CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide Noord vastgesteld 1 Bijlagen bij de Motivering Bijlage 4 Quickscan natuurwaarden

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide-Noord12.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden (actualisatie) Spurkt e.o. (Smakterheide) Venray

Rapport quickscan natuurwaarden Spurkt e.o. (Smakterheide), Venray Opdrachtgever

Gemeente Venray Raadhuisstraat 1 5801MB Venray

1

Rapportnummer

5884.014

Versienummer

D2

Status

Definitief

Datum

4 december 2024

Opsteller1

De heer M.M.J. Sieben, MSc

Kwaliteitscontrole

Mevrouw M.I.C. Pijpers, BSc

Vrijgave

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 6 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

6

Vogels ............................................................................................................................................. 6 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 12 Reptielen ...................................................................................................................................... 14 Amfibieën ..................................................................................................................................... 15 Vissen ........................................................................................................................................... 16 Ongewervelden ............................................................................................................................ 16 Planten ......................................................................................................................................... 17 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 17

Broedvogels .................................................................................................................................. 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 19 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 21 Reptielen ...................................................................................................................................... 22 Amfibieën ..................................................................................................................................... 22 Vissen ........................................................................................................................................... 22 Libellen ......................................................................................................................................... 23 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 23 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 23

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 24 6.1 6.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 24 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 25

7

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 26

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 27

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet

5884.014

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Venray opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden (actualisatie) aan de Spurkt e.o. (Smakterheide) te Venray. De quickscan natuurwaarden (actualisatie) is uitgevoerd ten behoeve van een bestemmingsplan wijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

5584.014 versie D2

1 / 29

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 44 ha) betreft de Spurkt e.o.(Smakterheide), circa 3 kilometer ten noorden van de kern van Venray (zie Figuur 1).

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood vlak).

De onderzoekslocatie bestaat thans uit agrarische percelen, weilanden, vijf woningen en bedrijven, bosschages en houtopstanden. De waterloop “Venrayse Spurkt” loopt door de onderzoekslocatie en de waterloop “Smakterveld” ligt aan de oostgrens van de onderzoekslocatie. Bovendien lopen er nog enkele sloten zonder naam door de onderzoekslocatie. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een natuurgebied bestaande uit hoog- en laagveenbos (N14.02) en rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01). Ten oosten van de onderzoekslocatie bevinden zich enkele agrarische percelen met daarachter de A73. Ten zuiden van de onderzoekslocatie bevinden zich de bebouwde kom van Venray, enkele weilanden en een bedrijventerrein. Ten westen van de onderzoekslocatie bevinden zich agrarische percelen. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

5584.014 versie D2

2 / 29

Venrayse Spurkt

afleidingskanaal

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving. Tevens zijn de relevante watergangen (blauw) aangegeven.

Figuur 2.3 Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie.

5584.014 versie D2

Figuur 2.4 de Spurkt 5 c.

Figuur 2.5 Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie.

3 / 29

Figuur 2.6 de watergang Venrayse Spurkt.

Figuur 2.7 De Spurkt 5 b.

Figuur 2.8 Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie.

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren. Ten behoeve van deze voornemens zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen, de aanwezige gebouwen gesloopt worden, profielen van de waterwegen worden aangepast en bomen kunnen verdwijnen. Hieronder is een ontwerpschets weergeven in figuur 2.9.

Figuur 2.9 Ontwerpschets van de voorgenomen plannen.

5584.014 versie D2

4 / 29

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 23 april 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

5584.014 versie D2

5 / 29

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1-3) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Op basis van de ligging van de onderzoekslocatie in combinatie met verspreidingsgegevens van de NDFF kunnen de volgende soorten potentieel voorkomen op/in de buurt van de onderzoekslocatie: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk en wespendief. Raaf kan op voorhand worden uitgesloten aangezien die alleen voorkomen in uitgebreide bosgebieden afgewisseld met heide. Huismus De huismus komt met name voor in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. In een omgeving met veel hoge bomen, verdwijnt de huismus. De soort maakt zijn nest onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn gebouwen met dakpannen aanwezig die potentiële nestgelegenheden biedt aan huismussen (zie figuur 4.1). Hierdoor zijn ze potentieel geschikt voor huismussen door de aanwezigheid van geschikte openingen onder eerdergenoemde dakpannen. De aanwezigheid van deze soort is op voorhand niet uit te sluiten en door de voorgenomen plannen gaan mogelijke nestlocaties verloren (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.1 De Spurkt 5 een van de gebouwen op de onderzoekslocatie die potentieel geschikt is voor huimussen.

