Bijlage 3.1.2.2 Lollebeekweg 20 20230914 Toelichting Lollebeekweg 20 Castenray
Tekst van het document
4.1
LOCATIE
4.1.1 Bestaande situatie Varkensbedrijf R. van Casteren, hierna initiatiefnemer (nu bekend als R. van Casteren – Agro), exploiteerde een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf aan de Lollebeekweg 20, 5811AL Castenray. Kadastraal gelegen gemeente Venray, sectie P, nummer 1025 (Bedrijfswoning 520 m 2) en 1026 (38.560 m2).
Afbeelding 1. Huidige situatie.
Afbeelding 2. , topografische kaart (bron: topokaartnederland.nl).
Initiatiefnemer participeert aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). Dit betekent dat de varkenshouderij op deze locatie volledig dient te worden gesaneerd, de milieutoestemming voor het houden van varkens dient te worden ingetrokken en het bestemmingsplan dient dusdanig te worden gewijzigd dat het houden van varkens niet langer mogelijk is. Het totale bouwvlak van de locatie bedraagt 12.885 m2. Hierbinnen zijn de bedrijfswoning en de intensieve veehouderij gelegen. De totale bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning bedraagt 5.890 m 2. Hiervan behoorde 5.090 m2 bij het varkensbedrijf, deze bedrijfsbebouwing (varkensstallen) zijn inmiddels gesloopt, weergegeven in onderstaande afbeelding.
Afbeelding 3. Te slopen bebouwing varkenshouderij
4.1.2 Planvoornemen Initiatiefnemer heeft inmiddels de intensieve veehouderij beëindigd en gaat verder met de reeds aanwezige akkerbouwactiviteiten en het houden van zoogkoeien, paarden en schapen. Hiernaast wil initiatiefnemer mogelijk een zonneweide realiseren en zonnepanelen plaatsen op de aanwezige bedrijfsgebouwen. Door de sloop in combinatie met nieuwbouw binnen het bouwvlak, het beëindigen van de intensieve veehouderij en een goede landschappelijke inpassing van het geheel, is een dergelijke
bestemming te rechtvaardigen. Aan de Lollebeekweg zijn voor het agrarisch bedrijf 2 in/uitritten aanwezig. Beide inritten blijven bestaan zodat de veiligheid bij het af- en aanrijden van verkeer maximaal behouden blijft. Waarbij net als in de huidige situatie de oostelijk gelegen geschikt is voor het zwaardere bedrijfsmatige verkeer. Ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten wordt een agrarische opslagloods gerealiseerd van ca. 320 m2 nabij de te behouden bebouwing. Hiervoor is inmiddels een omgevingsvergunning activiteit bouwen verleend en er is inmiddels ook gestart met de bouw van deze loods. Zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.
Afbeelding 4. Locatie nieuwe akkerbouwloods. Zoals aangegeven op onderstaande afbeelding vindt ten behoeve van de te realiseren zonneweide een vormverandering plaats van het bouwvlak. Het bouwvlak wordt aan de oostelijke zijde beperkt tot aan de reeds aanwezige erfverharding. Deze oppervlakte wordt dan toegevoegd aan de westelijke zijde van het bouwvlak waardoor een aaneengesloten bouwvlak ontstaat waarop de zonneweide gerealiseerd kan worden waardoor het geheel beter passend gemaakt wordt in de omgeving. De zonneweide zal hierdoor een dubbelfunctie krijgen. Naast energie opwekking zal het door de plaatsing ook mogelijk zijn om de schapen te laten grazen op de zonneweide, waardoor de landbouwfunctie van het perceel behouden blijft. Initiatiefnemer sluit hiermee aan bij spoor 3 van de KODE Venray. De combinatie van deze activiteiten zorgt ervoor dat initiatiefnemer als ondernemer actief kan blijven op de locatie.
