CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.7 Aanvullend ecologisch onderzoek

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Coppelenberg 3 Merselo.7.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANVULLENDECOLOGISCH VELDONDERZOEK Huismus en Vleermuizen

Schoolgebouw Merselo

Postadres: Schandelo 10, 5941 NH, VELDEN Web: info@livadi.nl | www.livadi.nl KvK-nummer: 75093472 BTW-nummer: NL860139517B01

Colofon Projectnummer:

2205.GVE.ECO2

Rapportnummer:

2205.GVE.ECO2.C00

Status rapport:

Definitief

Versie:

Revisie 00

Datum oplevering rapport:

20-09-2022

Wijze van citeren:

A.A. van Grinsven 2022, Aanvullend veldonderzoek huismus en vleermuizen, schoolgebouw Merselo, Rapport 2205.GVE.ECO2.D00, Adviesbureau LIVADI, Schandelo.

In opdracht van: Gemeente Venray De heer Jan Erik Kikkert Postbus 500 5800 AM Venray

Opsteller Adviesbureau LIVADI Mevrouw A.A. (Aegidia) van Grinsven Schandelo 10 5941 NH Velden 06-51356637 info@livadi.nl www.livadi.nl

Adviesbureau LIVADI is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. De werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De adviseurs voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek.

Onderhavig rapport is vervaardigd in opdracht van de opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, microfilm, fotokopie of op welke andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en auteurs. Adviesbureau LIVADI is niet aansprakelijk voor rechtstreekse of directe of gevolgschade die voortvloeit uit toepassing van de conclusies, aanbevelingen en resultaten uit dit rapport en overige werkzaamheden van Adviesbureau LIVADI. Opdrachtgever vrijwaart Adviesbureau LVADI in deze tevens voor aanspraken van derden. Tussen de uitvoering van het veldbezoek en uitvoering van de werkzaamheden kunnen beschermde soorten zich vestigen. Adviesbureau LIVADI kan niet aansprakelijk gesteld worden voor kosten en of vertragingen die voortvloeien uit het voorkomen van beschermde soorten.

INHOUD 1

INLEIDING ................................................................................................................................................ 4 1.1

DOEL EN ONDERZOEKSVRAGEN ...................................................................................................................... 4

2

PLANGEBIED EN INGREEP......................................................................................................................... 5

3

METHODIEK ............................................................................................................................................. 6 3.1 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE ..................................................................................................................... 6 3.2 ONDERZOEKSINSPANNING ............................................................................................................................ 6 3.2.1 Huismusonderzoek ................................................................................................................................ 7 3.2.2 Vleermuizenonderzoek .......................................................................................................................... 7

4

RESULTATEN EN EFFECTEN ....................................................................................................................... 9 4.1 HUISMUS .................................................................................................................................................. 9 4.2 VLEERMUIZEN .......................................................................................................................................... 10 4.2.1 Gewone dwergvleermuis ..................................................................................................................... 10 4.2.2 Laatvlieger ........................................................................................................................................... 14 4.3 SAMENVATTING RESULTATEN ...................................................................................................................... 15 4.4 OVERIGE WAARNEMINGEN VAN SOORT(GROEP)EN .......................................................................................... 15

5

EFFECTBEPALING EN TOETSING .............................................................................................................. 16 5.1 EFFECTBEPALING VAN DE INGREEP ................................................................................................................ 16 5.1.1 Huismus (extern effect) ....................................................................................................................... 16 5.1.2 Gewone dwergvleermuis (zomer- en paarverblijffunctie met een niet uit te sluiten winterverblijffunctie in milde koude perioden & vliegroute) ........................................................................ 16 5.1.3 Algemeen voorkomende vogelsoorten ................................................................................................ 17 5.1.4 Overige soorten (zorgplicht) ................................................................................................................ 17

6

TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING ................................................................................... 18

7

CONCLUSIES EN VEROLGSTAPPEN .......................................................................................................... 20

8

BRONNEN .............................................................................................................................................. 22 8.1 8.2 8.3

LITERATUUR ............................................................................................................................................ 22 WEBSITES ............................................................................................................................................... 22 PROJECT GERELATEERDE BRONNEN ............................................................................................................... 22

BIJLAGEN Bijlage I

Quickscan flora en fauna (Econsultancy, 18194.001, versie D1, d.d. 1 april 2022)

Bijlage II

Wet natuurbescherming

1

INLEIDING

Om te voldoen aan nationale en internationale regelgeving is het verplicht om, voordat de ingreep plaatsvindt, een onderzoek te doen naar de natuurwaarden. De voornemens dienen in overeenstemming met de internationale en nationale natuurwetgeving en het provinciale/gemeentelijk natuurbeleid te worden uitgevoerd. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden, houtopstanden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Ten behoeve van de voorgenomen sloop is een quickscan flora en fauna van de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vooraf opgesteld (Econsultancy, 18194.001, versie D1, d.d. 1 april 2022). Zie mede bijlage 1. In deze rapportage zijn de resultaten van het aanvullend ecologisch veldonderzoek beschreven. Eventuele benodigde vervolgstappen worden eveneens beschreven.