Huiszwaluw en boerenzwaluw De huiszwaluw en boerenzwaluw zijn in Limburg toegevoegd aan de lijst met jaarrond beschermde nesten. Deze soorten zijn volgens de NDFF voornamelijk waargenomen op het westelijk deel van de onderzoekslocatie.

5584.014 versie D2

6 / 29

Huiszwaluwen maken hun nesten vooral tegen gevels van bebouwing, waarbij boerenzwaluwen hun nesten vaak op randen en richels in koeien-, varkens en paardenstallen maken, maar ook onder bruggetjes of tegen sluizen aan. Aangezien de bebouwing binnen de onderzoekslocatie niet volledig kon worden geïnspecteerd tijdsens het veldbezoek van de quickscan is het niet uit te sluiten dat boeren- en/of huiszwaluwen een nestlocatie hebben binnen de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten zijn dan ook niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 5). Steenuil en kerkuil Volgens de NDFF is de steenuil nabij de Spurkt 5c aangetroffen op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie. De steenuil is een vogel die broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn een aantal geschikte schuren aanwezig die kunnen dienen als nestlocatie voor de steenuil. Bij de voorgenomen plannen worden potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenuil dan ook mogelijk verstoord of vernietigd (zie hoofdstuk 5). De kerkuil is nabij de onderzoekslocatie waargenomen. Tevens is er bij de Spurkt 5c in de noordelijke schuur een nestkast waargenomen met rondom braakballen gelegen. De kerkuil maakt mogelijk gebruik van deze nestkast en nabij gelegen bebouwing.

Negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil zijn op voorhand niet uit te sluiten ( zie hoofdstuk 5). Boomvalk, havik, torenvalk, ransuil en wespendief Deze soorten zijn allen voor hun nesten afhankelijk van een (hoge) boomopstand. In de hoge bomen op en binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn enkele grote nesten aanwezig, die nestgelegenheid bieden aan roofvogels. Verstoring ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van de bovenstaande soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is volgens de NDFF veelvuldig waargenomen met name langs de watergang die de oostelijke begrenzing vormt van de onderzoekslocatie. De grote gele kwikstaart broedt nabij stromend water in een nis, muur of bij boomwortels in de oevers. Tevens zijn er onder de bruggen bij de watergang aan de oostelijke begrenzing van de onderzoekslocatie drie nestkasten aangetroffen (zie figuur 4.2). Het is niet uit te sluiten dat de soort binnen of nabij de onderzoekslocatie broedt, waardoor bij de voorgenomen werkzaamheden verstoring van mogelijke broedlocaties niet uitgesloten kan worden (hoofdstuk 5).

Figuur 4.2 Nestkast die gebruikt kan worden door de grote gele kwikstaart.

Slechtvalk

5584.014 versie D2

7 / 29

Slechtvalk is een soort die op hoge gebouwen of constructies broedt zoals hoogspanningsmasten, kantoorgebouwen of torens. Op en in de omgeving van de onderzoekslocatie zijn hoogspanningsmasten aanwezig, deze zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten tijdens het veldbezoek. Er zijn geen nesten aangetroffen op de hoogspanningsmasten waardoor op voorhand verstoring ten aanzien van de slechtvalk uitgesloten kan worden. Bosuil De bosuil broedt vooral in boomholtes. Er zijn geen voor bosuil geschikte holtes aanwezig op de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de bosuil kunnen worden uitgesloten. Ooievaar De ooievaar broedt op ooievaarspalen en andere menselijke bouwsels, maar soms ook in zelfgemaakte nesten in bomen. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke nestlocaties niet waargenomen. Verstoring ten aanzien van jaarrond beschermde nesten van ooievaar kan derhalve uitgesloten worden. Roek De roek is een echte kolonievogel die nestelt in clusters in hoge bomen. Alle aanwezige bomen konden tijden het veldbezoek goed worden onderzocht op aanwezigheid van dergelijke nestclusters. Deze zijn echter niet waargenomen. Daarom is verstoring van jaarrond beschermde nesten van de roek op voorhand uitgesloten. Categorie 4 broedvogels In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten, van de zogenaamde categorie 1 t/m 3 soorten, en categorie 4 nesten.

