Motivering
Tekst van het document
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 33
Een duurzame Venrayse samenleving, die: minder CO2-uitstoot: in 2030 met 60% vergeleken met 1990; volledig energieneutraal is in 2050; de klimaatadaptatie onder controle heeft in 2035; de circulaire werkwijze als vanzelfsprekend uitgangspunt ziet in 2035. 4. Wonen en zorg al onze inwoners die zelfstandig willen wonen en een zorgvraag hebben, kunnen in Venray blijven wonen, zoveel mogelijk in eigen wijk of kern; mensen die de stap van een instelling naar zelfstandig wonen kunnen maken, willen we hiervoor kansen bieden met passende ondersteuning; we realiseren een breder palet van woonvormen voor onze inwoners, met veel variatie tussen gewoon zelfstandig wonen en intramuraal wonen en de daarbij passende zorg. 5. Vitale wijken en kernen Centrum: voorkomen leegstand, nadruk op wonen aan de randen van het centrum, kansen voor starters en ouderen; Woongebieden: streven naar vitale wijken en kernen met voldoende groen, ruimte voor ontmoeting en passende woningen voor jong en oud; Werkgebieden: goede milieuzonering, nieuwe woonfuncties eventueel aan de randen; Natuurgebieden: geen ruimte voor nieuwe woonfuncties, gebieden dragen bij aan positieve gezondheid inwoners; Agrarische gebieden: terughoudend met nieuwe woningen, alleen in kernrandzone en bestaande woonclusters, met nieuwe woonvormen.
Planspecifiek: Onderhavig plan waarin in het woongebied Blitterswijck zesduurzame woningen worden gerealiseerd (waarvan 3 levensloopbestendig) , waarbij gebruik wordt gemaakt van een herstructurerings- /inbreidingslocatie, past geheel in de doelstellingen van het nieuwe Omgevingsprogramma Wonen. Binnen het plangebied zal met de erfbeplanting binnen de nieuwe woonkavels een passende invulling van deze percelen worden bereikt.
4.5.4
Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling
De Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 is vastgesteld op 20 december 2011 en op 1 januari 2012 in werking getreden. Het in deze structuurvisie vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten. Het ruimtelijk beleid is vastgelegd in diverse ruimtelijke visies en omgevingsplannen. Deze zijn maatgevend voor waar welke ontwikkelingen worden toegestaan. In dit beleid en deze regelgeving wordt ook ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en maatregelen die kunnen worden genomen. Sommige maatregelen worden niet via een bijdrage voor de ruimtelijke ontwikkeling geregeld. Planspecifiek:
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 34
Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage in het stedelijk gebied wordt aangesloten bij de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zoals vastgelegd in de Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011. Deze bijdrage bestaat uit € 2.500,- per kavel. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds stedelijk gebied.
4.5.5
Energiestrategie 2030
In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: 'Energie voor groene groei' vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e Uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld. Met de Energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven, huishoudens, instellingen etc. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen.
Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: Gebouwen hebben de laagste energievraag Gebouwen worden energiecentrales Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van eigen energievraag Planspecifiek: In paragraaf 3.4 is reeds aan de orde gekomen hoe duurzaamheidsmaatregelen in onderhavig plan voor de realisatie van de nieuwe woningen voorzien zijn.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 35
4.5.6
Conclusie
Uit het bovenstaande, met verdere verwijzing naar de toets aan het omgevingsplan zoals opgenomen in paragraaf 1.3 van deze motivering, blijkt dat de voorgenomen activiteit niet strijdig is met de doelstellingen en het planologisch beleid van de gemeente Venray.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 36
Hoofdstuk 5 OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
5.1
Beschermen van de gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 5.1.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ook de aanwezigheid van geitenhouderijen, endotoxinen en spuitzones hebben effect op de gezonde fysieke leefomgeving. Deze aspecten zullen in onderhavige paragraaf aan de orde komen. Tevens zal hierin worden vermeld welke gezondheidseffecten vanuit het project zelf te verwachten zijn.
