CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Het gemeentelijk beleidskader Venray 2024

Gemeenteraad 6 februari 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Woonwagen- en standplaatsenbeleid inclusief toewijzingsverordening5.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WOONWAGEN- EN STANDPLAATSENBELEID

BIJLAGE A – HET GEMEENTELIJK BELEIDSKADER

DECEMBER 2023

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ................................................................................................................... 3

2.

Achtergrond – voorgeschiedenis .............................................................................. 3

3.

Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid – BZK ................... 4

4.

Mensenrechtelijke (juridische) plicht ....................................................................... 5

5.

Morele plicht – beoogd maatschappelijk effect/doelstelling ..................................... 7

6.

Financiële plicht – middelen voor standplaatsen ...................................................... 8 6.1

Rol gemeente ....................................................................................................... 8

6.2

Begripsbepalingen ................................................................................................. 9

7.

Beleid en beleidskaders ............................................................................................ 9 7.1

Brandveiligheid ..................................................................................................... 9

7.2

Huurafhankelijk recht van opstal ........................................................................... 10

7.3

Omgevingsplan ................................................................................................... 11

7.4

Omgevingsvergunning ......................................................................................... 11

7.5

Huur, koop en erfpacht met recht van koop ............................................................ 11

7.6

Woonwagenstandplaatsen en het ‘Didam arrest’ ..................................................... 12

7.7

Omvang standplaatsen ........................................................................................ 13

7.8

Gelijke omvang standplaatsen .............................................................................. 13

7.9

Handhaving ........................................................................................................ 13

7.10

Communicatie met de woonwagenbewoners ........................................................... 14

Pagina 2 van 14

1.

Inleiding De woonwagenstandplaatsen van de gemeente maken onderdeel uit van het gemeentelijk vastgoed. De verhuur van standplaatsen en woonwagens zou niet anders mogen zijn dan de verhuur van een huurwoning van een corporatie. Het hebben van ‘woonwagenbeleid’ impliceert een verbijzondering van een groep die bij wet gelijk is aan ieder andere woningzoekende op de huidige huurwoningmarkt. ‘Normalisatie’ wil zeggen dat woonwagenbewoners niet alleen dezelfde rechten hebben als de overige inwoners van de gemeente Venray, maar ook dezelfde plichten. Daarnaast mogen woonwagenbewoners niet anders worden behandeld dan andere burgers. Dit vergt een normalisatie aan zowel de kant van de bewoners als aan de kant van de gemeente.

2.

Achtergrond – voorgeschiedenis In 1999 werd de Woonwagenwet ingetrokken. Allerlei bijzondere maatregelen en voorzieningen zijn opgeheven, omdat deze in het reguliere beleidsproces een plaats (kunnen) hebben gekregen. De problematiek werd door de landelijke overheid als afgedaan beschouwd. Woonwagenbewoners heten voortaan gewoon ‘burgers’, die zich slechts onderscheiden omdat ze in een woonwagen wonen. Beleid beperkt zich tot het inrichten en beheren van standplaatsen. De overheid ziet de huisvesting niet meer als kerntaak en wenst de locaties over te dragen aan woningcorporaties. Met de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 zijn gemeenten formeel ontslagen van de verplichting om exclusief beleid voor woonwagenbewoners te formuleren. Ook hebben de woonwagenbewoners geen bijzondere rechten meer (bijvoorbeeld het recht op een standplaats). Door afschaffing van de Woonwagenwet

hebben

woonwagenbewoners

niet

langer

een

uitzonderingspositie

binnen

de

woningmarkt. Het intrekken van de Woonwagenwet had als belangrijkste doelstelling het normaliseren van de woonpositie van woonwagenbewoners. Het woonwagenbeleid is vanaf 1999 geïntegreerd in het reguliere volkshuisvestingsbeleid. Gemeenten hebben hiermee volledige beleidsvrijheid gekregen ten aanzien van woonwagenlocatie en de standplaatsen. Sindsdien bestaat er een tendens naar overdracht van de standplaatsen en centra van gemeenten naar woningcorporaties. In de periode tussen 1999 en 2018 zijn veel gemeenten overgegaan tot afbouwbeleid, in de volksmond ‘uitsterfbeleid’ geheten. Vrijkomende standplaatsen werden niet langer verhuurd, maar werden opgeheven c.q. geamoveerd. Ook het woonwagenbeleid van de Gemeente Venray kende een zogeheten ‘uitsterfbeleid’. Dit uitsterfbeleid hield in dat er geen nieuwe standplaatsen werden aangelegd (voor de kinderen). Dit zorgde ervoor dat woonwagenbewoners noodgedwongen moesten verhuizen naar reguliere woningen. Wanneer gemeenten geen nieuwe standplaatsen aanleggen voor jongeren die zelfstandig een standplaats willen bewonen en daardoor een onredelijke termijn moeten wachten tot de huidige huurders van standplaatsen overlijden of verhuizen, wordt er ook gesproken van een zogeheten uitsterfbeleid.