1.1

Doel en onderzoeksvragen

Dit onderzoek zal antwoord geven op de volgende vragen: 

 

Zijn er beschermde soorten en functies aanwezig of zijn deze uit te sluiten? Zoja, welke specifieke soort(en) en functie(s) zijn vast te stellen? (nest-, rust-of voortplantingsplaatsen van huismus en gebouwbewonende vleermuizen) Leiden de handelingen (mogelijk) tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming of is een overtreding op voorhand te voorkomen? Is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk?

Indien bij aanwezigheid een beschermde soort/functie het treffen van maatregelen noodzakelijk is, omdat de huidige nest-, rust-of voortplantingsplaats komt te vervallen, dan zullen deze (mede ten behoeve van een mogelijke ontheffingsaanvraag) voldoende moeten worden onderbouwd middels een activiteitenplan. Dit zal in een later stadium worden uitgewerkt en maken geen deel uit van onderhavige rapportage omtrent het aanvullend ecologisch veldonderzoek. Ten behoeve van het eventueel indienen van een ontheffingsaanvraag dienen ook aspecten als doel, (wettelijk) belang en alternatievenafweging. Ook deze aspecten zullen in een later stadium, indien van toepassing, worden uitgewerkt en maken geen deel uit van onderhavige rapportage.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

4

2

PLANGEBIED EN INGREEP

Voor een gebiedsbeschrijving van het plangebied wordt verwezen naar de quickscan quickscan flora en fauna van de Wet natuurbescherming Soortenbescherming (Econsultancy, 18194.001, versie D1, d.d. 1 april 2022). Zie mede bijlage I. Voornemens is om de basisschool (deelgebied 1, Coppelenberg 3, 5815 AJ te Merselo) te slopen. In Figuur 1.1 is de ligging van het schoolgebouw weergegeven, zoals opgenomen in de quickscan. De nieuwe invulling van het gebied is niet bekend.

Figuur 1.1. Plangebied (deelgebied met nummer 1).

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

5

3

METHODIEK

3.1

Volledigheid inventarisatie

Het huismusonderzoek is uitgevoerd conform het kennisdocument Huismus van BIJ12. De vleermuisinventarisatie is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021, zoals vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur. De protocollen zijn opgesteld om onderzoek voor de Wet Natuurbescherming optimaal te laten verlopen. Wanneer de protocollen in essentie zijn gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies aanwezig dan wel uit te sluiten zijn. Het toepassen van het protocollen geeft grote mate van zekerheid op twee punten: -

Dat het bevoegd gezag inzake de Wet natuurbescherming geen aanvullend inventarisatieonderzoek verlangt bij een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming; Dat een onderzoek standhoudt in een eventuele juridische procedure.

Inventarisaties zijn en blijven ondanks het protocollaire karakter te allen tijde een steekproef die gebaseerd is op momentopnames, waardoor het niet is uit te sluiten dat soorten en functies die niet waargenomen zijn op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methoden en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

3.2

Onderzoeksinspanning

De onderzoekslocatie betreft het plangebied. Daarnaast is een buffer van de delen direct rondom het plangebied indicatief mee onderzocht bovenop de onderzoeksinspanning binnen het plangebied. Dit als omgevingscheck om een extern effect te kunnen beoordelen, de essentiëliteit van het plangebied te kunnen inschatten of indien benodigd te kunnen beoordelen waar eventuele maatregelen getroffen kunnen worden.

Figuur 2.1. Globaal kader onderzoeksgebied huismus (oranje kader) met plangebied (wit kader). Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

6

3.2.1 Huismusonderzoek Twee veldbezoeken zijn uitgevoerd met één waarnemer tussen 1 april-15 mei, namelijk op 4 mei 2022 en op 15 mei 2022. De veldbezoeken hebben plaats gevonden enkele uren na zonsopkomst en/of laatste uren voor zonsondergang met een tussenperiode van minimaal 10 dagen op geluidsluwe momenten en bij goede weersomstandigheden. Daarnaast is tijdens de andere veldbezoeken ten behoeve van vleermuizen mede gelet op waarnemingen van huismussen. Tabel 1. Datum en tijdstip van en weersomstandigheden tijdens de inventarisaties. T= Territorium/Nestplaatsen, FL= Functioneel Leefgebied Datum

Tijdsduur

Aantal waarnemers

Zon op/ onder

Onderzochte functies

Weersomstandigheden

19.30-21.00

1

21.04

T, FL

16-18ºC, 80% bewolking, droog, 2-3 Bft

7.30-9.15

1

6.03

T, FL

12-15ºC, 10% bewolking, droog, 1-2 Bft

onderzoek 04-05-2022 (woensdag avond) 15-05-2022 (zondagmo rgen)

Tijdens het veldbezoek is naast territoriumonderzoek een inschatting gemaakt of de klimop en overige delen van het plangebied een essentieel functie heeft binnen het leefgebied van de huismus. Dit door te beoordelen of huismussen tijdens het nader veldonderzoek gebruik maken van het plangebied en of huismussen voldoende groen in de directe omgeving hebben.

