Motivering
Tekst van het document
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.8.1.2.1 Onderzoek Het plangebied betreft een perceel waarop de voormalige WeJeBe-garage staat. Deze bebouwing zal geheel worden gesloopt en erfverharding zal worden verwijderd.
Om te voorkomen dat er een verstoring van beschermde dier- en plantensoorten plaatsvindt bij de uitvoering van onderhavig project, is op 19 mei 2025 ecologisch veldwerk verricht door Faunaconsult. Bij dat veldwerk is het volgende geconstateerd:
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 59
'Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen garage bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: - 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er voor elk verblijf dat zijn functie niet meer kan vervullen vier nieuwe vleermuisverblijven worden gecreëerd (BIJ12, 2024).
Om vertraging te voorkomen, is het daarom verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2024). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 01, VK WS 02 of VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl) of VMT1 of VMT1a (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2024), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2025). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.' Bijbehorende rapportage is als Bijlage 6 bij de planstukken gevoegd. De rapportage behorende bij het aanvullend vleermuizenonderzoek is opgesteld op 13 oktober 2025. Aan de hand van de resultaten van de inventarisatierondes acht BNL een vergunningaanvraag voor een flora en fauna-activiteit niet noodzakelijk. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 60
5.8.2
Conclusie
Vanuit het aspect natuur is er geen sprake van een belemmering; het project vormt in beginsel geen belemmering voor dier- of plantensoorten.
5.9
Water en watersystemen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 61
5.9.1
(Wettelijk) kader
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap en de gemeente. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5.
Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 62
5.9.2
Onderzoek
Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd (nieuw) afvoerend verhard oppervlak (bebouwing inclusief erfverhardingen), binnen het plangebied valt. De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) voor de gemeente Venray van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit sterk lemige enkeerdgronden. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op meer dan 2 meter beneden maaiveld. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt, op basis van de eisen zoals neergelegd in de Toetssteen Openbare Ruimte 2019, uitgegaan van een neerslaggebeurtenis waarbij 60 mm neerslag valt in 24 uur. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,06 m. Benodigde buffercapaciteit bedraagt volgens de normen van de gemeente Venray in dat geval: circa 1000 m2 x 0,06 m = 60 m3 voor de woningen met bijbehorende erfverhardingen.
Uitgaande van de normering van het Waterschap, van een neerslaggebeurtenis waarbij 100 mm neerslag valt in 24 uur, dient de te realiseren waterbergingsruimte berekend te worden door de toename van het afvoerend verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met 0,1 m, hetgeen voor onderhavig project neerkomt op 100 m3 aan infiltratievoorzieningen. Gelet op de korte maar hevige stortbuien die zich de afgelopen jaren steeds vaker gaan voordoen in combinatie met de bebouwing rondom het plangebied, is het wenselijk om de hemelwaterinfiltratieeisen van het Waterschap te hanteren en op die manier voldoende ruimte aan het hemelwater geven. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld in de vorm van een infiltratiekrat/grindkoffer onder de verharding worden gerealiseerd, maar ook als open voorziening als onderdeel van de inrichting van de tuin. Om voldoende hemelwaterinfiltratie te waarborgen is hiertoe een planregel opgenomen, zodat deze verplichting kan worden gekoppeld aan de omgevingsvergunning. Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige vuilwaterriool. Bouwmaterialen De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voorzover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 63
5.9.3
Conclusie
Vanuit het aspect water en watersystemen is er geen sprake van een belemmering.
