bestemming. De eigenaar van deze percelen stemt er derhalve mee in om de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ op te nemen. In de regels van dit plan is daarmee geborgd dat binnen deze aanduiding geen chemische gewasbeschermingsmiddelen meer mogen worden gebruikt. Verder zuidoostelijk ligt het agrarische bedrijf Antoniusstraat 24 (kadastrale percelen 1957 en 1959). De percelen hebben een agrarische bestemming. Op het zuidwestelijke deel van perceel 1957 ligt de bedrijfswoning met de bijbehorende tuin. Op het noordoostelijk deel van perceel 1957 bevinden zich de stallen en het erf van het agrarische bedrijf. Tussen de stallen en de bedrijfswoning op perceel 1957 bevinden zich de bij de woning horende tuin en een klein weilandje. De hiervoor geschetste situa�e op perceel 1957 is al �entallen jaren aanwezig (bron: luch�oto’s 2002-2025, kaartenbak Venray).

Het is niet te verwachten dat (een gedeelte van) perceel 1957 in de toekomst weer gebruikt gaat worden voor de teelt van gewassen waarbij intensief gebruikt wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. De eerder genoemde uitspraak ‘Sevenum’ zou er ook aan in de weg staan dat nabij de bestaande burgerwoningen Antoniusstraat 26 en 28 (inclusief tuinen) een nieuwe situa�e met intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan worden gerealiseerd. Het wordt daarom niet nodig geacht om daar de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ op te nemen. Perceel 1959 ten noordwesten van de stallen is in gebruik als weiland (blijvend grasland). Het is de verwach�ng dat hier wel op een intensieve bedrijfsma�ge wijze gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen en gaan worden. Een deel van het plangebied met de bestemming ‘Wonen’ ligt binnen 50m afstand van perceel 1959. Voor dat deel is daarom met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten - langdurig verblijf' geborgd dat langdurig menselijk verblijf niet is toegestaan. Langdurig verblijf is pas toegestaan nadat binnen 50 m van de gronden met deze aanduiding het toepassen van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen op aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk is. Noordoostzijde: Aan de noordoostzijde liggen teeltgronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

De ini�a�efnemer is eigenaar van deze percelen en stemt er mee in dat binnen 50 m rondom het toekoms�ge woonperceel niet langer op een bedrijfsma�ge wijze gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

34

Om dit te borgen is op de verbeelding de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. In de regels van dit plan is geborgd dat binnen deze aanduiding geen chemische gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Het aspect gewasbeschermingsmiddelen levert hiermee geen belemmeringen op ten aanzien van het ini�a�ef.

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder wordt ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instruc�eregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instruc�eregel in ar�kel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Ar�kel 8.0b Bkl regelt dat deze instruc�eregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanac�viteit. Ar�kel 5.129g Bkl gee� geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplich�g is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoe�e wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend ini�a�ef voorziet in het toevoegen van twee burgerwoningen en het omzeten van twee bedrijfswoningen in burgerwoningen. Uit jurispruden�e blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend ini�a�ef blij� hier qua aantal onder, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in de sloop van agrarische bebouwing.

Door de sloop neemt de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied af. Daarmee is sprake van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essen�e van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essen�e van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integra�e in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).

Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenac�viteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwach�ngen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respec�evelijk archeologische en cultuurhistorische bestemmingsvlakken in het (�jdelijk deel van het) omgevingsplan of ac�viteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het ini�a�ef in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

36

In het plangebied zijn geen objecten of elementen van cultuurhistorische waarde aanwezige. In de omgeving van het plangebied zijn eveneens geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast is in paragraaf 3.5.8 toegelicht dat het plan past binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader. Het plan leidt niet tot een aantas�ng van cultuurhistorische waarden. Ten aanzien van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen. Archeologie Voor de uitvoering van voorliggend plan zijn bouw- en sloopwerkzaamheden benodigd. Om de archeologische verwach�ngswaarde van de loca�e te beoordelen is de archeologische beleidskaart van de gemeente Venray (actualisa�e 2011) en de archeologisch verwach�ngs-/beleidskaart (november 2014) die is opgesteld voor het ‘Provinciaal InpassingsPlan Ooijen-Wanssum’ gebruikt. Navolgende a�eeldingen tonen hiervan de uitsneden met daarop het plangebied rood omkaderd en de beoogde woonbestemmingen blauw omkaderd.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Venray (actualisa�e 2011) (bron: gemeente Venray)

