Met aanpassingen voor op overheid.nl definitief Verordening Sociaal Domein gemeente Venray 2026
Tekst van het document
Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk. 5. De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet, respijtzorg en voor Wmo-ondersteuning is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten. 6. Voor respijtzorg uitgevoerd door niet-professionele hulp bestaat ook een tegemoetkoming per kalendermaand zoals genoemd in het besluit nadere regels. 7. Het pgb is voldoende om hulp in te kunnen kopen die voldoet aan de kwaliteitseisen die staan in de wet, deze verordening en het Besluit nadere regels. En het is geschikt voor het doel waarvoor het pgb wordt toegekend. 8. De gemeente stelt in het besluit nadere regels de hoogte van het pgb vast op basis van de in dit artikel vermelde regels. Aanpassing van de lopende pgb-budgetten vindt, indien nodig, plaats door middel van een overgangsregeling. 8.3.4 Hoogte van het persoonsgebonden budget bestemd voor hulp-op-maat beschermd wonen 1. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen: a. wordt gebaseerd op de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, en; b.
bedraagt bij: • professionele en gediplomeerde hulp: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura; • gediplomeerde ZZP’ers (zelfstandig ondernemer zonder personeel), maximaal 90% van de goedkoopst passende voorziening in natura; • De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp voor hulp-op-maat beschermd wonen is gelijk aan het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het pgb wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten. 8.3.5 Aanvullende ondersteuning in uitzonderlijke gevallen bij beschermd wonen 1. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: a. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen en/of;
40
b. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen. 2. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen worden toegekend. 3. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 8.3.5 lid 1 van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief aantal te leveren uren voor beschermd wonen van 8 uur ondersteuning per week. 8.3.6 Verantwoording pgb 1. De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken. 2. Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die echt geleverd is. 8.3.7 Opschorten pgb De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als zij een sterk vermoeden heeft dat: a.
de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven, terwijl het geven van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het ontvangen van het pgb; c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt; d. de inwoner in een instelling verblijft als bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet; of als e. de inwoner een modulair pakket thuis of volledig pakket thuis ontvangt vanuit de Wet langdurige zorg. 8.4 Kostprijs [Jeugdwet, Wmo] De kostprijs van een product of dienst wordt als volgt bepaald: 6.6 voor hulp-op-maat in natura of voor een algemene voorziening uit deze verordening: door een aanbesteding, na het raadplegen van aanbieders of na overleg met de aanbieder; 6.7 voor een hulpmiddel wordt de kostprijs ook bepaald door de vraag of de inwoner dit product in bruikleen of eigendom krijgt. De kostprijs is inclusief de kosten van verzekeringen, beheer en onderhoud. 6.8 de kostprijs voor een woningaanpassing die in eigendom is verstrekt, is gelijk aan het bedrag van de offerte dat moet worden voldaan na afronding van de woningaanpassing.
6.9 de kostprijs voor een woningaanpassing die in bruikleen is verstrekt, is gelijk aan het aanschafbedrag, plaatsingskosten, verzekeringen, beheer en onderhoud; 6.10 voor hulp-op-maat in de vorm van een pgb wordt de kostprijs vastgesteld op basis van laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van zorg in natura voor Wmo en Jeugdwet. Het gaat om ondersteuning (wmo-ondersteuning en respijtzorg), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezinsen woonvormen. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van de voorziening bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk. 8.5 Bijdrage in de kosten [Wmo] 1. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een
41
product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor hulp bij het (zelfstandig) wonen in de vorm van beschermd wonen en opvang is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de inwoner en diens eventuele echtgenoot op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. Lid 1 geldt niet voor collectief taxivervoer Omnibuzz. Hiervoor stelt de gemeente de hoogte van de bijdrage vast. Deze eigen bijdrage wordt geïnd bij werkelijk gebruik en is per zone/kilometer(s). 3. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten van respijtzorg in de vorm van logeren vanuit ondersteuning mantelzorger, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp en als deze ingezet wordt door middel van hulp-op-maat. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van de periodieke bijdrage van de inwoner is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 4. Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Die verplichting geldt ook voor: a.