3.2.2 Vleermuizenonderzoek In het voorjaar, zomer en najaar van jaar 2022 is het plangebied geïnventariseerd op de aanwezigheid van vleermuizen. Om de functies van het plangebied voor vleermuizen te onderzoeken zijn meerdere veldbezoeken uitgevoerd in verschillende periodes. In het kraamseizoen ( half mei tot half juli) zijn de bezoeken direct vanaf zonsondergang tot twee en een half uur na zonsondergang of vanaf drie uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst uitgevoerd. In het paarseizoen (half augustus tot 10 september) e is minimaal twee uur geïnventariseerd tussen een uur na zonsondergang en een uur voor zonsopkomst uitgevoerd, namelijk tijdens middernachtzwermonderzoek van 00.00 uur tot 02.00 uur. In Tabel 2 zijn de gegevens van de veldbezoeken weergegeven. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van vleermuizen. Tabel 2. Datum en tijdstip van en weersomstandigheden tijdens de inventarisaties. V= Vliegroute, F=Foerageergebied, K= Kraamverblijfplaats, Z= Zomerverblijfplaats, P=Paarverblijfplaats, MZ= middernachtelijk zwermgedrag, W = Winterverblijfplaats. Datum

Tijdsduur onderzoek

Aantal waarnemers

Zon op/ onder

Onderzochte functies

Weersomstandigheden

16-05-2022

21.15-00.00 (2,5 uur)

2

21.23

V, F, K, Z

15-19ºC, 5% bewolking, droog, 1 Bft

06-06-2022

21.45-00.20 (2,5 uur)

2

21.48

V, F, K, Z

14-15ºC, 100% bewolkt, droog, 1-2 Bft

25-06-2022

02.20-05.20 (3 uur)

2

05.20

V, F, K, Z

17ºC, onbewolkt, droog, 1-2 Bft

18-08-2022

00.00-02.00 (2 uur)

2

nvt

V, F, P, MZ

21ºC, onbewolkt, droog, 1 Bft

08-09-2022

00.00-02.00 (2 uur)

2

nvt

V, F, P, MZ

17ºC,-19⁰C 90% bewolkt, droog, 0-1 Bft

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

7

Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd naar de in de quickscan genoemde gebouwgebonden vleermuissoorten en functies: “De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en milde winterverblijfplaats.” Op de projectlocatie zijn geen bomen met vleermuisgeschikte ruimtes (zoals holten, spleten of loshangend schors) aanwezig die als verblijfplaats kunnen dienen voor vleermuizen. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen uitgesloten. Overige soorten zitten zijdelings verweven in het onderzoek. Foerageerfunctie en vliegroutefunctie zijn daarnaast mede zijdeling onderzocht. Middernachtzwermonderzoek is uitgevoerd ondanks dat een massawinterverblijf volgens de quickscan uit te sluiten is. Dit onderzoek is namelijk goed te combineren met middernachtzwermonderzoek en op deze manier is met zekerheid ook een massawinterverblijf vast te stellen dan wel uit te sluiten (dus ook uitzonderingen). De inventarisaties zijn postend en lopend uitgevoerd, waarbij het plangebied globaal in twee delen verdeeld is. Tijdens de veldbezoeken zijn vleermuizen met zicht- en geluidwaarnemingen geïnventariseerd.

Hierbij zijn een zaklamp en een batdetector met opnamefunctie (type: Elekon Batlogger M) in combinatie met een Pettersson D100 gebruikt om de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar te maken voor mensen. Met de karakteristieken van de frequentie, klank en ritme van het geluid worden verschillende vleermuizensoorten in het veld herkent. Wanneer in het veld niet met zekerheid de vleermuissoort kon worden bepaald is, is de geluidsopname achteraf met een computerprogramma geanalyseerd, waarbij voor determinatie gebruik is gemaakt van diverse literatuur als Barataud, Middleton, Pfalzer en Russ. In combinatie met de visuele waarnemingen van het gedrag is de determinatie van de soort en de functie van het gebied bepaald. Milde en kleine winterverblijfplaatsen zijn niet te onderzoeken. Indien een verblijfsfunctie vastgesteld wordt is er zekerheidshalve van uitgegaan dat een klein winterverblijf in milde wintertemperatuurperiode aanwezig kan zijn. Bij een individu met veelvuldig sociale roepen (balts gedrag) nabij de locatie in de paarperiode is gesteld dat deze een paarverblijfplaats heeft binnen de planlocatie.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

8

4

RESULTATEN EN EFFECTEN

4.1

Huismus

Nest- en voortplantingsplaatsen Huismusterritoria zijn vastgesteld buiten plangebied, zie oranje en gele stippen in figuur 3.1. Binnen het plangebied zelf zijn geen huismusterritoria vastgesteld. Functioneel leefgebied Binnen het plangebied is op 4-5-2022 een enkele huismus af en toe waargenomen in het groen aan de noordzijde van het plein in de zuidoostelijke hoek van het plangebied, ten zuiden van Kleindorp 5 (zie blauwe cirkel figuur 3.1). Op 15-5-2022 zijn geen huismussen binnen het plangebied vastgesteld. Omgeving In de directe omgeving zijn tientallen huismussen roepend waargenomen en enkele kwetterplekken waargenomen.

Figuur 3.1. Waarnemingen roepende huismussen (oranje stippen, d.d. 04-5-2022 en gele stippen, d.d. 15-5-2022). Korte waarneming van een enkele huismus tijdens 1e veldbezoek (blauwe cirkel).

