CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 4 Quickscan Flora en Fauna anoniem

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt12.799 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA KLAVER 15 TE VENRAY (SMAKTERHEIDE E.O.)

Rapportage quickscan flora en fauna Klaver 15 te Venray (Smakterheide e.o.) Opdrachtgever

Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Postbus 3125 5902 RC Venlo

Rapportnummer Versienummer

5584.001 D2

Status

Eindrapportage

Datum

23 januari 2018

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ing. R.J. Stoffer

Paraaf Kwaliteitscontrole

drs. L.E.L. Gijsen

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen ......................................................................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Vissen ............................................................................................................................. 16 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 17

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 18 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 18 Vleermuizen .................................................................................................................... 19 Zoogdieren...................................................................................................................... 20 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 21 Amfibieën ........................................................................................................................ 21 Vissen ............................................................................................................................. 22 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 22

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 23 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 24

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 25

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 26

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5584.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van Klaver 15 te Venray (Smakterheide e.o.). De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader de voorgenomen herontwikkeling en een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 1 van 28

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 44 ha) betreft het ter plaatse nog te ontwikkelen bedrijventerrein Klaver 15, circa 3 kilometer ten noorden van de kern van Venray (Smakterheide e.o.). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 B (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 195.847, Y = 396.156.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat thans uit agrarische percelen, weilanden, enkele woningen en bedrijven, bosschages en houtopstanden. De waterloop “Venrayse Spurkt” doorkruist de onderzoekslocatie en de waterloop “Smakterveld” ligt aan de oostgrens van de onderzoekslocatie. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een elzenbroekbos. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevinden zich enkele agrarische percelen met daarachter de A73. Ten zuiden van de onderzoekslocatie bevinden zich enkele woningen, enkele weilanden en een bedrijventerrein. Ten westen van de onderzoekslocatie bevinden zich agrarische percelen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 2 van 28

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Overzicht onderzoekslocatie.

Figuur 4. Watergang Smakterveld langs oostkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 5. Bosgebied binnen plangebied.

Figuur 6. Overzicht onderzoekslocatie.

Figuur 7. Overzichts onderzoekslocatie.

Figuur 8. Overzicht onderzoekslocatie.

Figuur 9. Overzicht onderzoekslocatie.

Figuur 10. Overzicht onderzoekslocatie.

Figuur 11. Overzicht onderzoekslocatie.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 3 van 28

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren. Ten behoeve van deze voornemens zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen, de aanwezige gebouwen gesloopt worden, de aanwezige waterlopen verlegd worden en de bosschages en bosopstanden verdwijnen.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 4 van 28

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 2 januari 2018. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 5 van 28

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 6 van 28

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 7 van 28

4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 8 van 28

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van onder andere de NDFF en SOVON zijn op de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van; huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, roek, huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil, slechtvalk, boomvalk, havik en wespendief. Van deze soorten kan een broedlocatie van de slechtvalk op de onderzoekslocatie op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk is een soort die op hoge gebouwen of constructies broedt zoals hoogspanningsmasten, kantoorgebouwen of torens, welke op de onderzoekslocatie niet aanwezig zijn. De behandelde broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vallen onder een nieuwe, in Limburg geldende beschermingslijst, welke is ingegaan eind 2017. Deze lijst wijkt af van de soortenlijst die in de andere provincies gehanteerd wordt. Huismus en gierzwaluw De aanwezige bebouwing is tijdens het veldbezoek niet volledig geïnspecteerd, omdat er geen toestemming was de terreinen te betreden, maar er zijn gebouwen met dakpannen binnen de onderzoekslocatie aanwezig. Hierdoor zijn ze potentieel geschikt voor huismussen door de aanwezigheid van geschikte openingen onder eerdergenoemde dakpannen.

