CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Definitieve Verordening Sociaal Domein gemeente Venray 2026 (versie Overheid nl)

Gemeenteraad 9 december 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein 2026 gemeente Venray.31.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

20

1.

2.

3.

4.

De gemeente kan een inwoner een vervoersvoorziening toekennen, als de inwoner door haar structurele beperking niet zelfstandig naar haar werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld. Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van. De gemeente brengt een eventuele reiskostenvergoeding vanuit de werkgever in mindering op de vergoeding door de gemeente. De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door haar beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer; en b. kan niet carpoolen; en c. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. De gemeente beoordeelt het nut en de noodzaak van de specifieke vervoersvoorziening. Dit artikel is niet van toepassing op NUG-ers.

3.4.8 Financiële compensatie 3.4.8.1 Wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente en/of de inwoner kan een verzoek doen om vast te stellen of er sprake is van een verminderde loonwaarde voor het ontvangen van wettelijke loonkostensubsidie. Hiervoor gelden vanuit artikel 10c en 10d van de participatiewet specifieke voorwaarden. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. 3. De gemeente stelt binnen 6 maanden na het begin van het (1e) dienstverband vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek is (welke loonwaarde zij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan vastgesteld worden aan het begin van het dienstverband en opnieuw tijdens het dienstverband. Hierbij is het belangrijk om te weten dat er geen sprake is van de no-riskpolis voor datum loonwaardemeting én dat er geen sprake meer is van een loonkostenvoordeel. Dit laatste kan enkel als de datum loonwaarde meting vóór datum indiensttreding ligt. 4.

Als het dienstverband al is gestart bij de aanvraag, kan de gemeente de werkgever maximaal 6 maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van 50% van het wettelijk minimumloon, in afwachting van vaststelling van de loonwaarde. 5. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. Er wordt maximaal 70% vergoed aan loonkostensubsidie (ook bij een loonwaarde lager dan 30%). Dit is inclusief werkgeverslasten én vakantiegeld. Er wordt geen loonkostensubsidie verstrekt voor overwerk. 6. De gemeente stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij lid 4 van toepassing is. 3.4.8.2 Opstapsubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt voor een korte periode opstapsubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen in het kader van maatwerk en dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is. Opstapsubsidie is niet mogelijk als de werkgever voor deze inwoner wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8.1) en niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed. 3.

De opstapsubsidie is maximaal 50% van het Wettelijk minimumloon naar rato van de omvang van het dienstverband. De opstapsubsidie duurt maximaal 6 maanden.

21

3.5 Andere voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan andere voorzieningen, waaronder ook de voorzieningen in de artikelen 3.4.6.1 tot en met 3.4.6.5, inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten en/of de belastbaarheid te verhogen. Deze andere voorzieningen worden ingezet voor maximaal 6 maanden met de mogelijkheid om zo nodig te verlengen met 2 periodes van maximaal 6 maanden. Onderlinge afspraken over doelen, aanwezigheid, periode en inzet worden vastgelegd en bevestigd. 2. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen, als de inwoner die kosten niet op een andere manier vergoed kan krijgen. 3. De gemeente kan op aanvraag inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de bijstandsuitkering. 4. De gemeente kan een uitstroompremie verstrekken ter bevordering van duurzame uitstroom en compensatie van een eventuele armoedeval. 5. Voor inwoners die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. 3.6 1. 2. 3.

4.

Ontheffing van arbeidsverplichtingen De gemeente kan besluiten om een inwoner tijdelijk te ontheffen van de arbeidsverplichtingen. Aanvullend op de wettelijke mogelijkheden om een ontheffing te verlenen, kan scholing zoals bedoeld in artikel 3.4.5.1 aanleiding zijn voor een tijdelijke ontheffing. Alvorens over te gaan tot beoordeling van het tijdelijk ontheffen van de arbeidsverplichtingen, kan de gemeente de inwoner ook een traject aanbieden ter bevordering van diens belastbaarheid. Voor de beoordeling van een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen, kan de gemeente advies inwinnen bij derden, ook kan het UWV ingeschakeld worden ter beoordeling van een indicatie banenafspraak of een indicatie beschut werk.

3.7 Tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] 3.7.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente kan een inwoner met een bijstandsuitkering een tegenprestatie opleggen, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2. De gemeente kan maatschappelijk nuttige activiteiten voor de samenleving inzetten als tegenprestatie. 3. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich voor het ontvangen van een bijstandsuitkering inzet voor de samenleving en/of de persoonlijke ontwikkeling, zonder dat deze is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt of als onderdeel binnen een reintegratietraject. 3.7.2 Voorwaarden tegenprestatie Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met: a. de persoonlijke ideeën, voorstellen en omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, zorgtaken zoals mantelzorg, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen; b. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door de inwoner; c. maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk dat door de inwoner al wordt gedaan. 2. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd. 1.