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

9

4.2

Vleermuizen

Gedurende het onderzoek zijn in en in de nabijheid van het plangebied de volgende soorten aangetroffen: Tabel 3. Waargenomen soorten en eerste (avondbezoeken zomer/kraamperiode) en laatste (ochtendbezoeken zomer/kraamperiode) waarnemingen per soort.

Waargenomen soorten

Eerste/laatste waarneming gedurende de zomer/kraamperiode

Gewone dwergvleermuis

16-5-2022 -> zon onder 21.23 uur

21.51 uur (1 individu mogelijk uitvliegend)

6-6-2022 -> zon onder 21.48 uur

22.03 uur (2 individuen mogelijk uitvliegend)

25-6-2022 -> zon opkomst 5.20 uur

4.50 uur (1 individu invliegend)

16-5-2022 -> zon onder 21.23 uur

22.55 (overvliegend plangebied)

6-6-2022 -> zon onder 21.48 uur

22.07 (overvliegend plangebied)

25-6-2022 -> zon opkomst 5.20 uur

4.00 uur (2 individuen overvliegend)

Laatvlieger

In de volgende paragrafen staan waarnemingen beschreven per soort en functie.

4.2.1 Gewone dwergvleermuis Foerageerfunctie Tijdens de veldonderzoeken zijn tegelijk kortstondig maximaal twee gewone dwergvleermuizen in het plangebied foeragerend waargenomen. Eén individu foerageerde ieder veldbezoek vrijwel de gehele periode binnen het plangebied. Dit met name aan de rand van het plangebied, namelijk het groen aan de zuid- en westelijke rand, maar kortere perioden mede bij de bomen op de parkeerplaats. Op grond van het aantal individuen foeragerende gewone dwergvleermuizen en het groen in de directe omgeving kan gesteld worden dat het plangebied geen essentieel foerageergebied betreft voor de gewone dwergvleermuis. Vliegroutes/passerend/overvliegend De aanwezige lijnvormige elementen binnen het plangebied fungeren niet als vliegroute. De waargenomen gewone dwergvleermuizen kwamen duidelijk van buiten het plangebied aanvliegen en vlogen vervolgens door of langs het plangebied (zuidwestelijke hoek schoolplein richting noordwesten, langs de siertuinen af, zie figuur 4.1), waarbij korte tijd gefoerageerd werd. Essentiële vliegroutes zijn dan ook niet aanwezig in het plangebied zelf. Het groen aan de randen betreft wel een vliegroute/foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, echter niet is de foerageerfunctie niet van essentiële betekenis (zie vorige alinea).

Een vliegroute van gewone dwergvleermuis is aanwezig buiten het plangebied, maar wel grenzend aan het plangebied.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

10

Zomerverblijffunctie Tijdens de eerste twee veldbezoeken in de avond werd kort na uitvliegmoment één à twee gewone dwergvleermuizen waargenomen aan het zuidelijke deel van het schoolgebouw. Vermoedelijk uitvliegend, exacte locatie was niet te bepalen, maar een verblijfplaats van een enkel individu in het gebouw was aannemelijk en mocht vanuit gegaan worden. Tijdens het derde veldbezoek in de ochtend werd er kortstondig door twee gewone dwergvleermuizen gezwermd en werden geveldelen in de hoek aangetikt (gele cirkel figuur 4.1). Er zijn vervolgens geen vleermuizen op die locatie ingevlogen, maar zal wel deel uitmaken van verblijfslocaties in hun netwerk. Later die ochtend is één zomerverblijfplaatslocatie vastgesteld van één invliegend individu van gewone dwergvleermuis, zie gele ster figuur 4.1. Tijdens het onderzoek vloog deze in een opening onder de dakrand in. Vanuit daar zal de spouwmuur bereikbaar zijn. Door protocollair onderzoek wordt een soort/functie vastgesteld dan wel uitgesloten, echter de exacte locaties kan verschillen door fission fusion. Het betreft dus één zomerverblijffunctie van gewone dwergvleermuis van maximaal 2 individuen die meerdere (minimaal 2) verblijfsmogelijkheden benutten binnen het schoolgebouw. Eén zomerverblijffunctie van één (en mogelijk twee) individuen van de gewone dwergvleermuis is vastgesteld.

Figuur 4.1. Vastgestelde locatie vliegroute (blauwe pijl) en zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis (gele ster en cirkel).

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

11

Kraamverblijffunctie Er is in het plangebied geen kraamverblijffunctie aangetroffen binnen het plangebied. Ter plaatse van de bebouwing rondom het schoolgebouw zijn geen zwermende vleermuizen aangetroffen of gedrag/sporen dat een kraamverblijf indiceert. Paarverblijffunctie Tijdens de paarperiode (augustus – september) zijn er in het plangebied gedurende twee veldbezoeken twee roepende mannetjes gewone dwergvleermuizen waargenomen (zie blauwe cirkels figuur 4.2). Tijdens het veldbezoek op 18-8-2022 is een gewone dwergvleermuis in/uitvliegend waargenomen (00.08 uur invliegend en enkele seconden later weer uitvliegend) aan de oostgevel het pand grenzend aan de westgrens van plangebied. Tussen 2e en 3e schoolbord (rondje en driehoek) onder de dakrand (hoekijzer). Zie figuur 4.2 gele ster voor de locatie. Gewone dwergvleermuizen vliegen al roepend rond om vrouwtjes naar hun paarverblijfplaats te lokken. Doordat zij hierbij door hun hele territorium vliegen is het doorgaans lastig om de exacte paarverblijfplaats te lokaliseren. Door protocollair onderzoek wordt daarnaast een soort/functie vastgesteld dan wel uitgesloten, echter de exacte locaties kan verschillen door fission fusion.