5.1.2
Geiten
Het aantal geiten is in Limburg is toegenomen van ca. 46.000 in 2016 naar 61.000 dieren in 2018. In 2018 gaat het daarbij om 44.000 melkgeiten (72%). Het aantal gespecialiseerd melkgeitenhouderijen nam toe van 22 in 2016 naar 25 in 2018. Ook Venray en omgeving herbergt gespecialiseerde geitenhouderijen. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 1,5 - 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 37
De provincie Limburg heeft gelet op die gezondheidseffecten in mei 2019 een voorbereidingsbesluit genomen op basis waarvan het verboden is om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het direct aan de inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit voorafgaande aanwezige aantal geiten binnen een inrichting. Dit verbod is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan tien geiten zullen worden gehouden. Planspecifiek: De projectie van woningen op onderhavige locatie is een functie welke effecten kan ondervinden van in de omgeving gelegen geitenhouderijen. De meest nabijgelegen geitenhouderij ligt aan de Losbaan 44 te Grubbenvorst, op een afstand van ruim 9 km ten zuiden van de Oude Heerweg 23. Deze afstand is, refererend aan de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden, dus groot genoeg om ervoor te zorgen dat de nieuwe bewoners geen gezondheidsrisico's zullen ondervinden.
5.1.3
Endotoxinen
De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van ruimtelijke ordening en milieu. Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven, komen de endotoxinen vrij. De endotoxinen binden zich aan bacterieresten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. Ze kunnen zich gemakkelijk in de omgeving verspreiden. Het inademen van endotoxinen kan leiden tot ontstekingsreacties en luchtwegaandoeningen. Maar endotoxinen kunnen ook beschermende effecten hebben, bijvoorbeeld minder allergie. De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ (2018) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. Het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) hebben de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Uit bijlage N: 'figuren overschrijdingsafstanden uit modelberekeningen' behorende bij het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering’ van WUR (2016) (endotoxinerapport) valt af te lezen dat in de regio Noord-Limburg op een afstand van meer dan 550 meter gemeten vanuit welke intensieve veehouderijtak dan ook, geen overschrijding van de norm voor endotoxinen plaatsvindt. In 2019 is een 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden'-deelstudie uitgevoerd in een nieuw gebied (Gelderland, Utrecht en Overijssel). In dit onderzoek was de specifieke relatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking niet zichtbaar. Wel zagen de onderzoekers relatief grote verhogingen van het aantal longontstekingen in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderijen. Vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof blijven mogelijke gezondheidseffecten in regio’s met veel pluimveehouderijen in vervolgonderzoek een punt van aandacht.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 38
Ook de GGD geeft informatie over 'Opgroeien in gezonde lucht', en dan meer specifiek over wonen nabij veehouderijen. Hierin is het advies opgenomen om minimaal 250 meter afstand te houden van een groot veehouderijbedrijf. Deze 'richtafstand' is bepaald kijkend naar allerlei factoren die de gezondheid kunnen beïnvloeden. Bij een grotere afstand dan 250 meter wordt niet automatisch voldaan de diverse milieuhygiënische normen; dit moet per situatie beschouwd worden. Locatiespecifiek: De nieuwe woonfunctie is gevoelig voor de invloed van endotoxinen. De meest nabijgelegen intensieve veehouderij bevindt zich aan de Antoniusstraat 24 te Blitterswijck en ligt op een afstand van circa 460 m ten noorden van het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de afstand uit het GGD-advies. Feitelijk is er op locatie Antoniusstraat sprake van een kleinschalige niet intensieve veehouderijlocatie. Dat is duidelijk gunstig aangezien de GGD bij de afstandsbepaling uitgaat van een groot veehouderijbedrijf. De locatie maakt onderdeel uit van het oude bestemmingsplan van Meerlo-Wanssum. Het is een kleinschalig bedrijf, van oorsprong een vleeskalverenbedrijf. Inmiddels is het bedrijfs verkocht. De vigerende milieuvergunning dateert uit 2006 voor het houden van 732 kalveren (en een aantal paarden) op Antoniusstraat 24.
Op de geurkaarten uit 2022 van de gemeente Venray is te zien dat de woningbouwlocatie ruim buiten de contour van 3 Ou valt. De nieuwbouw van een stal aan de Antoniusstraat 24 kan nooit richting het woongebied van Blitterswijck gesitueerd worden vanwege overschrijding van de geurnormen op de dichtbijzijnde woningen aan Antoniusstraat. De geurcontour zal bij mogelijke toekomstige nieuwbouw van de stallen nog verder van de woningbouw komen te liggen. Op de nieuwe geurkaarten ligt de contour nog verder weg van de woningbouwlocatie. Gelet het feit dat hier sprake is van een rundveebedrijf, de kleinschaligheid locatie én de afstand is het onwaarschijnlijk dat er een belemmering is en derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.1.4
Zoönose
Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet raken? via voedsel of water of lucht, en via direct contact met besmette dieren of besmet dierlijk materiaal zoals mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 39
Hoe groot de afstand moet zijn tussen veehouderijen en woningen om zoönosen bij omwonenden te voorkomen te kunnen spreken van een veilige afstand, is op dit moment niet te bepalen. Dit komt door het gebrek aan betrouwbare informatie over de risico’s voor omwonenden en de verschillen in lokale omstandigheden zoals de gehouden diersoorten, het type huizen en het soort zoönose. Wel zijn er onderzoeken gedaan op basis waarvan een afstandsadvies tussen bedrijven onderling kan worden gegeven om besmetting tussen bedrijven te voorkomen. Deze onderzoeken zijn niet specifiek gericht op ziekteverwekkers. In sommige gevallen zijn ziekteverwekkers wel onderzocht, maar dan alleen die ziekteverwekkers waar dieren ook (erg) ziek van worden. Deze onderzoeken waren specifiek gericht op de verspreiding ervan tussen bedrijven met dieren die (zeer) gevoelig zijn voor bepaalde ziekteverwekkers. Wel is bekend dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep (meebrengen van infectieziekten via overgebrachte dieren) en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden.
Aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, is een bij de vaststelling van een omgevingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter primair zijn regeling in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Uit de studies Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. De provincie Limburg heeft in de Omgevingsvisie Limburg gekozen voor het voorlopig handhaven de bestaande geitenstop, waartoe in 2019 een voorbereidingsbesluit was genomen, op basis waarvan het verboden was om het direct aan de inwerkingtreding van dat voorbereidingsbesluit voorafgaande bestaande gebruik van bouwwerken of gronden binnen het gehele grondgebied van de provincie Limburg te wijzigen in gebruik ten behoeve van het houden van geiten. Onder wijzigen wordt ook verstaan een uitbreiding van het aanwezige aantal geiten binnen een inrichting.
Locatiespecifiek: In een straal van circa 9 km rondom de nieuw te realiseren woningen bevinden zich geen geitenhouderijen.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 40
5.1.5
Spuitzones
Aan de zuidzijde van het plangebied zijn agrarische percelen van derden gesitueerd, die agrarisch (mogen) worden gebruikt voor het telen van gewassen. Akkerbouwgewassen en ook containerteelten worden beschermd door middel van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het toebrengen van deze middelen kan de spuitvloeistof ten gevolge van luchtstroming verplaatst worden naar omliggende percelen. Dit wordt 'drift' genoemd. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).
Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting in de regio is zuid-west, zoals uit onderstaande gegevens van het KNMI blijkt:
Bron Klimaatviewer KNMI
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 41
Binnen het plangebied zullen zes woningen worden gerealiseerd. Een woning is een gevoelig object waardoor bij de situering van de woning en inrichting van het perceel rekening dient te worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de omgeving gelegen agrarische percelen. Om te voorkomen dat gewasbeschermingsmiddelen tot over het plangebied zullen reiken, zullen de agrarische gronden welke zijn gelegen in een straal van 50 m rondom de nieuwe functie Wonen, in onderhavige omgevingsplanwijziging meegenomen worden en zullen de aanduiding 'milieuzone spuitvrije zone' krijgen. Omdat voor de gronden met de functie 'Agrarisch' het overgangsrecht zal worden uitgesloten, wordt daarmee voorkomen dat binnen een straal van 50 m rondom de woonpercelen spuitactiviteiten mogen plaatsvinden. Betreffende grondeigenaren hebben aan initiatiefnemer en het bevoegd gezag schriftelijk bevestigd dat er op deze delen van de percelen nu en in de toekomst geen gebruik gemaakt zal worden van gewasbeschermingsmiddelen. Op deze manier kan worden voldaan aan de regels met betrekking tot spuitzones en is er sprake van een goede en gezonde leefomgeving ter plaatse van de nieuwe woningen.
5.1.6
Gezondheidseffect project
Het enige negatieve gezondheidseffect van dit project is de hinder gerelateerd aan de bouw en het gebruik van de woningen. Hier staat tegenover dat de op basis van het vigerende omgevingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten geheel komen te vervallen en er een spuitvrije zone wordt gelegd op aangrenzende agrarische gronden waardoor omwonenden ook zijn gebaat en waardoor het negatieve gezondheidsaspect gerelateerd aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot het verleden behoort. Per saldo wegen de beperkte negatieve gezondheidseffecten niet op tegen de negatieve effecten die tot het verleden behoren, zodat onderhavig initiatief positieve effecten heeft op de gezondheid in de omgeving.
5.1.7
Conclusie
Het project leidt niet tot gezondheidsrisico's voor omliggende functies en andersom wordt de gevoelige functie binnen het project niet belemmerd door van buiten komende gezondheidsrisico's.
5.2
Geluid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 42
5.2.1 5.2.1.1
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Wettelijk kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. 5.2.1.2
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. Hierdoor zijn de gebouwen met een logiesfunctie of kantoren geen geluidgevoelig gebouw. Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook delen van een gebouw met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 3.21 lid 1 onder a Bkl).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 43
Overheden betrekken ook het geluid op gebouwen en locaties die het Rijk niet aanwijst als geluidgevoelig in hun afweging. Dat volgt uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 Omgevingswet). Een motivatie van de bescherming is in bepaalde concrete situaties nodig. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en meestal zijn specifieke regels niet nodig. 5.2.1.3
Onderzoek
Een woning is in artikel 3.21 Bkl aangewezen als geluidsgevoelige gebouw met daarin geluidsgevoelige ruimten, zodat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Op 8 oktober 2025 is door HMB een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is geconstateerd: 1. dat het geluid als gevolg van gemeentewegen op de kavels 1, 2 en 3 hoger is dan de standaardwaarde, maar wel voldoet aan de grenswaarde. Op grond van art. 5.78u uit het Bkl kan een omgevingsplan geluid tot aan de grenswaarde toelaten. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bkl daarvoor stelt; 2. dat het gezamenlijke geluid op de kavels 1, 2 en 3 hoger is dan 53 dB. In een later stadium kan daarom aanvullend onderzoek nodig zijn naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat voldaan kan worden aan de eisen aangaande de binnenwaarde. Aanvullend onderzoek is pas mogelijk op het moment dat een definitieve ontwerptekening beschikbaar is; 3. dat de nieuwe woonfuncties geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; 4. dat sprake blijft van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1.
5.2.2
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er geen sprake van een belemmering.
5.3
Kwaliteit van de buitenlucht
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
5.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 44
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden zijn opgenomen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) van het Bkl geeft het volgende aan: Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ug/m3 of minder als bedoeld in artikel 5.53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a.
gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m2; 2. twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. het telen van gewassen in kassen, bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. niet-verwarmde kassen; of 2. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f.
het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 1. witloftrek; of 2. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in artikel 3.295b van het Besluit
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 45
activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar. 5.3.2
Onderzoek
Het project voor de bouw van zes woningen is, in vergelijking met een project met 1500 woningen dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, dermate gering van omvang en impact dat ook dit project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De woningen zijn echter ook objecten die moeten voldoen aan het blootstellingscriterium. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Voor de concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 is gebruik gemaakt van de concentraties uit de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. De concentraties NO2 en PM10 bedragen minder dan 10 respectievelijk 15 microgram/m3 en de concentratie PM2,5 bedraagt minder dan 10 microgram/m3. Hieruit blijkt dat de concentraties voor de verschillende stoffen een goede luchtkwaliteit tot gevolg hebben en er dus sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.
5.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen sprake van een belemmering.
5.4
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
5.4.1
Wettelijk kader
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, waarin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming, vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 46
Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden 5.4.2
Onderzoek
De gemeente moet in een omgevingsplan en omgevingsvergunning rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gebouwen met een woonfunctie zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen (artikel 5.91 Bkl). Paragraaf 22.3.6 van het Omgevingsplan Venray bepaalt dat de waarde voor geur ouE/m3 als 98percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet meer mag bedragen dan:
Voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactor geldt altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. In de ruime omgeving van het plangebied bevindt zich één actieve veehouderij. De geurhindercontouren van deze omliggende veehouderijen in relatie tot onderhavig plangebied zijn op onderstaande afbeelding in kaart gebracht:
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 47
Figuur: geurcontouren ten opzichte van plangebied
Door de toevoeging van zes woningen zullen omliggende bedrijven niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering omdat er op kortere afstand van die bedrijven reeds geurgevoelige objecten (burgerwoningen) zijn gelegen. Verder volgt uit bovenstaande afbeelding dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.
5.4.3
Conclusie
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat dit project geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling van veehouderijbedrijven en dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is geen sprake van een belemmering dus het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
5.5
Bodemkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
5.5.1
Wettelijk kader
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 48
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
5.5.2
Onderzoek
In verband met het realiseren van een nieuwe woning dient aan de hand van een verkennend bodemonderzoek te worden onderzocht of de kwateit van de bodem geschikt is voor de nieuwe woonfunctie. Hiertoe is op 7 juli 2025 een onderzoek verricht door HMB. Hieruit is het volgende gebleken: 'Voormalige bedrijfsactiviteiten (deellocatie A) Ter plaatse van deellocatie A zijn in de bovengrond verhoogde gehalten zink, minerale olie en PCB aangetoond boven de normwaarden 'landbouw/natuur'. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk het gevolg van het decennialange gebruik van de locatie voor menselijke (bedrijfs)activiteiten. In het grondwater is een verhoogd gehalte zink boven de streefwaarde aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten zware metalen (waaronder zink) in het grondwater is in de regio een bekend verschijnsel. Het gehalte zink wordt derhalve toegeschreven als van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Olie-/waterafscheider (deellocatie C) Ter plaatse van de olie-/waterafscheider zijn verhoogde gehalten kobalt, zink en PCB aangetoond boven de normwaarden 'landbouw/natuur'. In het grondwater is een verhoogd gehalte tetrachlooretheen boven de streefwaarde aangetoond.
De verhoogde gehalten in zowel de grond als het grondwater zijn vermoedelijk het gevolg van het decennialange gebruik van de locatie voor menselijke (bedrijfs)activiteiten. Voormalige bovengrondse tank (deellocatie D) Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank (deellocatie D) is een sterke verontreiniging aangetoond met minerale olie. De omvang van de sterke verontreiniging is niet geheel bekend. Echter, de sterke verontreiniging lijkt zich te beperken tot een diepte van 0,7 m-mv. Vermoedelijk is de sterke verontreiniging het gevolg van de voormalige bovengrondse tank die op de locatie heeft gestaan tot circa 2024.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 49
Druppelzone asbestverdachte dakbedekking (deellocatie E) Ter plaatse van deellocatie E is een verhoogd gehalte PCB aangetoond boven de normwaarde 'landbouw/natuur'. Tevens is er asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens. Het gehalte asbest blijft onder de geldende normen (grenswaarde en interventiewaarde). De verhoogde gehalten asbest en PCB kunnen vermoedelijk worden toegeschreven aan decennialange blootstelling van de bodem aan hemelwater dat van de asbesthoudende dakbedekking is afgedruppeld. Resumé De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt, met uitzondering van de sterke verontreiniging met minerale olie ter plaatse van deellocatie D, geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Indien grond ontgraven en/of afgevoerd dient te worden dan dienen de te verwachten verschillende kwaliteiten grond gescheiden ontgraven en, indien nodig, gescheiden opgeslagen en/of afgevoerd te worden. Aanbevelingen De omvang en ernst van de sterke verontreiniging met minerale olie is niet in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven aanleiding om nader bodemonderzoek naar de verontreiniging met minerale olie te adviseren. Het onderzoek is, voor zover van toepassing, onder certificaat (KWALIBO) uitgevoerd, maar een bodemonderzoek is geen partijkeuring.
Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van een af te voeren partij grond verlangd worden. Bij afvoer van grond van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten.' Het verkennend bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze motivering. Op 9 september 2025 heeft voor deellocatie D een vervolgonderzoek plaatsgevonden. Uit het onderzoek (Bijlage 3) blijkt het volgende: 'Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek zijn de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning en de resultaten van een verkennend bodemonderzoek (HMB B.V., kenmerk: 25244102A, 7 juli 2025). Uit de resultaten blijkt dat de grond ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank sterk verontreinigd is met minerale olie en matig verontreinigd is met xylenen. Tijdens het veldwerk is echter in het bijgebouw, gelegen ten zuiden van het bedrijfspand, nog een opslag van olieproducten aangetroffen. Deze opslag was ten tijde van het verkennend bodemonderzoek niet bekend en dus niet eerder onderzocht op eventuele bodemverontreiniging. De olieproducten zijn opgeslagen boven een lekbak, geplaatst op een tegelverharding. Op basis van de visuele waarnemingen – waaronder donkere verkleuringen van de tegels – bestaat het vermoeden dat er in de loop der jaren gemorst is op deze locatie.
Om deze reden is besloten om de betreffende opslaglocatie gelijktijdig met het nader bodemonderzoek in het onderzoek te betrekken. Conclusie nader bodemonderzoek
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 50
De (sterke) verontreiniging met minerale olie is waarschijnlijk veroorzaakt door de voormalige bovengrondse brandstoftank, die in 2024 van het terrein is verwijderd. De verontreiniging is derhalve ontstaan na 1987 en vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor dergelijke verontreinigingen geldt de zogenoemde 'zorgplicht voor de bodem' welke in de Wet Bodembescherming (artikel 13) is vastgelegd. Op grond van deze zorgplicht is er een wettelijke verplichting tot het saneren van de vastgestelde verontreiniging. Uit de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de verontreiniging in de grond aangetoond wordt over een oppervlakte van circa 13 m2. Verticaal wordt de sterke tot lichte verontreiniging aangetoond in het traject van 0,0 – 1,5 m-mv. De omvang van de grondverontreiniging (gehalten>normwaarde landbouw/natuur) bedraagt naar schatting circa 15 m³. Van de betreffende verontreiniging is circa 2 m³ sterk verontreinigd (gehalten>interventiewaarden) met minerale olie en matig verontreinigd met xylenen (gehalten > matig verontreinigd). De verontreiniging met minerale olie (en vluchtige aromatische koolwaterstoffen) ter plaatse van de voormalige bovengrondse brandstoftank vormt, gelet op de zorgplicht, een directe belemmering of beperking voor het gebruik van de locatie (wonen) en de voorgenomen vergunningsaanvraag.
Conclusie verkennend bodemonderzoek (opslag olieproducten) Ter plaatse van de opslag van olieproducten is in het traject van 0,1 tot 0,3 m-mv een matige verontreiniging met minerale olie vastgesteld (gehalten > matig verontreinigd). De verhoogde gehalten zijn vermoedelijk te relateren aan de waargenomen olie-waterreacties c.q. de opslag/morsen van de oliehoudende producten. Ook deze verontreiniging is vermoedelijk ontstaan na 1987 en vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor dergelijke verontreinigingen geldt de zogenoemde 'zorgplicht voor de bodem' welke in de Wet Bodembescherming (artikel 13) is vastgelegd. Op grond van deze zorgplicht is er een wettelijke verplichting tot het saneren van de vastgestelde verontreiniging. Uit de resultaten van het uitgevoerde aanvullend bodemonderzoek blijkt dat de verontreiniging in de grond bij de olieopslag aangetoond wordt over een oppervlakte van circa 4 m2. Verticaal wordt de verontreiniging aangetoond in het traject van 0,0 – 1,0 m-mv. De omvang van de grondverontreiniging (gehalten> matig verontreinigd) bedraagt naar schatting circa 4 m³. Hierbij wordt opgemerkt dat de verontreiniging verticaal niet geheel is afgeperkt.
De verontreiniging met minerale olie (en vluchtige aromatische koolwaterstoffen) ter plaatse van de olieopslag vormt, gelet op de zorgplicht, een directe belemmering of beperking voor het gebruik van de locatie (wonen) en de voorgenomen vergunningsaanvraag. Aanbevelingen Op basis van het huidige onderzoek zijn de contouren van de twee verontreinigingsspots in voldoende mate in beeld. Een vervolgonderzoek wordt vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Voor nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen veroorzaakt tussen 1 januari 1987 (datum van inwerkingtreding van de Wbb) en 1 januari 2024 (inwerkingtreding van de Omgevingswet), geldt overgangsrecht. Voor deze situaties blijft de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming gelden. Daarmee dient de aangetoonde verontreiniging zoveel als mogelijk ongedaan te worden gemaakt.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 51
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding saneren te worden verricht. De sanering moet uitgevoerd en gecontroleerd worden door erkende bedrijven (BRL SIKB 6000 – protocol 6001 en BRL SIKB 7000 – protocol 7001). Met betrekking tot de veiligheid dient de CROW 400 in acht genomen te worden. Ten behoeve van de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden/een melding verricht te worden voor de sanering van de verontreinigde grond. In het plan van aanpak/de melding wordt een uitvoeringsmethode omschreven om de bodem op een zo efficiënt mogelijke wijze te saneren. Het saneringsplan dient goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag/de gemeente Venray.' Op 16 september 2025 is door HMB een plan van aanpak voor de bodemsanering opgesteld; dit plan is toegevoegd als Bijlage 4.
5.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er geen sprake van een belemmering, vanwege het feit dat voor de bodemsanering een voorwaarde toegevoegd is in artikel 8.3.2 onder l van de planregels. Sanering dient plaats te vinden voordat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd.
5.6
Parkeren en verkeer
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect parkeren en verkeer.
5.6.1
(Wettelijk) kader
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De activiteit dient getoetst te worden aan het gemeentelijk beleid. Op basis van de CROW-parkeernormen welke de gemeente Venray onverkort hanteert, kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Op deze wijze kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden.
5.6.2 5.6.2.1
Onderzoek Verkeer
De hoofdontsluiting van/door Blitterswijck bestaat uit de Oude Heerweg/Ooijenseweg (de doorgaande weg van Wanssum naar Broekhuizenvorst). Binnen de bebouwde kom is dit een gebiedsontsluitingsweg 30kmh (GOW-30). Zoals eerder gezegd wordt de ruimtelijke structuur van Blitterswijck grotendeels bepaald door de historische linten waaronder deze doorgaande weg en enkele erftoegangswegen. In de bebouwde kom van Blitterswijck geldt overal een maximum snelheid van 30 km/uur.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 52
Ook door de ligging van de Maas is de ruimtelijke structuur van Blitterswijck bepaald. De Maas maakt onderdeel uit van een groot netwerk van vaarwegen. De transportbewegingen die over deze rivier plaatsvinden hebben echter weinig tot geen invloed op het kerkdorp. In de omgeving van het plangebied is een openbaar vervoersmogelijkheid. Buslijn 298 doet Blitterswijck aan, met de verbinding van en naar Venray. De bushalte ligt op circa 100 meter loopafstand van het plangebied. Het plan leidt niet tot substantieel extra verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen zullen beperkt blijven tot bewoners- en bezoekersverkeer, gerelateerd aan zes woningen. Op basis van de CROW richtlijnen is de verkeersgeneratie per grondgebonden koopwoning 8; voor de zes woningen gaat het dus om in totaal 48 verkeersbewegingen. De huidige verkeersgeneratie in relatie tot de bedrijfsfunctie binnen het plangebied bedraagt ten minste 51 stuks, uitgaande van een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf. Het project heeft in het grote geheel geen wezenlijke consequenties voor de wegenstructuur en verkeersveiligheid; de nieuwe woningen zijn goed bereikbaar voor zowel bewoners en bezoekers alsook voor hulpdiensten.