Het College voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat het beleid van gemeenten die er naar streven het aantal standplaatsen tot nul te reduceren, het zogeheten uitsterfbeleid, in strijd is met het grondwettelijk recht op gelijke behandeling. Hierover was de Nationale Ombudsman van mening dat gemeenten tekortschoten in hun betrouwbaarheid ten aanzien van woonwagenbewoners door de bovenstaande kwestie. Volgens de Nationale Ombudsman dienen gemeenten het recht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun eigen culturele identiteit te erkennen en te faciliteren.

Pagina 3 van 14

In reactie op deze uitspraak van de Nationale Ombudsman heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, met advies van onder andere het College voor de Rechten van de Mens het beleidskader ‘gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ (hierna: beleidskader BZK) ontwikkeld. Gemeente Venray moet daarom het woonwagenbeleid in overeenstemming brengen met de mensenrechtelijke uitgangspunten. Het beleidskader BZK geeft handvatten voor nieuw beleid.

3.

Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid – BZK Het

beleidskader

‘Gemeentelijk

woonwagen-

en

standplaatsenbeleid’

geeft

een

visie

op

het

standplaatsenbeleid dat in lijn is met het mensenrechtelijk kader voor de culturele identiteit van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Dit document is tot stand gekomen in samenspraak met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), Aedes en vertegenwoordigers van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Het betreft een ‘beleidskader’ en is dus geen ‘beleidsregel’. Het stuk is dan ook geen wet c.q. heeft (vooralsnog) geen juridische gevolgen. Het beleidskader geeft richting en bevat landelijke uitgangspunten, die in de context van Venray moeten worden gerealiseerd. De gemeente Venray zal grotendeels de adviezen in dit beleidskader volgen. Concreet geeft het beleidskader aan: 1

De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid.

Opstellen woonwagenbeleid

2

Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners.

Implementeren mensenrechtelijk kader

3

De behoefte aan standplaatsen moet in kaart worden gebracht.

Inventarisatie woonbehoefte

4

Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren.

Wonen Limburg

5

De afbouw van standplaatsen uitzonderlijke omstandigheden) standplaatsen.

N.v.t. (heeft niet plaatsgevonden)

6

Een woningzoekende Roma, Sinti of woonwagenbewoner die dit wenst, moet binnen redelijke termijn kans maken op een standplaats.

NB:

is niet zolang

toegestaan (behoudens er behoefte is aan

Landelijk gemiddelde benodigde inschrijftijd is zo’n 7 à 8 jaar

Een door de woningcorporaties in het leven geroepen BV of stichting is aan dezelfde regels gebonden als de woningcorporaties zelf.

Gemeenten dienen woonwagenbewoners te faciliteren in hun recht om in een woonwagen te leven en hun culturele identiteit te waarborgen. Door dit te doen, omarmt de Rijksoverheid de visie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman. Het beleidskader helpt gemeenten bij de invulling van het lokale woonwagenbeleid die let op de cultuur van woonwagenbewoners, de bewoners beschermt tegen discriminatie en voldoende rechtszekerheid biedt. De ontwikkeling van het aantal standplaatsen wordt door de minister gemonitord. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in mei 2021 een speciale Wegwijzer woonwagenbeleid uitgebracht. BZK: ‘Programma een thuis voor iedereen’: Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 24-05-2022 Accent op woonruimte De aandachtsgroep woonwagenbewoners heeft vaak minder tot geen behoefte aan zorg en ondersteuning, wel hebben zij specifieke woonwensen. Voor deze groep zijn er ook aanvullende

Pagina 4 van 14

programma’s vanuit de stakeholders. Naar schatting betreft dit 50.000 mensen die - in termen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) - deel uitmaken van één van de culturele groepen waarbij de woonwagen onderdeel is van de culturele identiteit. De ministeries van BZK, VWS, SZW, J&V en OCW, de VNG, het IPO en Aedes pakken samen de huisvestingsproblematiek van aandachtsgroepen op. Het programma legt hiermee het brede fundament voor het verbeteren van de huisvesting voor kwetsbare mensen en mensen die hun leven (opnieuw) willen opbouwen. Diverse acties uit dit programma, zoals het invoeren van integrale woonzorgvisies voor alle aandachtsgroepen, zijn ook ondersteunend voor studenten, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners.

4.

Mensenrechtelijke (juridische) plicht Woonwagenbewoners hebben een eigen culturele identiteit. In de laatste tien tot vijftien jaar is de bescherming van deze culturele identiteit vastgelegd in verschillende verdragen. Nederland heeft deze verdragen ook ondertekend. Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse overheid positief moet bijdragen aan de behoeften van woonwagenbewoners. Zij dient daardoor voor voldoende standplaatsen te zorgen en ervoor zorg te dragen dat woonwagenbewoners kunnen leven volgens hun tradities en culturele identiteit. Een betrouwbare overheid die zich bindt aan verdragen, moet zich ook inzetten om de mensenrechten te waarborgen. Een inzet die als betrouwbaar wordt beschouwd, zorgt voor een goede inventarisatie van de behoefte aan standplaatsen, een correcte toewijzing van standplaatsen en herontwikkeling van de bestaande

woonwagenlocaties,

waarbij

er

rekening

wordt

gehouden

met

het

recht

van

woonwagenbewoners om te wonen volgens hun culturele identiteit.1 Met welke mensenrechten moet rekening worden gehouden bij woonwagen- en standplaatsenbeleid? Het mensenrechtelijk kader wordt onder meer gevormd door een aantal uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en komt op het volgende neer: −

De overheid heeft een inspanningsverplichting om te voorzien in adequate huisvesting, waarbij rekening wordt gehouden met de (erkende) specifieke wooncultuur van woonwagenbewoners.