Op basis van het waargenomen gedrag, de potenties van verblijfsmogelijkheden in het gebouw en het vinden van sporen (uitwerpselen) in het veld is daarom te stellen dat binnen het plangebied twee paarterritoria aanwezig zijn, die verspreidt diverse verblijfsmogelijkheden afwisselend benutten binnen hun territorium. Twee paarverblijffuncties met één individu per paarterritorium van de gewone dwergvleermuis is vastgesteld.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

12

Figuur 4.2. Vastgestelde locatie paarverblijfplaats (gele ster) en de paar/baltsterritoria van gewone dwergvleermuizen (blauwe cirkels).

Winterverblijffunctie Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van grotere winterverblijfplaatsen. Aanwijzingen kunnen bestaan uit middernachtelijk zwermgedrag of zwermgedrag in de winter bij een temperatuur lager dan -5 graden Celsius. Tijdens de middernachtzwermbezoeken conform protocol werden geen zwermende dieren waargenomen. Doordat een zomer/paarfunctie vastgesteld is van een enkele gewone dwergvleermuis, kan een winterverblijffunctie in milde periode voor een enkele individu van gewone dwergvleermuis niet uitgesloten worden. Een winterverblijffuncties in milde koudeperioden van een enkele individu van de gewone dwergvleermuis is niet uit te sluiten. Abudantie directe omgeving In de directe omgeving zijn verspreidt enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen tijdens de onderzoeken van half mei-half juli. In de paarperiode zijn verspreid gewone dwergvleermuizen in de omgeving foeragerend waargenomen met sociale roep (zie figuur 4.2 blauwe cirkels).

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

13

4.2.2 Laatvlieger Foerageerfunctie Tijdens het veldonderzoek op 6-6-2022 is één laatvlieger later op de avond (rond 23.45 uur) kort foeragerend waargenomen ter plaatse van het parkeerplein. Op grond van de kort duur van het foerageren en dat het slechts één individu betreft kan gesteld worden dat het plangebied en de direct omgeving geen essentieel foerageergebied betreft voor laatvlieger. Vliegroutes/passerend/overvliegend De aanwezige lijnvormige elementen fungeren niet als vliegroute. De waargenomen laatvliegers waren overvliegend hoorbaar. Op 6 juni 2022 was een hoge overvlieger hoorbaar (22.07) en later is een individu laag passerend waargenomen (22.13) van west naar oost langs het zuidelijk groen. Op 25 juni 2022 zijn twee laatvliegers om 4 uur overvliegend van oost naar west waargenomen. Op 7 september is één laatvlieger passerend/overvliegend binnen het plangebied nabij kerk/jeugdhuis waargenomen om 00.27 uur. Essentiële vliegroutes voor laatvliegers zijn op basis van de aantallen en gedrag uitgesloten in het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Zomerverblijffunctie In de zomermaanden zijn geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van laatvliegers aangetroffen. De eerste laatvliegers die na hoorbaar waren, waren aan de hand van het type geluid en het volume duidelijk overvliegend. Verder is passerend gedrag waargenomen.

Er is geen indicatief gedrag geconstateerd van een mogelijke verblijfplaats binnen het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Kraamverblijffunctie Er zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats van laatvlieger binnen het plangebied of de invloedssfeer van de werkzaamheden. Paarverblijffunctie Tijdens de paarperiode (augustus – september) zijn geen roepende mannetjes of andere individuen van laatvlieger waargenomen die een mogelijk paarverblijffunctie binnen het plangebied of de invloedssfeer van de werkzaamheden indiceren. Winterverblijffucntie Er zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een winterverblijfplaats voor laatvlieger binnen het plangebied of de invloedssfeer van de werkzaamheden. Abudantie directe omgeving In de directe omgeving zijn geen relevante waarnemingen van laatvliegers gedaan.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

14

4.3

Samenvatting resultaten

Tabel 4 geeft een overzicht van de aangetroffen vleermuissoorten en functies. In hoofdstuk 5 is voor deze functies het effect van de ingreep beschreven. Vervolgens is beoordeeld of effecten een overtreding zijn van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Tabel 4. Samenvatting van de waargenomen vleermuissoorten en functies binnen het plangebied. De getallen geven het (geschatte) aantal individuen per functie weer. Getallen met # duiden op een massawinterverblijf, getallen met een * duiden op een essentiële vliegroute of foerageergebied.