Categorie 4 zijn de nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet bepaald worden of er voldoende functionaliteit behouden blijft. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van de volgende categorie 4 vogels: blauwe reiger, buizerd, grauwe klauwier, ijsvogel, kramsvogel, oeverzwaluw, paapje, ringmus, roerdomp, sperwer, spotvogel, wulp, zomertortel en zwarte specht. Blauwe reiger De blauwe reiger broedt meestal in kolonies in bomen, bij voorkeur op plekken waar roofdieren moeilijk bij komen, zoals eilandjes in een vijver of plas. De soort komt voor waar ondiep water dat in voldoende voedsel voorziet, voorhanden is. De bomen op de onderzoekslocatie konden goed gecontroleerd worden op de aanwezigheid van nesten van blauwe reiger. Deze zijn niet aangetroffen en daarnaast is slechts in zeer beperkte mate sprake van foerageergebied. Hiermee kan gesteld worden dat bij de voorgenomen plannen, geen sprake zal zijn van een wezenlijke afname in functioneel leefgebied. Overtreding van de omgevingswet ten aanzien van blauwe reiger is niet aan de orde.

Buizerd en sperwer Deze roofvogels komen (onder andere) tot broeden in (hoge) bomen. De hoge bomen op en in de nabij omgeving van de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van grote nesten welke potentieel toebehoren aan roofvogels. Hierbij zijn reeds enkele nesten aangetroffen in de directe omgeving, waar de buizerd en

5584.014 versie D2

8 / 29

sperwer gebruik van kunnen maken. Overtreding ten aanzien van de sperwer en buizerd kan niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk5). Grauwe klauwier De grauwe klauwier komt voor in kleinschalige, zeer gevarieerde landschappen, zoals hoogvenen en enkele kleinschalige, oude akker- en weidelandschappen. De grauwe klauwier broedt in grote struiken of kleine bomen, waarbij een slordig nest wordt gemaakt die relatief laag (1-1,5 meter) is geplaatst. De soort is volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van de onderzoekslocatie waargenomen. Bij de voorgenomen plannen vindt mogelijk een afname in foerageergebied van grauwe klauwier plaats. Echter zijn in de omgeving dusdanig veel alternatieven voorhanden, in de vorm van gras-, akker- en weilanden, dat geen sprake zal zijn van een afname aan essentieel leefgebied. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van grauwe klauwier is niet aan de orde. IJsvogel en oeverzwaluw De ijsvogel en oeverzwaluw zijn beiden afhankelijk van steile en kale (oever)wanden nabij water voor de voortplanting. Aangezien dergelijke elementen niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan, kan de aanwezigheid van nesten van ijsvogel en oeverzwaluw op voorhand worden uitgesloten.

Er is wel geschikt foerageergebied aanwezig op de onderzoekslocatie, echter is er voldoende alternatief aanwezig in de omgeving. Hiermee kan gesteld worden dat bij de voorgenomen plannen, geen sprake zal zijn van een wezenlijke afname in functioneel leefgebied. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van ijsvogel en oeverzwaluw is niet aan de orde. Kramsvogel en spotvogel De kramsvogel broedt met name in singels, hoogstamboomgaarden, maar ook in parkachtige omgeving. De soort nestelt doorgaans in loofbomen, soms echter ook in naaldbomen. Buiten de broedtijd komt de soort met name in graslanden en in struweelrijk landschap voor. De spotvogel broedt in halfopen landschappen, zowel agrarisch cultuurlandschap met veel struiken als natuurgebied en stedelijk gebied. De soort is enkel gedurende de voortplanting in ons land aanwezig. Hierbij worden open boerenlanden met erfbeplanting en singels geprefereerd boven bosgebieden. Voor beide soorten geldt dat bij de voorgenomen plannen geen afname aan essentieel foerageergebied zal plaatsvinden. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van kramsvogel en spotvogel is niet aan de orde. Paapje Het paapje bouwt goed verborgen nesten op de grond in kruidenrijke, open graslanden. Deze soort broedt voornamelijk in het noorden van Nederland (Drenthe). Op de onderzoekslocatie is ook minimaal geschikt habitat voor deze soort aanwezig.