Uitsnede verwach�ngs-/beleidskaart Provinciaal InpassingsPlan Ooijen-Wanssum (november 2014) (bron: htps://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/)

Op de uitsnede van de beleidskaart van de gemeente Venray is te zien dat binnen de beoogde woonbestemmingen de archeologische waarde ‘categorie 2 (Monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen)’ (paars) van kracht is. In het omgevingsplan van de gemeente Venray is dit vertaald in ‘Waarde - Archeologie - 3’. Zie paragraaf 3.5.11. Voor gronden met ‘Waarde – Archeologie - 3’ geldt een onderzoeksgrens van 100m2 én dieper dan 0,5m benden maaiveld. Dat wil zeggen dat als de verstoring groter is dan 100m2 er onderzoek nodig is. Is de verstoring groter dan 100m2 en niét dieper dan 0,5m beneden maaiveld, dan is er geen onderzoek nodig. Met dit plan worden de glasopstanden en de bedrijfsruimten gesloopt, de erfverhardingen worden verwijderd, en er wordt aan de noordwestzijde van de woning Antoniusstraat 34 een vrijstaande woning toegevoegd met funderingen, eventuele kelder en erfverhardingen. Alles bij elkaar wordt er meer dan 100m2 verstoord waarbij de verstoring dieper is dan 0,5m beneden maaiveld. Op basis van het omgevingsplan van de gemeente Venray dient derhalve archeologisch (vervolg)onderzoek uitgevoerd te worden.

Het in het kader van het ‘Provinciaal InpassingsPlan Ooijen-Wanssum’ uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek kan gezien worden als dat archeologisch (vervolg)onderzoek aangezien dit onderzoek ook een uitspraak doet over de archeologische verwach�ng binnen het plangebied. Op de uitsnede van de verwach�ngs-/beleidskaart ‘Provinciaal InpassingsPlan Ooijen-Wanssum’ is te zien dat voor vrijwel de gehele beoogde woonbestemming sprake is van een lage verwach�ng (geel, categorie 8). Een klein gedeelte van de beoogde woonbestemming kent een middelhoge verwach�ng (geeloranje, categorie 4). Voor gronden met een middelhoge verwach�ng geldt een onderzoeksgrens bij verstoringen groter dan 2500m2 en dieper dan 0,3m beneden maaiveld (inclusief sloopwerkzaamheden). Gelet op deze grens, alsmede de bestaande moderne bebouwing en andere jonge bodemverstoringen, wordt het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet nodig geacht. De daadwerkelijke werkzaamheden die dieper zullen reiken dan 30cm hangen samen met de bouw van de vrijstaande woning welke maximaal circa 150m2 zullen omvaten en deels overlappen met de bestaande bebouwing en verhardingen. Bij de sloop van de glasopstanden en de bedrijfsruimten en de verwijdering van de erfverhardingen wordt zoveel mogelijk gehandeld volgens de ‘Richtlijn ondergrondse sloop i.v.m. archeologie (2024)’ van Kragten-AchAenO.

Deze richtlijn zal aan de sloopaannemer ter beschikking worden gesteld. 37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

Gelet op het voorgaande is geen archeologisch (vervolg)onderzoek nodig. Het aspect archeologie levert daarmee geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van de beoogde woonbestemmingen. Mochten �jdens de grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan worden deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet (2016) direct gemeld bij de gemeente Venray. Vervolgens zal door de gemeente bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blij� ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van s�kstof. De omgevingswaarden voor s�kstofdeposi�e zijn vastgesteld op grond van ar�kel 2.15a van de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en ac�viteiten, afzonderlijk of in combina�e met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alterna�eve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blij�. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-ac�viteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van na�onaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, ves�ging of uitbreiding van een soortenpopula�e s�muleren. Op grond van ar�kel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover ac�ef beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-ac�viteit moet bij vrijwel alle ac�viteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit ac�viteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Navolgende a�eelding toont een uitsnede van de kaart 'Natura 2000-gebieden'. Op de a�eelding is zichtbaar dat TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

38

het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Maasduinen) op circa 1,4 kilometer ten noordoosten van het plangebied gelegen is.