Soort

Functie Nest, rust- of voortplantingsplaats

Huismus

In de directe omgeving Zomer Kraam Paar

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

4.4

1 (max. 2 individuen) -

-

2 (1 individu per territorium) -

Andere functie Essentieel Overig foerageergebied Winter -

Essentiele vliegroute -

Essentieel foerageergebied -

-

-

-

Overige waarnemingen van soort(groep)en

Overige vogelsoorten Tijdens het tweede huismusonderzoek op 15-5-2022 zijn gierzwaluwen (8 individuen) waargenomen laag gierend door de Coppelenberg. Het schoolgebouw is niet geschikt voor gierzwaluw. De soort broedt mogelijk in de bebouwing in de directe omgeving (zoals de woningen in de Coppelenberg, Grootdorp of de kerk en de in de quickscan benoemde jeugdhuis aan Kleindorp 1). Scholekster (Grootdorp 32 en plangebied (mogelijk broedend op dak schoolgebouw)), vink, koolmees, pimpelmees, turkse tortel, houtduif, kauw, merel, zwarte roodstaart (electriciteitshuisje noordoosten plangebied). Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek op 18-8-2022 is een egel waargenomen in het groen binnen het plangebied.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

15

5

EFFECTBEPALING EN TOETSING

5.1

Effectbepaling van de ingreep

5.1.1 Huismus (extern effect) Binnen het plangebied is geen huismus territoria aanwezig. In de directe omgeving zijn tientallen huismussen roepend waargenomen en enkele kwetterplekken waargenomen. Voor de in de omgeving broedende huismussen blijft te allen tijde voldoende functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van beschutting, voedselaanbod en stofbadjes. Het plangebied zelf betreft geen essentieel deel in het functioneel leefgebied van in de omgeving broedende huismussen. Doordat er dusdanig veel territoria van huismus in de directe omgeving van het plangebied vastgesteld zijn, is een extern effect op de in de omgeving aanwezige huismussen door verstoring, die kan leiden tot (indirecte) beschadiging/vernietiging van nest- en rustplaatsen, aanwezig. Geadviseerd wordt om verstoring door werkzaamheden (geluiden > 50 dB(A), licht, trilling, beweging, mechanische effecten) te voorkomen en werkzaamheden bij voorkeur uit te voeren buiten de kwetsbare periode. De minst kwetsbare periode betreft de periode tussen 1 oktober en tot en met eind februari. Binnen de genoemde periode dient de koude periode (vorstperioden) mede ontzien te worden. Geadviseerd wordt de mitigerende maatregelen in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol op te nemen. Indien mitigerende maatregelen om verstoring te voorkomen niet mogelijk zijn, dan geldt een ontheffingsplicht.

Opgemerkt dient te worden dat voorgaande mitigerende maatregel dan mede als compenserende maatregel in het activiteitenplan als uitgangspunt zal dienen.

5.1.2 Gewone dwergvleermuis (zomer- en paarverblijffunctie met een niet uit te sluiten winterverblijffunctie in milde koude perioden & vliegroute) Tijdens het onderzoek zijn van gewone dwergvleermuis is één zomerverblijffunctie (1-2 individuen) en twee paarterritoria van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Een winterverblijf in milde koude perioden is daardoor niet uit te sluiten. Er zijn er geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren. Bij sloop van het schoolgebouw verdwijnen deze verblijffuncties. Grenzend aan het plangebied is een vliegroute van gewone dwergvleermuis aanwezig. Tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden kan de vliegroute negatief beïnvloed worden. Middels maatregelen, zoals de verlichting (aantal luxe en lumen) ter plaatste van de vliegroute te allen tijde niet te laten toenemen, kan een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Geadviseerd wordt de mitigerende maatregelen in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol op te nemen. Indien mitigerende maatregelen om overtreding van een verbodsbepaling te voorkomen niet mogelijk zijn, dan geldt een ontheffingsplicht.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

16

Ondanks dat er geen essentiële foerageergebied vastgesteld is wordt wel geadviseerd om bij de alternatieve verblijfslocaties voldoende foerageermogelijkheden en beschutting aan te bieden. Dit kan door het huidige aanwezige groen zoveel mogelijk te behouden en verlichting te beperken.

5.1.3 Algemeen voorkomende vogelsoorten Overtreding op deze soorten is grotendeels op voorhand te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot en met eind augustus worden aangehouden. De periode is echter afhankelijk van de soort, seizoen verloop en klimatologische omstandigheden. Een broedvogelcheck door een ter zake kundig ecoloog vooraf aan de werkzaamheden zal benodigd zijn om te bepalen of in gebruik zijnde nest- en rustplaatsen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, doordat de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen geldend is. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te verwijderen en de bebouwing te slopen/renoveren zonder daarbij broedvogels te verstoren. Geadviseerd wordt de mitigerende maatregelen in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol op te nemen. Indien mitigerende maatregelen om overtreding van een verbodsbepaling te voorkomen niet mogelijk zijn, dan geldt een ontheffingsplicht.

