Naslag: ‘Advies inzake Woonwagen- en Standplaatsenbeleid’ – College van de Rechten van de Mens (28-03-2018);
Tekst van het document
Het is immers vaste rechtspraak van het EHRM''" en het HvJ EU'" dat een Staat ook gebonden is aan zijn rechtstreeks werkende verdragsverplichringen wanneer het publieke taken, zoals sociale huisvesring, laat uitoefenen door een privaatrechtelijke organisatie.
5.2
Effectief handhavingsmechanisme en preventief toezicht
Het voorgaande betekent dat het College verwacht dat de Rijksoverheid niet alleen een beleidskader voor standplaatsenbeleid op gemeentelijk niveau tot stand brengt waarin het recht van woonwagenbewoners te wonen conform de behoefte die voortvloeit uit hun culturele idenriteit en cultuur leidend zijn, maar ook dat de Rijksoverheid erop toe ziet dat dit recht effecrief wordt beschermd bij de uitvoering van dit beleidskader door zowel gemeenten, woningcorporaries en beheerders. Concreet betekent dit dat een vrijblijvende " Zie bijv. EHRM 18 januari 2001, 27238/95 (Chapman t. VK) en EHRM 17 oktober 2013, 27013/07 (Winterstein e.a. t. Frankrijk). Zie bijv. EHRM 1 maart 2005, app.no. 22860/02 Wos t. Polen), EHRC 2005/54, m.nt. A.M.L. Jansen. '" Zie bijv. HvJ EU - 10 oktober 2017 - C-413/15.
handreiking"^ onvoldoende is en dat het College verwacht dat de Rijksoverheid erop zal toezien dat gemeentelijk beleid inzake woonwagenstandplaatsen daadwerkelijk voldoet aan de eisen ontwikkeld in de rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU. Er dient dan ook een effectief handhavingsmechanisme ontwikkeld te worden waarbij individuele burgers zich met hun klachten tot de overheid kunnen richten wanneer hun recht op passende huisvesting conform hun culturele identiteit door gemeenten en woningcorporaties niet of onvoldoende wordt gerespecteerd. Het huidige systeem van klachtmechanismen (Nationale Ombudsman en College) is reactief en alleen toereikend bij individuele klachten. De Rijksoverheid komt daarnaast een rol in de prevenrieve sfeer toe, van toezichthouder op blijvende - naleving van het beleid door de diverse betrokken actoren (gemeenten en Provincies).
5.3
Aanbevelingen
- Bescherming tegen discriminatie, en waarborging van rechtszekerheid en duidelijkheid zijn leidende uitgangspunten voor beleid en regelgeving, ook bij het te vormen beleid inzake standplaatsen voor woonwagenbewoners; - Zorg dat op gemeentelijk niveau voldoende kennis aanwezig is over het meest recente mensenrechtelijk kader"^ waarbinnen een standplaatsenbeleid geplaatst dient te worden. Uit de behandeling van zaken die bij het College aanhangig worden gemaakt blijkt bijvoorbeeld regelmatig dat in een gemeentelijke woonvisie geen rekening wordt gehouden met het feit dat het wonen conform de culturele identiteit geen gewone 'woonwens' is maar een mensenrecht. Hetzelfde geldt voor woningcorporaties die denken te hebben voldaan aan hun verplichtingen uit de gelijkbehandelingswetgeving wanneer zij woonwagenbewoners op gelijke voet met andere huurders toegang geven tot het aanbod binnen de sociale woningbouw, zonder rekening te houden met het feit dat het wonen in een woonwagen een beschermde woonvorm is. Er bestaat op gemeentelijk niveau vaak onvoldoende kennis van de positieve verplichtingen die voortvloeien uit het Europeesrechtelijk kader.
Het is aan de Rijksoverheid over hier de regie te nemen en dit kader inzichtelijk te maken voor de actoren op gemeentelijk niveau en te monitoren dat het mensenrechtelijk kader wordt gerespecteerd; -Zorg als Rijksoverheid ervoor dat toezicht wordt gehouden op de naleving van de mensenrechten in beleid en uitvoering, en zorg voor de inrichting van een effectieve klachtmogelijkheid; - Plaats het gemeentelijk standplaatsenbeleid in een breder kader gericht op de verbetering van de maatschappelijke positie van woonwagenbewoners. Het recht op adequate huisvesting hangt nauw samen met andere mensenrechten van woonwagenbewoners, zoals het recht op toegang tot onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt'"'. Een gemeentelijk standplaatsenbeleid dat 'mensenrechtenproof' is dient er rekening mee te houden dat deze mensenrechten met elkaar samenhangen en alleen in combinatie met elkaar effectief kunnen worden uitgeoefend; - Ga in gesprek met de doelgroep en inventariseer wat zij als een schending van hun mensenrechten ervaren. Kennis van de eigen rechten en mogelijkheden om effectieve (rechts)middelen ter bescherming tegen ongerechtvaardigde inbreuken van hun rechten ''^ De vroegere (VROM-)Handreiking voor gemeenten is daarvan een voorbeeld. ''^ Zoals bijv.
neergelegd in ' Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (EU-kader)' van de Europese Commissie en de meeste recente rechtspraak van het EHRM en het HVJ EU inzake het recht op adequate huisvesting van woonwagenbewoners. Zie bijv. " OPRE JOINT STATEMENT ON EVICTIONS OF ROAAA AND TRAVELLERS IN EUROPE" van 29 juni 2016. Advies inzake het woonwagen- en standplaatsenbeleid 20
zijn daarbij cruciaal. Een veelgehoorde klacht tijdens zitringen bij het College inzake gemeentelijk standplaatsenbeleid is dat woonwagenbewoners zich in de bejegening door medewerkers van de gemeente, woningcorporaries en beheerders tekort gedaan voelen. Zij ervaren dat hun verzoeken en hun klachten niet serieus genomen worden. En zij ervaren de bejegening als gebaseerd op bepaalde vooronderstellingen en vooroordelen. Dit maakt dat geschillen inzake huisvestiging van woonwagenbewoners vaak niet op een prakrische en pragmarische wijze opgelost kunnen worden, terwijl hier wel mogelijkheden toe bestaan. Het College zou dan ook willen aanbevelen om blijvend te investeren in een overlegstructuur met woonwagenbewoners in plaats van een overlegstructuur over woonwagenbewoners.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Het College voor de Rechten van de Mens jvjr. dr. CM. van Eek Postbus 16001 3500 DA Utrecht
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt Contactpersoon Frenk Wiersma T 0621702452 frenk.wiersma@minbzk.nl Kenmerk 2018-0000049782 Uw kenmerk
Datum Betreft
22 januari 2018 Verzoek om advies inzake standplaatsenbeleid
Geachte mevrouw Van Eek, Zoals bekend is het ministerie van Binnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties (BZK), in overleg met onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en vertegenwoordigers van de woonwagenbewoners, bezig een nieuw beleidskader te formuleren met betrekking tot het gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid. Hiermee geeft het ministerie invulling aan één van de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman (NOM) in zijn rapport 'Woonwagenbewoner zoekt standplaats' van mei 2017. In dit kader komen enkele vragen aan de orde waarover ik graag het advies van het College voor de Rechten van de mens zou ontvangen. Dit advies zal betrokken worden bij het opstellen van het nieuwe beleidskader voor lokaal woonwagen- en standplaatsenbeleid, dat past binnen het mensenrechtelijk kader zoals zich dat in de laatste jaren heeft ontwikkeld. Met u is over deze vragen reeds contact geweest. Het betreft het volgende: 1. Wie horen er bij de groep van woonwagenbewoners (die met enig recht aanspraak kunnen maken op een standplaats). Op dit moment zijn in beeld Roma, Sinti en woonwagenbewoners (afstammelingen van de klassieke reizigers), rondtrekkende circusartiesten en kermisexploitanten. De NOM stelt voor ter afbakening van de groep het afstammingsbeginsel te hanteren bij de toewijzing van standplaatsen. Voor komen moet worden dat dit leidt tot etnische registratie.
Hoe ziet het College dit? 2. De culturele identiteit van woonwagenbewoners dient beschermd te worden. Echter welke elementen kunnen hierin worden onderscheiden? kunnen de woonvorm en het wonen in familieverband als de essentiële elementen worden gezien of zijn er nog andere kenmerken die bescherming behoeven van mensenrechtelijk perspectief? Voldoet een gemeente aan het mensenrechtelijk kader als ze voorziet in voldoende standplaatsen waar woonwagenbewoners in familieverband kunnen samenleven? 3. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld. Echter gezien de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners kunnen ze niet zonder meer gelijkgesteld worden met andere woningzoekenden. Het is de verantwoordelijkheid van onder meer de gemeente om te voorzien in Pagina 1 van 2
Directoraat-Generaal Bestuur en Wonen Directie Woningmarkt Datum
voldoende huisvesting. Dat houdt in dat de gemeente zowel aandacht heeft voor de huisvesting voor de woningzoekenden die zich richten op de reguliere woningmarkt als op woningzoekenden die zich richten op woonwagens en standplaatsen. Op welke wijze kan een gemeente op een goede manier voldoen aan het mensenrechtelijk kader voor woonwagenbewoners zonder dat reguliere woningzoekenden worden benadeeld? Op basis van onder meer de Algemene wet gelijke behandeling mogen ook aanbieders van diensten, zoals woningcorporaties, geen ongerechtvaardigd onderscheid maken. Is er ten aanzien van de huisvesting van woonwagenbewoners een verschil tussen de wijze waarop een gemeente en een woningcorporatie dit mensenrechtelijk kader moeten toepassen en hoe kan een woningcorporatie daaraan worden gehouden? 4. Er is veel variatie in de hoeveelheid standplaatsen die gemeenten hebben per 10.000 inwoners. Hieraan liggen deels historische feiten ten grondslag (bijvoorbeeld dat er in het verleden een groot woonwagencentrum in de gemeente was), maar soms ook actief gemeentelijk beleid, zoals het zogenoemde uitsterf beleid. Wat mag van een gemeente verwacht worden? Is het mogelijk een norm voor gemeenten te geven? 5. De laatste jaren heeft het Rijk een beperkte rol gespeeld op het terrein van woonwagenbeleid. In 2017 heeft de minister van BZK besloten invulling te geven aan de aanbevelingen van de NOM.
Het ministerie reikt een beleidskader aan waarbinnen de gemeente zijn beleid kan voeren. Het ministerie wil tevens een actieve rol spelen in het bekendmaken van dit nieuwe beleidskader aan gemeenten en anderen. Heeft u specifieke aanbevelingen inzake de wijze waarop de bewustwording van het mensenrechtelijk kader inzake woonwagenstandplaatsenbeleid bij gemeenten, woningcorporaties en andere betrokkenen kan worden verhoogd? Welke opdracht heeft de Rijksoverheid nadat dit nieuwe beleidskader is bekendgemaakt?
22 januari 2018 Kenmerk 2018-0000049782
^
Ik zou het bijzonder op prijs stellen indien u een advies over deze vragen kunt geven voor 1 maart 2018. Uw advies kan mede gebruikt worden in de communicatie rond het nieuwe beleidskader zoals hierboven aangegeven. Met vriendelijke groet, De plv. Directeur-Generaal Bestuur en Wonen,
Drs. E.J. van Kempen
Pagina 2 van 2