Uitsnede kaart 'Natura 2000-gebieden' (bron: atlasleefomgeving.nl)

Met voorliggend plan wordt voorzien in het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. De gevolgen van het plan ten aanzien van s�kstofdeposi�e zijn opgenomen in bijlage 4 (sloop), 5 (aanleg) en 6 (gebruik). De belangrijkste conclusie is dat de werkzaamheden niet zorgen voor een toename van de s�kstofdeposi�e op omliggende Natura 2000-gebieden. Andere nega�eve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen, gelet op de afstand en aard van de ac�viteiten, worden uitgesloten. Soortenbescherming Om de gevolgen van het plan met betrekking tot soortenbescherming te beoordelen is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit de quickscan blijkt dat er alleen algemene maatregelen getroffen dienen te worden ter bescherming van algemene vogels en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is op basis van de quickscan niet aan de orde.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevaten. Het ini�a�ef dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een toename aan func�es kan leiden tot extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe func�e moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoe�e voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De ac�viteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeersgenera�e De omze�ng van de twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen leidt niet tot extra verkeersbewegingen of een vergroote parkeerbehoe�e. Het toevoegen van twee burgerwoningen op de loca�e leidt tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Tegelijk verdwijnen de planologische rechten voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. De uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende verkeersbewegingen is daarmee niet meer mogelijk. Per saldo is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied.

Ook het type verkeer dat van en naar de loca�e rijdt, verandert van (middel)zwaar verkeer naar licht verkeer. Er is sprake van een verbetering van de verkeerssitua�e ter plaatse. Ten behoeve van een goede 39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

ontslui�ng wordt de toe te voegen nieuwe vrijstaande woning ontsloten via een aan de zuidoostkant van het perceel gelegen inrit. Ter hoogte van de gesloopte a�ang van de woning met huisnummer 34 zal een oprit zal ten behoeve van huisnummer 34 worden gerealiseerd. Parkeren Parkeren vindt in de toekoms�ge situa�e nog al�jd plaats op eigen terrein. Voor woonhuizen geldt conform de gemeentelijke eisen een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Bij de bestaande woningen met de huisnummers 32 en 32a wordt hier reeds in voorzien in de bestaande situa�e, deze situa�e zal worden gehandhaafd. Bij de woning huisnummer 34 en de toe te voegen vrijstaande woning worden twee parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. De inriten en de twee parkeerplaatsen bij elke woning zijn op pagina 14 van het inpassingsplan aangegeven. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoe�e. Het ini�a�ef is uitvoerbaar met betrekking tot verkeer.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadapta�e

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hite, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blij�. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezete klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benuten. De na�onale opgave voor klimaatadapta�e is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadapta�e en het Deltaplan Ruimtelijke Adapta�e met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrach�g worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied bij een langdurige bui op de loca�e enige plasvorming kan ontstaan.

Dit betre� gegevens op basis van de huidige situa�e. Als gevolg van de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak binnen het plangebied af. Hiermee verbetert de waterhuishoudkundige situa�e, zie ook paragraaf 4.1. Hemelwater kan hierdoor beter in de bodem infiltreren. Hitestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hitestress is op te maken dat binnen het plangebied meer tropische dagen en langdurige hite verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoe�e die kan ontstaan als een gevolg van hitestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hitestress. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betre� droogte zien dat het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blij� het hemelwater ook in het gebied zelf. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat ter plaatse van het plangebied een kleine tot extreem kleine kans bestaat tot overstroming als gevolg van overstroming van de Maas. Mochten ergens de dijken bezwijken, dan bestaan ter plaatse van het plangebied voldoende schuilmogelijkheden.

Daarnaast wordt het plangebied ontsloten door de Antoniusstraat, waarmee het plangebied bereikbaar is voor hulpdiensten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22aa Antoniusstraat 32-32A-34, Blitterswijck

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974952/1