5.1.4 Overige soorten (zorgplicht) De zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan een ieder weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om aanwezige soorten zorgvuldig te verplaatsen naar geschikte locaties in de directe omgeving, zoals amfibieën of een egel. Daarnaast is rekening houden met de kwetsbare perioden gewenst. Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Opgemerkt dient te worden dat hopen groen/blad/snoei/snipper/kapafval ideaal zijn voor diersoorten als kleine zoogdieren, broedvogels en amfibieën om te verblijven. Het weer weghalen hiervan in later stadium kan een overtreding van de Wet natuurbescherming inhouden. Daarnaast wordt ten aanzien van de algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren geadviseerd om vanaf een zijde van het terrein in één richting te werken. Hierdoor hebben de aanwezige dieren een mogelijkheid tot vluchten.

Verder dienen trage soorten als egel, kleine watersalamander en gewone pad zorgvuldig verplaatst te worden naar een geschikte locatie in de directe omgeving. Geadviseerd wordt de maatregelen in het activiteitenplan en ecologisch werkprotocol op te nemen.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

17

6

TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING

Door de ingreep verdwijnen er in totaal drie kleine verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen. Het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen leidt tot een overtreding van Artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming, zoals weergeven in Tabel 3. Zie ook Bijlage 2 voor informatie over de Wet Natuurbescherming. Ten aanzien van overige strikt beschermde soorten (huismus, algemeen voorkomende broedvogels) en vliegroute van gewone dwergvleermuis is een overtreding door maatregelen op voorhand te voorkomen. Geadviseerd wordt de mitigerende maatregelen in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol op te nemen. Indien mitigerende maatregelen om overtreding van een verbodsbepaling te voorkomen niet mogelijk zijn, dan geldt een ontheffingsplicht. Daarnaast geldt voor alle soorten te allen tijde de zorgplicht. Geadviseerd wordt de maatregelen in het activiteitenplan en het ecologisch werkprotocol op te nemen. Tabel 5 Resultaten van de toetsing per soort en functie (Indien van toepassing aangegeven met X of met toelichting).

Soort

Ingreep/ activiteit

opzettelijk doden Art. 3.1 lid 1 (Vogelrichtlijn)

Opzettelijk verstoren

Beschadigen/ Vernietigen

Art. 3.1 lid 4 (Vogelrichtlijn)

Art. 3.1 lid 2 (Vogelrichtlijn)

Art. 3.5 lid 2 (habitatrichtlijn)

Art. 3.5 lid 4 (habitatrichtlijn)

Art. 3.5 lid 1 (habitatrichtlijn) Huismus

Alle handelingen

N.v.t., te voorkomen door rekening te houden met kwetsbare periode

Door maatregelen ‘beschadigen/vernietigen’ niet aan de orde. Dit doordat de storing dan niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (Art. 3.5 lid 5).

Extern effect mogelijk. Overtreding te voorkomen door verstoring te voorkomen en de werkzaamheden bij voorkeur uit te voeren in de minst kwetsbare periode. De minst kwetsbare periode betreft de periode tussen 1 oktober en tot en met eind februari. Binnen de genoemde periode dient de koude periode (vorstperioden) mede ontzien te worden.

Algemeen voorkomende broedvogels

Alle handelingen

N.v.t. door rekening te houden met periode en check vooraf.

N.v.t.

Effect mogelijk. Overtreding te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren als er geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn. Een broedvogelcheck door een ter zake kundig ecoloog vooraf aan de werkzaamheden zal

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

18

benodigd zijn om te bepalen of in gebruik zijnde nest- en rustplaatsen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, doordat de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen geldend is. Gewone dwergvleermuis

Overige soorten

Slopen schoolgebouw en werkzaamheden aan gebouw grenzend aan westzijde plangebied

N.v.t.. te allen tijde te voorkomen door adequate maatregelen

Tijdens en na de werkzaamhe den (met name toepassen verlichting)

N.v.t..

1 zomerverblijffunctie: Ontheffingsplicht

1 zomerverblijffunctie: Ontheffingsplicht

2 paarverblijffuncties: Ontheffingsplicht

2 paarverblijffuncties: Ontheffingsplicht

Vliegroute aan westzijde: Effect mogelijk. Overtreding te voorkomen door geen toename van verlichting op de vliegroute. Vliegroute aan westzijde:

Vliegroute aan westzijde:

Effect mogelijk. Overtreding te voorkomen door geen toename van verlichting op de vliegroute.

Effect mogelijk. Overtreding te voorkomen door geen toename van verlichting op de vliegroute.

Zorgplicht (art. 1.11 Wnb)

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

19

7

CONCLUSIES EN VEROLGSTAPPEN

Algemeen o

o

Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2021 en Kennisdocument van de huismus ,waardoor gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming Soortenbescherming nodig.

Resultaten o o

Tijdens het onderzoek zijn buiten het plangebied essentiële locaties voor de huismus en een vliegroute van gewone dwergvleermuis vastgesteld; Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied één zomerverblijffunctie en twee paarterritoria van gewone dwergvleermuis vastgesteld.

Effecten o o o

De werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring (en indirect beschadiging/vernietiging) van beschermde functies van huismussen in de directe omgeving van het plangebied; De handelingen kunnen leiden tot verbodsbepalingen van overige broedvogels en vliegroute van gewone dwergvleermuizen; Het slopen van het schoolgebouw leidt tot het verlies van één zomerverblijffunctie en twee paarverblijffuncties van gewone dwergvleermuis.