Afbeelding 5. Indicatieve beoogde situatie Lollebeekweg 20. Onderhavige zonneweide sluit aan bij spoor 3: ‘Bouwvlakgerelateerde zonneparken van de KODE Venray. Initiatiefnemer benut zoals aangegeven in bovenstaande afbeelding daar waar mogelijk (> 50%) het dakoppervlak van de bij het agrarisch bedrijf behorende gebouwen. Door de sloop van de voormalige varkensstallen is ruimte ontstaan voor het wijzigen van het bouwvlak waardoor een aaneengesloten zonneweide ontstaat. Het gemeentelijke beleid kent geen mogelijkheden om de zonneweide te bestemmen middels onderhavig planvoornemen. Middels een omgevingsvergunning zal dit op een later tijdstip aangevraagd worden. Een landschappelijke inpassing van de zonneweide zal dan ook opgesteld en uitgevoerd worden. Door het behouden van het bouwvlak houdt initiatiefnemer de mogelijkheden open om, indien het niet mogelijk blijkt om de zonneweide te realiseren, andere activiteiten te ontplooien welke
passend zijn binnen het bestemmingsplan. Mogelijke activiteiten waaraan gedacht kan worden zijn een paardenhouderij of een uitbreiding van de akkerbouwactiviteiten op de locatie. Hoewel de realisatie van de zonneweide de voorkeursoptie is van initiatiefnemer is het, door de beperkte ruimte voor het realiseren van zonneweides aan de kant van de aansluitmogelijkheden op het bestaande elektriciteitsnetwerk, voor initiatiefnemer noodzakelijk om meerdere opties open te houden op de locatie, hiervoor is het behoud van het bouwvlak zoals aangegeven in afbeelding 5 noodzakelijk. Zoals aangegeven houdt initiatiefnemer meer deze mogelijkheden voor de locatie in gedachte op het moment dat de zonneweide niet haalbaar lijkt op de locatie. Initiatiefnemer houdt al jaren paarden en 1 van de plannen waar initiatiefnemer over nadenkt is het uitbreiden van deze tak. In onderstaande afbeelding is een indicatieve weergeven gegeven van een mogelijke opstelling van de inrichting van de locatie ten behoeve van paardenhouderij.
Afbeelding 6. Indicatieve weergave locatie t.b.v. paardenhouderij.
4.1.3 Toelichting van toepassing zijnde beleid/bestemmingsplan Op de locatie Lollebeekweg 20 is het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 (vastgesteld op 14-12-2010) en de herziening regels (vastgesteld op 01-11-2016 en 20-09-2017) van toepassing. Op de locatie rust de enkelbestemming “Agrarisch met waarden”, deels de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie – 2”, deels de dubbelbestemming “Waarde – Beekdal”, deels een bouwvlak aanduiding, deels de functieaanduiding “bedrijfswoning”, deels de functieaanduiding “Intensieve veehouderij” en de gebiedsaanduidingen “milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied” en “reconstructiegebied – verwevingsgebied”.
4.1.4 Toelichting van de milieuaspecten 4.1.4.1 Geluid De Wet geluidhinder maakt geen onderscheid tussen een bedrijfswoning en een reguliere burgerwoning. Voor de bestaande agrarische bedrijfswoning is in een eerder stadium al vastgesteld dat er geen sprake is van geluidhinder als gevolg van het wegverkeer. Andere geluidsbronnen in de omgeving ontbreken. Voorliggend initiatief voorziet niet in herbouwmogelijkheden van de woning dichter op de weg en ook niet extra geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied. Nader onderzoek is niet aan de orde. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid. 4.1.4.2 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: •
Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
•
Transportroutes: Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev);
•
Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg is de locatie niet gelegen binnen het invloedgebied van een risicobron. Evenmin vormt de locatie een risicobron voor kwetsbare bestemmingen.
Afbeelding 7. Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Op ca. 550 m van het plangebied bevindt zich een buisleiding, deze buisleiding bevindt zich op een dusdanige afstand van het plangebied dat deze niet voor risico’s binnen het plangebied zorgt. Groepsrisico: Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Conclusie Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. 4.1.4.3 Bedrijven en milieuzonering Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven.