de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft toegewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek); en voor b. degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner, maar die niet zelf een ouder is. 5. De inwoner betaald een bijdrage in de kosten voor maatschappelijke opvang rekening houdend met artikel 3.20 uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 6. De opvanginstelling mag personen die verblijven in de acute opvang een redelijke vergoeding vragen voor verstrekte maaltijden. 7. De gemeente vraagt geen bijdrage voor: a. de onder lid 1 genoemde hulp-op-maat aan inwoners die gehuwd zijn of een gezamenlijke huishouding voeren en waarvan 1 van de partners de Aowleeftijd nog niet heeft bereikt; b. een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik en het onderhoud daarvan; c. sportvoorzieningen; d. ondersteuning bij verhuizing en inrichting van de nieuwe woonruimte; e. het gebruik van de winteropvang tijdens de duur van de winter- en/of kouderegeling. f. acute opvang gedurende de onderzoeksperiode. Tot een maximum van 2 weken. Als er verdiepend onderzoek nodig is kan het college deze termijn verlengen. 8. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten voor de maatschappelijke opvang, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp.
De inwoner betaalt de bijdrage [per maand] aan de gecontracteerde aanbieder voor Maatschappelijke Opvang, Moveoo of Leger des Heils. Moveoo of Leger des Heils stelt de hoogte van de bijdrage in de kosten voor hulp bij het (zelfstandig) wonen in de vorm van beschermd wonen en opvang vast. De hoogte is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de inwoner en diens eventuele echtgenoot op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
9 Afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de bijstandsuitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. De gemeente gaat
hierbij uit van een realistisch mensbeeld en neemt daarbij het gedrag en het doen-vermogen van de inwoner mee. Hieronder staan de hoofdregels die daarvoor gelden. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden:
42
Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom. Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft).
9.1 Hoe gaan we met elkaar om? [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb] 9.1.1 De rol van de gemeente 1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor haar probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met haar onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om haar probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker. c. De gemeente helpt de inwoner om haar probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De websites van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen. e. De gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de inwoner een bijstandsuitkering of voorziening aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn.
De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. h. De gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning. 2. De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: rechten en plichten; wat er van de inwoner wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om haar mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen. c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: de ernst van het gedrag; de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner; en
d.
is gericht op het veranderen van dit gedrag bij de inwoner.
De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen.
43
e.
De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier de inwoner het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
9.1.2 De rol van de inwoner De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van haar probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en haar sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden zij zelf heeft om haar probleem op te lossen. b. Als de gemeente hulp verleent, werkt de inwoner mee aan de oplossing van haar probleem. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2. De inwoner denkt mee en heeft inspraak in de manier waarop haar probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend. b. De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren. c. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in haar situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente. 1.
9.2 Het verlagen van een bijstandsuitkering 9.2.1 Wanneer wordt de bijstandsuitkering verlaagd? [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt een bijstandsuitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. 2. Als de gemeente besluit om de bijstandsuitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag dat tot het verlagen van de bijstandsuitkering heeft geleid; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. 3. Voordat een bijstandsuitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om haar mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek. 9.2.2 Afstemming verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente kan de verlaging op de bijstandsuitkering aanpassen als de gemeente daarvoor dringende redenen ziet. Dan wordt de inwoner op de hoogte gebracht. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering niet als: a. het gedrag de inwoner niet te verwijten is; b. er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld; c. door een gedraging al een weigering van de bijstandsuitkering op grond van de IOAZ of IOAW heeft plaatsgevonden.
9.2.3 Het besluit om de uitkering te verlagen De gemeente stuurt de inwoner een brief als de bijstandsuitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval: a. waarom de bijstandsuitkering wordt verlaagd; b. hoe hoog de verlaging is; c. wanneer de verlaging ingaat; d. hoe lang de verlaging duurt; en
44
e.
waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.
