Bijlagen bij de toelichting Bijlage 7 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
In opdracht van: Michels Advies b.v. 31 oktober 2023 R. Rijnders BSc en ir. J.P.M. Hovens
Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:
Michels Advies b.v. R. Rijnders BSc / ir. J.P.M. Hovens R. Rijnders BSc en P.J.C.A. op het Veld
Faunaconsult B.V. werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en we zijn PSO gecertificeerd.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
1
Inhoud 1 2 3
Inleiding........................................................................................................................................... 3 De Wet natuurbescherming ............................................................................................................. 4 Werkwijze ....................................................................................................................................... 5 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 5 3.2 Werkwijze flora- en fauna-inspectie ....................................................................................... 5 4 Aanwezige beschermde planten en dieren....................................................................................... 6 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 6 4.2 Bevindingen............................................................................................................................. 7 5 Mogelijke effecten ......................................................................................................................... 12 6 Conclusies .....................................................................................................................................
13 Literatuur ............................................................................................................................................... 14 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 15
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
2
1
Inleiding
Michels Advies b.v. begeleidt de sloop van enkele bedrijfsgebouwen en de realisatie van een ruimtevoor-ruimte woning aan Antoniusstraat 34 te Blitterswijck, en heeft ecologisch adviesbureau Faunaconsult B.V. opdracht gegeven op deze locatie een flora- en fauna-inspectie uit te voeren. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze inspectie. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden). Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
3
2
De Wet natuurbescherming
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De directe bescherming van dier- en plantensoorten was geregeld onder de Flora- en faunawet. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten. Het aspect soortbescherming blijft in de nieuwe wetgeving in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken. De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd.
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over; - Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen ondermeer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt voor de mol; die onder de Wet natuurbescherming niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd. Verder geldt dat vogelsoorten waarvan het nest onder de Flora- en faunawet jaarrond werd beschermd in de Provincie Limburg ook onder de Wet Natuurbescherming als zodanig wordt gehandhaafd. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
4
3
Werkwijze
3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De kweekkassen, werkruimte/loods, kantoor/garage en de stallen worden gesloopt en de vegetatie wordt waar nodig verwijderd. Vervolgens wordt er een ruimte-voor-ruimte woning gerealiseerd. Een schets van de voorgestane situatie is (nog) niet voorhanden.
3.2
Werkwijze flora- en fauna-inspectie
Op 25 oktober 2023 heeft Faunaconsult B.V. het onderzoeksgebied en de directe omgeving bezocht. Daarbij werden de aanwezige biotopen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Daartoe werden alle gebouwen in het plangebied van binnen en buiten volledig geïnspecteerd met behulp van een zaklamp, ladder en boomcamera (RIDGID SeeSnake). Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Aan de hand van relevante (verspreidings)literatuur en de waarnemingsoverzichten op www.ravon.nl/tijdschrift, www.verspreidingsatlas.nl, www.floron.nl, www.sovon.nl en www.zoogdiervereniging.nl is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
5
4
Aanwezige beschermde planten en dieren
4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op het voorblad) bevindt zich aan de noordzijde van het dorp Blitterswijck, binnen de bebouwde kom. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich akkerland en aan de westzijde akkerland met daarachter enkele woningen. Het gebied ten zuiden van het plangebied is geheel ingericht met woningen en ten oosten van het plangebied bevinden zich enkele vrijstaande huizen met tuinen. Het plangebied bestaat uit kweekkassen, een werkruimte/loods, een kantoor/garage en stallen (resp. 1, 2, 3 en 4 in figuur 4.1). Het overige deel van het plangebied is grotendeels verhard. Aan de zuidwestzijde van het plangebied bevindt zich een klein stukje grasveld met wat tuinvegetatie die bestaat uit algemene plantensoorten als moerbeiboom, laurierkers, thuja, hulst, vlinderstruik, buxus, zonnehoed, Afrikaantjes, sneeuwbal, grote weegbree, smalle weegbree, klimop, vogelmuur en paardenbloem. In het gras rond de kweekkassen groeien daarnaast nog enkele algemene plantensoorten als witte klaver, grote brandnetel en paarse dovennetel.