De aanwezigheid van deze soort is op voorhand niet uit te sluiten en door de voorgenomen plannen gaan mogelijke nestlocaties verloren (hoofdstuk 6). Door de afstand van de onderzoekslocatie tot geschikte broedlocaties voor gierzwaluwen gecombineerd met de aard van de omliggende gebouwen (die niet geschikt zijn), worden er geen broedlocaties van gierzwaluwen op de onderzoekslocatie verwacht en kan de aanwezigheid van gierzwaluwen redelijkerwijs worden uitgesloten. De waargenomen gierzwaluw op de onderzoekslocatie betreft waarschijnlijk een foeragerende exemplaar. Er zijn voldoende foerageergebieden in de directe omgeving aanwezig. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is volgens de NDFF veelvuldig waargenomen met name langs de watergang die de oostelijke begrenzing vormt van de onderzoekslocatie (Smakterveld). Ook bij de watergang langs de Nijverheidsstraat die door het gebied loopt (Venrayse Spurkt) zijn waarnemingen bekend van de soort. De grote gele kwikstaart broedt nabij stromend water in een nis, muur of bij boomwortels in de oevers. Het is niet uit te sluiten dat de soort binnen de onderzoekslocatie broedt, waardoor bij de voorgenomen werkzaamheden mogelijke broedlocaties verloren kunnen gaan (hoofdstuk 6).

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 9 van 28

Roek De roek is een echte kolonievogel die nestelt in clusters in hoge bomen. Dergelijke nestclusters zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen, waardoor een broedlocatie van de roek op de onderzoekslocatie redelijkerwijs is uit te sluiten. Negatieve effecten ten aanzien van de roek zijn niet te verwachten. Huiszwaluw en boerenzwaluw De huiszwaluw en boerenzwaluw zijn in Limburg toegevoegd aan de lijst met jaarrond beschermde nesten. Deze soorten zijn volgens de NDFF voornamelijk waargenomen op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie. Huiszwaluwen maken hun nesten vooral tegen gevels van bebouwing, waarbij boerenzwaluwen hun nesten vaak op randen en richels in koeien-, varkens en paardenstallen maken, maar ook onder bruggetjes of tegen sluizen aan. Aangezien de bebouwing binnen de onderzoekslocatie niet volledig kon worden geïnspecteerd is het niet uit te sluiten dat boeren- en/of huiszwaluwen een nestlocatie hebben binnen de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten zijn dan ook niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). Steenuil en kerkuil Volgens de NDFF is de steenuil in 2016 en 2017 aangetroffen ter plaatse van kwekerij “Moorrees Kwekerijen” op het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie.

De steenuil is een vogel die broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Aangezien de kwekerij bij het veldbezoek niet volledig kon worden geïnspecteerd is het niet uit te sluiten dat de soort op de locatie een broedplaats heeft. Bij de voorgenomen plannen worden potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenuil dan ook mogelijk verstoord of vernietigd (hoofdstuk 6). De kerkuil is niet op of nabij de onderzoekslocatie waargenomen, maar kan volgens de verspreidingsgegevens van SOVON wel voorkomen in dit deel van Nederland. De kerkuil is een soort die voornamelijk broedt in nestkasten en incidenteel in boomholtes en aangezien de aanwezige bebouwing inclusief bijbehorend erf niet volledig kon worden geïnspecteerd is de aanwezigheid van de kerkuil niet met zekerheid uit te sluiten en wordt dan ook mogelijk verstoord bij de voorgenomen werkzaamheden (hoofdstuk 6). Boomvalk Boomvalken gebruiken oude ekster- en kraaiennesten om te broeden. Langs de Spurkt zijn nabij de kwekerij en de boerderij ten zuiden van de onderzoekslocatie in totaal drie eksternesten aangetroffen. Volgens de NDFF is in 2016 een boomvalk ter plaatse waargenomen op het veld ten noordoosten van de kwekerij.

Gezien de nabijheid van het eksternest is het niet met zekerheid uit te sluiten dat de boomvalk hierin broedt. Negatieve effecten ten aanzien van de boomvalk zijn dan ook niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). Havik De havik is een soort die broedt in grote nesten in loof- en naaldbossen, maar ook in moerasbossen. De soort is volgens de NDFF ter plaatse waargenomen in 2016 in het elzenbroekbos ten noorden van de onderzoekslocatie en tevens nabij het bosje in het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie. Daarnaast is de havik meerdere malen jagend waargenomen op de velden binnen de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek is gelet op nesten/horsten binnen de onderzoekslocatie, welke niet zijn aangetroffen, maar is gezien de grootte van de onderzoekslocatie en de geleverde onderzoeksinspanning niet met volledige zekerheid uit te sluiten. Negatieve effecten ten aanzien van de havik zijn niet uit te sluiten (hoofdstuk 6).