22

3.7.3 Duur en omvang tegenprestatie De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht, duurt maximaal 6 maanden en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen: a. De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten; b. De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. 2. Als de maatschappelijke activiteit bijdraagt aan sociale activering en/of verkorten van de afstand tot de arbeidsmarkt, kan de activiteit na afloop van de tegenprestatie als zodanig worden voorgezet. Dit na instemming van de inwoner en de gemeente. 1.

3.8 Meedoen in de samenleving [Wmo, Jeugdwet, PW] 1. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen aan activiteiten in de samenleving. Door te werken doen inwoners mee aan de samenleving. Maar inwoners kunnen ook op andere manieren meedoen. Daarom zijn er in de gemeente: a. plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten, zoals verenigingen; b. activiteiten die voor alle inwoners worden georganiseerd; c. mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen; en d. maatschappelijke organisaties waar inwoners terecht kunnen. 2. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om mee te doen. Een inwoner kan daar hulp bij nodig hebben, vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente hulp vragen, als de inwoner zelf geen oplossing kan vinden voor haar problemen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De hulp moet daarnaast langdurig nodig zijn. Hieronder staat welke hulp-op-maat door de gemeente kan worden ingezet. 3.8.1 Herstelgerichte ondersteuning [Wmo, Jeugdwet, PW] 1. Om te voorkomen dat inwoners minder zelfstandig worden, richt de gemeente zich ook op andere vormen van ondersteunen van inwoners. Er is aandacht voor de verbetering van zelfstandigheid van inwoners in hun eigen leefomgeving.

De ondersteuning is gericht op verbetering van de situatie van de inwoner in plaats van het inzetten van een voorziening of ondersteuning waarbij zaken worden overgenomen. Herstelgerichte ondersteuning kan een passende oplossing zijn voor een hulpvraag. 2. Een inwoner kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit deskundig advies blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende voorziening is. 3. Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere hulp-op-maat, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt. 4. Andere hulp-op-maat wordt niet ingezet wanneer uit het advies van de deskundige blijkt dat die voorziening(en) anti-revaliderend werken voor de inwoner. Dat wil zeggen dat het herstel ermee wordt tegengewerkt. 5. Als de herstelgerichte ondersteuning eerder wordt beëindigd, ontvangt de gemeente een afrondende rapportage van de deskundige. 6. Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende voorziening (zie artikel 2.3.2 lid 3) en een inwoner maakt hier zonder gegronde reden geen gebruik van, dan kan de inwoner geen andere hulp-op-maat krijgen voor de ondersteuningsbehoefte waarvoor die voorziening is ingezet. De voorziening wordt daarmee beschouwd als voorliggende voorziening ten opzichte van hulp-op-maat.

Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is. 3.8.2 Individuele ondersteuning [Wmo]

23

Wmo-Ondersteuning is gericht op inwoners vanaf 18 jaar met een beperking of met (chronische) psychische of psychosociale problemen. De Wmo-ondersteuning vindt zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de inwoner. Voorliggende voorzieningen en ondersteuning in de sociale omgeving zijn voor deze inwoner (nog) niet voldoende passend. Wmo-ondersteuning is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Deze Wmo-ondersteuning heeft als doel om bijvoorbeeld praktische vaardigheden te stimuleren die nodig zijn in het dagelijks leven. Maar ook om de eigen regie en zelfredzaamheid van de inwoner te vergroten en de inwoner maatschappelijk te laten meedoen. De verschillende vormen van Wmo-ondersteuning zijn bedoeld om de eigen kracht en mogelijkheden van de inwoner te vergroten. 3.8.3 Vervoer in de eigen omgeving [Wmo] 1. De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als zij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. 2. Het moet gaan om het: a. zich verplaatsen rondom de woning en/of b. zich verplaatsen over ten hoogste 20 kilometer van de woning met een omvang van maximaal 1500 kilometer tot 2000 kilometer per jaar en/of c.

vervoer specifiek bedoeld naar een locatie in verband met Wmo-ondersteuning. 3. De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Zo ja, dan kan de inwoner gebruik maken van collectief taxivervoer via Omnibuzz. 4. De inwoner betaalt een eigen bijdrage per zone, als de inwoner gebruikt maakt van Omnibuzz. 3.8.4 Rolstoel De inwoner die zich niet kan verplaatsen in en om de woning, kan in aanmerking komen voor een rolstoel als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik. 3.8.5 Sportvoorziening De inwoner die door een beperking niet kan sporten zonder een aangepaste sportvoorziening, kan eens in de 3 jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in de aanschaf en het onderhoud van de aangepaste sportvoorziening. 2. Deze bijdrage wordt 1 keer per 3 jaar verstrekt en bedraagt maximaal €2.500. 1.

3.8.6 Aanpassing of vervanging voorziening Als een vervoermiddel of een rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de gemeente dit alleen, als de: a. normale afschrijvingstermijn is afgelopen; of b. voorziening onbruikbaar is geworden en dat niet veroorzaakt is door de inwoner; of c. voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner. 3.9 Inburgeren

[Wet Inburgering 2021] 3.9.1 Kernpunten van het inburgeringstraject De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtigen. Hierbij gelden de volgende kernpunten: a. De gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige zo snel mogelijk kan starten met het inburgeringstraject (tijdigheid);

24

b.

c. d.

e.

De inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject in beginsel binnen de termijn van 3 jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid); De gemeente zorgt ervoor dat iedere inburgeringsplichtige een passend traject kan volgen (maatwerk); De inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal met activiteiten gericht op meedoen aan de maatschappij (dualiteit); De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit).

4. Gezond en veilig opgroeien Jongeren moeten zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ouders, de jongeren en van hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk geboden. Zo kan het beroep op gespecialiseerde hulp worden beperkt. Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouders en jongeren voorop. De hulp sluit hierbij aan en vergroot het probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving. Bij het bieden van hulp houdt de gemeente rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar, en in bepaalde situaties tot 23 jaar. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen.

Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders.

4.1

Vrij toegankelijke hulp

[Jeugdwet] 1. De gemeente zet zich ervoor in dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken biedt de gemeente hulp aan die vrij toegankelijk is. De inwoner kan van die hulp gebruik maken, zonder besluit van de gemeente. Ook heeft de inwoner geen verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. 2. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daarbij ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. 3. Beschikbare vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval a) Jeugd- en jongerenwerk; b) Peuterspeelzalen; c) Lichte opvoedondersteuning en opvoedadvies; d) Trainingen ter vergroting van de sociale weerbaarheid/zelfredzaamheid; e) Huiswerkbegeleiding; f) Gezinscoaches;

25

g) h) i) j) k) l)

Wijkteams; Veilig thuis; Crisisdienst voor spoedeisende jeugdhulp; Kindertelefoon; Clientondersteuning; Vertrouwenspersoon.

4.2

Hulp-op-maat

[Jeugdwet] 1. Als vrij toegankelijke hulp niet voldoende is, kan de gemeente hulp-op-maat aanbieden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, een huisarts, een medisch specialist, of een gecertificeerde instelling. 2. De gemeente kan in ieder geval de volgende voorzieningen aanbieden, als het nodig is: a. Ambulant en verblijf met behandeling; b. Wonen: i. Pleegzorg; ii. Deeltijd Pleegzorg; iii. Gezinshuis; iv. Kleinschalig woonleefgroep; v. Zelfstandig wonen training; vi. Logeren licht midden etmaal; vii. Logeren licht midden dagdeel; viii. Logeren zwaar etmaal; ix. Logeren zwaar dagdeel; c. Dagbesteding/dagbehandeling: i. Respijtzorg; ii. Naschools ondersteunend; iii. Naschools versterkend; iv. Onderwijstoeleidende dagbesteding; v. Onderwijstoeleidende dagbehandeling; vi. Dagbehandeling; vii. Ontwikkelgroep; viii. Ernstig meervoudige beperking; d. Ambulante hulp: i. Ambulante hulp A ii. Ambulante hulp B iii. Ambulante hulp C iv. S-ggz v. Consultatie psychiater en medicatiecontrole – GGZ vi. Diagnostiek -dyslexie vii. Behandeling – dyslexie viii. Jeugdhulp binnen de school A ix. Jeugdhulp binnen de school B x. Onderwijs – zorg-groep xi. Brede Analyse HBO xii. Brede Analyse WO xiii. Brede Analyse S-GGZ e. Vervoer f. Gedwongen kader: i Jeugdbescherming; ii Jeugdreclassering; g.

Jeugdzorgplus; h. Beschermd wonen (17+);

26

3. De gemeente zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel te kunnen uitvoeren. 4.3

Overgang van 18- naar 18+

[Jeugwet] 1.

De gemeente zorgt ervoor dat jongeren die jeugdhulp krijgen, ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden, en die ondersteuning nodig blijft. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden. 2. Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: • Scholing, werk of participatie; • Wonen; • Inkomen; • Zorg en ondersteuning; • Vrije tijd; • Het netwerk van de jongere. 3. Jeugdhulp kan in bepaalde gevallen worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Er is een aantal voorwaarden voor verlengde jeugdhulp. Deze hulp kan alleen worden ingezet als: a. de jongere al voor haar 18e levensjaar jeugdhulp kreeg, er geen andere wet is die voorliggend is en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt; b. na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; c. voor de leeftijd van 18 jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is; d. de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering. 4. Pleegzorg wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt als: a. de pleegzorg was begonnen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar; of b.

de pleegzorg die was begonnen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat. c. De pleegzorg is na 18 jaar vrijwillig en stopt wanneer de jongere heeft aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. 5. Verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij: a. de jongere dat zelf niet wil; b. en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen; c. en/of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft en die hulp ook beschikbaar is; d. en/of de jongere voldoet aan de criteria van de Wlz. Als voorwaarde wordt gesteld dat in overleg tussen gemeente, jongere, gezinshuisouder(s) en indien betrokken, de behandelverantwoordelijke, een perspectief voor de toekomst is vastgesteld. 4.4

Afstemming met andere vormen van hulp

[Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of haar ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, instellingen, onderwijs, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:

• • • •

procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; communicatie met andere organisaties; afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en hulp-op-maat. De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.

27

5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking of langdurige psychische of psychosociale problematiek kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als inwoners zulke problemen niet zelf kunnen oplossen, kan de gemeente hen helpen. Welke hulp dat kan zijn, wordt in dit hoofdstuk uitgelegd. De gemeente kan ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen en als inwoners opvang of hulp bij het (zelfstandig) wonen nodig hebben. Ten slotte speelt de gemeente een rol bij het ondersteunen van mantelzorgers. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente op grond van de Wmo aan al deze inwoners kan geven. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving.

Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft). Gemeente Venray zet in op vitale inwoners en een sterke omgeving. Inwoners worden zoveel mogelijk thuis en in hun eigen wijk geholpen.

1.

2.

5.1 Hulp-op-maat [Wmo] Het is belangrijk dat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen doen en een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Het kan zijn dat een inwoner hulp nodig heeft, vanwege een beperking of door een langdurig psychisch of een psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente hulp vragen als zij zelf geen oplossing kan vinden voor haar problemen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om hulpop-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De hulp moet daarnaast langdurig nodig zijn. Als de inwoner hulp bij het (zelfstandig) wonen of opvang nodig heeft, dan moet de hulp van de gemeente eraan bijdragen dat de inwoner zichzelf zo snel mogelijk weer kan redden in de samenleving. De gemeente geeft alleen hulp-op-maat als dat nodig en passend is. De inwoner kan daarom in elk geval geen hulp krijgen, als: a. de inwoner haar problemen zelf of met behulp van haar omgeving kan oplossen of verminderen door haar dagelijks leven anders te organiseren en of gebruik te maken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen. b. het gaat om vervanging van een voorziening die door de gemeente is verstrekt, en de normale afschrijvingstermijn is nog niet verstreken.

Een vervangende voorziening is wel mogelijk, als: • de eerder afgegeven voorziening onbruikbaar is geworden, en dat komt niet door toedoen van de inwoner, of • de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten of

28

•

c. d. e.

Als de eerder verstrekte voorziening niet langer de oplossing biedt voor de inwoner. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met de aard, omvang en ontwikkeling van haar beperkingen. De inwoner geen ondersteuning accepteert en/of weigert mee te werken aan een (medisch) onderzoek. De inwoner zich niet houdt aan de voorwaarden die samenhangen met de afgifte van het briefadres en het Grijs wonen-traject.

5.2 Zelfstandig en veilig wonen Voor de inwoner die voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1 zijn in bepaalde gevallen de volgende voorzieningen beschikbaar: Geschikte woning (woonvoorziening) voor inwoners met een

aantoonbare beperking. 1.

2.

3.

De inwoner met een aantoonbare beperking kan in aanmerking komen voor een verbouwing, een (tijdelijke) woonunit of een hulpmiddel om de woning goed te kunnen gebruiken, als: a. het normale gebruik van de woning niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en b. verhuizing naar een geschikte woning niet mogelijk is of duurder is dan de verbouwing of het hulpmiddel. c. De woning wordt voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar gemaakt. Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte woning. Deze tegemoetkoming in de verhuiskosten is maximaal € 2.500. De inwoner kan geen woonvoorziening, (tijdelijke) unit of hulpmiddel krijgen in de volgende situaties: a. De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt; b. De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; c. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; d. De inwoner is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning en er was geen belangrijke reden voor de verhuizing; e.

De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven; f. De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woontechnische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning; g. De noodzaak voor een woonvoorziening is het gevolg van achterstallig onderhoud aan de woning; h. De gevraagde voorziening is alleen maar gericht op renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd; i. De inwoner heeft haar hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd. j. De gevraagde voorziening betrekking heeft op een woongebouw dat specifiek is bedoeld voor inwoners met een beperking. Waarvan het ‘normaal’ is dat het woongebouw voldoet aan de eisen om deze groep inwoners goed en adequaat te laten wonen.

29

5.3 Een schone en leefbare woning 1. De inwoner met een beperking die haar woning niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden. 2. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die kinderen normaal gesproken moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen, of totdat de kinderen in staat zijn de gebruikelijke hulp (weer) te leveren. 3. De hulp bij het huishouden zorgt voor het schoonmaken van het huis. Op basis van maatwerk kan de gemeente besluiten dat de schoonmaakhulp meer doet, zoals het klaarzetten van maaltijden of het helpen bij de was. Als het nodig is, ondersteunt die hulp ook bij het organiseren van het huishouden. Dat kan advies, instructie of voorlichting zijn. Dat helpt de inwoner om het huishouden zelfstandig uit te voeren. 5.4 Hulp bij het (zelfstandig) wonen 1. De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als de inwoner psychische en/ of psychosociale problemen heeft. Haar behandeling is afgerond of staat niet (meer) op de voorgrond. Het gaat niet om problematiek die voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarin de gemeente nog geen noodzaak voor hulp bij het (zelfstandig) wonen kan vaststellen.