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie
Richtafstand tot Richtafstand tot omgevingstype rustige omgevingstype woonwijk, rustig gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Tabel 1. milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden. In het geval dat er sprake is van gemengd gebied dan kunnen de richtafstanden met 1 stap verminderd worden. De voorgenomen bestemmingswijziging van ‘Agrarisch met waarden, intensieve veehouderij’ naar bestemming ‘Agrarisch met waarden, agrarisch bedrijf” zorgt ervoor dat de milieucategorie van de locatie daalt van 4.1 naar 2 Hierdoor worden de richtafstanden lager en is er geen sprake van extra hinder voor omliggende bedrijven en woningen. 4.1.4.4 Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst.
Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In dit geval is er geen sprake van een bestemmingswijziging; uitsluitend de functieaanduiding wordt gewijzigd, terwijl het bouwvlak in stand blijft. Wel heeft er sloop van varkensstallen plaats gevonden waarbij ook de bijbehorende funderingen en mestputten zijn verwijderd. Voor de locatie is door HMB een verkennend bodem onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3). In de mengmonster 06 is een sterke verontreiniging met zink, lood en koper aangetroffen. Tevens zijn nog lichte verontreinigingen met cadmium, lood, kobalt, molybdeen en PCB aangetoond. De sterke tot lichte verontreinigingen met zware metalen zijn mogelijk te relateren aan de voormalige verharding van zinkassen ter plaatse van de boringen. Daarnaast is er mogelijk deels sprake van verhoogde achtergrondgehalten. De lichte verontreiniging van PCB is geen
bron of mogelijke oorzaak te definiëren. In het mengmonster 06 zijn de boringen 16 en 27 opgenomen. De locaties van deze boringen bevinden zich op de bestaande verharding van het bedrijf. Ook in de toekomstige situatie blijft op deze locatie erfverharding aanwezig. Hierdoor vindt er geen roering van de grond plaats ter plaatse van de aangetroffen verontreinigingen. Doordat op de locatie gene bestemmingswijziging plaats vindt behoeft de verontreiniging op dit moment niet verwijderd te worden.
4.1.4.5
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen; Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Volgens deze kaarten bedraagt de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,9 µg/m³ (2019), de concentratie fijn stof (PM10) 16,3 µg/m³ en de actuele concentratie stikstofdioxide (NO2) 1,7 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.
Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden. Het initiatief voorziet in de wijziging van intensieve veehouderij naar ‘agrarische bedrijf’. De verkeersbewegingen ten behoeve van de varkenshouderij (aanvoer voer, afvoer mest, aan- en afvoer dieren, etc.) komen te vervallen met de sanering van de varkenshouderij. Door de sanering van de varkenshouderij en de bijbehorende afname van vervoersbewegingen zal onderhavige plan voornemen een positief effect hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.1.4.6 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Op de locatie Lollebeekweg 20 is een intensieve veehouderij gevestigd. De intensieve veehouderij wordt volledig beëindigd.
Hierdoor is artikel 14, tweede lid, van de Wgv van toepassing op de bedrijfslocatie. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Wgv
gelden dezelfde afstanden zoals genoemd in artikel 3, tweede lid, van de Wgv. Hier gelden de vaste afstanden van minimaal 100 meter (binnen bebouwde kom) en 50 meter (buiten bebouwde kom). Dit betreft de afstand tussen het emissiepunt van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van een geurgevoelig object. De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom. Hierdoor is de vaste afstand van 50 meter van toepassing zoals hierboven genoemd. Binnen 50 meter afstand van de bedrijfswoningen en bijbehorende bedrijfsgebouwen bevinden zich geen dierenverblijven van veehouderijen van derden. Er wordt dus voldaan aan de gestelde vaste zoals genoemd in artikel 3, tweede lid van de Wgv en artikel 14, tweede lid van de Wgv. De genoemde afstanden is overeenkomstig met artikel 3.116 lid c en artikel 3.117, van Activiteitenbesluit milieubeheer. 4.1.4.7 Wet Natuurbescherming Natura2000 Het plangebied is gelegen nabij de Natura2000 gebieden Boschhuizerbergen (4.9 km), Deurnsche Peel en Mariapeel (6,7 km) en Maasduinen (8,9 km). Gezien de beoogde ontwikkeling, het beëindigen van de varkenshouderij kan gesteld worden dat er sprake is van een afname van stikstof-depositie. Dit in combinatie met de afstand tot het gebied, zijn negatieve effecten op Natura2000-gebieden uit te sluiten.