Toetsing o o

Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van huismus, overige broedvogels en vliegroute van gewone dwergvleermuis is op voorhand te voorkomen; Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden lid 2 en 4 van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden.

Vervolgstappen o

o

o o

Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient een activiteitenplan opgesteld te worden. In dit plan staat beschreven hoe de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd, het activiteitenplan dient als onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag. Bij de ontheffingsaanvraag is er een wettelijk belang nodig, een alternatievenafweging én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep. Na het verkrijgen van de ontheffing moet vaak een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. De werkzaamheden zijn tevens een kans om natuurinclusief te werken. Hiermee kunnen vaak op relatief eenvoudige manier extra maatregelen genomen worden die bijdragen aan behoud en herstel biodiversiteit. Dit kan vaak goed in combinatie met de wettelijke maatregelen die nodig zijn voor de mitigatie.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

20

Extra toelichting Een ontheffing dient te worden aangevraagd voor overtreding van een verbodsbepaling voor de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 2 en lid 4, van de Wnb). Aan de ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan ten grondslag te liggen. In het activiteitenplan dient: -

de te treffen compenserende maatregelen beschreven te worden; en het wettelijke belang (artikel 3.8, lid 5, van de Wnb) te worden onderbouwd; en een alternatievenafweging plaats te vinden.

Indien een overtreding op huismus, overige broedvogels en vliegroute van gewone dwergvleermuis op voorhand niet te voorkomen is, dan dient hiervoor mede een ontheffing aangevraagd te worden. Geadviseerd wordt om de maatregelen om overtreding van verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming op voorhand te voorkomen op te nemen in het activiteitenplan en in het ecologisch werkprotocol.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

21

8

BRONNEN

8.1

Literatuur o

o o o

8.2

Barataud, M., 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Species Identification, Study of their Habitats and Foraging Behaviour.Biotope, Mèze. Muséum national d’Histoire naturelle, Paris [Inventaires et biodiversité series]. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Ti-rion Uitgevers, Utrecht. Middleton, N., A. Froud & K. French. (2014) Social Calls of the Bats of Britain and Ireland. Pelagic Publishing, Exeter. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021, maart 2021. [http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol].

Websites o o

www.bij12.nl(kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)

8.3

Project gerelateerde bronnen o

R.H.A. Janssen, 2022 Quickscan Wet natuurbescherming Coppelenberg 3 te Merselo. Rapport 18194.001, Econsultancy, Boxmeer.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

22

BIJLAGEN

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

23

Bijlage I: Quickscan flora en fauna (Econsultancy, 18194.001, versie D1, d.d. 1 april 2022) Separaat toegevoegd

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

24

Bijlage II: Wet natuurbescherming Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: o o o

bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten, bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). De zorgplicht houdt in dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor beschermde gebieden en soorten niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen. Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu van in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in Nederland.

Overgangsrecht

In het Besluit natuurbescherming is opgenomen dat de ontheffingen afgegeven onder het oude recht, gelden als ontheffingen onder de Wet natuurbescherming. Daarbij blijven dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden gelden. Dit geldt eveneens voor omgevingsvergunningen en vvgb’s. De gedragscodes worden verlengd tot het moment van in werking treden van de Wet natuurbescherming en de nieuwe gedragscodes definitief zijn goedgekeurd. Onderstaand volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01). Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: o o

leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

25

Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: o o

de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of, een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verleend. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag. Soortbescherming Een van de doelen van de Wnb is de bescherming van inheemse flora en fauna. Vanuit deze wet is bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde soorten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij’ – principe). Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die onder andere zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. In het tekstkader van deze Bijlage (zie volgende pagina) staan de artikelen uitgeschreven. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, 2. beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, 3.

beschermingsregime ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’), oftewel de Nationale soorten. Hieronder wordt uitgelegd welke verbodsbepalingen gelden per regime, welke vrijstellingen er gelden en op welke gronden ontheffingen kunnen worden aangevraagd. 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om: 1. opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. opzettelijk vogels te storen. Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

26

De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen: alle dieren uit: de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a, het Verdrag van Bern, bijlage II, met uitzondering van de soorten bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. o het Verdrag van Bonn, bijlage I, met uitzondering van de soorten bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. en alle planten uit: o o

o o

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b, het Verdrag van Bern, bijlage I.

Volgend artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5.

opzettelijk dieren te doden of te vangen; opzettelijk dieren te verstoren; opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

3. Beschermingsregime andere (nationale) soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1. opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het Ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Indien de Nationale soorten niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

27

Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: o o o

geen andere bevredigende oplossing bestaat; geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort; en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en artikel 3.10, lid 2).

Bescherming van houtopstanden Een houtopstand is beschermd wanneer deze: o o

een oppervlakte van 10 are of meer beslaat, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen.

Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: o o o o o o

houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden; houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die:  ten minste eens per tien jaar worden geoogst;  bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;  zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

28

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit: -

bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland. Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: o

zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In onderhavige rapportage is niet getoetst aan de Wet dieren.

Rapport Aanvullend ecologisch veldonderzoek (huismus en vleermuizen) Schoolgebouw te Merselo Projectnummer 2205.GVE.ECO2 Definitief, revisie 00 Darum: 20-09-2022

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15856307/1