Daarvoor is de voorziening maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.5). 2. De inwoner kan in aanmerking komen voor hulp bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van hulp-op-maat onvoldoende passend zijn. 3. Hulp bij het (zelfstandig) wonen is trajectbegeleiding in de thuissituatie van de inwoner die zelfstandig woont, gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en meedoen. Beschermd Wonen biedt de inwoner de mogelijkheid om 24 uur per dag hulp in te schakelen in een woning van een gecontracteerde zorgaanbieder. 4. De inwoner kan geen hulp-op-maat in de vorm van Beschermd Wonen krijgen als de inwoner in staat is om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning. In dat geval is: a. de inwoner in staat om zelf, of met hulp van haar sociale netwerk, tijdig de signalen te herkennen van het afnemen van haar psychische stabiliteit en/of een hulpvraag te signaleren, en; b. de inwoner in staat zichzelf en haar gedrag dusdanig te begrenzen en te stabiliseren dat haar gedrag niet leidt tot overlast, agressie of schade aan het welzijn van de inwoner zelf en haar omgeving, maar heeft ondersteuning nodig om haar gedrag te reguleren, en; c. de inwoner in staat om zelf een hulpvraag te signaleren en uit te stellen naar de volgende dag en dan ondersteuning af te roepen als de inwoner dat wenst. 5.5 Maatschappelijke opvang 1.

Maatschappelijke opvang bestaat uit ‘grijs’ wonen of opvang in een trajecthuis of een verblijf in het Domus-huis. De inwoner kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als: a. de inwoner dakloos is en opvang nodig heeft, omdat zij zich niet op eigen kracht kan redden in de samenleving. Dat komt door psychische of psychosociale problemen; of b. er sprake is van huiselijk geweld. 2. De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als andere voorzieningen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken. 5.6 Mantelzorg Inwoners die ziek zijn of een beperking hebben, worden vaak geholpen door familieleden, vrienden of kennissen. Deze hulp wordt mantelzorg genoemd als de hulp langdurig en onbetaald wordt gegeven en verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen mensen. Degene die deze hulp geeft is de mantelzorger. Mantelzorg is maatschappelijk van groot belang voor een leefbare

30

samenleving en sociale samenhang. De gemeente wil zorgen voor huidige en toekomstige mantelzorgers in Venray en hen passende ondersteuning bieden. 5.6.1 Ondersteuning mantelzorger 1. De inwoner die mantelzorg ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als deze niet vanuit een voorliggende voorziening of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin (maximaal 104 etmalen per jaar). Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of diens omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen. 2. De mantelzorger kan voor (specialistische) vragen op het gebied van mantelzorg terecht bij het Steunpunt mantelzorg. 3. De gemeente kan naast bovengenoemde vormen van ondersteuning besluiten ook andere vormen van ondersteuning te bieden aan mantelzorgers. 5.6.2 Mantelzorgwaardering De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers. De inwoner (hulpvrager) kan jaarlijks éénmalig een mantelzorgwaardering aanvragen voor een mantelzorger. De mantelzorgwaardering bedraagt minimaal €130,00 (een geldbedrag) of maximaal €150,00 (in de vorm van een horeca- en winkelwaardebon). De mantelzorgwaardering is bedoeld voor de mantelzorger(s) van de inwoner (hulpvrager) die in de gemeente woont. 5.6.3 Mantelzorgwoning De gemeente kan inwoners die een mantelzorgwoning willen realiseren, ondersteunen.

Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner, die is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de mantelzorger of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. De ondersteuning houdt in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een mantelzorgsituatie waardoor een inwoner in aanmerking komt voor het vergunningsvrij plaatsen van een mantelzorgwoning.

6 Vervoer naar school Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school te groot, meer dan 6 kilometer. Mogelijk sluit een school in de buurt onvoldoende aan bij de levensovertuiging van ouders of kan het kind wegens haar beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan in bepaalde gevallen een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe ouders door de gemeente ondersteunt worden bij het vervoer van hun kind naar school. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft). 6.1 Hulp-op-maat [Llv] 1. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat hun kinderen naar school gaan. Ouders kunnen bij de gemeente een aanvraag doen voor hulp bij het vervoer van hun kind van de woning naar school.

31

2. De hulp van de gemeente heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om vergoeding voor reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het kan zijn dat ouders van kinderen op de basisschool een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage en wordt toegelicht in artikel 6.5.1. 3. Als ouders een vervoervoorziening krijgen en het kind wordt meerderjarig en is handelingsbekwaam, dan wordt de vervoersvoorziening niet langer aan ouders verstrekt. Het kind kan dan zelf in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als zij aan de voorwaarden voldoet. 6.2

6.3

Onderzoek 1. De gemeente onderzoekt of ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoersmiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook gaat de gemeente na of er begeleiding nodig is bij het reizen. 2. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van een professionele routeplanner. De gemeente berekent wat de kortste afstand is van de woning van het kind naar school. 3. Gaat het kind naar een basisschool, dan onderzoekt de gemeente in bepaalde gevallen ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of ouders een eigen bijdrage moeten betalen. Voorwaarden

1. De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening aan ouders voor hun kind dat in de gemeente Venray verblijft, en; a. Minimaal 4 jaar oud is dat speciaal onderwijs volgt; en b. Naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; en c. Vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer (OV) of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. 2. Gaat het kind niet naar de dichtstbijzijnde school van dezelfde onderwijssoort, dan kunnen ouders alleen voor een vervoersvoorziening naar de verder weg gelegen school in aanmerking komen als: a. De dichtstbijzijnde school vol is, of als b. De ouders in een brief aangeven dat ze ernstig bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van de dichterbij gelegen bijzondere school. 3. Met toegankelijke school wordt in dit hoofdstuk bedoeld: a. Een school die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege haar lichamelijke of psychische situatie, en b. Van de gewenste levensbeschouwelijke of godsdienstige richting is, of het openbaar onderwijs, en c. Waar plaats is voor het kind. 4. Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van haar eigen kind. 5.

De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. De ouders moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het OV of de fiets kan reizen.

32

Ouders zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van het kind. Indien zij dit niet zelf kunnen, dienen zij zelf te zorgen voor een alternatief. 6.3.1

6.4

Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor: a. Het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. b. Het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.

Zelfstandigheid/zelfredzaamheid 1. Om een aanvraag goed te kunnen beoordelen wordt er rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van een kind en ouders. 2. Wanneer een kind de leeftijd van 9 jaar bereikt, kan de gemeente in overleg met ouders en het kind en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen. Hierin staan de mogelijkheden beschreven om te werken naar zelfstandig reizen naar school. 3. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan de gemeente ondersteuning bieden om zelfstandigheid en zelfredzaamheid van het kind te bevorderen. 6.5 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening 1. De gemeente bepaalt de vervoersvoorziening aan de hand van de afstand tussen de woning of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De afstand tussen woning of opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school bedraagt meer dan 6 kilometer. 2. Gaat het om een speciale school voor basisonderwijs, dan wordt de vervoersvoorziening vastgesteld over de afstand tussen de woning van het kind en a. De dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de school waar het kind vandaan komt, of; b.

Een andere speciale school voor basisonderwijs in dat samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder zou kosten dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs. 3.

4.

De gemeente betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening de Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) zoals is vastgesteld door het samenwerkingsverband.

Als aan de voorwaarden is voldaan, stemt de gemeente de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. a. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan krijgen de ouders een vergoeding voor het gebruik van een fiets. b. Kan het kind niet fietsen naar school, ook niet met begeleiding, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het OV. c. Als het kind in aanmerking komt voor aangepast vervoer, dan kunnen ouders daarvan gebruikmaken voor het vervoer van hun kind. d. Ouders kunnen het kind ook zelf vervoeren, als de gemeente toestemming geeft. 5. Het kind komt in aanmerking voor aangepast vervoer, in de volgende gevallen: a. Het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd met aangepast vervoer kan teruggebracht worden tot 50% van de reistijd met het OV. b. OV naar school ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding).

33

c.

Het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. d. Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor zij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). e. Het kind is op 1 augustus van het lopende schooljaar (de peildatum) jonger dan 10 jaar. 6. Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van 1 begeleider. 7. Bestaat de vervoersvoorziening uit een vergoeding voor de reiskosten, dan is de hoogte van die vergoeding afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school. De reisafstand wordt bepaald via de kortste route op basis van een professionele routeplanner. 8.

De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoersmiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoersmiddel, afgeleid van de laatst bekende reisregeling binnenland. 9. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de laatste bekende reisregeling binnenland. 10. De gemeente houdt bij het vaststellen van de vervoersvoorziening rekening met andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten die ouders voor het kind ontvangen. Die andere vergoedingen trekt de gemeente af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag bij de ouders is rekening. 11. De gemeente kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening een opstapplaats aanwijzen van waaruit het kind gebruikt maakt van de vervoersvoorziening. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en bij de opstapplaats begeleid wordt. 12. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke

loopafstand van de woning van het kind. Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten wordt als redelijk geacht. 13. Er wordt door de gemeente geen opstapplaats aangewezen als door ouders wordt aangetoond dat begeleiding van het kind door henzelf of anderen tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en andere oplossingen niet mogelijk zijn. 14. De gemeente wijst geen opstapplaats aan als het gebruik hiervan leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van het kind. 6.5.1 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool 1. Is de reisafstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 20 kilometer, dan betalen ouders de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders in het peiljaar. Inkomen (schooljaar 2025-2026) € 0 tot € 42.000 € 42.000 tot € 50.000 € 50.000 tot € 58.000 € 58.000 tot € 65.000 € 65.000 tot € 74.500 € 74.500 tot € 81.500 € 81.500 – voor elke € 5.000 erbij

Eigen bijdrage Niets € 185 € 820 € 1.520 € 2.230 € 2.990 € 715

34

2. Jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, worden de inkomensbedragen en de hoogte van de eigen bijdrage aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ten opzichte van 1 januari van het voorgaande jaar. Rekenkundig wordt dit afgerond op een veelvoud van €500,3. De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouders de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. 4. Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in deze paragraaf niet. Zij betalen geen eigen bijdrage. 6.5.2 Drempelbedrag 1. Voor ouders van een kind in het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs geldt boven een vastgestelde inkomensgrens een eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage is het drempelbedrag. 2. Het drempelbedrag is een bedrag per kind. 3. Het drempelbedrag is niet van toepassing op kinderen met een langdurige beperking. 6.6 Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouders aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat.

7 Lage inkomens en geldzorgen De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Deze inwoners en andere inwoners met een lastige financiële situatie kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden belangrijke extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een inkomen onder de inkomensgrens, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Daarnaast geven we enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij geldzorgen en/of financiële problemen. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor hun hulpvraag bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (de omgeving). De ondersteuning vanuit de gemeente is gericht op de intrinsieke motivatie van de inwoner en er wordt gehandeld vanuit vertrouwen. Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom.

Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft).

7.1 Armoedebeleid [PW, Wgs, Gemeentewet] De gemeente heeft als taak om armoede en schulden tegen te gaan. In deze paragraaf staat waar de gemeente rekening mee houdt bij het uitvoeren van die taak.

35

1.

2.

3.

4.

5.

7.2 Wat wil de gemeente? De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en laag vermogen hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen in de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie). De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden, dat betaald werk krijgen niet leidt tot een armoedeval en dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. De gemeente wil inwoners graag helpen om zelf een oplossing voor hun geldzorgen en/of financiële problemen te vinden. Als hulp nodig is, kan de inwoner in eerste instantie terecht bij de verschillende organisaties binnen het netwerk Armoede. Als meer hulp nodig is, kan de gemeente meer doen. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties, die vertegenwoordigd zijn in het netwerk Armoede. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan. De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen voor lage inkomens op een eenvoudige manier aangevraagd kunnen worden, en waar mogelijk automatisch worden toegekend.

7.3 Voorzieningen voor lage inkomens [PW] De gemeente kent verschillende voorzieningen voor lage inkomens, waaronder in ieder geval: a. Bijzondere bijstand b. Tegemoetkoming eigen risico zorgverzekering c. Meedoenbudget d. Studietoeslag e. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen f. Individuele inkomenstoeslag Voor zover in dit hoofdstuk geen regels hierover zijn opgenomen, zijn in beleidsregels de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt. 7.4 Individuele inkomenstoeslag [PW] Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. 7.4.1 Doelgroep voor individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de Aow-leeftijd die voldoet aan de voorwaarden van artikel 36 van de Participatiewet en op de aanvraagdatum: a. een ononderbroken periode van 36 maanden: 1. een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm; 2. geen vermogen hoger dan de vermogensgrens uit de Participatiewet heeft gehad; en b. geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

1.

7.4.2 Hoogte van de toeslag De hoogte van de toeslag kan gevonden worden op www.venray.nl, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag. De inkomenstoeslag wordt per jaar in 1 bedrag uitbetaald en bedraagt: a. voor een alleenstaande: € 500,00 per jaar. b. voor een alleenstaande ouder: € 640,00 per jaar. c. voor gehuwden: € 710,00 per jaar.

36

2.

3.

Voor gehuwden en samenwonenden geldt dat als 1 van de partners op de aanvraagdatum geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag van een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet. De bedragen in lid 1 zijn de bedragen uit basisjaar 2024 en worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en worden naar boven afgerond op vijf euro’s.

7.5 Schulddienstverlening [Wgs] De gemeente heeft de taak om inwoners met geldzorgen en/of schulden te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen. De gemeente helpt bij het vinden van een oplossing voor hun geldzorgen en/of financiële problemen zoals schulden. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente voor het geven van hulp.

1. 2. 3. 4. 5.

7.5.1 Samenwerking en toegang De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden krijgen. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij geldzorgen, het vinden van een oplossing voor schulden of ter voorkoming hiervan. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente.

7.5.2 Schulddienstverlening 1. De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. 2. De hulp die de gemeente geeft, past bij het financiële probleem van de inwoner. Eén van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden is hulp bij het regelen van de inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner orde krijgt in de financiële huishouding en daardoor haar uitgaven kan betalen. De mogelijkheden die er zijn op het gebied van schulddienstverlening worden beschreven in beleidsregels. 3. De gemeente zet hierbij in op duurzame resultaten en zal bij ingezette trajecten nazorg leveren om herhaling te voorkomen.

8 De vorm van de hulp Als inwoners hulp kunnen krijgen van de gemeente, moet de gemeente ook bepalen in welke vorm die hulp dan wordt gegeven. De hulp van de gemeente kan in de vorm van geld zijn, of ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet (een dienst of een product). Gaat het om Wmo-hulp of jeugdhulp, dan kan de inwoner ook kiezen voor een pgb, als aan de voorwaarden is voldaan. Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de hulp wordt ingezet en welke regels daarbij horen. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen op grond van de Wmo. Voor dit hoofdstuk gelden in ieder geval de volgende kernwaarden: Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving.

37

Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders. Gemeente Venray gaat voor maatwerk (hulp op maat voor wie dat echt nodig heeft).

8.1 Financiële hulp [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Awb] 1. De inwoner die hulp van de gemeente ontvangt, krijgt die hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is geregeld. Financiële hulp kan een lening zijn of een bedrag dat niet terugbetaald hoeft te worden (‘om niet’). 2. De gemeente betaalt de inwoner binnen 6 weken nadat een betalingsbesluit is genomen. Dat is de wettelijk vastgestelde termijn. De gemeente kan een andere termijn vaststellen, als er niet binnen 6 weken betaald kan worden. 3. De gemeente betaalt op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven en op naam van de inwoner staat. De gemeente kan het bedrag op een andere manier, in een andere vorm of aan een andere persoon betalen en is dit in sommige gevallen verplicht. De gemeente kan dat doen, als het doel van de hulp alleen op die manier kan worden bereikt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een hulpverlener of een schuldeiser van de inwoner. 4. De gemeente kan het geld verrekenen met een vordering op de inwoner, als dit volgens de wettelijke regels mogelijk is. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 5. De gemeente kan een betalingsbesluit nemen, zonder de inwoner daar met een brief over te informeren.

De gemeente stelt de inwoner dan wel op een andere geschikte manier op de hoogte van het betalingsbesluit. 8.2 Een product of een dienst [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet] 1. De inwoner die hulp van de gemeente ontvangt, krijgt die hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening iets anders is geregeld. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen, huur of eigendom verstrekt. 2. De gemeente zet zich ervoor in dat de aanbieder van een dienst of een product: a. de wettelijke regels over garantie naleeft; en b. de inwoner informeert over alles wat belangrijk is om te weten over de dienst of het product. In hoofdstuk 12 is daarover meer geregeld. 8.3 Persoonsgebonden budget (pgb) [Jeugdwet, Wmo] 8.3.1 Voorwaarden – algemeen 1. De inwoner kan kiezen voor een pgb, als zij in aanmerking komt voor hulp-opmaat op grond van de Wmo of Jeugdwet. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner kan voldoende voor haar eigen belangen opkomen. Daardoor kan zij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die haar vertegenwoordigt. b. De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom zij een pgb wil ontvangen.

Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom hulp-op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is. c. De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden uit het pgb-plan van de inwoner. 2. De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

38

a. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en wil het pgb laten beheren door de hulpverlener. b. De gemeente heeft eerder hulp-op-maat of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken. c. De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan. d. Soms is zelf ingekochte zorg duurder dan zorg in natura. Dat is geen reden om een pgb te weigeren. Maar de gemeente hoeft ook geen extra geld uit te geven. De gemeente mag beslissen dat de inwoner alleen het bedrag krijgt dat de zorg in natura zou kosten. De meerkosten betaalt de inwoner dan zelf. 3. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); e. reiskosten van de zorgverlener. f. kosten voor het deelnemen aan overleggen in het kader van afstemmen en samenwerken met andere hulpverleners. g. uitkering in geval van overlijden budgethouder 4. De gemeente staat het niet toe dat een pgb als maandloon wordt uitbetaald. 8.3.2 Professionele of niet-professionele hulp 1.

Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp. 2. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de inwoner: a. iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007); of b. iemand die als zelfstandige zonder personeel beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007). 3. De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: a. moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven; b. moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’; De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden, voorafgaand aan de datum van de aanvraag. c. moet voor het bieden van jeugdhulp aantonen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken en Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) geregistreerd zijn. 4.

Van niet-professionele hulp is sprake als: a. de hulp geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. de hulp wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de inwoner. 5. De inwoner mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een nietprofessionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon: a. heeft aannemelijk gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat zij kwalitatief goede hulp kan bieden, en b. moet op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en

39

welzijn van mens en dier’. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. 8.3.3 Hoogte en tarief pgb 1. De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor een product vast aan de hand van, en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de inwoner goedkoopst compenserende hulp in natura. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product bij minimaal 1 aanbieder. 2. De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Met uitzondering van een woonvoorziening, de inwoner is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product. 3. De gemeente kan de hoogte van het pgb voor een product vaststellen op basis van minimaal twee offertes van de aanbieder uit het goedgekeurde pgb-plan en/of een door de gemeente opgevraagde offerte. De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op het bedrag van de laagste offerte. 4. De hoogte van het pgb voor professionele hulp voor hulp-op-maat (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen en hulp bij het (zelfstandig) wonen stelt de gemeente vast op basis van het laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van hulp in natura voor de Wmo en Jeugdwet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16367147/2