Voor de locatie is een Nbw vergunning bekend voor het houden van de dieren genoemd in tabel 1. Op basis van de saneringsregeling Varkenshouderij kan een stoppende varkenshouderij intern salderen met de reeds bestaande Nbw vergunning met ten hoogste 15 % van de stikstofemissies uit de genoemde vergunning. Zoals reeds aangegeven wenst initiatiefnemer in de toekomstige situatie zoogkoeien, paarden en schapen te houden. Op basis van de in tabel 2 genoemde dieraantallen voldoet de locatie aan deze voorwaarde. Voor de locatie is met Aerius Calculator een indicatieve verschilberekening gemaakt. Deze is toegevoegd als bijlage 1. Hierdoor kan uitgesloten worden dat de nieuwe situatie significante negatieve effecten heeft op de nabijgelegen Natura2000-gebieden. Stalnr
1 1 2a 2a 2b 3 4
Dier-categorie
Kraamzeugen (D1.2.100) Kraamzeugen (D1.2.100) Guste en dragende zeugen (D 1.3.100) Dekberen (D2.100) Guste en dragende zeugen (D 1.3.100) Gespeende biggen (D1.1.100.1) Volwassen paarden
Huisvestingssysteem
Aantal
Ammoniak
Houderij/hoktype
Dieren
Overige huisvestingssystemen, traditioneel Overige huisvestingssystemen, traditioneel Voerligboxen, traditioneel, overige huisvestingssystemen
36
Kg NH3/dier 8,3
Totaal kg NH3 298,80
84
8,3
697,20
128
4,2
537,60
Overige huisvestingssystemen
1
5,5
5,5
Voerligboxen, traditioneel, overige huisvestingssystemen
150
4,2
630
Overige huisvestingssystemen
1000
0,60
600
Overige huisvestingssystemen
5
5,0
25
6
Guste en dragende zeugen (D1.3.1)
6 6
Dekberen Opfokzeugen (D3.1. Gespeende biggen (D1.1.12.2)
7
8
Vleesvarkens (D 3.2.15.4.2)
Individuele huisvesting, smalle ondiepe mestkanalen met metalen driekant roosters (GL BB 95.02.027.V1) Overige huisvestingssystemen Hokken volledig roostervloer (BWL 2001.21) Opfokhok met schuine putwand, emitterend oppervlak groter dan 0,07 m2 echter kleiner dan 0.1 m2 en kleine groepen tot 30 biggen ( BWL 2004.06.V2) Gecombineerd luchtwassysteem 85 % emissiereductie met watergordijn en biologische wasser ( BWL 2007.02.V2)
35
2,4
84
2 24
5,5 4,0
11 96
540
0,21
113,40
2112
0,53
1119.36
Totaal NH3/jr. bedrijf
4.217,86
Tabel 2. Dieraantallen Nbw vergunning.
Stal
Diercategorie
Aantal
Ammoniak
Nr.
totaal kg NH3/jr.
diercategorie volwassen paarden (3 jaar en ouder) K 1.100
Overige huisvestingssystemen
dieren 10
kg NH3 per dier 5,00
diercategorie paarden in opfok (jonger dan 3 jaar) K 2.100 Schapen B 1.100 Zoogkoeien A 2.100
Overige huisvestingssystemen
10
2,10
21,00
Overige huisvestingssystemen
50
0,70
35,00
Overige huisvestingssystemen
50
4.10
205,00
Totaal NH3/jr. bedrijf
50,00
311,00
Tabel 3. Beoogde dieraantallen. Flora en Fauna Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de Flora- en Faunawet als in de nieuwe Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Verboden activiteiten zijn nauwelijks gewijzigd ten opzichte van de “oude wetgeving”. Wel zijn enkele definities aangepast. Zo is onopzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan.