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 10 van 28

Wespendief Wespendieven hebben hun leefgebied vooral in loofbossen en gemengde bossen met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Broedgevallen van wespendieven zijn moeilijk te vinden. Wespendieven maken gebruik van buizerd- en havikshorsten. Ze bouwen echter ook zelf nesten, die relatief klein zijn en in de praktijk vaak alleen toevallig worden ontdekt. Volgens de NDFF is in 2017 een wespendief ter plaatse waargenomen in het elzenbroekbos ten noorden van de onderzoekslocatie en daarnaast meerdere malen overvliegend binnen de onderzoekslocatie. Aangezien roofvogels in het algemeen gevoelig zijn voor verstoring en de voorgenomen plannen nabij het elzenbroekbos gerealiseerd worden is verstoring ten aanzien van de wespendief niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6). 5.1.2

Overige broedvogels

Verspreid op de onderzoekslocatie kunnen in bomen en struiken vogelsoorten als koolmees, winterkoning, vink, zanglijster, merel en roodborst worden aangetroffen. Nesten van dergelijke soorten zijn alleen beschermd als ze als zodanig in gebruik zijn (eieren of nestjongen). Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd in Limburg en waarvoor de onderzoekslocatie potentieel geschikt habitat bevat, zijn soorten als buizerd, ijsvogel, wulp, zwarte specht en zomertortel. Deze soorten zijn binnen de onderzoekslocatie, maar voornamelijk ten noorden hiervan nabij het elzenbroekbos waargenomen. De zwarte specht is volgens de NDFF in 2016 waargenomen in het bosje in het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie. De buizerd, ijsvogel, wulp en zomertortel komen tevens voor binnen de onderzoekslocatie. Voor deze soorten is er echter voldoende broedgelegenheid in de omgeving aanwezig in de vorm van bosgebieden, watergangen en open velden waardoor er derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (hoofdstuk 6).

5.2

Vleermuizen

Volgens de gegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg, de Zoogdiervereniging (Huizinga et al. 2010) en de NDFF zijn op en binnen enkele kilometers van de onderzoeklocatie gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone- en grijze grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis en watervleermuis waargenomen. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Ondanks dat de op de onderzoekslocatie aanwezige bebouwing niet volledig kon worden geïnspecteerd op geschiktheid voor vleermuizen heeft een aantal van de gebouwen een dakpannen dak. Indien langs de dakranden ruimte aanwezig is die toegang verlenen tot ruimte onder de dakpannen, alsmede openingen die toegang verlenen tot spouwmuren is het niet uit te sluiten dat vleermuizen de bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken. Is dit het geval dan gaan potentiele vaste rusten verblijfplaatsen verloren (hoofdstuk 6). Voor zover mogelijk zijn de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen, maar gezien de bomen op erven binnen de onderzoekslocatie niet geïnspecteerd zijn kan niet met volledige zekerheid uitgesloten worden dat er bomen met holtes binnen de onderzoekslocatie aanwezig kunnen zijn.

Tevens is het in het bosje in het oostelijk deel van de onderzoekslocatie niet uit te sluiten dat bij kapwerkzaamheden bomen met holtes verlo-

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 11 van 28

ren gaan. Bij de voorgenomen plannen kunnen dan ook negatieve effecten optreden voor zowel gebouw- als boombewonende soorten (hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en het omliggende bos in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Er dient bij de toekomstige plannen van Klaver 15 wel rekening gehouden te worden met verlichting: deze mag niet uitstralen naar de omgeving. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van velden en bosgebieden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen, zoals bomenlanen en watergangen, zijn aanwezig op de onderzoekslocatie.

Door de voorgenomen plannen gaan dergelijke mogelijke vliegroutes verloren (hoofdstuk 6). In figuur 12 staan mogelijk vliegroutes weergegeven.

Figuur 12. Mogelijke vliegroutes voor vleermuizen.

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 12 van 28

Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie bewoningssporen van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: steenmarter, das, bever, eekhoorn. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Steenmarter De onderzoekslocatie vormt mogelijk geschikt habitat voor de steenmarter, met name nabij de, op de onderzoekslocatie aanwezige, bebouwing. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek was het niet mogelijk de aanwezige bebouwing volledig te inspecteren en daardoor is het niet uitgesloten dat een vaste rust- of verblijfplaats van de soort binnen de onderzoekslocatie aanwezig is. De steenmarter is in Limburg vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari en in deze periode is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen (hoofdstuk 6). Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. Volgens de NDFF zijn in de afgelopen tien jaar waarnemingen bekend van de soort binnen het bosje in het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie en in het elzenbroekbos ten noorden van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, maar het is gezien de onderzoeksinspanning niet volledig uit te sluiten dat een nest van eekhoorn aanwezig is binnen het gebied. Een vaste- rust of verblijfplaats van de eekhoorn kan dan ook niet worden uitgesloten.

Voor de in eekhoorn in Limburg geldt een vrijstelling in de periode maart-april en juli-november en in deze periode is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen (hoofdstuk 6). Das Tijdens het veldbezoek zijn diverse actieve dassenpijpen aangetroffen in het bosje gelegen in het zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie (figuur 15) wat kan duiden op een bij- of hoofdburcht (figuur 13 en 14). Bovendien is een dassenpijp aangetroffen in het elzenbroekbos, circa 30 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie, die ten tijde van het veldbezoek gedeeltelijk on water stond. Mogelijk bevinden zich op of nabij de onderzoekslocatie nog meerdere dassenpijpen. Tijdens het veldbezoek zijn in dit bosje en in de directe omgeving hiervan eveneens loopsporen (prenten) en een wissel richting het zuidoosten aangetroffen. Het is dan ook aannemelijk dat dassen op de nabij gelegen agrarische percelen en weilanden foerageren. Verstoring ten aanzien van een vaste rust- of verblijfplaats van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is dan ook aan de orde (hoofdstuk 6).

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 13 van 28

Figuur 13. Ingang dassenburcht.

Figuur 14. Ingang dassenburcht.

Figuur 15. Locatie dassenburcht en vluchtpijp binnen en ten noorden van de onderzoekslocatie. De blauwe lijn geeft de gevonden wissel weer.

Europese Bever De bever is volgens de verspreidingsgegevens waargenomen ten noorden van de onderzoekslocatie binnen het elzenbroekbos en langs het Afleidingskanaal ten noorden van het elzenbroekbos. Bovendien zijn langs het Afleidingskanaal ten noorden van het elzenbroekbos een aantal ingevallen beverholen, een glijbaan en knaagsporen waargenomen (figuur 16 en 17). Binnen de onderzoekslocatie lopen de watergangen Venrayse Spurkt en Smakterveld en de soort is in 2016 waargenomen op het veld ten noordwesten van het zuidoostelijk gelegen bosje. Bevers leven nabij moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen en de aanwezigheid van voldoende goed bereikbare bomen en struiken zijn essentieel. De kwaliteit van het water is hierbij niet belangrijk (BIJ12, 2017). Gezien de onderzoekslocatie voornamelijk uit agrarische percelen bestaat met enkele bomenrijen is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de soort hier een vaste rust- of verblijfplaats heeft. Mogelijk fungeren de waterlopen als migratieroute voor de bever. Gedurende de werkzaamheden dient dan ook rekening met de bever gehouden te worden (hoofdstuk 6).

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 14 van 28

Figuur 16. Ingevallen beverhol.

Figuur 17. Glijbaan.

Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Volgens de NDFF is de waterspitsmuis voor het laatst waargenomen ten oosten van de A73 in 1975. Daarnaast is de waterspitsmuis in 2007 ten zuiden van de Overloonse weg aangetroffen. Ondanks dat de onderzoekslocatie zelf minimaal geschikt habitat vormt, vanwege het ontbreken van overwegend ruig begroeide oevers langs de waterkanten, is het niet met volledige zekerheid uit te sluiten dat de waterspitsmuis een vaste rust- of verblijfplaats binnen de onderzoekslocatie heeft. Negatieve effecten ten aanzien van de soort zijn dan ook niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2 Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als ree, haas, konijn, egel, vos en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van dergelijke soorten worden verstoord of vernietigd (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen

Volgens de verspreidingsgegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (Van Buggenum et al. 2008), RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF is in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis is een soort die voornamelijk op enigszins vochtige heide of heide met vennen, spoorbermen en ruigten leeft. Dit is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De waarnemingen van de levendbarende hagedis hebben dan ook hoogstwaarschijnlijk betrekking op het natuurgebied “Boschhuizerbergen” ten oosten van Venray. 5.5

Amfibieën

Volgens de verspreidingsgegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (Van Buggenum et al. 2008), RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF kunnen in de directe omgeving van de on-

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 15 van 28

derzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieënsoorten voorkomen: Alpenwatersalamander, kamsalamander, boomkikker en poelkikker. 5.5.1 Streng beschermde soorten De genoemde streng beschermde soorten zijn allen waargenomen in het elzenbroekbos, nabij de waterpartijen, ten noorden van de onderzoekslocatie. Al deze soorten zijn voor hun voortplantingshabitat afhankelijk van stilstaande, zonnige, visvrije en schone wateren. Als landhabitat worden veelal omliggende bosrijke gebieden, struwelen en/of ruigten gebruikt, zoals het elzenbroekbos, waarin ze kunnen overwinteren. Binnen de onderzoekslocatie is dergelijk habitat niet aanwezig en het is dan ook redelijkerwijs uitgesloten dat een van deze soorten een vaste rust- en verblijfplaats heeft binnen de onderzoekslocatie. Incidenteel kunnen zwervende individuen op de onderzoekslocatie voorkomen (hoofdstuk 6). Verder geldt dat aangezien de kwaliteit van het elzenbroekbos essentieel is voor het behoud van de aanwezige amfibieënsoorten, de kwaliteit van dit gebied gewaarborgd dient te blijven. Het is op dit moment nog onduidelijk wat voor effect de voorgenomen plannen hebben op dit gebied voor bijvoorbeeld de waterkwaliteit en dit zal nader onderzocht dienen te worden (hoofdstuk 7).

5.5.2 Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie is niet geschikt als voortplantingshabitat voor algemene soorten als bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad. Incidenteel kunnen individuen voorkomen tussen de vegetatie binnen het gebied, waardoor bij de voorgenomen werkzaamheden desbetreffende soorten dan ook verstoord kunnen worden (hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

De onderzoekslocatie bevat twee gescheiden watergangen die in contact staan met het Afleidingskanaal ten noorden de onderzoekslocatie. In het Afleidingskanaal zijn waarnemingen bekend van vissoorten als kleine modderkruiper, bermpje, snoek, riviergrondel, driedoornige- en tiendoornige stekelbaars. Deze soorten kunnen tevens voorkomen in de watergangen binnen de onderzoekslocatie en bij het dempen van genoemde watergangen zal dan ook met deze soorten rekening gehouden moeten worden (zie hoofdstuk 6). 5.7

Ongewervelden

Libellen Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn geen beschermde libellensoorten binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Slechts enkele libellensoorten genieten binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied te vinden zijn. Gezien het ontbreken van dergelijk habitat binnen de onderzoekslocatie zijn beschermde soorten niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 16 van 28

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Vaatplanten

De vaatplanten die binnen de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben zijn voor het merendeel zeldzaam tot zeer zeldzaam in Nederland. De soorten zijn vaak gebonden aan specifieke groeiplaatsomstandigheden die op de onderzoekslocatie niet aanwezig zijn. Het is op grond van verspreidingsgegevens uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie beschermde soorten aanwezig zijn. Ook in de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten binnen de locatie. Wel is drijvende waterweegbree aangetroffen ten noorden van het Afleidingskanaal. Gezien de afstand ten opzichte van de onderzoekslocatie worden hier geen negatieve effecten voor verwacht, mits de waterkwaliteit niet verslechterd (zie hoofdstuk 7).