9.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt 1 maand of langer. Als de bijstandsuitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een bijstandsuitkering gaat ontvangen. 9.2.5 Berekening verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De bijstandsuitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de bijstandsuitkering die de inwoner in haar situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm, voor een inwoner in de leeftijd 18 tot en met 20 jaar gaat het ook om de aanvullende bijzondere bijstand. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt. 2. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast. 3. De verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand, indien de inwoner bijzondere bijstand ontvangt en het verwijtbare gedrag van de inwoner ziet op de bijzondere bijstand.
9.2.6 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen [PW, Awb] De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, 4e lid van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met (onbetaald) werk. De verlaging kan over maximaal 3 maanden worden uitgesmeerd, dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. 9.2.7 Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van i. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of ii. een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet; c. niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of d. alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen; De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. e.
Niet of niet voldoende de in artikel 56a, 2e lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting nakomt. Het gaat hierbij om meewerken aan het betalen van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering, gedurende een periode van 6 maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat. De gemeente verricht die betalingen uit de toegekende bijstand in naam van de inwoner. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden. 3. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner:
45
a.
4.
5.
niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; c. niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; d. door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt; e. niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of f. alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. niet voldoende probeert werk te vinden; b. aangeboden werk niet accepteert; c. door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of d. niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd. De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.
9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid [PW, Awb] 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die te weinig beseft dat zij zelf verantwoordelijk is voor haar eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner eerder, meer of langer uitkering nodig, dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer of eerder heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag). 2. De verlaging duurt een maand en is: a. 10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; b. 20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000; c. 50% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000; d. 100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000; e. 100% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. 3. De bijzondere bijstand kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 9.2.9 Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen) [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren.
De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht op deze personen en instanties. De bijstandsuitkering wordt een maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm bij fysiek geweld tegen deze personen. 9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen [PW, Awb] 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 9 (anders dan het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen zoals genoemd in artikel 18 Participatiewet), 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging duurt een maand en is:
46
a.
2.
10% van de uitkeringsnorm, als het gaat om de verplichting om op een bepaalde tijd en plaats te verschijnen voor een gesprek in het kader van de uitvoering van de wet; b. 20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk of een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; c. 50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand; d. 100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand. De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.
9.2.11 Samenloop van gedragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Een gedraging waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De bijstandsuitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd en indien nodig uitgesmeerd over meerdere maanden. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen. 3. Er wordt geen verlaging opgelegd, als voor het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen door 1 gedraging een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Bij het niet-nakomen van een of meerdere verplichtingen voor meerdere gedragingen wordt per gedraging een bestuurlijke boete of verlaging opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. 9.2.12 Herhaling (recidive) [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1. De duur van de verlaging wordt 2 maanden als de inwoner binnen 12 maanden na het eerste verlagingsbesluit zich opnieuw zo gedraagt, bij een verplichting anders dan artikel 18 lid 4 PW. 2. De verlaging bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een herhaalde gedraging op grond van artikel 18 PW lid 4 binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit. 3. Bij opnieuw een herhaalde verlaging op grond van artikel 18 PW binnen 12 maanden bedraagt de verlaging conform de PW 3 maanden 100% van de bijstandsnorm. 9.2.13 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ [IOAW, IOAZ] Er wordt geen verlaging opgelegd indien een gedraging al heeft geleid tot het tijdelijk of blijvend weigeren van een uitkering op grond van artikel 20 eerste lid IOAW of artikel 20 tweede lid IOAZ. 9.3 Handhaving in de Wet Inburgering 2021 9.3.1 Verplichtingen 1. De inburgeringsplichtige is verplicht om: a. na de oproep te verschijnen bij de brede intake en hieraan mee te werken; en b. de afspraken in het PIP na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het PVT. 2. De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.
47
1.
2.
3.
4. 5.
6.
1. 2. 3.
4.
5.
9.3.2 Handhaving verplichtingen bij de brede intake Wanneer de inburgeringsplichtige na de eerste oproep voor de brede intake niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de inburgeringsplichtige als zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de inburgeringsplichtige opnieuw uit om te verschijnen binnen 2 maanden. Wanneer de inburgeringsplichtige na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de inburgeringsplichtige een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeringsplichtige niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente haar de gelegenheid haar zienswijze binnen 2 weken per brief of digitaal duidelijk te maken. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de inburgeringsplichtige niets te verwijten valt.