Verstoren zonder dat vooraf goed onderzoek is uitgevoerd naar beschermde soorten, blijft strafbaar. Met de nieuwe wet is ook de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Waar de Flora- en Faunawet nog uitgaat van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: 1: strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en 2: andere beschermde soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Het plangebied was in gebruik als landbouwbedrijf en bevat derhalve in beginsel geen beschermde vegetatie en diersoorten. Voor de locatie is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Op grond van de door M&A Omgeving uitgevoerde Quickscan wordt geconcludeerd dat door de sloop van de stallen op het perceel, het karakter van het gebied op een positieve manier beïnvloed wordt. Het open karakter van de omgeving zal door het verdwijnen van de bebouwing worden versterkt. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Het uitgevoerde onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd.
4.1.4.8 Verkeer en infrastructuur Aan de Lollebeekweg zijn voor het agrarisch bedrijf 2 in/uitritten aanwezig. Beide inritten blijven bestaan zodat de veiligheid bij het af- en aanrijden van verkeer maximaal behouden blijft. Ten aanzien van de huidige situatie (varkenshouderij) zal er een afname zijn in de verkeersbewegingen van en naar de locatie. Op de locatie is zowel voor het woonhuis als voor de agrarische bedrijvigheid meer als voldoende ruimte om te kunnen parkeren. In de voorgestelde beoogde situaties zal bij de situatie waarin op de locatie paarden gehouden worden de grootste parkeercapaciteit gewenst zijn. In de CROW-publicatie zijn alleen parkeernormen voor maneges opgenomen. Hierbij geldt een minimale parkeernorm van 0,3 parkeerplaats en een maximale parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per paardenbox. Maneges hebben over het algemeen een grotere verkeersaantrekkende werking dan andere bedrijfsmatige paardenhouderijen. Uitgaande van de worst case normen zouden in onderhavig situatie (20*0,5) 10 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn op de locatie. Op de locatie is meer als voldoende ruimte voor het realiseren van deze parkeergelegenheid. In onderstaande afbeelding is een eventuele locatie deze parkeergelegenheid indicatief aangegeven.
Afbeelding 8. Indicatief parkeerterrein.
4.1.4.9 Water Als gevolg van de sloop van de stallen neemt het verhard oppervlak aanzienlijk af (stallen en omliggende verharde buitenruimte). De bergingscapaciteit voor de afvoer van overtollig hemelwater binnen het plangebied wordt daardoor aanzienlijk vergroot. In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. In de huidige situatie wordt het hemelwater afkomstig van de bedrijfsbebouwing gedeeltelijk opgevangen in de op de locatie aanwezige retentievijver. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zal verdwijnen. Hierdoor is er sprake van een afname in oppervlakte- verhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren. De reeds aanwezige retentievijver blijft in werking en het nieuw te realiseren gebouw zal hierop aangesloten worden. Bij de zonneweide neemt het verhard oppervlak niet toe. De panelen staan boven het maaiveld, waardoor het water gewoon in de bodem opgevangen kan worden.
Afbeelding 9. Kaart 7 Grondwaterbescherming, Omgevingsverordening Limburg De locatie is gelegen binnen de boringsvrije zone van de Venloschol en de aanduiding Grondwaterbeschermingsgebied niet freatisch. De voorgenomen wijzigingen in onderhavig plan hebben geen effect op en zijn niet in strijd met de voorwaarden verbonden aan de aanduidingen Venloschol en Grondwaterbeschermingsgebied niet freatisch.
4.1.5 Toelichting van de aanpassingen op de verbeelding De beoogde situatie betreft verwijderen functieaanduiding “intensieve veehouderij” binnen het huidige bouwvlak. Toegevoegd wordt de functieaanduiding ‘Agrarisch bedrijf’. Tevens wordt het bouwvlak op de locatie gewijzigd. Overige bestemmingen en aanduidingen blijven behouden.
4.1.6 Toelichting van de aanpassingen in de planregels De regels van het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 (vastgesteld op 14-12-2010) en de herziening regels (vastgesteld op 01-11-2016 en 20-09-2017) worden gevolgd.