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 17 van 28

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

6.1.1

Jaarrond beschermde nesten

De onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving, is potentieel geschikt als verblijfplaats voor de soorten huismus, grote gele kwikstaart, boeren-huiszwaluw, steen- en kerkuil, boomvalk, havik en wespendief. Roofvogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring, met name bij de nestplaats. Het ongestoord laten van voldoende ruimte, rond het bewoonde nest, gedurende het broedseizoen is hierbij belangrijk. Om te bepalen of er verstoring ten aanzien van genoemde soorten plaatsvindt, dient meer inzicht te worden verkregen in de aanwezigheid van nesten binnen en in de directe omgeving van de verstorende ontwikkelingen. Aantasting van de functionaliteit is aan de orde als geschikt habitat waar de soorten voorkomen in kwantiteit of kwaliteit afneemt, waardoor de plek niet meer de functie van nestplaats of vaste rust- of verblijfplaats kan vervullen. Een leefgebied moet voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten. Indien verstoring niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing te worden aangevraagd. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in de betreffende broedperiode van de betreffende soorten. Indien nestlocaties worden aangetroffen zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats alsnog behouden moeten worden.

Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. In tabel I staan de broedperiodes per soort weergegeven. Tabel I. Broedseizoen per soort

soort

maart

april

mei

juni

juli

augustus

huismus grote gele kwikstaart havik kerkuil steenuil boerenzwaluw huiszwaluw boomvalk wespendief De nadere onderzoeken kunnen (deels) gecombineerd uitgevoerd worden.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 18 van 28

6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen plaatsvinden dient vooraf een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het niet met volledige zekerheid uit te sluiten dat boombewonende vleermuizen binnen het gebied een verblijfplaats hebben en of er vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In onderhavig geval vindt er mogelijk opzettelijke verstoring (artikel 3.5 lid 2) en beschadiging, vernieling of wegnemen (artikel 3.5 lid 4) van vaste rust- en verblijfplaatsen van diverse vleermuissoorten plaats. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn.

De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone- en grijze grootoorvleermuis, franjestaart, baardvleermuis en watervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats of vliegroute behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervol-

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 19 van 28

gens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3

Zoogdieren

6.3.1 Streng beschermde grondgebonden zoogdieren Steenmarter De steenmarter kan mogelijk voorkomen binnen de onderzoekslocatie nabij de bebouwing. In Limburg is de soort vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari en in deze periode is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien toch gewerkt gaat worden buiten deze periode is het noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden een steenmarterinspectie uit te voeren om de aan- of aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van de soort te kunnen vaststellen. Eekhoorn De eekhoorn is in 2016 waargenomen in het bosje gelegen in het oostelijk deel van de onderzoekslocatie en de onderzoekslocatie bevat geschikt habitat voor eekhoornnesten. De eekhoorn maakt jaarlijks op een ander plek een nest voor het grootbrengen van de jongen. De nesten zijn beschermd in de periode dat het nest gebruikt wordt voor de verzorging van de jongen. De voortplantingsperiode van de eekhoorn begint al in december. In Limburg is de soort vrijgesteld in de periode maart-april en juli-november en in deze periode is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Indien de kap van bomen met eekhoornnesten niet binnen de aanbevolen periode kan worden uitgevoerd dient een ter zake kundige een controle uit te voeren om te bepalen of er een nest is en of het een in gebruik zijnde nest betreft. Das De aangetroffen dassenburcht binnen de onderzoekslocatie wordt mogelijk verstoord/vernietigd bij de voorgenomen plannen. Nader onderzoek is benodigd om de functie van de burcht inzichtelijk te maken en daarnaast dienen de locaties in beeld gebracht te worden van andere vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en van het functioneel leefgebied (migratieroutes of foerageergebieden) van de das in de omgeving. Het onderzoek naar de functie van de dassenburcht die aanwezig is binnen de onderzoekslocatie kan jaarrond uitgevoerd worden middels het plaatsen van cameravallen en/of een aantal gerichte terreininspecties. De inventarisatie van migratieroutes dient uitgevoerd te worden in de periode september-mei. Daarnaast kan aanvullend gebruik worden gemaakt van gegevens van Das&Boom of dassenwerkgroepen. Bever De bever kan de waterlopen binnen de onderzoekslocatie potentieel gebruiken als migratieroute. Gedurende de werkzaamheden dient hier rekening mee gehouden te worden. Maatregelen bij het uitvoeren van de werkzaamheden dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.