De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021, als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. Als de gemeente al op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden. In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de inburgeringsplichtige opnieuw uit om binnen 2 weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de inburgeringsplichtige hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021 en de brede intake wordt dan voltooid zonder medewerking van de inburgeringsplichtige. 9.3.3 Handhaving tijdens het inburgeringstraject De gemeente legt een boete op als de inburgeringsplichtige de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. De gemeente legt de inburgeringsplichtige een boete op als zij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen.
De inburgeringsplichtige krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente haar de gelegenheid haar zienswijze binnen 2 weken per brief of digitaal kenbaar te maken. Mede op basis van het gesprek met de inburgeringsplichtige dan wel haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. De gemeente beoordeelt of er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid en stemt de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021. De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de inburgeringsplichtige niets te verwijten valt.
9.3.4 Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet Houdt een inburgeringsplichtige met een bijstandsuitkering (Participatiewet) zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, dan vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 9.2.1. De gemeente legt voor hetzelfde gedrag dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. 2. Houdt een inburgeringsplichtige met een bijstandsuitkering zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, dan legt de gemeente bij voorkeur een boete 1.
48
3.
4.
5.
op grond van de Wet inburgering 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor hetzelfde gedrag de bijstandsuitkering niet. Bij de keuze tussen i) handhaven op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en ii) handhaven op grond van de Wet inburgering 2021 via een boete, weegt de gemeente ook af wat het best bijdraagt aan het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. Wanneer gedrag leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de Wet inburgering 2021. In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de Wet inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.
9.3.5 Verrekening boete met bijstandsuitkering De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de Wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstandsuitkering. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4:93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5% van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag. 9.4 Terugvorderen uitkering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven. De gemeente volgt hierbij de regels van de wet en de gemeentelijke beleidsregels, welke te vinden zijn op www.overheid.nl. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. 2. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet. Dat is het bedrag dat de inwoner in ieder geval moet overhouden van zijn inkomen. 9.5 Beëindigen en terugvorderen voorziening 9.5.1 Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet] 1. De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven.
De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de voorziening, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; d. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of f. het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. 3. De gemeente kan een besluit om een pgb toe te kennen intrekken, als de inwoner het pgb niet binnen 3 maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij: a. de gemeente een langere termijn heeft bepaald; of
49
b.
de inwoner niet te verwijten is dat zij het pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.
9.5.2 Terugvordering en verrekening voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet] 1. De gemeente kan, behoudens de gevallen zoals bedoeld in artikel 9.4, de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan 1 van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.5.1. 2. Hulp-op-maat voorziening Wmo kan alleen worden teruggevorderd als die voorziening is ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. 3. De gemeente kan een vordering op de inwoner op grond van dit artikel, verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt op grond van 1 van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 9.6 Hoe controleert de gemeente of afspraken worden nagekomen? 9.6.1 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangt, recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente kan daarvoor onder andere gebruik maken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner; b.
waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. c. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. signalen en tips van organisaties of particulieren; e. andere onderzoeksmethoden. 2. Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. 3. Het college houden zich aan de regels die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen. 4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 9.6.2 Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente stelt alles in het werk om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor beleidsregels opgesteld. 9.6.3 Privacy bij controle op misbruik en oneigenlijk gebruik [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de inwoner het minst belastend is.
50
9.6.4 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor hulp-op-maat Wmo geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen. 9.7 Handhavingsplan en verantwoording De gemeente stelt een handhavingsplan op voor het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ en de te verwachten resultaten.
9.8 Aangifte Openbaar Ministerie Indien het benadelingsbedrag het bedrag, genoemd in de aanwijzing en richtlijn voor strafvordering in sociale zekerheidsmisbruik en oneigenlijk gebruik, overschrijdt wordt door of namens het college proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie.