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 53
5.6.2.2
Parkeren
De parkeernorm van de gemeente Venray ('Beleidsnota Parkeernormen Venray ' en het CROW) betreft voor grondgebonden woningen 2 parkeerplaatsen. Per woning zal ruimte voor 2 auto's op eigen terrein worden gereserveerd. Deze parkeerplaatsen zullen bij voorkeur naast elkaar worden gerealiseerd en qua maatvoeringen voldoen aan de eisen uit de beleidsnota (2,5 x 5 m per parkeerplaats). Op onderstaande schets is te zien dat elke woning 2 parkeerplaatsen op eigen erf heeft. Afhankelijk van de definitieve positionering van de woningen en bijbehorende bouwwerken zullen de parkeerplaatsen bij voorkeur naast elkaar worden gesitueerd, althans zodanig dat ze onafhankelijk van elkaar te gebruiken zijn. Bij twee woningen lukt dit naar verwachting niet, gezien de beschikbare ruimte. Het achter elkaar parkeren op eigen terrein is hier sowieso wel mogelijk. Vergelijkbaar met overige bestaande woningen in de straat. Daarbij is er nog voldoende capaciteit om in de Oude Heerweg te parkeren in openbaar gebied, op loopafstand. Dit leidt uiteindelijk voor dit minimaal aantal woningen niet tot een hoge parkeerdruk in de straat. Bij woning 3 is uiteindelijk nog de mogelijkheid om het bijgebouw iets dieper op het perceel te situeren. Zo ontstaat er meer ruimte om op het breder uitlopende deel twee auto's naast elkaar te situeren.
Situering parkeergelegenheid
Artikel 12.3.1 van de planregels waarborgt dat deze 2 parkeerplaatsen ook zullen worden gerealiseerd. | bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 54
5.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er geen sprake van een belemmering.
5.7
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, explosies, gifwolken en dergelijke. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. Het bevoegd gezag dient binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening te houden met het groepsrisico; indien sprake is van een verhoogd risico dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau.
5.7.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Aandachtsgebieden (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl) gelden van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). In het Bkl staan instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 55
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
5.7.2
Onderzoek
Volgens de omgevingsveiligheidskaart liggen in de directe omgeving van het plangebied géén risicovolle inrichtingen. Ook vindt er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen (al dan niet via leidingen) plaats. Het plangebied is niet gelegen binnen of in de omgeving van enige risicocontour of aandachtsgebied, zoals op onderstaande uitsnede uit de omgevingsveiligheidskaart is te zien.
Uitsnede omgevingsveiligheidskaart
Het plangebied ligt op meer dan 500 m buiten het gifwolkaandachtsgbied van de Maas. Bij schrijven van 17 juli 2025 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord zich akkoord verklaard met de planontwikkeling, met het advies om, indien er zaken als zonnepanelen, EOS of andere alternatieve en energiebronnen worden toegepast in de uitvoering van het project, dan in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg te treden met de VRLN om nadere eisen/uitganspunten te bespreken. De reactie is als Bijlage 11 bij deze motivering gevoegd.
5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er geen sprake van een belemmering.
5.8
Natuur
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 56
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.
5.8.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming die is opgegaan in de Omgevingswet. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
5.8.1.1
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. 5.8.1.1.1 Onderzoek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op de volgende afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van het NNN (groene vlakken).
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 57
Kaart natuurnetwerk Nederland
Tevens zijn de Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied in beeld gebracht:
Natura 2000-gebieden
| bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22s Oude Heerweg 23 Blitterswijck | status: ontwerp |
Pagina | 58
Het plangebied ligt tussen natura 2000-gebied Maasduinen en Boschhuizerbergen (op een afstand van circa 1,7 resp. 6 km). Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten. Er dient te worden aangetoond dat met het beoogde plan geen negatieve effecten worden voorzien op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk. De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan; tijdens de (sloop- en) aanlegfase zijn de emissies te relateren aan bouwverkeer, draaiuren van (niet elektrische) werktuigen en machines. De realisatie en het gebruik van de nieuwe woningen leidt tot extra stikstofdepositie. Uit de op 11 juni 2025 uitgevoerde aeriusberekening blijkt dat er geen sprake is van een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De aeriusberekening is bijgevoegd als Bijlage 5. In de volgende subparagraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna. 5.8.1.2