Op deze wijze kan verstoring worden voorkomen en is een ontheffing niet noodzakelijk. Waterspitsmuis Door middel van eDNA onderzoek kan op een efficiënte manier vastgesteld worden of de waterspitsmuis gebruik maakt van het gebied. eDNA is een middel om het voorkomen vast te stellen of uit te sluiten, maar geeft geen indicatie van aantallen in een gebied. Indien blijkt dat de waterspitsmuis voorkomt dient daarom nader aanvullend onderzoek plaats te vinden om de aantallen te bepalen. Allereerst wordt echter geadviseerd om via eDNA vast te stellen dan wel uit te sluiten of de waterspitsmuis gebruik maakt van de onderzoekslocatie.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 20 van 28

6.4

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Amfibieën

6.5.1 Streng beschermde amfibieën De onderzoekslocatie biedt geen geschikt habitat voor beschermde amfibiesoorten als Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker, welke zijn waargenomen ten noorden van de onderzoekslocatie, maar kunnen incidenteel voorkomen op de onderzoekslocatie. Voor verstoring of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffingsplicht. Aangezien de vaste rust- en verblijfsplaats van de soorten niet in het geding komt is een ontheffingsaanvraag niet per definitie noodzakelijk, maar dienen er wel voorzorgsmaatregelen getroffen te worden om eventueel voorkomende individuen te beschermen en vervolgens te weren van de onderzoekslocatie gedurende de werkzaamheden. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Met behulp van het ecologisch werkprotocol is verstoring van amfibieën te voorkomen en is een ontheffing niet noodzakelijk. Daarnaast is het niet bekend in hoeverre de voorgenomen plannen een effect kunnen hebben op de kwaliteit van het elzenbroekbos met bijbehorende waterpartijen. Gezien de specifieke eisen die de genoemde amfibiesoorten stellen aan, bijvoorbeeld de waterkwaliteit, zal dit nader onderzocht moeten worden aan de hand van een “nee, tenzij” toetsing (hoofdstuk 7).

Geadviseerd wordt om in overleg te treden met bevoegd gezag (Provincie Limburg). 6.5.2 Algemene amfibieën De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 21 van 28

6.6

Vissen

Bij het dempen van de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan flora en fauna over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. 6.7

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 22 van 28

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Boschhuizerbergen”, bevindt zich op circa 890 meter afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Daarnaast ligt op circa 6,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie het Natura 2000-gebied “De Maasduinen”. In figuur 18 zijn beide gebieden weergegeven..

Figuur 18. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie ligt mogelijk binnen de invloedsfeer van een of beide Natura-2000 gebieden. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Een globale toetsing in de vorm van een voortoets is uitgewerkt in een separaat rapport om te beoordelen of er potentieel (negatieve) effecten op kunnen treden. Het betreft geen volledige analyse van alle mogelijke effecten. Indien effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, zal een verstoring- en verslechteringstoets of een Passende Beoordeling benodigd zijn om te bepalen of de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000 niet in het geding komen. De voortoets geeft aan op welke gebieden dergelijke toetsing benodigd is.

Rapport 5584.001 versie D2

Pagina 23 van 28

7.2

Natuurnetwerk Nederland

In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgs deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteunt. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie valt deels binnen de Bronsgroene landschapszone. De onderzoekslocatie ligt echter ook in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Dit gebied bevindt zich circa 50 meter ten noorden van de onderzoekslocatie en betreft het elzenbroekbos. In figuur 19 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370733/1