10 Inwonerparticipatie Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een adviesraad is en staat de taak van deze raad beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor inwoners met een beperking. Voor dit hoofdstuk geldt in ieder geval de volgende kernwaarde: Gemeente Venray zet in op vitale inwoners en een sterke omgeving. 10.1 Inspraak van inwoners [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet] 1. De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; 2. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 3. De gemeente kan inwoners op verschillende manieren inspraak geven: a. via de Adviesraad sociaal domein b. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; c. door samen met inwoners een plan te ontwerpen; of d. op andere geschikte manieren. 4.
De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat. 10.2 Adviesraad sociaal domein [Jeugdwet, LLV, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente zet zich ervoor in dat er een Adviesraad sociaal domein is die betrokken wordt bij de vraagstukken in het sociaal domein De Adviesraad sociaal domein vormt een afspiegeling van de inwoners die kenmerkend zijn voor de Venrayse samenleving met een inhoudelijke kennis en een aantoonbaar netwerk binnen het sociaal domein. Het doel van de Adviesraad sociaal domein is het geven van advies over beleid van de gemeente bij de uitvoering van de genoemde wetten. 10.2.1 Samenstelling en werkwijze 1. De Adviesraad sociaal domein bestaat uit maximaal 12 personen.
51
2.De leden worden benoemd door het college voor 4 jaar. Leden kunnen 1 keer worden herbenoemd. De leden van de Adviesraad sociaal domein wijzen uit hun midden een voorzitter en een secretaris aan. 3.Inwoners kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. Inwoners kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert inwoners waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe zij onderwerpen kunnen aanmelden. 4.De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de Adviesraad sociaal domein, bijvoorbeeld door a. zorgt het college voor een ambtelijk aanspreekpunt voor de Adviesraad sociaal domein b. geschikte vergaderruimte; c. voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid; d. voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid tijdig bij de Adviesraad sociaal domein ligt, zodat het gegeven advies nog van invloed kan zijn op het te nemen besluit; e. Het college zorgt ervoor dat het standpunt van belanghebbenden in de beleidsontwikkeling zichtbaar wordt gemaakt en betrekt het advies van de Adviesraad sociaal domein zichtbaar bij de besluitvorming. Als het college afwijkt van het advies van de Adviesraad sociaal domein dan wordt dit bij het voorstel vermeld en een reden voor genoemd. 10.2.2 Taken en bevoegdheden
•
1.De Adviesraad sociaal domein geeft gevraagd en ongevraagd advies over plannen voor nieuw beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De Adviesraad sociaal domein kan ook advies geven over het geldende beleid.
•
2.De Adviesraad sociaal domein houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner. Ook kan niet geadviseerd worden op het gebied van de gemeentelijke bedrijfsvoering en financiën.
10.2.3 Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen 1. Het college stelt een uitvoeringsbudget beschikbaar voor de Adviesraad sociaal domein voor de kosten in het kader van deskundigheidsbevordering, bijwonen studiedagen of symposia en voorlichting en PR. Op basis van een onderbouwde begroting van de Adviesraad sociaal domein. De Adviesraad sociaal domein moet de begroting uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar aanleveren. 2. De Adviesraad sociaal domein brengt jaarlijks voor 1 april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar en van de besteding van het budget over dat jaar. Budget dat niet in het betreffende jaar is besteed gaat terug naar de gemeente. 3. De leden van de Adviesraad sociaal domein ontvangen een door het college te bepalen vergoeding. 10.3 Inspraak bij aanbieders [Jeugdwet, Wmo] 1. Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. 2. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van Wmo-hulp de regels over inspraak naleeft. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden inwoners met de aanbieder zijn.
Voor jeugdhulp is het toezicht geregeld in de Jeugdwet. De Inspectie voor de Volksgezondheid ziet erop toe dat de aanbieder van jeugdhulp de regels uit de Jeugdwet naleeft.