De waarnemingen van deze soort op of nabij de onderzoekslocatie betreffen hoogstwaarschijnlijk migrerende individuen, aangezien ze overwinteren in Afrika. Negatieve effecten ten aanzien van het paapje zijn niet aan de orde. Ringmus De ringmus komt voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland en in dorpen. In een omgeving met veel struikgewas, weilanden met vee en vooral ook oude bomen met enkele holten zijn ringmussen te vinden. De

5584.014 versie D2

9 / 29

ringmus is een holenbroeder. Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie geen holen aangetroffen in bomen. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van ringmus is niet aan de orde. Roerdomp De roerdomp zijn leefgebied bestaat uit voornamelijk structuurrijke rietvelden. Op de onderzoekslocatie of in de nabij omgeving is dit soort habitat niet of minimaal aanwezig, broedgevallen kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de roerdomp kunnen worden uitgesloten. Wulp De wulp leeft in halfopen agrarische gebied en maakt een nest in een kuiltje in de grond of in het gras. Op de onderzoekslocatie bevinden zich meerdere agrarische percelen die geschikt zijn als leefgebied voor de wulp, waardoor broedgevallen niet uitgesloten kunnen worden. Negatieve effecten ten aanzien van de wulp kunnen niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Zomertortel Zomertortels broeden voornamelijk in bosranden en parkachtige landschappen en foerageren op akkers, weilanden en in gevarieerde kruidenvegetatie. Op de onderzoekslocatie is minimaal geschikt habitat aanwezig voor de zomertortel. In de omgeving bevindt zich meer geschikt leefgebied voor de zomertortel, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de zomertortel niet aan de orde zijn.

Zwarte specht De zwarte specht komt het meeste voor in uitgestrekte naaldbossen, afgewisseld door beukenlanen- en percelen. De soort maakt zijn nest vaak in een oude beuk, maar ook in Amerikaanse eik, grove den en lariks. De onderzoekslocatie bestaat overwegend uit open grasland en bosschages van beperkte omvang. Bij de voorgenomen plannen zal geen essentieel leefgebied van zwarte specht verloren gaan. Tevens zijn er ook geen boomholtes aangetroffen op de onderzoekslocatie die kunnen dienen als nestlocatie. Van overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van zwarte specht is geen sprake. Overige broedvogels De bebouwing/beplanting op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning, roodborst en ekster. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat ‘’Vleermuizen en Planologie’’ (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, Brandt’s vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis.

5584.014 versie D2

10 / 29

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Op de onderzoekslocatie staan gebouwen die geschikt zijn voor gebouwbewonende soorten, hieronder vallen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleemuis en grijze grootoorvleermuis. De bebouwing beschikt over openingen die toegang verlenen tot spouwmuren zoals overhangende dakpannen en spouwgaten. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat vleermuizen de bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken, mogelijk gaan potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen verloren (zie hoofdstuk 5). Tijdens het veldbezoek zijn de bomen op de onderzoekslocatie geïnspecteerd op boomholtes, deze zijn niet aangetroffen. De onderzoekslocatie is niet geschikt voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en het omliggende bos in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Er dient bij de toekomstige plannen van Smakterheide wel rekening gehouden te worden met verlichting: deze mag niet uitstralen naar de omgeving. Foerageergebied De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren.

De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel dient er rekening gehouden te worden met de uitstraling van verlichting richting omliggende foerageergebieden. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebieden kan niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Vliegroute Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen, zoals bomenlanen en watergangen, zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen plannen worden dergelijke mogelijke vliegroutes verstoord (hoofdstuk 5). In figuur 4.3 staan mogelijk vliegroutes weergegeven.

5584.014 versie D2

11 / 29

Figuur 4.3

Mogelijke vliegroutes voor vleermuizen.

4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis, wild zwijn en wolf. Voor het wild zwijn geldt dat in Nederland de Meinweg en de Veluwe aangewezen zijn als gebieden voor het wild zwijn. In overige gebieden geldt nulstandbeleid. Op de onderzoekslocatie geniet het wild zwijn dan ook geen streng beschermde status. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt mogelijk geschikt habitat voor de steenmarter, met name de aanwezige bebouwing. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek was het niet mogelijk de aanwezige bebouwing volledig te inspecteren en daardoor is het niet uitgesloten dat een vaste rustof verblijfplaats van de soort binnen de onderzoekslocatie aanwezig is.

Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter kunnen niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).

5584.014 versie D2

12 / 29

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. Volgens de NDFF zijn in de afgelopen tien jaar waarnemingen bekend van de soort binnen de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, maar het is gezien de onderzoeksinspanning niet volledig uit te sluiten dat een nest van eekhoorn aanwezig is binnen het gebied. Een vaste- rust of verblijfplaats van de eekhoorn kan dan ook niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Das Tijdens het veldbezoek zijn er diverse dassenpijpen waargenomen en drie burchten waar dassen actief zijn (zie afbeelding 4.5). Mogelijk bevinden zich op of nabij de onderzoekslocatie nog meerdere dassenpijpen. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek wissels en loopsporen aangetroffen (zie figuur 4.4). Het is erg aannemelijk dat de das gebruikt maakt van de onderzoekslocatie. Verstoring ten aanzien van een vaste rust- of verblijfplaats van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is dan ook aan de orde (zie hoofdstuk 5). Figuur 4.4 Sporen van een das.

Figuur 4.5 Locaties waar mogelijka ctieve burchten van de das zijn aangetroffen.

5584.014 versie D2

13 / 29

Bever De bever is volgens de verspreidingsgegevens waargenomen ten noorden van de onderzoekslocatie binnen het elzenbroekbos en langs het Afleidingskanaal ten noorden van het elzenbroekbos. Bovendien zijn langs het Afleidingskanaal ten noorden van het elzenbroekbos een aantal ingevallen beverholen, een glijbaan en knaagsporen waargenomen. Bevers leven nabij moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen en de aanwezigheid van voldoende goed bereikbare bomen en struiken zijn essentieel. De kwaliteit van het water is hierbij niet belangrijk (BIJ12, 2017). Gezien de onderzoekslocatie voornamelijk uit agrarische percelen bestaat met enkele bomenrijen is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de soort hier een vaste rust- of verblijfplaats heeft. Mogelijk fungeren de waterlopen als migratieroute voor de bever. Gedurende de werkzaamheden en na dient dan ook rekening met de bever gehouden te worden (zie hoofdstuk 5). Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De waterspitsmuis komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden.

Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. De Loobeek, Venrayse Spurkt of sloten op of grenzend aan de onderzoekslocatie zijn hiermee mogelijk een geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Significant negatieve effecten ten opzichte van de waterspitsmuis kunnen niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Overige soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas, egel, wezel, hermelijn, bunzing en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 5).

4.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen jaren in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: ringslang en levendbarende hagedis. Levendbarende hagedis Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook komt hij voor in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. De onderzoekslocatie zelf bevat geschikt habitat voor de levendbarende hagedis in de vorm van rijk begroeide bosranden. Door de afwezigheid van beschutting op de onderzoekslocatie wordt verwacht dat de

5584.014 versie D2

14 / 29

levendbarende hagedis zich vooral in de bossen nabij de onderzoekslocatie bevinden. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal geen beschadiging en/of vernietiging van verblijfplaatsen plaatsvinden. Het kan echter niet geheel uitgesloten worden dat incidenteel een zwervend individu op de locatie kan worden aangetroffen, er dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 5). Ringslang De ringslang is gebonden aan waterrijke gebieden in combinatie met zandgronden. Volgens NDFF is de ringslang in de omgeving de afgelopen vijf jaar waargenomen. De waarnemingen, hebben naar verwachting betrekking op het nabij gelegen natuurgebied de Boschhuizerbergen. De onderzoekslocatie en dit natuurgebied worden gescheiden door de A73. Er worden geen negatieve effecten verwachten ten aanzien van de ringslang.

4.5 Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF kunnen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieënsoorten voorkomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, boomkikker, heikikker en poelkikker. Streng beschermde soorten

Alpenwatersalamander, kamsalamander, boomkikker en poelkikker De genoemde streng beschermde soorten zijn allen waargenomen in het elzenbroekbos, nabij de waterpartijen, ten noorden van de onderzoekslocatie. Al deze soorten zijn voor hun voortplantingshabitat afhankelijk van stilstaande, zonnige, visvrije en schone wateren. Als landhabitat worden veelal omliggende bosrijke gebieden, struwelen en/of ruigten gebruikt, zoals het elzenbroekbos, waarin ze kunnen overwinteren. Binnen de onderzoekslocatie één geschikte watergang de ”Venray Spurkt” aanwezig. Tevens kunnen incidenteel zwervende individuen op de onderzoekslocatie voorkomen. Verder geldt dat aangezien de kwaliteit van het elzenbroekbos essentieel is voor het behoud van de aanwezige amfibieënsoorten, de kwaliteit van dit gebied gewaarborgd dient te blijven (hoofdstuk 5). Heikikker De heikikker heeft een voorkeur voor heide, laagveen, hoogveen en halfnatuurlijk grasland. Dit soort habitattypen zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. De waarnemingen zijn gerelateerd aan het natuurgebied Boschhuizerbergen en zijn op zo’n 2 km afstand van de onderzoekslocatie. Tevens wordt de onderzoekslocatie en het natuurgebied door de A73 gescheiden. Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker kunnen op voorhand worden uitgesloten. Licht beschermde soorten

De onderzoek locatie is geschikt als voortplantingshabitat voor algemene soorten als bruine kikker, kleine watersalamander, bastaard kikker en gewone pad. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen de desbetreffende soorten dan ook verstoord worden (hoofdstuk 5).

5584.014 versie D2

15 / 29

4.6 Vissen De onderzoekslocatie bevat twee gescheiden watergangen die in contact staan met het Afleidingskanaal ten noorden de onderzoekslocatie. In het Afleidingskanaal zijn waarnemingen bekend van vissoorten als kleine modderkruiper, bermpje, snoek, riviergrondel, driedoornige- en tiendoornige stekelbaars. Deze soorten kunnen tevens voorkomen in de watergangen binnen de onderzoekslocatie en bij het dempen van genoemde watergangen zal dan ook met deze soorten rekening gehouden moeten worden (zie hoofdstuk 5).

4.7 Ongewervelden Libellen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de streng beschermde beekrombout. De beekrombout heeft zijn habitat nabij beken en rivieren met zuurstofrijk water, onbegroeide zandige substraten en niet te rijk aan nitraten en fosfaten. Dergelijke waterlichamen zijn op de onderzoekslocatie aanwezig, de watergang de “Venrayse Spurkt” is namelijk geschikt voor de beekrombout. Negatieve effecten ten aanzien van de beekrombout kunnen niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5) Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-waarnemingen bekend van bruine eikenpage, grote vos, kleine ijsvogelvlinder. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten.

Tijdens het veldbezoek is gelet op waardplanten zoals iep, zoete kers, populier en wilgen (grote vos), eik (bruine eikenpage) en wilde kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder). Tijdens het veldbezoek zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zoete kers, wilde kamperfoelie en jonge eiken aangetroffen, welke de waardplanten zijn voor de grote vos, kleine ijsvogelvlinder en bruine eikenpage. Significant negatieve effecten kunnen echter worden uitgesloten aangezien er in de bosschages in de directe omgeving geen activiteiten plaatsvinden en deze waardplanten behouden blijven. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van waardplanten van andere beschermde vlinders, welke niet zijn aangetroffen. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde vlinders is niet aan de orde. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de

5584.014 versie D2

16 / 29

onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

4.8 Planten De onderzoekslocatie bestaat uit voornamelijk uit agrarische grondgebied met minimale ruigtestroken. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Tevens zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF geen streng beschermde planten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie.

4.9 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Volgens NDFF zijn de afgelopen vijf jaar op de onderzoekslocatie de volgende rode lijst soorten waargenomen: goudplevier, graspieper, grote lijster, keep, kneu, koekoek, matkop, oeverloper, patrijs, tapuit, veldleeuwerik, watersnip, wielewaal, wilde zwaan, wintertaling, wulp, zwarte mees, bunzing, haas, konijn, wezel, kleine parelmoervlinder, oranjezandoogje, bleke franjehoed, moerashertshooi, rapunzelklokje en slanke mantelanjer. Aangezien de onderzoekslocatie na de voorgenomen plannen van agrarisch gebruik naar natuur gebruik gaat wordt er op de lange termijn geen negatieve invloed verwacht op de bovenstaande rode lijst soorten. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1 Broedvogels Broedvogels categorie 1 t/m 4 (Limburg) De onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving, is potentieel geschikt als verblijfplaats voor de soorten huismus, grote gele kwikstaart, boerenzwaluw, buizerd, huiszwaluw, sperwer, steenuil, kerkuil, ransuil,

5584.014 versie D2

17 / 29

torenvalk, boomvalk, havik, wulp en wespendief. Roofvogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring, met name bij de nestplaats. Het ongestoord laten van voldoende ruimte, rond het bewoonde nest, gedurende het broedseizoen is hierbij belangrijk. Om te bepalen of er verstoring ten aanzien van genoemde soorten plaatsvindt, dient meer inzicht te worden verkregen in de aanwezigheid van nesten binnen en in de directe omgeving van de verstorende ontwikkelingen. Aantasting van de functionaliteit is aan de orde als geschikt habitat waar de soorten voorkomen in kwantiteit of kwaliteit afneemt, waardoor de plek niet meer de functie van nestplaats of vaste rust- of verblijfplaats kan vervullen. Een leefgebied moet voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten. Indien verstoring niet kan worden voorkomen, dient een vergunning te worden aangevraagd. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in de betreffende broedperiode van de betreffende soorten. Indien nestlocaties worden aangetroffen zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats alsnog behouden moeten worden. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Provincie Limburg, middels een vergunningsaanvraag. In tabel 5.1 staan de onderzoekperiodes per soort weergegeven.