Figuur 4.1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd). 1 = kweekkassen, 2 = werkruimte/loods, 3 = kantoor/garage en 4 = stallen. Bron: Google Maps.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
6
4.2
Bevindingen
Zoogdieren en vogels De kweekkassen (1 in figuur 4.1) bestaan geheel uit glas en metaal. Hier zijn zeker geen vogelnesten, vleermuisverblijven of holen van internationaal beschermde soorten in aanwezig (zie figuur 4.2.1).
Figuur 4.2.1. In de kweekkassen bevinden zich geen beschermde natuurwaarden.
De werkruimte/loods (2 in figuur 4.1) bestaat uit enkelwandige gemetselde gevels en een golfplaten dak met aan de onderzijde dakbeschot. Onder de golfplaten op de lange zijden is vogelschroot aanwezig waardoor vogels en vleermuizen geen toegang hebben tot de ruimtes onder de ‘golven’ (zie figuur 4.2.2). De kopgevels bevatten een windveer die nauw aansluit op de gevels, waardoor ook hier geen toegang is (zie figuur 4.2.3). Binnen in de werkruimte/loods zijn nergens vogelnesten, braakballen, veren, vleermuisuitwerpselen of steenmarteruitwerpselen aanwezig. Jaarrond beschermde vogelnesten en vleermuisverblijven zijn in de werkruimte/loods dus zeker afwezig.
Figuur 4.2.2. Onder de golfplaten is vogelschroot aanwezig.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
7
Figuur 4.2.3. De windveer op de kopgevel sluit nauw aan op de gevel.
Het kantoor/garage (3 in figuur 4.1) bevat spouwmuren en een pannendak met aan de onderzijde dakbeschot. De onderste rij dakpannen ligt nauw op de pannenlat waardoor er voor vogels geen toegang is tot de ruimte onder de dakpannen (zie figuur 4.2.3). Het gebouw heeft aan de lange zijden een dakoverstek en de goot sluit nauw aan op het uitstekende dak. Vleermuizen hebben daardoor evenmin toegang tot de ruimte onder de dakpannen. Tussen de muurplaat en het dakbeschot is een opening aanwezig waardoor de buitenruimte in verbinding staat met de zolder (zie figuur 4.2.4). De ruimte in de opening zelf is voor vleermuizen te tochtig en op de zolder zijn nergens vleermuisuitwerpselen of vleermuizen aanwezig. Daarnaast is de zolder te sterk belicht om als vleermuisverblijf te dienen (zie figuur 4.2.5). Steenmarteruitwerpselen, vogelnesten, braakballen en veren zijn evenmin aanwezig op de zolder. De openingen tussen de muurplaat en het dakbeschot zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van vogelnesten maar deze zijn afwezig. Bij de kopgevel liggen de dakpannen in de specie waardoor hier geen toegang is voor vogels of vleermuizen (zie figuur 4.2.6). Jaarrond beschermde vogelnesten en vleermuisverblijven zijn in het kantoor/garage dus afwezig.
Figuur 4.2.3. De dakpannen liggen nauw op de pannenlat; vogels hebben hier geen toegang.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
8
Figuur 4.2.4. Door een opening tussen het dakbeschot en de muurplaat staat de zolder in verbinding met de buitenruimte.
Figuur 4.2.5. De zolder is erg belicht en daardoor niet zeer geschikt als vleermuisverblijf; vleermuizen(uitwerpselen) zijn dan ook afwezig.
Figuur 4.2.6. De gevelpannen liggen in de specie; vogels en vleermuizen hebben hier geen toegang.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck
9
De stallen (4 in figuur 4.1) bestaan uit enkelwandig gemetselde gevels en een enkelwandig golfplaten dak. Huismus- en gierzwaluwnesten en vleermuisverblijven zijn hier zeker afwezig. Op de balken zijn nergens boerenzwaluwnesten of restanten daarvan aanwezig (zie figuur 4.2.7). Overige vogelnesten, braakballen, veren etc. zijn eveneens afwezig. Steenmarteruitwerpselen zijn nergens aangetroffen.
Figuur 4.2.7. In de stallen zijn geen boerenzwaluwnestkommen of overige vogelnesten aanwezig.
De enkele bomen in en direct rond het plangebied (alle max 5-6 meter hoog) bevatten geen (roof)vogelnesten, eekhoornnesten of holtes. Door de afwezigheid van holtes is het voorkomen van verblijven van boom-bewonende vleermuissoorten en uilennesten in en direct rond het plangebied uitgesloten. Hoger opgaande lijnvormige vegetatiestructuren die kunnen fungeren als vaste vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen zijn afwezig. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (z.d.) waren er in 2014 in het kilometerhok van het plangebied vijf (niet nader getoonde) territoria van roofvogels/uilen aanwezig. Uit de veldinspectie blijkt echter dat deze zeker geen nest hebben in het plangebied. Het kilometerhok is destijds onvolledig geïnspecteerd. Het is wel mogelijk dat in het broedseizoen algemene vogelsoorten als de merel in de vegetatie in het plangebied gaan broeden. Dassenburchten en sporen van dassen zijn afwezig en ook niet te verwachten in het plangebied. Voor kleine marterachtigen als de wezel biedt het grotendeels verharde plangebied onvoldoende dekking. Ander algemene zoogdiersoorten als de veldmuis of huisspitsmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Amfibieën, reptielen en overige diersoorten Wateren die als voortplantingswater of leefgebied van amfibieën en vissen kunnen dienen zijn in en rond het plangebied afwezig.
Het aanwezige biotoop (grotendeels verhard) is daarnaast ongeschikt voor strenge beschermde amfibieënsoorten. Het is wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten als de gewone pad delen van de tuin als landhabitat gebruiken. In het plangebied zijn geen geschikte opwarmplaatsen aanwezig, zoals stenen, muurtjes of woelplekken van hoefdieren. Daarnaast is de vegetatie in het plangebied soortenarm, en zijn er weinig nectarplanten en luwte aanwezig. Planten die als waardplant van beschermde vlinders of nachtvlinders kunnen functioneren zijn afwezig. Reptielen, vlinders en andere soortgroepen, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn daarom niet te verwachten in het plangebied. Planten In het plangebied komen alleen algemene niet-beschermde plantensoorten voor (zie paragraaf 4.1). Ook volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (z.d.) groeiden er in 2016 in het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt, geen planten die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het plangebied is daarbij onvolledig onderzocht. Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 10
Tabel 4.2 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) in of direct naast het plangebied voorkomen Tabel 4.2. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Vogels Nederlandse naam en wetenschappelijke naam Algemene vogelsoorten Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Gewone pad (Bufo bufo) Bruine kikker (Rana temporaria)
Internationaal beschermde soorten
Overige beschermde soorten
X X X X X X X
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 11
5
Mogelijke effecten
- Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen worden verwijderd, kunnen broedende vogels als de merel worden verstoord of gedood. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - Bij de werkzaamheden kunnen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In het volgende hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.1. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Vogels Overige soorten
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 12
6
Conclusies
Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 13
Literatuur • • • •
Gedeputeerde Staten van Limburg. 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Ministerie van Economische zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Provincie Limburg. 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Provincie Limburg. (z.d). Natuurgegevens Provincie Limburg. www.natuurgegevenslimburg.nl.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 14
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 15
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 16
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 17
-
-
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Flora- en fauna-inspectie locatie Antoniusstraat 34 te Blitterswijck 18