5.10 Cultureel erfgoed en archeologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.
5.10.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
5.10.2 Onderzoek Uit onderstaande uitsnede van de gemeentelijke Archeologische Beleidskaart blijkt dat voor de gronden van het plangebied waarop de toekomstige ontwikkeling zal plaatsvinden, grotendeels de aanduiding “categorie 4” geldt. Deze categorie omvat gebieden met hoge verwachting. Het zuidelijke deel van het plangebied, ligt binnen categorie 2 (monumenten die betrekking hebben op historische kernen).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 64
Uitsnede Archeologische beleidskaart
Voor deze categorie 4-gebieden geldt dat bij herinrichting van gebieden een bureauonderzoek wenselijk is om archeologische gebiedskenmerken te onderzoeken, ingeval de verstoring meer dan 500 m2 bedraagt en dieper reikt dan 50 cm onder maaiveld. Voor categorie 2-gebieden geldt een maximaal verstoringsoppervlak van 50 m2 en eveneens een diepte van 50 cm onder maaiveld. Op 22 augustus 2025 is door Sweco een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is het volgende geconstateerd: 'Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat onder de verharding sprake is van een ophogingspakket, waarbij het in een aantal gevallen gaat om geel bouwzand. Daarnaast is er ook sprake van pakketten die duidelijk zijn geroerd, gekenmerkt door gevlektheid. Mogelijk zijn ook deze pakketten nog opgebracht. Pas tussen de 150 en 220 cm beneden maaiveld zijn natuurlijke afzettingen aangetroffen, waarbij het gaat om de rivierbedding. In de bovenliggende pakketten is echter al sediment van de rivierbedding aanwezig; er lijkt dus geen sprake meer te zijn van een intact archeologisch niveau.
Op basis van de bodemingrepen in de 20e eeuw, met de realisatie van de garage met diepgaande funderingen, de bouw en verwijdering van een tankstation in het zuiden van het plangebied (waar zich de historische bebouwing grotendeels heeft bevonden), en de verwijdering van ondergrondse olietanks, wordt niet verwacht dat er nog intacte sporen aanwezig zullen zijn van historische bebouwing. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag voor alle tijdsperioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Sweco om het plangebied vrij te geven. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Venray wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Venray op de hoogte te stellen. De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.
' Voornoemd archeologisch onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd. Het handhaven van een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden is derhalve niet meer noodzakelijk voor het te ontwikkelen deel van het plangebied.
5.10.3 Conclusie
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 65
Vanuit het aspect cultureel erfgoed, en archeologie is er geen sprake van een belemmering.
5.11 Bedrijfsmatige activiteiten 5.11.1 Zonering Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies. Gemeenten kunnen deels zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Daarbij moeten zij wel rekening houden met de landelijk geldende regels. Bij het toelaten van bedrijven is het van belang dat er geen onaanvaardbare hinder ontstaat voor de omgeving. Bijvoorbeeld door geluid, externe veiligheid of geur. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor de handreiking Milieuzonering nieuwe stijl opgesteld. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
5.11.2 Onderzoek Bij het toelaten van een nieuwe gevoelige functie op een locatie dienen alle milieurelevante aspecten te worden gewogen, waarbij het enerzijds gaat om het effect van de milieubelastende activiteit op de omgeving en anderzijds om het effect van bestaande milieubelastende activiteiten op een nieuwe gevoelige functie. Een woonfunctie is geen milieubelastende activiteit, maar een gevoelige functie. Als gevolg van de definitieve beëidiging van de bedrijfsmatige functie van het plangebied, zal mogelijk hieraan gerelateerde hinder tot het verleden behoren. Onderstaande tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden. Binnen een straal van 100 m rondom het nieuwe woongebied bevinden zich de volgende bedrijven: Adres
type bedrijf(sbestemming)
richtafstand
afstand nieuwe woongebied
Beeteweg 7
glastuinbouw
30 m
95 m
De nieuwe woonfunctie ligt ruim buiten de richtafstand van het agrarische bouwvlak en Binnen 30 m vanuit de rand van het plangebied vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het realiseren van woningen op deze locatie geen omliggende bedrijven/bedrijfsfuncties belemmert in hun bedrijfsuitoefening, en evenmin wordt het project belemmerd door omliggende functies.
5.11.3 Conclusie Er kan derhalve worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de methodiek van de handreiking Milieuzonering er dat er geen sprake van een belemmering.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 66
5.12 Toetsing Besluit m.e.r./m.e.r.-beoordeling 5.12.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
5.12.2 Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de wijziging van het omgevingsplan. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 67
5.12.3 Project-mer-beoordeling Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1°. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2°. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
5.12.4 Onderzoek Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. Het betreft een kleine woningbouwontwikkeling. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venray en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau waar, na sloop van de bestaande bebouwing waar voorheen een garagebedrijf was gevestigd en op basis van het vigerende omgevingsplan nog een bedrijfsfunctie heeft, het beperkt aantal van 6 woningen wordt gerealiseerd. Op grond hiervan, en van het gestelde in hoofdstuk 5 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen.
5.12.5 Conclusie Uit het bovenstaande is gebleken dat er geen mer-(beoordelings)plicht geldt voor onderhavig project.
5.13 Onontplofte oorlogsresten Doordat er op het grondgebied van Venray in de periode 1944-1945 vele oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden bestaat er een risico dat in de grond onontplofte oorlogsresten aanwezig zijn. Dergelijke explosieven zijn een gevaar voor de omgeving en vormen een risicobron wanneer de grond verstoord wordt (bv door graaf- en bouwactiviteiten).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 68
Bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar onontplofte oorlogsresten. Met behulp van het explosievenonderzoek wordt de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek is verplicht in het kader van de Arbowetgeving. In het kader van de planologische procedure is een detectieonderzoek juridisch niet afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 69
Hoofdstuk 6 BEPERKINGENGEBIEDEN 6.1
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings-) zones. Het plangebied is niet gelegen binnen een beperkingengebied.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 70
Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 7.1
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In hoofdstuk 4 Beleid, hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten en hoofdstuk 6 beperkingengebied is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. In paragraaf 7.2 wordt beschreven op welke wijze het TAMomgevingsplan is opgesteld.
7.1.1
Conclusie beleid
Het toevoegen van zes woningen op de voormalige bedrijfslocatie van de WeJeBe-garage aan de Oude Heerweg 23 te Blitterswijck , voldoet aan de voorwaarde dat er bij voorkeur gebouwd moet worden binnen bestaand bebouwd gebied. Dit is passend binnen het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Daarmee is het toevoegen van woningen op deze herontwikkelingslocatie een wenselijke ontwikkeling.
7.1.2
Conclusie omgevingsaspecten
De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.
7.2
Wijzigen omgevingsplan
7.2.1
Inleiding
Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAMomgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' format. De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in: Inleidende bepalingen; Functies en activiteiten; Beschermen van waarden; Algemene regels; Overgangsregels.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 71
7.2.2
Opzet regels
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM’s) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM’s is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.
Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Oude Heerweg 23, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM25015-VA01, zoals vastgesteld op <.....>. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 7.2.2.1
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 7.2.2.1.1 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1 en 2 (aanvullende) Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. artikel 4 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. artikel 5 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 72
artikel 6 Zorgplicht: Dit artikel geeft aan dat een ieder bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan moet zorgdragen voor de fysieke leefomgeving en nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving moet voorkomen.
7.2.2.1.2 Functies en activiteiten In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe het bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan en welk gebruik van gronden en bouwwerken mogelijk is. De regels, behorende bij de verschillende in het plan voorkomende functies, zijn opgebouwd, volgens een vast stramien. Elk artikel is opgebouwd volgens de onderstaande standaardindeling: Toepassingsbereik; Functieomschrijving; Beoordelingsregels; Nadere eisen; Omgevingsplanactiviteit afwijken beoordelingsregels; Specifieke functieregels; Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden. Één en ander uiteraard voor zover in dit specifieke plan van toepassing. In paragraaf 6.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze toedeling is gekozen. 7.2.2.1.3 Beschermen van waarden In hoofdstuk 3 zijn de regels opgenomen die specifieke waarden die concrete functiegebieden overstijgen binnen het plangebied beschermen. In casu gata het dan om de specifieke archeologische waarden. 7.2.2.1.4 Algemene bepalingen Hoofdstuk 4 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: artikel 11 Anti-dubbeltelregeling: Een anti-dubbeltelregeling is op zichzelf binnen het stelsel van de Omgevingswet in het Omgevingsplan niet langer verplicht, maar mag wel opgenomen worden. Er is gekozen om deze regeling te handhaven. De anti-dubbeltelbepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het Omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. artikel 12 Algemene beoordelingsregels: Dit artikel bevat regels ten aanzien van het bouwen van ondergrondse bouwwerken en de verplichting tot het voorzien in voldoende waterberging in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. artikel 13 Algemeen gebruiksverbod: In dit artikel is het principe vastgelegd dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. artikel 14 Algemene afwijkingsregels: Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte afwijkingen ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden. Voor deze afwijkingen geldt een omgevingsvergunningplicht.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 73
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels: Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van de spuitvrije zone en de reconstructiewetzone - verwevingsgebied. Artikel 16: Algemene procedureregels: Dit artikel regelt de procedure ingeval van het opleggen van nadere eisen. Artikel 17: Overige regels: Dit restartikel bevat een regeling inzake het peilmoment voor regelgeving en de verhouding tussen de regels voor functies, activiteiten en (gebieds)waarden.
7.2.2.1.5 Overgangsbepalingen In hoofdstuk 5 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 18 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het TAM omgevingsplan. 7.2.2.2
Nadere toelichting op de regels
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Binnen STOP-TPOD (de technische werkwijze voor omgevingsplannen) wordt aan regels uit het omgevingsplan zoveel mogelijk een werkingsgebied toegekend. In dit TAM-omgevingsplan is dit uitgangspunt waar mogelijk aangehouden. Agrarisch: deze functie is overgenomen uit het voorgaande omgevingsplan Blitterswijck met als doel om deze functie zoveel mogelijk intact te laten, met dien verstande dat over deze gronden een spuitvrije zone is gelegd ter bescherming van het goede woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen Wonen: bestemd voor wonen in een woning en aan huis verbonden beroepen Waarde - Archeologie 2 en 4: mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
Specifieke gebiedswaarden worden in dit TAM-omgevingsplan toegekend aan gebieden waar hoge en middelhoge archeologische verwachtingen voor gelden, namelijk via de planregels voor de gebieden ‘Waarde Archeologie 2’ en ‘Waarde- Archeologie 4’. Voor alle planregels die in dit TAM-omgevingsplan zijn opgenomen geldt dat verwijzingen naar artikelen betekent de verwijzing naar een artikel uit dit TAM-omgevingsplan, tenzij expliciet is aangegeven dat het een artikel in het omgevingsplan van de gemeente Venray betreft. Verwijzingen in de planregels naar paragrafen betekent paragrafen in het omgevingsplan van de gemeente Venray.
7.3
Toepassing en handhaving van het plan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een omgevingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het omgevingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om al tijdens het opstellen van een omgevingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 74
Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het omgevingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het omgevingsplan is immers aan een ieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in de planlocatie op de hoogte (kunnen) zijn van de regels. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van de planlocatie. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het omgevingsplan is echter wel wenselijk. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in de planlocatie. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
Het bevoegd gezag is belast met de handhaving van de regels in dit TAM-omgevingsplan. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieuovertredingen.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 75
Hoofdstuk 8 UITVOERBAARHEID 8.1
Economische uitvoerbaarheid
8.1.1
Financieel economische haalbaarheid
De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De te ontwikkelen locatie is in eigendom van initiatiefnemer en is niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Met de eigenaren van omliggende agrarische gronden zijn afspraken gemaakt ten aanzien van het opnemen van de 'overige zone spuitvrije zone', waardoor de gebruiksmogelijkheden van bestreffende percelen wordt beperkt.
8.1.2
Kostenverhaal
Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt in het concrete geval plaats door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Het bevoegd gezag zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten over verhaal van de plankosten. In deze overeenkomst zal een realisatietermijn van 3 jaar worden opgenomen.
8.1.3
Nadeelcompensatie
Als er een gewijzigd omgevingsplan wordt vastgesteld en als op grond daarvan schade wordt veroorzaakt, dan is titel 4.5 Awb van toepassing. Het bevoegd gezag maakt met initiatiefnemer afspraken tot verhaal van de kosten aan nadeelcompensatie welke rechtstreeks te herleiden zijn tot het gewijzigde omgevingsplan; deze afspraken maken onderdeel uit van de anterieure overeenkomst.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.2.1
Participatie
Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen. Dus zowel voor: • de van rijkswege aangewezen vergunningplichtige activiteiten; en voor • de decentraal aangewezen vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteitvergunningen).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 76
Participatie bij de totstandkoming van een wijziging van het Omgevingsplan is niet langer vrijblijvend, doch verplicht onder de Omgevingswet. Artikel 10.2 Ob bepaalt dat bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, bedoeld in artikel 16.29 Ow, wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn en wat de resultaten daarvan zijn. Indien de gemeente over een participatieverordening beschikt dient bij het vaststellen van een omgevingsplan te worden aangegeven in hoeverre aan de beleidsregels over het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen is voldaan. Participatie in het kader van onderhavig initiatief is door de initiatiefnemer in april 2025 uitgevoerd. De eigenaren/bewoners van de Oude Heerweg huisnummers 21, 22, 24, 26, 28 en 30 en van Beeteweg huisnummers 2, 4, 5, 6 en 7 waren uitgenodigd. Van deze genodigden waren 7 adressen vertegenwoordigd bij de informatieavond en 2 adressen waren eerder individueel benaderd in verban met het feit dat hun gronden betrokken zouden worden bij het plangebied.
De omwonenden zijn overwegend positief over de door hun verwachte ontwikkeling, al ziet men in de bouwfase wel enkele uitdagingen. Betreffende deze uitdagingen heeft initiatiefnemer toegezegd om één op één met betrokkenen hiervoor oplossingen te vinden. Het verslag van deze participatie is ter hand gesteld aan het bevoegd gezag en als Bijlage 9 toegevoegd aan deze motivering.
8.2.2
Bestuurlijk vooroverleg
Gedeputeerde Staten van Limburg, het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Limburg- Noord hebben het voorontwerp van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck met alle bijbehorende planstukken ontvangen, zodat er een toetsing van het plan aan provinciale belangen heeft kunnen plaatsvinden. Bij schrijven van 5 augustus 2025 hebben Gedeputeerde Staten zich akkoord verklaard met deze planontwikkeling met dien verstande dat het advies voortvloeiende uit het ecologisch onderzoek opgevolgd dient te worden. Het plan leidt niet tot strijdigheid met provinciale belangen. De provinciale reactie is als Bijlage 10 bij deze motivering gevoegd. Bij schrijven van 17 juli 2025 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord zich akkoord verklaard met de planontwikkeling, met het advies om, indien er zaken als zonnepanelen, EOS of andere alternatieve en energiebronnen worden toegepast in de uitvoering van het project, dan in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg te treden met de VRLN om nadere eisen/uitgangspunten te bespreken. De reactie is als Bijlage 11 bij deze motivering gevoegd. Per e-mailbericht van 31 juli 2025 heeft het Waterschap Limburg te kennen gegeven akkoord te zijn met het plan. De reactie is als Bijlage 12 bij deze motivering gevoegd.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 77
8.2.3
Vaststellingsprocedure
De gemeente geeft in het gemeenteblad via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB) kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen. In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken (participatie). De wijziging van het omgevingsplan maakt direct ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het milieueffectrapport stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid daarover te adviseren. De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan in het gemeenteblad via de LVBB. Het milieueffectrapport maakt onderdeel van het ontwerpomgevingsplan. Beide worden tegelijkertijd ter kennisgeving gepubliceerd. Het ontwerp-omgevingsplan, het milieueffectrapport en de overige bijbehorende stukken hebben met ingang van 5 december 2025 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van inzage zijn er geen zienswijzen ingebracht. De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Bij de vaststelling wordt aangegeven welke rol publieksparticipatie heeft gespeeld. Het besluit wordt wederom bekendgemaakt door publicatie in het gemeenteblad via de LVBB.
Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van het milieueffectrapport en de bijbehorende stukken. Er wordt hier ook vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan, bezwaar en beroep mogelijk zijn (artikelen 3:43 tot en met 3:45 Awb). Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. Er kan ook een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan worden opgenomen (artikel 16.78, eerste lid, Ow).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |