Bijlage 3.1.4.2 Teeuwenhofweg 3 20221128 Toelichting Veegplan Teeuwenhofweg 3 Leunen
Tekst van het document
4.1
LOCATIE
4.1.1 Bestaande situatie Initiatiefnemer exploiteerde een varkenshouderij aan de Teeuwenhofweg 3, 5809EJ te Leunen. Kadastraal gelegen gemeente Venray, sectie O, nummer 450 (18.100 m2) en 74 (12.680 m2).
Afbeelding 1. Locatie Teeuwenhofweg 3 Leunen. Initiatiefnemer participeert aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Dit betekent dat de varkenshouderij op deze locatie volledig dient te worden gesaneerd, de milieutoestemming voor het houden van varkens dient te worden ingetrokken en het bestemmingsplan dient dusdanig te worden gewijzigd dat het houden van varkens niet langer mogelijk is. Binnen het bouwvlak zijn de stallen en de bedrijfswoning gelegen. De totale bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning bedraagt ca. 6.300 m2. Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergegeven. De stallen 3,4,5,6,7 en 8 worden gesloopt. De stallen 1,2, 9 en 10 worden binnen het resterende agrarische bedrijf verbouwd en voor andere doeleinden gebruikt in de nieuwe situatie.
1
Afbeelding 2. Te slopen en te behouden stallen.
4.1.2 Planvoornemen Initiatiefnemer is voornemens de huidige intensieve veehouderij te beëindigen en op de locatie verder te gaan met de reeds bestaande akkerbouwactiviteiten en het houden van zoogkoeien en paarden. Initiatiefnemer beraadt zich nog over verdere activiteiten op de locatie. Mogelijkheden op de locatie waar initiatiefnemer zich over beraadt zijn onder andere het realiseren van opslagloodsen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf, het realiseren van een zonneweide op de locatie, het toevoegen van faciliteiten ten behoeve van paardenhouderij, te denken valt hierbij aan een eb/vloed rijbak , stapmolens , longeercirkels, binnenrijbak en extra stalling voor de paarden. Tevens beraadt initiatiefnemer zich op dit moment over het realiseren van sleufsilo’s binnen het bouwvlak ten behoeve van de voederopslag van de in tabel 2 genoemde dieren. Voor een desbetreffende activiteit heeft initiatiefnemer de ruimte binnen het bestaande bouwvlak nodig. Initiatiefnemer heeft op dit moment nog geen zekerheid over de toekomstige activiteiten op de locatie en wenst daarom de mogelijkheden op de locatie open te houden. Om deze mogelijkheden open te houden is het behoud van het bestaand bouwvlak noodzakelijk. De mogelijkheden die initiatiefnemer onderzoekt zijn van dien aard dat er ten opzichte van de voormalige varkenshouderij een verbetering plaats vindt in de milieuaspecten.
Ter indicatie heeft initiatiefnemer onderstaande situatieschets opgesteld waarin zowel nieuwe huisvesting voor de te houden paarden, met de bijbehorende rijbak en stapmolen en een nieuwe potstal voor het te 2
houden rundvee met bijbehorende sleufsilo’s voor de opslag van voer. Zoals reeds benoemd betreft dit een indicatieve schets. In deze schets is bijvoorbeeld nog geen rekening gehouden met een eventuele binnenrijbak. Via deze bestemmingsplanwijziging wordt verzekerd dat er niet opnieuw een varkenshouderij kan worden gestart. Dit is een eis vanuit de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Overige blijft op dezelfde manier vastgelegd in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied wordt de aanduiding intensive veehouderij verwijderd en wordt de aanduiding 'agrarisch bedrijf' toegevoegd.
Afbeelding 3. Situatieschets mogelijk beoogde situatie Teeuwenhofweg 3 Leunen.
4.1.3 Toelichting van toepassing zijnde beleid/bestemmingsplan Op de locatie Teeuwenhofweg 3 Leunen is het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 (vastgesteld op 14-12-2010) en de herziening regels (vastgesteld op 01-11-2016 en 20-09-2017) van toepassing. Op de locatie rust de enkelbestemming “Agrarisch”, deels de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie – 2”, een bouwvlak aanduiding, deels de functieaanduiding “bedrijfswoning”, deels de functieaanduiding “Intensieve veehouderij” en de gebiedsaanduidingen “milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied” en “reconstructiegebied – verwevingsgebied”. Omdat met de wijziging van de bestemming enkel wordt voorkomen dat er nog een intensieve varkenshouderij kan worden gevoerd op de locatie, is een verdere beleidstoets niet relevant. Het nieuwe planvoornemen is reeds passend en toegestaan binnen het huidige bestemmingsplan.
3
4.1.4 Toelichting van de milieuaspecten Omdat met de wijziging van de bestemming enkel wordt voorkomen dat er nog een varkenshouderij kan worden gevoerd op de locatie, is een verdere toets aan milieuaspecten niet relevant. Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan betekent dit slechts een beperking van eventuele milieueffecten, waardoor op voorhand uitgesloten kan worden dat de wijziging van de bestemming mogelijk negatieve effecten kan hebben voor milieuaspecten. Onderstaand zijn een aantal onderdelen verder uitgewerkt, voornamelijk in relatie tot de sloop van de aanwezige varkensstallen. 4.1.4.1 Wet Natuurbescherming Het plangebied is de afgelopen jaren in gebruik geweest als intensieve veehouderij en bevat derhalve in beginsel geen beschermde vegetatie en diersoorten. Er dient rekening gehouden te worden met het eventuele huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3.
Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Zoals eerder vermeld dienen de aanwezige bedrijfsgebouwen ten behoeve van de varkenshouderij gesloopt te worden. Door M&A advies is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd door M&A Omgeving B.V.. het onderzoek is als bijlage 1 toegevoegd. Uit de Quicksan flora en fauna blijkt dat door de sloop van de stallen op het perceel, het karakter van het gebied positief wordt beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. 4.1.4.2 Natura2000 De op de locatie gehouden dieraantallen en de daarbij behorende emissies en eventuele deposities op de omliggende Natura2000-gebieden (Boschhuizerbergen 5,5 km en Deurnsche Peel en Mariapeel 6 km) nemen in de nieuwe situatie af ten opzichte van de bestaande intensieve veehouderij.
4
Afbeelding 4. Ligging t.o.v. Natura2000-gebieden. Voor de locatie is een Nbw vergunning bekend voor het houden van de dieren genoemd in tabel 1. Op basis van de saneringsregeling Varkenshouderij kan een stoppende varkenshouderij intern salderen met de reeds bestaande Nbw vergunning met ten hoogste 15 % van de stikstofemissies uit de genoemde vergunning. Zoals reeds aangegeven wenst initiatiefnemer in de toekomstige situatie zoogkoeien, paarden en schapen te houden. Op basis van de in tabel 2 genoemde dieraantallen voldoet de locatie aan deze voorwaarde. Voor de locatie is met Aerius Calculator een indicatieve verschilberekening gemaakt. Deze is toegevoegd als bijlage 2. Hierdoor kan uitgesloten worden dat de nieuwe situatie significante negatieve effecten heeft op de nabijgelegen Natura2000-gebieden.
Stalnr
1
2 3
5
Diercategorie
Guste en dragende zeugen (D 1.3.100) Guste en dragende zeugen (D 1.3.100) Kraamzeugen (D1.2.100) Guste en dragende zeugen (D 1.3.101)
Huisvestingssysteem
Aantal
Ammoniak
Houderij/hoktype
Dieren
Overige huisvestingssystemen, groepshuisvesting
272
Kg NH3/dier 4,2
Totaal kg NH3 1.142,40
Overige huisvestingssystemen, groepshuisvesting
30
4,2
126,00
Overige huisvestingssystemen Overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting
20
8,3
166,00
84
4,2
352,80
4 5
Dekberen (D2.100) Guste en dragende zeugen (D1.3.100) Gespeende biggen (D1.1.100) Gespeende biggen (D1.1.3) Guste en dragende zeugen (D1.3.9.2)
6 links
Gespeende biggen (D1.1.3) Kraamzeugen (D 1.2.16)
6 rechts
Gespeende biggen (D1.1.3) Kraamzeugen ((D1.2.16)
7
Gespeende biggen (D1.1.3) Schapen (B1.100) Vleesvarkens
Overige huisvestingssystemen Overige huisvestingssystemen, groepshuisvesting
2
5,5
11,00
66
4,2
277,20
Overige huisvestingssystemen
960
0,69
662,40
Mestopvang in water icm een mestafvoersysteem
1.800
0,15
270,00
Groepshuisvestingssysteem met voerligboxen of zeugenvoorstations, zonder strobed, met schuine putwanden in het mestkanaal: roosters anders dan metalen driekant Mestopvang in water icm een mestafvoersysteem
76
2,5
190,00
1.280
0,15
192,00
Waterkanaal icm een afgescheiden mestkanaal of mestbak Mestopvang in water icm een mestafvoersysteem
96
2,9
278,40
192
0,15
28,80
Waterkanaal icm een afgescheiden mestkanaal of mestbak Mestopvang in water icm een mestafvoersysteem
96
2,9
278,40
192
0,15
28,80
Overige huisvestingssystemen Gedeeltelijk roostervloer; luchtwassysteem anders dan biologisch of chemisch; gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie met watergordijn en biologische wasser
44
0,70
30,80
938
0,45
422,10
totaal
4.457,10
Tabel 1: vergunde dieraantallen voor beëindiging intensieve veehouderij.
Stalnr
A B
6
Diercategorie
Schapen (B1.100) Paarden (K1.100)
Huisvestingssysteem
Aantal
Ammoniak
Houderij/ hoktype
dieren
Overige huisvestingssystemen
50
Kg NH3/dier 0,70
Totaal kg NH3 35,00
Overige huisvestingssystemen
30
5,00
150,00
C
Paarden in opfok (K2.100) Zoogkoeien ouder dan 2 jaar (A2.100) Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
Overige huisvestingssystemen
27
2,1
56,70
Overige huisvestingssystemen
50
4,1
205,00
Overige huisvestingssystemen
50
4,4
220,00
Totaal:
666,70
Tabel 2: Dieraantallen nieuwe situatie.
In de Wet natuurbescherming is opgenomen, dat nieuwe economische activiteiten of uitbreidingen van bestaande activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op Natura2000-gebieden. In onderhavige planvoornemen is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij op de locatie. Zoals bovenstaand aangegeven blijft op de locatie een deel van de stikstofemissie behouden. Zoals reeds aangegeven is initiatiefnemer nog in beraad over de toekomstige activiteiten op de locatie. Hierdoor is het nog niet mogelijk reeds een indicatieve berekening vast te leggen over de stikstofemissies in zowel de aanleg als de gebruiksfase. Echter door de vastgelegde emissie uit tabel 2 heeft initiatiefnemer de ruimte om indien nodig in de aanleg, bouw en/of sloopfase tijdelijk minder dieren te houden dan aangegeven in bovenstaande tabel en hiermee de totale stikstof emissie van de locatie lager te houden dan de totale emissie uit tabel 2. Mocht op het moment dat de nieuwe activiteiten op de locatie bekend zijn blijken dat een toename in stikstofemissie van de locatie is kan dit gecompenseerd worden door het houden van een kleiner aantal dieren. Echter is zoals er op dit moment nog geen duidelijkheid over de “nieuwe” activiteiten die initiatiefnemer op de locatie wenst te ontplooien. In onderhavig planvoornemen wordt enkel de aanduiding “Intensieve veehouderij” van het plangebied verwijderd.
Daar waar nodig zal in het vervolgtraject bovengenoemde berekeningen opgesteld en uitgevoerd worden. 4.1.4.3 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Het plaatsgebonden risico wordt aangeduid door middel van een contour. Uit de risicokaart van de provincie Limburg blijkt dat het plangebied niet in de directe omgeving van een risicovolle inrichting ligt.
7
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording. Dit is geen harde norm. Indien sprake is van ligging binnen invloedsgebieden van inrichtingen die onder het Bevi vallen, dient voor elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied verantwoording te worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Indien sprake is van de ligging binnen het invloedsgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen, is het Besluit externe veiligheid transportinrichtingen (Bevt) van toepassing. Zelfredzaamheid Hiermee wordt aangegeven in welke mate in het plangebied aanwezige personen in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen.
Voorzieningen en maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid leiden er toe dat mensen tijdig het gebied kunnen ontvluchten om zo zichzelf te redden of de ernst van hun verwondingen kunnen beperken. Zelfredzaamheid beïnvloedt hiermee het resteffect. Modelmatig zal dit effect niet altijd kunnen worden gekwantificeerd. Beheersbaarheid De beheersbaarheid heeft betrekking op de vraag in hoeverre de hulpverleningsdiensten in staat zijn hun taken goed uit te voeren en verdere escalatie kunnen voorkomen. Met maatregelen en voorzieningen op het gebied van beheersbaarheid kan escalatie van een incident worden voorkomen. Hierdoor wordt het groepsrisico in positieve zin beïnvloedt, neemt de zelfredzaamheid van personen toe en zal het resteffect ook lager uit kunnen vallen. Uit de risicokaart van de provincie Limburg blijkt dat het plangebied niet in de directe omgeving van een risicovolle inrichting ligt. Bovengrondse propaantanks <13 m3 liggen op een dusdanige afstand dat het plangebied buiten de 10-6 contour en invloedssfeer ligt. Het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de N270 en de A73 op een afstand van respectievelijk 2,1 en 3,2 kilometer. Op deze afstand is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Tenslotte is er geen sprake van ondergrondse olie- of gasbuisleidingen of hoogspanningsleidingen in het plangebied of de onmiddellijke omgeving die van invloed zijn op het voorliggende plan. De dichtstbijzijnde buisleiding bevindt zich op circa 950 m van het plangebied. 4.1.4.4 Water Het totale verharde oppervlak op de locatie zal, ondanks de er nog geen zekerheid is over de te realiseren functies op de locatie, afnemen. Hierdoor is minder hemelwaterinfiltratie benodigd dan in de huidige situatie. Op de locatie is meer als voldoende ruimte om het hemelwater in de ondergrond te laten infiltreren.
4.1.5 Toelichting van de aanpassingen op de verbeelding De wijziging op de verbeelding betreft het wijzigen van de functieaanduiding ‘intensieve
8
veehouderij’ naar de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Hiermee wordt enkel voorkomen dat een intensieve veehouderij nog gevoerd kan worden. Het voeren van een agrarisch bedrijf was tevens toegestaan onder de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het bouwvlak wordt zeer beperkt vergroot, zoals ook is aangegeven op eerdere tekening van de beoogde situatie. Het bestaande bouwvlak is noodzakelijk voor de beoogde agrarische bedrijfsvoering en de zeer beperkte uitbreiding is gewenst voor de gewenste toekomstige uitbreiding van de woning. De enkelbestemming en gebiedsaanduidingen worden niet gewijzigd.
4.1.6 Toelichting van de aanpassingen in de planregels De regels van de vigerende bestemmingsplannen worden niet gewijzigd.
9