−

Het is niet geoorloofd om het aantal standplaatsen af te bouwen of niet uit te breiden, terwijl er sprake is van een duidelijke behoefte vanuit de woonwagenbewoners (dit is in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)).

−

De behoefte aan standplaatsen en woonwagens dient te worden geïnventariseerd.

Als hieruit een aantoonbare behoefte naar voren komt, moet het woonwagen- en standplaatsenbeleid zodanig worden vormgegeven dat het voor een woonwagenbewoner binnen redelijke termijn 2 mogelijk is om voor een standplaats in aanmerking te komen. Het juridische kader voor een woonwagenstandplaats wordt gevormd door vier grondbeginselen: 1. Recht op huisvesting Het recht op huisvesting houdt in ‘een bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid’, aldus artikel 22, tweede lid van de Grondwet. Dit artikel ziet toe op het aantal woningen, de kwaliteit en de veiligheid en de betaalbaarheid van de woningen. Het recht op huisvesting geeft geen recht op een woonruimte, maar het woonwagenbeleid moet erop gericht zijn dat slechts in noodgevallen een situatie van onvoldoende wooneenheden zou bestaan.

1 2

Woonwagenbewoner zoekt standplaats, rapport 2017/060 van de Nationale ombudsman Het landelijk gemiddelde voor een reguliere eengezinswoning ligt op zo’n 7 jaar.

Pagina 5 van 14

−

Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (artikel 11, eerste lid);

−

Herzien Europees Sociaal Handvest (artikel 31);

−

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (artikel 31, lid 3);

−

Grondwet (artikel 22, lid 2).

2. Recht op gelijke behandeling Het recht op een gelijke behandeling houdt in dat woonwagenbewoners op dezelfde manier worden behandeld als andere burgers. Om die reden heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat een uitsterfbeleid, zoals veel gemeenten hanteerde, van woonwagenstandplaatsen discriminerend is als dit uitsterfbeleid is gericht op het laten verdwijnen van woonwagenbewoning. Ook als men kiest voor geen uitbreiding van het aantal standplaatsen, dan is dit uitsterfbeleid, daar de jongeren geen eigen standplaats krijgen en dus hun cultuur niet kunnen voortzetten. −

Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (artikel 5, onderdeel e, onder iii);

−

Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 14);

−

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (artikel 21);

−

Richtlijn nr. 2000/43/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming;

−

Grondwet (artikel 1);

−

Algemene wet gelijke behandeling.

3. Recht op vrijheid van vestiging −

Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 12);

−

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 2 van het Vierde Protocol).

4. Recht op eerbiediging privé-, familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie, aldus artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Een woonwagen is aan te merken als een ‘woning’ en valt hierdoor onder de bescherming van artikel 8 EVRM. Hiervoor is het o.a. bepalend dat de bewoner een ‘voldoende en voortdurende band heeft met een specifieke woonwagen(standplaats)’. Van belang is een kenmerk van de identiteit van woonwagenbewoners:

‘het

wonen

in

een

woonwagen

waarbij

familiebanden

in

onderlinge

verbondenheid een belangrijke rol spelen’. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat de overheid een positieve verplichting heeft om de cultuur te beschermen en het woonwagenleven te faciliteren. −

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8);

−

Grondwet (artikel 10).

Uitspraken Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM) Vanaf midden jaren ’90 van de vorige eeuw tot aan heden, heeft het Europese Hof van de Rechten van de Mens diverse uitspraken gedaan om het woonwagenleven te beschermen. Het EVRM heeft onder andere uitgesproken dat bewoning van een woonwagen een onderdeel van de cultuur is, dat een woonwagen een woning is, en dat woonwagenlevensstijl betrekking heeft op sociale en familiebanden. Door deze uitspraken heeft de overheid een zekere positieve verplichting om het wonen in woonwagens mogelijk te maken en te behouden. Een gemeente houdt in zijn woonbeleid rekening met de specifieke woonbehoefte

van

woonwagenbewoners

en

voorziet

in

voldoende

standplaatsen,

zodat

woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. Bij het bepalen van

Pagina 6 van 14

het woonwagenbeleid dient een afweging gemaakt te worden tussen de algemene belangen van de gemeente en de belangen van de woonwagenbewoners. In de Huisvestingswet 2014 en de Woningwet 2015 is de woonwagenstandplaats opnieuw opgenomen. Het is woningcorporaties toegestaan om woongelegenheden (dus ook woonwagens en standplaatsen) te bouwen, toe te wijzen en te verhuren. Een ‘mensenrechten-proof’ woonwagen- en standplaatsenbeleid vergt een omslag in denken en doen van de gemeente en samenwerkingspartners. Om hier op een goede manier invulling aan te kunnen geven moet de

gemeente investeren in de bewustwording en erkenning van de woonwagencultuur, zowel

binnen de eigen organisatie, alsook in de samenwerking met externe partijen (corporaties, beheerorganisaties,

omwonenden)

die

betrokken

zijn

bij

het

woonwagenbeleid.

Investeer

in

bewustwording over het belang en de waarde van het materiele gelijkheidsbeginsel en de mensenrechten van woonwagenbewoners. Tegelijkertijd is het van belang dat aan woonwagenbewoners dezelfde rechten toekomen als aan nietwoonwagenbewoners, of het nu gaat om het verkrijgen van een hypotheek, verzekeringen, een baan, het beheer van de openbare ruimte op een woonwagenlocatie of de handhaving van de openbare orde. Banken,

verzekeraars

en

andere

partijen

in

het

financieel-economisch

verkeer

worden

door

woonwagenbewoners als een groot struikelblok ervaren. Veel woonwagenbewoners lopen tegen problemen

aan

bij

het

afsluiten

van

verzekeringen

en

hypotheken.

Verzekeraars

en

hypotheekverstrekkers behandelen aanvragen voor standplaatsen en woonwagens anders dan die voor reguliere woningen en dat belemmert het eigenwoningbezit van woonwagenbewoners, wat hun economische en maatschappelijke positie in de samenleving beïnvloedt. Gemeentelijk beleid Voor de gemeente betekent dit dat in onze uitgangspunten richting woonwagens en in ons woonwagenen

standplaatsenbeleid

aandacht

gegeven

wordt

aan

de

specifieke

woonbehoefte

van

woonwagenbewoners, waarbij rekening wordt gehouden met onder andere de hierboven besproken mensenrechten. De behoefte kenmerkt zich door het wonen in een woonwagen en door het in familieverband samenwonen op een woonwagenlocatie.3 Het nieuwe woonwagenbeleid van de gemeente houdt in zijn woonbeleid rekening met de specifieke woonbehoefte van woonwagenbewoners en werkt naar een voorziening voor voldoende standplaatsen, zodat woonwagenbewoners binnen een redelijke termijn een standplaats kunnen krijgen. Van een uitsterfbeleid is niet langer sprake.

5.

Morele plicht – beoogd maatschappelijk effect/doelstelling De woonwagenlocaties dienen te voldoen aan de gestelde eisen die van toepassing zijn in de gehele gemeente. Veiligheid in de meest brede zin van het woord, wat tevens betekent dat handhaafbaarheid geen knelpunt mag zijn. Met het vaststellen van het woonwagenbeleid wordt er een duidelijke keuze gemaakt die ook helderheid en zekerheid geeft aan de betrokken bewoners en hun toekomstmogelijkheden. De woonwagencultuur is

3

Beleidskader BZK

Pagina 7 van 14

al lange tijd met Venray verbonden. De woonwagencultuur is in 2014 door het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed aangewezen als immaterieel erfgoed. Het nieuwe beleid biedt ook een goede basis om samen met de bewoners te bouwen aan wederzijds vertrouwen en vorm te geven aan de door beide partijen gewenste goede, schone en veilige woonomgeving. Ook in Venray streven we naar een inclusieve samenleving. Iedereen moet binnen zijn cultuur kunnen meedoen aan onze samenleving en zijn verantwoordelijkheid als inwoner voor de gemeenschap nemen. Daarbij is veiligheid in de meest brede zin van het woord een belangrijke pijler. Met het vaststellen van het woonwagenbeleid wordt er een duidelijke keuze gemaakt die ook helderheid en zekerheid geeft aan de betrokken bewoners en hun toekomstmogelijkheden.

6.

Financiële plicht – middelen voor standplaatsen Mede op basis van een locatieonderzoek zal de gemeenteraad besluiten over locaties waar de nog benodigde woonwagenstandplaatsen kunnen worden gerealiseerd. De gemeente zal een stuk grond of stukken grond aanwijzen waar via een wijziging omgevingsplan de bestemming ‘Wonen-Woonwagen’ op komt. De gemeente gaat met Wonen Limburg in gesprek om minimaal vier huurstandplaatsen met huurwoonwagens aan te leggen en te exploiteren voor die mensen uit de doelgroep woonwagenbewoners die qua inkomen tot de primaire doelgroep van de corporaties behoren. Het betreft de huishoudens met een inkomen tot aan de huurtoeslaggrens. Voor woonwagenbewoners die qua inkomen niet tot de doelgroep van de corporaties behoren, zal de gemeente in standplaatsen moeten voorzien. Daar de gemeente geen verhuurder is van woonruimte, wordt geadviseerd om aan de rechthebbenden de grond bouwrijp in erfpacht aan te bieden of te verkopen, opdat zijzelf voor de aanleg en inrichting van de standplaats zorgen. De gemeente is voornemens om vier koopstandplaatsen te realiseren. Een mogelijke variant is om standplaatsen en woonwagens via de corporatie in de categorie middenhuur aan te bieden. Dit zal in overleg met de doelgroep en (uiteraard) de corporatie gaan. 6.1

Rol gemeente

Uit het beleidskader ‘Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties d.d. 12 juli 2018 valt het volgende te concluderen: 1. De gemeente zorgt voor een stuk grond waar de bestemming ‘woonwagenbewoning’ op zit; 2. De woningcorporatie Wonen Limburg zorgt voor de aanleg van de huurbare standplaatsen, het verstrekken van huurwoonwagens en de exploitatie ervan. Hierbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat de woningcorporatie alleen hoeft te zorgen voor diegenen die tot haar doelgroep behoren, dus mensen beneden de sociale inkomensgrens. Dit betekent dat de gemeente zorg zal moeten dragen voor de levering van een standplaats voor deze mensen. Dit zal alsdan gebeuren op basis van koop-koop of erfpacht met recht van koop. In overleg met de corporatie kan ook worden gekozen voor de variant met middenhuur (zie hierboven).

Pagina 8 van 14

6.2 −

Begripsbepalingen

Standplaats een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten (artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag);

−

Woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst (artikel 1, onderdeel l, van de Wet de huurtoeslag);

Daar waar mogelijk wordt rekening gehouden met de familieverbanden van woonwagenbewoners op de huidige en toekomstige woonwagenlocaties.

7. Beleid en beleidskaders 7.1

Brandveiligheid

Als kader geldt hierbij het vigerende Bouwbesluit en de ‘Handreiking Brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocatie’ van de voormalige VROM-inspectie. De brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties dient te voldoen aan de bouwtechnische eisen, zoals geformuleerd in het vigerende Bouwbesluit/BBL. Zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw geldt dat er maximaal vier woonwagens en nevenfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van maximaal 1.000 m² in een brandcompartiment mogen liggen. Als het gaat om de branddoorslag en brandoverslag zit er veel verschil tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Voor nieuwbouw geldt dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen ten minste 30 minuten is. Bij de bepaling van deze weerstand wordt uitgegaan van een identieke maar spiegel symmetrisch op een afstand van 5 meter geplaatste woonwagen (BB2012 artikel 2.84 lid 9). Ook geldt er een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment van tenminste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is tenminste 5 meter. (BB2012 artikel 2.84 lid 10).

Bij bestaande bouw is de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment tenminste 20 minuten of is de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment tenminste 5 meter (BB2012 artikel 2.90 lid 3). Woonwagens zijn in de loop de jaren vergroot (bijvoorbeeld door twee zogeheten VRO-woonwagens tegen elkaar te plaatsen) of zijn vervangen door grotere chalets. Dit lijkt in eerste instantie een eenvoudige manier om meer standplaatsen en woonwagens binnen dezelfde locatie te realiseren. Het vergroot echter in hoge mate het risico op brandoverslag, omdat lang niet altijd de benodigde afstand tussen woonwagens wordt behouden. Een dergelijke clustering van woonwagens is enkel een reële optie als ter compensatie extra aandacht wordt gegeven aan brandveiligheidsmaatregelen (bijvoorbeeld het gebruik van brandwerend materiaal, opstellen

zorgvuldig

brandbestrijdingsplan

en

ontruimingsplan).

De

situatie

op

de

huidige

woonwagenlocaties wordt verder besproken in 7.1 - Brandveiligheid. De nadruk ligt hier op het waar

Pagina 9 van 14

nodig

toevoegen

van

brandveiligheidszones

en

het

opdelen

van

een

locatie

in

brandveiligheidscompartimenten. Vigerende bestemmingsplannen (omgevingsplan) en brandveiligheid Er kan een wijziging van het omgevingsplan voor de woonwagencentra worden aangebracht. Het Omgevingsplan Venray vervangt alle bestemmingsplannen van Venray. Op basis van deze voorgenoemde wijziging kan een brandveilige plaatsing van (clusters van) woonwagens in de praktijk nog beter worden afgedwongen. Maar ook met het huidige omgevingsplan (voorheen bestemmingsplannen) kan in de meeste gevallen al handhavend worden opgetreden tegen het niet naleven van de regels, waaronder (een groep) te dicht op elkaar geplaatste woonwagens of het dichtbouwen van de ruimten tussen de (clusters van) woonwagens zonder dat daarvoor de benodigde brandveiligheidsvoorzieningen zijn getroffen. In een brandcompartiment liggen maximaal 4 woonwagens met bijbehorende nevenfuncties. Het gebruiksoppervlakte van de wagens inclusief de nevenfuncties bedraagt niet meer dan 1000m². Tussen 2 brandcompartimenten (2 clusters van maximaal 4 woonwagens) geldt er een weerstand tegen brandoverslag en branddoorslag van tenminste 30 minuten, of de afstand tussen deze 2 clusters is 5 meter. Daarnaast geldt dat tussen 2 woonwagens (gezien tussen de 2 clusters) een afstand zit van 5 meter waarbij deze afstand wordt bepaald op basis van spiegelsymmetrie.

Kortom: maximaal 4 woonwagens welke samen binnen 1 brandcompartiment liggen mogen volgens de wetgever tegen elkaar aan geplaatst worden. Tussen 2 woonwagens van verschillende brandcompartimenten geldt een fysieke afstand van 5 meter (op basis van spiegelsymmetrie ligt iedere woonwagen op 5 meter van elkaar af, dus tenminste fysiek 2,5 meter vanaf de perceelgrens). Tussen nevenfuncties van de woonwagens (bergingen e.d.) in verschillende brandcompartimenten geldt een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van tenminste 30 minuten. De eis die een verzekering oplegt om ook binnen een brandcompartiment tussen woonwagens tenminste 5 meter afstand te behouden is niet iets waar de gemeente op hoeft/kan handhaven. In een wijziging van het omgevingsplan kunnen wij hier alleen qua positionering van de bouwvlakken rekening mee houden. Als we dat doen kan de gemeente wel handhavend optreden. 7.2

Huurafhankelijk recht van opstal

Het vestigen van een huurafhankelijk recht van opstal op die huurstandplaatsen waarop een eigendomswoonwagen is geplaatst, is noodzakelijk voor een heldere scheiding van verplichtingen en verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld op het gebied van verzekeringen en belastingen. Dit vloeit ook voort uit een arrest van de Hoge Raad en is mede nodig zodat OZB4 belastingen rechtstreeks aan de eigenaar van de woonwagen kunnen worden opgelegd en ook om verticale natrekking te voorkomen (‘de eigenaar van de grond is ook eigenaar van de hierop geplaatste opstallen c.q. woonwagens’). De kosten van het notarieel vestigen van een huurafhankelijk recht van opstal worden pas na enige tijd terugverdiend middels de OZB. Echter in het kader van de ‘normalisatie’ is het vestigen van een dergelijk recht gewenst. Te meer daar dan ook de individuele woonwagenbewoner c.q. eigenaar van een eigendomswoonwagen na de vestiging van dit recht OZB zal moeten gaan betalen.

4

OZB = Onroerendezaakbelasting

Pagina 10 van 14

7.3

Omgevingsplan

Het bestemmingsplan was tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet het gemeentelijk instrument, waarin de gebruiks- en bouwmogelijkheden van alle openbare en particuliere gronden binnen de gemeentegrenzen zijn geregeld. Het uitgangspunt is dat aanvragen om een omgevingsvergunning in principe aan het omgevingsplan moeten voldoen. Voor de nieuwe woonwagenlocaties zal de gemeente één of meerdere stukken grond specifiek bestemmen voor de woonwagenstandplaatsen. Voor deze nieuwe woonwagenlocaties zullen (nieuwe) planregels worden opgesteld over de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Deze regels worden vastgelegd in het omgevingsplan. Daarna volgt het ontwerp, de ontwikkeling en inrichting van de locatie(s). 7.4

Omgevingsvergunning

Het nieuwe woonwagenbeleid vormt een nieuw ijkmoment om, in die gevallen waarin een bouwwerk wordt gebouwd zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning of in strijd met het omgevingsplan, te bepalen of de gemeente als bevoegd bestuursorgaan daartegen wenst op te treden. Handhaving is – ongeacht de eigendomssituatie – een publieke taak, waarbij de beginselplicht tot handhaving voorop staat. In het kader van de handhaving zal steeds moeten worden bepaald of de overtreding legaliseerbaar is door het verlenen van een omgevingsvergunning, of dat er op een andere manier concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan van handhaving worden afgezien als handhaving onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang. Indien een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd zal de benodigde omgevingsvergunning worden aangevraagd door het College, als eigenaar van de gronden. Het College zal voor de benodigde stukken voor de aanvragen zorgen, zoals een situatietekening van de locatie. De volgende uitgangspunten zullen hierbij in acht worden genomen: voor woonwagens en bijgebouwen die na het ijkmoment worden gebouwd, verbouwd of waarvoor anderszins vergunningplichtige activiteiten plaatsvinden, zal een aanvraag omgevingsvergunning door de eigenaar van de woonwagen moeten worden gedaan.

Deze aanvragen worden getoetst aan het dan geldende bestemmingsplan en aan de dan geldende eisen van het Bouwbesluit. 7.5

Huur, koop en erfpacht met recht van koop

Variant 1.

Huur Huurstandplaats met huurwoonwagen via de woningcorporatie=> Deze behoort tot de sociale kernvoorraad => kan nooit worden gekocht.

Variant 2.

Koop Bouwrijpe kavel / zelf inrichten standplaats => eigen woonwagen + berging plaatsen.

Voorwaarden voor verkoop nieuwe standplaatsen 1. De standplaats wordt verkocht in bouwrijpe staat, voor een marktconforme waarde die wordt bepaald door taxatie. De taxateur wordt door de gemeente aangewezen. 2. Bewoner regelt de financiering (spaargeld, lening via bank of familie/vrienden). 3. Alle (te plaatsen) opstallen dienen uiteindelijk te zijn vergund of kunnen worden gelegaliseerd. 4. De standplaats blijft het hoofdverblijf van de koper (zelfbewoningsplicht);

Pagina 11 van 14

5. Als men de standplaats in eigendom heeft en men deze wil doorverkopen, dan moet deze de eerste 10 jaar eerst te koop worden aangeboden aan de gemeente (‘kwalitatief beding / kettingbeding’). Dit is bedoeld om te voorkomen dat de verkoopprijzen enorm stijgen. Na de periode van 10 jaar mag de bewoners de standplaats alleen verkopen aan standplaatszoekenden uit de wachtlijst van Venray, en indien dit niet tot verkoop leidt, mag alleen doorverkocht worden aan kopers die voldoen aan het afstammingsbeginsel. Dit wordt vastgelegd in de koopakte middels een kwalitatief beding dan wel kettingbeding. Doel van deze voorwaarden is om de culturele identiteit op een woonwagenlocatie zo veel als mogelijk te behouden. 7.6

Woonwagenstandplaatsen en het ‘Didam arrest’

De gemeente Venray wil gaan voorzien in acht extra woonwagenstandplaatsen. Na het vaststellen van de locatiekeuzes zullen gronden (eventueel na verwerving) bouwrijp moeten worden verkocht aan de woningcorporatie Wonen Limburg of verkocht aan individuele woonwagenbewoners. Het zogeheten Didam arrest is in dit kader relevant. In dit arrest concludeert De Hoge Raad dat als een overheidslichaam het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, er ruimte moet worden geboden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn (gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel). Gelijkheidsbeginsel en objectieve, toetsbare en redelijke criteria De Hoge Raad stelt dat het vaststellen van het aantal (potentiële) gegadigden moet gebeuren met inachtneming van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Algemeen geldende beleidsdocumenten die zijn bekendgemaakt, al dan niet aangevuld met specifieke voorwaarden voor de betreffende locatie, maken deel uit van die selectiecriteria. In

de

uitspraak

concludeert

de

Hoge

Raad

verder

dat

een

overheidslichaam

vanwege

het

gelijkheidsbeginsel, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat eenieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. Omdat

de

uitspraak

is

gebaseerd

op

een

algemeen

beginsel

van

behoorlijk

bestuur,

het

gelijkheidsbeginsel, is de uitspraak mede van toepassing op andere uitgiftevormen, zoals uitgifte in erfpacht, verhuur en verkoop. Belang van zorgvuldig beleid en transparantie daarover Wat betekent deze uitspraak voor de gemeente Venray die in acht extra woonwagenstandplaatsen wil voorzien? Vooral voor onderhandse verkopen worden de criteria objectief, toetsbaar en redelijk nog belangrijker. Beleidsstukken kunnen helpen bij het maken van keuzes voor onderhandse verkopen.

Pagina 12 van 14

Het zorgvuldig opstellen en uitvoeren van beleid, binnen de kaders van de wet en volgens eerder vastgestelde

beginselen

en

met

duidelijke

communicatie

met

de

doelgroep

(in

principe

de

geïnteresseerden), zorgt ervoor dat de gemeente naar vertrouwen kan handelen. Alle belanghebbenden (gemeente, standplaatszoekenden, derden) zijn gebaat bij een transparant verdeelsysteem van schaarse woonwagenstandplaatsen. Het voorliggende Woonwagenbeleid gemeente Venray dient dit doel. Zoals gezegd, is er bij het opstellen uitvoerig gebruik gemaakt van diverse handreikingen, zoals ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ (Ministerie BZK) en ‘Wegwijzer gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ (VNG). De daarin vastgestelde beginselen worden in dit beleidsdocument verder geduid, gewogen en opvolging aan gegeven. 7.7

Omvang standplaatsen

De gemiddelde standplaats in Nederland heeft een aanzienlijk groter kaveloppervlak dan de gemiddelde betaalbare huurwoning. Veel standplaatsen hebben een oppervlakte van ongeveer 250 tot 300 m², het gemiddelde kaveloppervlak van een tussenwoning is ongeveer 130 m² en van een appartement 75 m². Daar komt bij dat de doelgroep woonwagenbewoners in Nederland, vergeleken bij de groep reguliere woningzoekenden, relatief beperkt is; in totaal rond de 50.000 woonwagenbewoners. Het verschil in kaveloppervlak kent meerdere redenen. Ten eerste hebben de meeste woonwagens slechts een bouwlaag, waardoor meer ruimte nodig is voor dezelfde gebruiksruimte. Een woonwagen is uitgelegd over één verdieping; alles is gelijkvloers, dus de slaapkamers en badkamer bevinden zich ook op de begane grond. Ten tweede verschillen woonwagens bouwtechnisch van reguliere woningen. Woonwagens kunnen in zijn geheel of in delen worden verplaatst. Woonwagens zijn feitelijk houtskeletbouw en daardoor brandgevoeliger

dan

woningen

die

uit

steen

en/of

beton

zijn

opgetrokken.

De

bijkomende

brandveiligheidseisen uit het bouwbesluit resulteren in grotere onderlinge afstanden. Zo moet worden voorzien in brandgangen en is 5 meter afstand tussen woonwagens verplicht. Ook gaat een deel van het kaveloppervlak op aan de benodigde draai-ruimte voor de plaatsing van de woonwagen. Het bouwbesluit staat toe dat vier woonwagens in een brandcompartiment staan, met een kleinere afstand tot elkaar dan de genoemde 5 meter. De aanbeveling is dit echter niet te doen, omdat woonwagenbewoners hun woonwagen in dit geval niet kunnen verzekeren tegen brandschade. 7.8

Gelijke omvang standplaatsen

De aanbeveling is om de nieuw aan te leggen standplaatsen even groot te laten zijn als de reeds aanwezige standplaatsen of, in het geval van een nieuwe locatie, deze alle even groot te maken. Er wordt geen onderscheid gemaakt in koop- of huurstandplaatsen qua grootte (= 11 x 22 meter = 242 m2). 7.9

Handhaving

Onvergunde opstallen, legalisatie Indien op een woonwagenlocatie een bouwwerk wordt gebouwd zonder en/of in afwijking van de omgevingsvergunning of in strijd met het omgevingsplan, zal de gemeente als bevoegd bestuursorgaan daartegen optreden. Handhaving is – ongeacht de eigendomssituatie – een gemeentelijke publieke taak, waarbij de beginselplicht tot handhaving voorop staat.

Pagina 13 van 14

In het kader van de handhaving zal steeds moeten worden bepaald of de overtreding legaliseerbaar is door het verlenen van een omgevingsvergunning of dat er op een andere manier concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook kan van handhaving worden afgezien als handhaving onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang of er sprake is van bijzondere omstandigheden die het afzien van handhaven rechtvaardigen. In het Woonwagenbeleid gemeente Venray worden toercaravans en andere kampeermiddelen niet gezien als woonwagens. Voor het bewonen van toercaravans op woonwagenstandplaatsen zal daarom geen omgevingsvergunning worden afgegeven. Indien een woonwagenbewoner in een toercaravan op een van de woonwagenlocaties woont, zal ook in deze de gemeente het publiekrechtelijke spoor bewandelen, zoals hierboven is uiteengezet. Bij handhaving van een situatie waarbij sprake is van strijdigheid met de APV geldt dat het bestuursorgaan onder meer een redelijke belangenafweging moet verrichten. Dat houdt in dat bij de vraag of bevoegdheid tot handhaving bestaat dat er ook wordt gekeken of het bestuursorgaan in algemene zin inspanningen verricht om standplaatsen te creëren. 7.10

Communicatie met de woonwagenbewoners

In gesprek zijn en blijven voor begrip en gedragenheid Sinds de ‘Rolleman-oproer’ van oktober 2018 zijn we in overleg met de bewoners van de woonwagenlocaties om zo begrip en gedragenheid te krijgen voor het woonwagenbeleid. De ervaring bij de gemeente Venray en ook andere gemeenten is dat een-op-een gesprekken de beste manier zijn om contact te maken met bewoners van woonwagenlocatie. Grote plenaire bijeenkomsten zijn niet effectief. Er is een aanspreekpunt woonwagenzaken aangesteld als contactpersoon namens de gemeente. Deze contactpersoon

heeft

met

de

bewoners

van

de

standplaatsen

en

ingeschrevenen

op

de

belangstellendenlijst individueel gesproken, uitgelegd wat het woonwagenbeleid is, wat het doel ervan is en wat de consequenties en kansen hiervan zijn voor de bewoners. Ook heeft de contactpersoon in deze gesprekken in kaart gebracht wat de wensen en behoeften zijn van de huidige woonwagenbewoners. Resultaat hiervan is dat de verwachtingen en afspraken over en weer helder zijn. Deze worden op een later moment ook op papier zijn gezet en ondertekend (intentieverklaring / factsheet). Andere communicatiemiddelen •

Afspraken tussen de gemeente en de bewoners zijn vastgelegd in een map en deze map wordt overhandigd aan de bewoners;

•

Er is een mailadres waar bewoners vragen kunnen stellen: woonwagen@Venray.nl. Dit mailadres is bekend bij de bewoners;

•

Met enige regelmaat deelt het gemeentelijke aanspreekpunt voor woonwagenzaken een nieuwsbrief uit, waarin een update wordt gegeven over de laatste stand van zaken. Waar wenselijk, wordt deze nieuwsbrief toegelicht en/of voorgelezen.

Pagina 14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13705344/1