Tabel 5.1 onderzoeksperiode per soort. soort

februari

maart

april

mei

juni

juli

augustus

huismus grote gele kwikstaart Havik Kerkuil steenuil Ransuil boerenzwaluw huiszwaluw boomvalk torenvalk wespendief Buizerd sperwer Wulp

5584.014 versie D2

18 / 29

Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.

Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

5.2 Vleermuizen De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en er zijn enkele bomenrijen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen in de omgeving. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Op de onderzoekslocatie is bebouwing geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Op de onderzoekslocatie en de directe omgeving hiervan zijn tevens mogelijk enkele essentiële vliegroutes voor vleermuizen aanwezig. Nader onderzoek is noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten waarvan verblijfplaatsen onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis en laatvlieger.

De vleermuissoorten waarvan vliegroutes onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis, baardvleermuis en Brandt’s vleermuis. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële

5584.014 versie D2

19 / 29

functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen en/of vliegroutes van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats en vliegroutes behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan en ecologisch werkprotocol, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een omgevingsvergunning. Tevens dient er met betrekking tot foerageergebied in de directe omgeving rekening gehouden te worden met verlichting richting deze gebieden. Er dient een lichtplan opgesteld te worden (zoals bij de bever). Wanneer er tijdens het nader onderzoek ook vliegroutes worden waargenomen en de routes behouden blijven dient dit ook worden opgenomen in het lichtplan.

5584.014 versie D2

20 / 29

5.3 Overige zoogdieren Steenmarter De steenmarter kan mogelijk voorkomen binnen de onderzoekslocatie nabij de bebouwing. In Limburg is de soort vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari en in deze periode is overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet te voorkomen. Indien toch gewerkt gaat worden buiten deze periode is het noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden een steenmarterinspectie uit te voeren om de aan- of aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van de soort te kunnen vaststellen. Eekhoorn In de bomen op de onderzoekslocatie zijn zeer waarschijnlijk voortplantings- en winternesten van de eekhoorn aanwezig. Artikel 11.54, bal (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. In eerste instantie dient een aanvullende inspectie plaats te vinden in het bladerloze seizoen, waarbij alle potentiële eekhoornnesten in kaart gebracht dienen te worden. Afhankelijk van de locaties van deze eekhoornnesten, dient mogelijk een aanvullend onderzoek plaats te vinden, dan wel maatregelen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om een dermate verstoring van een eekhoornnest dat deze verlaten wordt, te allen tijde te voorkomen.

Das De aangetroffen dassenburcht binnen de onderzoekslocatie wordt mogelijk verstoord/vernietigd bij de voorgenomen plannen. Nader onderzoek is benodigd om de functie van de burcht inzichtelijk te maken en daarnaast dienen de locaties in beeld gebracht te worden van andere vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en van het functioneel leefgebied (migratieroutes of foerageergebieden) van de das in de omgeving. Het onderzoek naar de actiiteit van de dassenburcht die aanwezig is binnen de onderzoekslocatie kan jaarrond uitgevoerd worden. Of de dassenburcht een kraamfunctie betreft kan middels het plaatsen van cameravallen worden vastgesteld in de kraamperiode van de das. De inventarisatie van migratieroutes dient uitgevoerd te worden in de periode september-mei. Daarnaast kan aanvullend gebruik worden gemaakt van gegevens van Das&Boom of dassenwerkgroepen. Bever De bever kan de waterlopen binnen de onderzoekslocatie potentieel gebruiken als migratieroute. Gedurende en na de werkzaamheden dient hier rekening mee gehouden te worden. Maatregelen bij het uitvoeren van de werkzaamheden dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Tevens dient er na de werkzaamheden rekening gehouden te worden met verlichting richting de waterwegen, hiervoor dient en lichtplan opgesteld te worden. Op deze wijze kan verstoring worden voorkomen en is een vergunning niet noodzakelijk.

Waterspitsmuis Door middel van eDNA onderzoek kan op een efficiënte manier vastgesteld worden of de waterspitsmuis gebruik maakt van het gebied. eDNA is een middel om het voorkomen vast te stellen of uit te sluiten, maar geeft geen

5584.014 versie D2

21 / 29

indicatie van aantallen in een gebied. Indien blijkt dat de waterspitsmuis voorkomt dient daarom nader aanvullend onderzoek plaats te vinden om de aantallen te bepalen. Allereerst wordt echter geadviseerd om via eDNA vast te stellen dan wel uit te sluiten of de waterspitsmuis gebruik maakt van de onderzoekslocatie.

5.4 Reptielen De levendbarende hagedis is een nationaal beschermde diersoort en is opgenomen in Artikel 11.54. Er wordt verwacht dat de levendbarende hagedis zich kan schuilhouden in de bosranden aangrenzend aan de onderzoekslocatie. Het kan niet uitgesloten worden dat incidenteel een individu zich op de onderzoekslocatie ophoudt. In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor incidenteel aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tevens geldt er in Limburg een vrijstellingsperiode deze loopt van 15 augustus tot 15 Oktober. Maatregelen zullen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op voorhand te voorkomen.

5.5 Amfibieën De onderzoekslocatie biedt geschikt habitat voor beschermde amfibiesoorten als Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker in de vorm van de watergang “Venrayse Spurkt”. Voor verstoring of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen geldt in het kader van de Omgevingswet een vergunningsplicht. Op basis van de voorgenomen plannen zullen de waterwegen niet gedempt worden en vindt er geen vernietiging of verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen plaats. Aangezien de vaste rust- en verblijfsplaats van de soorten niet in het geding komt is een vergunningssaanvraag niet per definitie noodzakelijk, maar dienen er wel voorzorgsmaatregelen getroffen te worden om eventueel voorkomende individuen te beschermen en vervolgens te weren van de onderzoekslocatie gedurende de werkzaamheden. Tevens dienen er maatregelen genomen te worden zodat de kwaliteit van het habitat, met name het elzenbroek, van de bovenstaande soorten behouden blijft. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Met behulp van het ecologisch werkprotocol is verstoring van amfibieën te voorkomen en is een vergunning niet noodzakelijk. Indien toch blijkt uit de voorgenomen plannen dat verstoring of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen plaatsvindt dient er nader onderzoek gedaan te worden naar de bovenstaande soorten.

5.6 Vissen Algemene vissensoorten Bij het dempen van de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Omgevingswet inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder een vrijstelling, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de

5584.014 versie D2

22 / 29

uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Er wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.

5.7 Libellen De beekrombout is een beschermde libelsoort soort die mogelijk op de onderzoekslocatie kan voorkomen. De watergang “Venrayse Spurkt” kan dienen als voortplantingswater voor de beekrombout. Op basis van de voorgenomen plannen zullen de waterwegen niet gedempt worden en vindt er geen vernietiging of verstoring van voorplantingswater plaats. Wel dient er zoveel mogelijk rekening gehouden te worden dat de loop van de watergang niet wordt verstoord, dit dient opgenomen te worden in een ecologisch werkprotcol. Indien toch blijkt uit de voorgenomen plannen dat verstoring of vernietiging van het voortplantingswater plaatsvindt dient er nader onderzoek gedaan te worden naar de beekrombout.

5.8 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van Artikel 11.54, bal in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. De werkzaamheden dienen met zorg te worden uitgevoerd waarbij dieren tijdelijk een onderkomen elders kunnen vinden en in de toekomstige situatie zoveel als mogelijk op de oorspronkelijke plek kunnen voortbestaan. De werkzaamheden dienen afgestemd te worden op potentieel aanwezige dieren. Door te werken conform een ecologisch werkprotocol zal te allen tijde de zorgplicht worden gewaarborgd.

5.9 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

5584.014 versie D2

23 / 29

6

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 900 meter afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van Natura 2000 (geel gemakerkeerd).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

5584.014 versie D2

24 / 29

6.2 Natuurnetwerk Nederland In Limburg werd de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. Echter is er met intreding van de Omgevingswet een nieuwe omgevingsverordening ingegaan. De voorheen goudgroene zone is nu onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. De voorheen zilver- en bronsgroene landschapzones zijn samengevoegd tot de ‘Groen-Blauwe Mantel’. Binnen Natuurnetwerk Nederland streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de ‘Groen-Blauwe Mantel’ staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie valt deels binnen de ‘Groen-Blauwe Mantel’. De onderzoekslocatie ligt echter ook in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Dit gebied bevindt zich aangrenzend ten noorden van de onderzoekslocatie en betreft het elzenbroekbos. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16859743/1