52
11 Aanmerkingen op de uitvoering De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente wil dan graag de kritiek met de inwoner bespreken en nagaan of er een oplossing is. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. Bij problemen met jeugdhulp, kan de inwoner een vertrouwenspersoon spreken. Dit hoofdstuk sluit aan bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. Voor dit hoofdstuk geldt in ieder geval de volgende kernwaarde: Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft). 11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure [Awb, Gemeentewet] 1. De gemeente ziet een klacht of bezwaar als: a. een aanleiding om een besluit te heroverwegen; b. een mogelijkheid om de dienstverlening aan inwoners te verbeteren; c. een aanleiding om een vertrouwensbreuk te herstellen; en d. een aanzet om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen. 2. De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om haar klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. 3.
De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure. 4. De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. 5. De gemeente zet zich ervoor in dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, zich gehoord voelt. 11.2 Klachtenprocedure [Awb, Gemeentewet] De inwoner kan een klacht indienen over het gedrag van bestuursorganen en medewerkers van de gemeente bij de uitvoering van hun taak. In de Awb en de Klachtenregeling gemeente Venray staan de regels die gelden voor het indienen en behandelen van klachten. 11.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb, Gemeentewet] 1. De inwoner met een klacht over het gedrag van een medewerker van een organisatie die namens de gemeente hulp verleent, kan die klacht indienen bij die organisatie. Die organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. Is de inwoner niet tevreden over de behandeling van de klacht, dan kan de inwoner zjin klacht alsnog indienen bij de gemeente. 2. Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de gecontracteerde persoon of organisatie is afgehandeld, verwijst de aanbieder de inwoner door naar de gemeente. De inwoner kan dan een klacht indienen bij de gemeente. 3.
De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of van een organisatie die die hulp verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld. 11.4 Vertrouwenspersoon [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die jeugdhulp krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De vertrouwenspersoon kan de inwoner ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de jeugdhulp.
53
11.5 Bezwaar [Awb, Gemeentewet] 1. Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit. 2. De inwoner die het niet eens is met een besluit kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Awb en de verordening commissie bezwaarschriften gemeente Venray.
12 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente en aanbieders leveren, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoeften van de inwoner. Producten moeten veilig, degelijk en goed bruikbaar zijn voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. Voor dit hoofdstuk geldt in ieder geval de volgende kernwaarde: Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders.
12.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet] 1. Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn zodat het gewenste resultaat voor de inwoner wordt bereikt. 2. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door: a. een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of b. een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een overeenkomst met een aanbieder. 3. De diensten en producten: a. passen bij de behoefte van de inwoner; b. zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; c. voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; d. worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; e. worden geleverd volgens een bepaalde structuur, die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.
1.
2.
12.2 Inkoop en aanbesteding De gemeente zorgt er voor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding toetst de gemeente of aanbieders rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1 derde lid. De gemeente houdt bij het vaststellen van prijzen rekening met: a. het soort dienst of product; b. het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van werknemers; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor werkoverleg, bijscholing, ziekte en verlof van werknemers; e. reis- en opleidingskosten van werknemers;
54
f. g.
het jaarlijks aanpassen van de reële prijs in verband met wijziging van de kosten; andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen.
13 Begrippenlijst In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
•
Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.
•
Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat we zoveel mogelijk aansluiten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.
•
Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
•
Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
Aanbieder(s): de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente. Aangepast vervoer: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer. Aanvraag: een schriftelijk verzoek van een inwoner om een besluit te nemen. Algemeen gebruikelijke voorziening(en): een voorziening die
• • • •
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; en
financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Andere voorziening(en): een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die zij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen. Anw-uitkering: een maandelijkse uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Aow-leeftijd: leeftijd waarop een uitkering (pensioen) op grond van de Algemene ouderdomswet ingaat. Arbeidsverplichting: de verplichting om werk te zoeken en te aanvaarden, om mee te werken aan activiteiten om aan het werk te komen, waaronder het onderzoeken van de mogelijkheden, of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9, 18 4e lid en 18a 5e lid van de Participatiewet, artikel 20a 5e lid en 37 van de IOAW en artikel 20a 5e lid en 37 van de IOAZ. Awb: Algemene wet bestuursrecht. Basisonderwijs: onderwijs op een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.
Basisschool: basisschool als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs. Benadelingsbedrag: netto bedrag dat ten onrechte aan bijstand is verstrekt of het bedrag dat de inwoner onverantwoord heeft ingeteerd (te snel opmaken van eigen middelen) waardoor zij eerder een beroep dient te doen op bijstand. Beperking(en): de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg gehad dat er een belemmering is ontstaan in het sociaal-maatschappelijk functioneren. Als het om vervoer naar school gaat: het vervoer naar school. Beschermd wonen: is een hulp-op-maat voorziening bestaande uit de volgende kenmerken:
55
-
wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en, de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt. Bestuurlijke boete: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW, artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, of artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG): De Wet BIG geeft regels voor beroepen in de gezondheidszorg en beschermt patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Op grond van de Wet BIG zijn bepaalde zorgverleners verplicht zich in te schrijven in het BIG-register. Brede intake: voor de Wet inburgering wordt er een brede intake afgenomen.
De brede intake is een onderzoek naar de mogelijkheden die de inburgeringsplichtige heeft om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De brede intake bestaat in ieder geval uit een leerbaarheidstoets, een onderzoek over het onderwijs dat is gevolgd en de werkervaring uit het land van herkomst. Daarnaast bestaat de brede intake uit een verkenning naar de persoonlijke omstandigheden. En tot slot een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie. Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet, artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikt gewezen zelfstandigen (IOAZ). De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de eventuele aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).
Dichtstbijzijnde school: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale school voor basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een andere speciale school voor basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is. Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Domus-huis: is een beschermde woonvorm voor dak- en thuisloze inwoners die vanwege persoonlijke problematiek niet in staat zijn om in een trajecthuis te wonen. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs. Eigen kracht: Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Eigen vervoermiddel: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat zij kan gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel zoals een deel-, leen- of lease-auto. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Gedrag(en): het geheel van acties en reacties van een persoon. Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray.
Gezinsmigranten en overige migranten: Deze inwoners zijn als migranten naar Nederland gekomen omdat zij een Nederlandse partner hebben of omdat zij ouders of kinderen in Nederland
56
hebben wonen. Zij zijn inburgeringsplichtig en hebben een reguliere verblijfsvergunning in Nederland voor bepaalde tijd. Grijs wonen: tijdelijk onderdak geboden aan dakloze inwoner via familie of vrienden. Er wordt professionele begeleiding op maat geboden om er voor te zorgen dat de dakloze inwoner binnen 3 maanden weer een eigen plek heeft. Hulp:
•
ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ;
• • •
bijstand als bedoeld in artikel 7 Participatiewet;
• • • • •
maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo;
•
Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening (in natura of als pgb).
•
Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling die speciaal op de inwoner is afgestemd of bijzondere bijstand.
•
Als het gaat om schulddienstverlening in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden.
een uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; inkomensondersteuning op grond van de artikelen 108, eerste lid, en 147, eerste lid, Gemeentewet; jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; schulddienstverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs; of een vervoersvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 6 (vervoer naar school);
ondersteuning bij de inburgeringsplicht en maatschappelijke begeleiding als bedoeld in artikel 6 en 13 van de Wet Inburgering 2021. Hulp in natura: hulp of zorg die de gemeente voor de inwoner inzet. Hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening:
•
Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of haar ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. Inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, uit artikel 3 van de Wet Inburgering 2021. De inburgeringsplicht is bedoeld voor inwoners die vreemdeling zijn in Nederland en op basis van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet een rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Zij zijn ouder dan 18 jaar, maar hebben de pensioenleeftijd nog niet bereikt. Inkomen: het inkomen, uit artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6) dan wordt onder inkomen verstaan: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het inkomen wordt dan gemeten over het peiljaar (artikel 4, 7e lid, van de Wet op het primair onderwijs). Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen. Instelling(en): een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent.
Interne werkbegeleiding: dagelijkse werkbegeleiding bij de werkgever door een medewerker in dienst van de werkgever, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren en waarbij sprake is van meer dan gebruikelijke begeleiding van de werknemer op de werkplek. Inwoner(s): de persoon die haar woonplaats heeft binnen de gemeente Venray volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om: